Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:3968

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
19/1001
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1001

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , verzoeker (hierna: [naam] ),

wettelijk vertegenwoordigd door [naam] (hierna: moeder),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Slagmolen).

Procesverloop

Bij uitspraak van 10 september 2018, zaaknummer SHE 18/887, heeft deze rechtbank verweerder opgedragen binnen zes weken na de datum van de uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag om pgb.

Op 12 november 2018 heeft moeder verweerder in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Op 16 november 2018 heeft moeder beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag.

Bij besluit van 20 november 2018 heeft verweerder alsnog beslist op de aanvraag. Bij dat besluit is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de aanvraag. [naam] komt in aanmerking voor Jeugdhulp ambulant op locatie van de aanbieder, te weten Psy-Noord Psychotherapie. Hiervoor heeft verweerder een persoonsgebonden budget (pgb) beschikbaar gesteld. Verweerder heeft geen pgb toegekend voor Spil voor cogmedtraining, Pienterplus individuele begeleiding/ondersteuning hoogbegaafdheid, psychiater voor medicamenteuze ondersteuning en ondersteuning vanuit het netwerk.

Op 3 april 2019 heeft moeder de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. [naam] is niet verschenen, maar is vertegenwoordigd door moeder en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In het geval een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingediend, moet op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voldaan zijn aan de eis van connexiteit. Dit betekent dat, tegelijkertijd met het aanhangig maken van de voorlopige voorziening, bezwaar moet worden gemaakt tegen een bestreden besluit dan wel beroep moet worden ingesteld bij de bestuursrechter.

2. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening ziet op het volgens moeder niet tijdig beslissen op de aanvraag om een pgb.

3. Verweerder heeft na indiening van het beroep tegen het niet nemen van een besluit, op 20 november 2018, een besluit genomen op die aanvraag. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Ingevolge het vierde lid van artikel 6:20 van de Awb kan de beslissing op het beroep worden doorverwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt of ingesteld.

4. Het besluit van 20 november 2018 komt niet geheel tegemoet aan het beroep, omdat niet voor alle gevraagde voorzieningen pgb is toegekend. De voorzieningenrechter zal het beroep van rechtswege tegen het besluit van 20 november 2018 doorzenden aan verweerder ter behandeling als bezwaar, omdat verweerder heeft aangegeven dat hij nog onderzoek moet verrichten. De voorzieningenrechter beschouwt het verzoek om voorlopige voorziening daarom als connex aan het bezwaar tegen het besluit van 20 november 2018.

5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

6. Moeