Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4039

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
7314693 CV EXPL 18-7091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Pensioenrecht; met vakbonden overeengekomen wijziging van indexatie-afspraken is geen eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Art. 19 PW en art. 7:613 BW zijn niet aan de orde. Voorwaardelijke indexatie is niet in strijd met artikel 65 PW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0777
PJ 2019/105
RAR 2019/154
PR-Updates.nl PR-2019-0108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 7314693

Rolnummer : 18-7091

Uitspraak : 11 juli 2019

in de zaak van:

[eiser] , wonende te [woonplaats] ;

eiser,

gemachtigde: mr. C. Claessens,

t e g e n

de naamloze vennootschap Canon Nederland N.V.,

gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds.

Partijen zullen hierna worden genoemd “ [eiser] ” en “Canon”.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

a. de dagvaarding, met 21 producties;

b. de conclusie van antwoord, met 2 producties;

c. het vonnis van 21 februari 2019, waarin door de kantonrechter een comparitie van partijen is bepaald;

d. de comparitie van partijen, die heeft plaatsgevonden op 7 mei 2019, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. De gemachtigden van partijen hebben daarbij beiden gebruikt gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

In de periode van 1 september 2006 tot 1 november 2017 is [eiser] bij Canon in dienst geweest. Op grond van dit dienstverband was [eiser] deelnemer in de collectieve pensioenregeling, ondergebracht bij Nationale Nederlanden Levensverzekering Mij N.V. (hierna: “Nationale Nederlanden”). Deze pensioenregeling bevatte onder meer een jaarlijkse onvoorwaardelijke indexering van het opgebouwde pensioen.

2.2.

Voordat [eiser] in 2006 bij Canon in dienst trad, had [eiser] een dienstverband van 18 jaar bij Ricoh Europe B.V. Op grond van dit dienstverband was [eiser] deelnemer in de collectieve pensioenregeling, eveneens ondergebracht bij Nationale Nederlanden. Deze pensioenregeling kende ook een jaarlijkse onvoorwaardelijke indexering van het opgebouwde pensioen.

2.3.

Op 1 januari 2006 kwam Canon een nieuwe pensioenregeling overeen met Nationale Nederlanden. Deze pensioenregeling was een geïndexeerde middelloonregeling. Voor deelnemers gold een onvoorwaardelijk recht op indexatie op basis van de loonontwikkeling. Op 1 april 2007 werd de waarde van het opgebouwde pensioen van [eiser] bij Ricoh overgedragen naar de pensioenregeling van Canon bij Nationale Nederlanden.

2.4.

In 2012 heeft Canon Océ overgenomen. Met ingang van 2014 is het Océ Pensioenfonds overgenomen door het Pensioenfonds van de Metalektro (hierna: “PME”). Werknemers zijn vanaf die tijd gaan deelnemen in de pensioenregeling van PME. Voor Canon-werknemers, zoals [eiser] , is destijds de pensioenregeling van Nationale Nederlanden gehandhaafd (hierna: “NN-regeling)”.

2.5.

Nationale Nederlanden heeft bij brief van 29 december 2015 de uitvoerings-overeenkomst met Canon per 31 december 2016 opgezegd. Hierdoor is Canon genoodzaakt geweest op zoek te gaan naar een andere pensioenregeling voor haar werknemers die onder de NN-regeling vielen.

Met Nationale Nederlanden en de vakbonden is afgesproken dat het onder de NN-regeling opgebouwde pensioen bij Nationale Nederlanden zou achterblijven en dat de Canon-werknemers per 1 januari 2017 zouden gaan deelnemen in de PME-regeling. Tevens zijn toen afspraken gemaakt over de indexatie van het NN-pensioen.

2.6.

Bij brief van 11 oktober 2016 informeerde Canon haar werknemers over het beëindigen van de pensioenuitvoeringsovereenkomst met Nationale Nederlanden.

Op 24 november 2016 vond een eerste voorlichtingsbijeenkomst plaats voor werknemers van Canon over het eindigen van de pensioenregeling. Deze overeenkomst werd georganiseerd door de vakbonden (De Unie, FNV en CNC). Hierbij werd de werknemers bericht dat Canon de indexatie wilde afbouwen en tenslotte geheel wilde beëindigen.

In een e-mail aan alle medewerkers heeft Canon op 2 december 2016 bericht dat zij de vakbonden een voorstel hebben gedaan voor een compensatieregeling die naar redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar was. Wat deze compensatieregeling inhield, werd niet vermeld.

Verder werd op 14 december 2016 door Canon een brief gezonden aan [eiser] , waarin onder meer het volgende werd vermeld:

Uw pensioenrechten opgebouwd t/m 31 december 2016 bij Nationale Nederlanden, blijven daar staan. Er is een indexatiedepot beschikbaar waaruit deze rechten nog enige tijd kunnen worden geïndexeerd. Met de vakbonden zijn wij op dit moment nog in overleg over de besteding van dit indexatiedepot en over een mogelijke compensatie voor verschillen tussen de oude regelingen van Nationale Nederlanden en de nieuwe regeling van PME c.q. Avero Achmea. Het volgende overleg is gepland op 22 december a.s.

2.7.

Op 25 december 2016 diende [eiser] een bezwaarschrift in bij Canon naar aanleiding van voornoemde brief van Canon van 14 december 2016.
Na ontvangstbevestiging de dato 28 december 2016 is hierop door Canon nimmer terug gekomen.

2.8.

In een brief van 23 januari 2017 van FNV Metaal werd de voortgang van de onderhandelingen met Canon besproken.

Op 20 april 2017 vond een informatiesessie plaats voor de werknemers van Canon.
Het compensatievoorstel van Canon voor haar medewerkers, die (zoals [eiser] ) op
31 december 2016 en aansluitend op 1 januari 2017 in dienst waren van Canon, was blijkens de PowerPointpresentatie, pg 8 onder 5. als volgt:

“De bij Nationale Nederlanden achtergebleven opgebouwde pensioenaanspraken worden gedurende een periode van 15 jaar jaarlijks per 1 april verhoogd met 1% , voor het eerst per
1 april 2017 en voor het laatst 1 april 2031.”

Op 1 juni 2017 werd door Canon bevestigd dat er overeenstemming was bereikt met de vakbonden. Dit werd tevens bevestigd door Nationale Nederlanden op 19 juli 2017.

2.9.

In januari 2017 gaf Canon [eiser] te kennen dat zij zijn arbeidsovereenkomst wilde beëindigen, bij voorkeur met wederzijds goedvinden en door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.

Deze vaststellingsovereenkomst werd op 30 juni 2017 ondertekend door partijen.
Onder het kopje “Kwijting” (pagina 4 van de vaststellingsovereenkomst) zijn partijen onder 11. het volgende overeengekomen:

Partijen verklaren dat alle relevante onderwerpen aan de orde zijn geweest. Na betaling door Canon aan of ten gunste van medewerker van hetgeen in deze overeenkomst is vermeld, wordt medewerker geacht Canon algehele finale kwijting te hebben verleend terzake van de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan, met uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken inzake de pensioenovereenkomst. Tevens wordt Canon geacht finale kwijting te hebben verleend terzake de arbeidsovereenkomst, beëindiging van de arbeidsovereenkomst en anderszins. Partijen verklaren dat alle relevante onderwerpen in deze overeenkomst behandeld zijn.

De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 1 november 2017.

2.10.

[eiser] is het niet eens met de wijziging van zijn pensioenrechten en heeft met zijn brieven van 30 augustus 2017, 12 oktober 2017 en 22 maart 2018 getracht hierover met Canon in gesprek te komen. Toen dit niet lukte, is [eiser] onderhavige procedure gestart.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Voor recht verklaart dat:

  • -

    de wijziging van de pensioenregeling door Canon een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden is en Canon de pensioenregeling niet eenzijdig kon wijzigen zonder instemming van [eiser] , nu er geen zwaarwichtig belang was aan de zijde van Canon;

  • -

    door het onrechtmatig eenzijdig wijzigen van de pensioenregeling Canon jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten en/of tekort schiet in de nakoming van die pensioenregeling;

  • -

    De indexatie van het opgebouwde pensioen tot 1 november 2017 onvoorwaardelijk is in de zin van art 1 PW, en dat het onvoorwaardelijk recht op indexatie niet afgekocht kan worden op grond van artikel 65 PW;

  • -

    De indexatie van het opgebouwde pensioen onvoorwaardelijk is, dan wel onvoorwaardelijk is geworden in de zin van art 1 PW;

  • -

    Canon geen of onvoldoende compensatie biedt voor het pensioenverlies en Canon tekort schiet in de nakoming van de pensioenregeling 2007 jegens [eiser] , Canon op grond van die tekortkoming in de nakoming aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor lijdt, welke nader op te maken bij staat, en Canon gehouden is die schade te vergoeden aan [eiser] .

Canon veroordeelt:

  • -

    Primair: in de nakoming van de pensioentoezegging door middel van het aangaan van een nieuwe uitvoeringsovereenkomst met Nationale Nederlanden, dan wel een andere pensioenuitvoerder of verzekeraar waarbij de onvoorwaardelijke indexatie van het opgebouwde pensioen, en toekomstige uitkeringen, conform artikel 9 van de pensioenregeling 2007, wordt voortgezet dan wel een die gelijk is aan of ten minste gelijke rechten en waarborgen biedt als de uitvoeringsovereenkomst 2007 aan zowel deelnemers als aan gewezen deelnemers;

  • -

    indien nakoming blijvend onmogelijk is geworden, tot vergoeding van de geleden schade en nog te lijden schade door [eiser] op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag van betaling;

  • -

    Subsidiair: tot het betalen van een zodanig geldbedrag aan Nationale Nederlanden ten behoeve van het voortzetten van de onvoorwaardelijke- en voorwaardelijke indexatie waardoor [eiser] in dezelfde positie wordt gebracht als waarin hij zou hebben verkeerd als de uitvoeringsovereenkomst 2007 ongewijzigd zou zijn voortgezet;

  • -

    in de kosten van deze procedure, het salaris gemachtigde daarbij inbegrepen, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis. Zulks op straffe van een dwangsom van € 500, - per dag dat Canon daartoe in gebreke blijft.

3.2.

[eiser] voert daartoe primair aan dat Canon de pensioenovereenkomst niet eenzijdig mocht wijzigen, omdat door Canon niet is aangetoond, noch is gebleken dat de wijziging noodzakelijk was wegens zwaarwichtige belangen. [eiser] heeft ook niet ingestemd met het wijzigingsbesluit. Canon schiet daarmee toerekenbaar tekort in de nakoming van de arbeidsovereenkomst en/of pensioenovereenkomst en is gehouden de overeenkomst na te komen en schade die [eiser] lijdt door deze tekortkoming te vergoeden. Het wijzigen van een onvoorwaardelijke indexatie in een voorwaardelijke indexatie, leidt voor [eiser] namelijk tot een sterke beperking van zijn indexatieperspectief en recht op indexatie de komende 15 jaar en tot een volledig verlies van indexatieperspectief na 15 jaar.

Verder heeft de indexatie een onvoorwaardelijk karakter gekregen, omdat Canon door zijn wijze van uitvoering geven aan de indexatie en communicatie hierover gedurende een langere periode, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat deze zorg draagt voor onvoorwaardelijke indexatie van het pensioen.

Bovendien resulteert de door Canon doorgevoerde wijziging in de indexatieregeling in een vorm van afkoop die in strijd is met het afkoopverbod van artikel 65 PW en daarmee nietig is (art. 65 lid 2 PW).

3.3.

Canon heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Alle vorderingen van [eiser] zijn terug te voeren op het verzet van [eiser] tegen de met de vakbonden overeengekomen wijziging van de indexatie-afspraken per
1 januari 2017. Voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil stelt [eiser] zich op het standpunt dat er sprake is van een ongeoorloofde eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst en dat de afspraken nietig zijn wegens strijd met het afkoopverbod van artikel 65 PW.

Eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst?

4.2.

Allereerst stelt [eiser] zich op het standpunt dat sprake is van een ongeoorloofde, eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst.

Canon betwist dat er sprake is van een eenzijdige wijziging en stelt dat zij de pensioenregeling in overleg en met instemming van de vakbonden heeft gewijzigd, zodat sprake is van een wijziging met wederzijds goedvinden. De overstap van de NN-regeling naar de PME-regeling is overeengekomen met de vakbonden en is neergelegd in de tussen partijen geldende Canon Océ CAO. Hetzelfde geldt ten aanzien van de indexatie-afspraken, aldus Canon.

4.3.

De kantonrechter oordeelt dienaangaande als volgt.

4.3.1.

Wijziging van de pensioenovereenkomst behoeft – als uitgangspunt – de instemming van iedere werknemer afzonderlijk.

In dit geval zijn er in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) afspraken gemaakt met vakorganisaties over de inhoud van de pensioenregeling, die een wijziging van de pensioenovereenkomst inhouden. Er is dan sprake van vervangende instemming door de cao-partijen, waarbij individuele werknemers gebonden kunnen worden zonder dat zij met die wijziging hoeven in te stemmen. Georganiseerde werknemers zijn op grond van artikel 9 en 12 Wet CAO gebonden aan de wijziging. Canon, als georganiseerde werkgever, dient op grond van artikel 14 Wet CAO de overeengekomen wijzigingen ook toe te passen op ongeorganiseerde (ex-)werknemers, zoals [eiser] . [eiser] is op zijn beurt eveneens gebonden aan de wijziging, omdat als niet, althans onvoldoende weersproken vaststaat dat de tussen partijen geldende cao is geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomst.

4.3.2.

De stelling van [eiser] dat Canon de pensioenregeling in strijd met artikel
19 Pensioenwet (PW) zonder toestemming van de werknemers heeft gewijzigd, treft dan ook geen doel.

Artikel 19 PW bepaalt dat een werkgever de pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer kan wijzigen indien de bevoegdheid daartoe schriftelijk in de pensioenovereenkomst is opgenomen en er tevens sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

In artikel 27 van de NN-regeling is een dergelijk eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen.

Echter, er is geen sprake van een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst, zoals hiervoor overwogen, maar van een tweezijdige (collectieve) wijziging.

Zoals door Canon gemotiveerd is gesteld, is de grondslag voor de overstap van Canon van de NN-regeling naar de PME-regeling en de wijziging van de indexatie-afspraken dus niet het eenzijdig wijzigingsbeding zoals opgenomen in artikel 27 van de NN-regeling. Beide wijzigingen zijn door Canon overeengekomen met de vakbonden en de ter zake gemaakte afspraken zijn neergelegd in artikel 21 van de Canon Océ CAO 1 juli 2017 – 30 juni 2019 (hierna: “Canon Océ CAO”).

4.4.

Verder stelt [eiser] dat een wijziging van de pensioenovereenkomst in overeenstemming en met instemming van de vakbonden niet inhoudt dat er geen toets hoeft plaats te vinden op basis van artikel 7:613 BW, zoals door Canon wordt gesteld.

Volgens [eiser] zou het een uitholling van de rechtsbescherming inhouden om [eiser] gebonden te achten aan toekomstige cao-wijzigingen waarvan hij aard noch inhoud kan kennen op het moment van tekenen van de arbeidsovereenkomst. Daarbij is volgens [eiser] van belang dat hem bij indiensttreding een gegarandeerde, waardevaste pensioenuitkering is toegezegd op basis van onvoorwaardelijk indexatie-perspectief. Ook van belang is dat hij schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging van zijn pensioenovereenkomst al vóórdat Canon met de vakbonden een onderhandelingsakkoord heeft gesloten. Tenslotte heeft [eiser] een voorbehoud gemaakt in zijn vaststellingsovereenkomst ter zake van finale kwijting voor aanspraken inzake de pensioenovereenkomst.

4.5.

De kantonrechter oordeelt met betrekking tot het beroep van [eiser] op de redelijkheidstoets van artikel 7:613 BW als volgt.

4.5.1.

Artikel 7:613 BW bepaalt dat de werkgever slechts een beroep kan doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

Zoals hiervoor overwogen doet Canon geen beroep op een (eenzijdig) wijzigingsbeding van de pensioenovereenkomst, maar is er sprake van een tweezijdige (collectieve) wijziging, waaraan [eiser] (door middel van vervangende instemming van de vakorganisaties en incorporatie) gebonden is. Zodoende is artikel 7:613 BW in dit geval niet aan de orde.

4.5.2.

Verder valt niet in te zien dat er sprake is van een uitholling van de rechtsbescherming van [eiser] , doordat hij wordt gebonden aan (toekomstige) cao-afspraken. De rechtsbescherming van werknemers (al- dan niet georganiseerd) ligt immers ten grondslag aan het huidige CAO-systeem en is met voldoende (wettelijke) waarborgen omkleed.

Van concrete omstandigheden die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [eiser] te houden aan een collectieve wijziging van zijn pensioenaanspraken, is niet gebleken.

4.5.3.

Het standpunt van [eiser] dat hem bij indiensttreding een gegarandeerde, waardevaste pensioenuitkering is toegezegd op basis van een onvoorwaardelijk indexatie-perspectief, zodat de wijzigingen neergelegd in artikel 21 van de Canon Océ CAO in redelijkheid niet op hem van toepassing zouden zijn, kan niet worden gevolgd. Ut niets blijkt dat Canon hem een dergelijke, toekomstbestendige toezegging heeft gedaan.

Evenmin blijkt dat gesproken is over (individuele) voorzieningen bij een eventuele toekomstige wijziging van zijn pensioenregeling, waaruit [eiser] zou mogen begrijpen dat aan hem een zodanige individuele toezegging is gedaan dat artikel 21 van de Canon Océ CAO niet op hem van toepassing is.

Dat [eiser] door middel van een bezwaarschrift, meerdere brieven en een beding in zijn vaststellingsovereenkomst duidelijk heeft aangegeven niet in te willen stemmen met wijziging van zijn pensioenregeling, doet evenmin af aan zijn (of Canons) gebondenheid aan de wijziging van de pensioenafspraken zoals neergelegd in artikel 21 van de Canon Océ CAO.

4.5.4.

De enkele stelling van [eiser] tot slot, dat Canon de indruk zou hebben gewekt dat indexatie voor gewezen deelnemers in feite onvoorwaardelijk zou zijn, is door Canon gemotiveerd betwist. Onder de NN-regeling was indexatie voor actieve deelnemers onvoorwaardelijk en voor inactieve, gewezen deelnemers voorwaardelijk (zie artikel 9 van de NN-regeling). Uit de gedingstukken blijkt dat Canon haar werknemers tijdens de voorlichtingsbijeenkomsten, die zijn gehouden in het kader van beëindiging van de NN-regeling en toetreding van de PME-regeling, op dat punt correct heeft voorgelicht. Daarbij heeft Canon ook steeds uitvoering gegeven aan indexatie conform artikel 9 van de NN-regeling. Dat in de periode van 2006 tot 2017 steeds is geïndexeerd voor zowel deelnemers als gewezen deelnemers, vindt zijn verklaring in de omstandigheid dat de overrente voldoende was. Gelet hierop kan [eiser] aan indexering in die periode naar het oordeel van de kantonrechter niet de gerechtvaardigde verwachting hebben ontleend dat indexatie voor hem te allen tijde onvoorwaardelijk zou zijn.

Indexatie-afspraken in strijd met artikel 65 PW?

4.6.

[eiser] stelt verder dat, voor zover Canon de pensioenregeling al mocht wijzigen, de indexatie-afspraak dat de bij Nationale Nederlanden achtergebleven opgebouwde pensioenaanspraken gedurende een periode van 15 jaar jaarlijks per 1 april worden verhoogd met 1%, een in artikel 65 PW verboden afkoop van pensioenaanspraken zou inhouden.

Volgens Canon zijn de indexatie-afspraken niet in strijd met het afkoopverbod van artikel 65 PW.

4.6.1.

De kantonrechter overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 65 PW verbiedt afkoop van pensioenafspraken, behoudens de in de artikelen 66 tot en met 69 bedoelde situaties. Elk beding dat strijdig is met dit artikel is nietig.

“Pensioenaanspraak” wordt in artikel 1 PW gedefinieerd als: “het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening”.

Een indexatie-afspraak is een toeslagverlening. Een voorwaardelijke indexatie-aanspraak is, gelet op eerdergenoemde definitie, géén pensioenaanspraak in de zin van de Pensioenwet en valt dus niet onder het afkoopverbod van artikel 65 PW.

[eiser] is op grond van artikel 2 lid 3 van de NN-regeling sinds 1 januari 2017 (zijnde de datum van eindiging van de NN-regeling) een gewezen deelnemer van de NN-regeling. Artikel 9 van de NN-regeling bepaalt dat voor gewezen deelnemers een voorwaardelijke indexatie geldt (namelijk indexatie afhankelijk van de overrente).

Nu de indexatie-afspraak waartegen [eiser] ageert alleen betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 2017 (indexatie vindt immers voor het eerst plaats per
1 april 2017 en voor het laatst 1 april 2031), houdt deze afspraak ingevolge artikel 65 PW dus géén verboden afkoop van pensioenaanspraken in.

4.7.

De stelling van [eiser] tot slot dat, mocht er geen sprake zijn van afkoop van indexatieafspraken, er in ieder geval in strijd met goed werkgeverschap is gehandeld en in strijd met de redelijkheid en billijkheid, wordt door de kantonrechter evenmin gevolgd.

Gesteld noch gebleken is immers dat de keuze van Canon om de opgebouwde pensioenafspraken achter te laten bij Nationale Nederlanden en ter compensatie voor gewezen deelnemers voor de NN-regeling met de vakorganisaties een aanvullende compensatieregeling overeen te komen (in de vorm van de in het geschil zijnde indexatie-afspraak) voor [eiser] nadelig zouden zijn.

Dankzij deze indexatie-afspraak is [eiser] immers de komende 15 jaar verzekerd van een indexatie van 1%. Zonder deze indexatie-afspraak zou dit niet het geval zijn. Immers, met het eindigen van de uitvoeringsovereenkomst tussen Canon en Nationale Nederlanden is ook de overeengekomen winstdeling geëindigd en wordt geen overrente meer gerealiseerd (op basis waarvan de indexatie werd berekend).

4.8.

Slotsom is, dat alle vorderingen van [eiser] op grond van het voorgaande moeten worden afgewezen.

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten als hierna te melden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Canon tot op heden begroot op € 600,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2019.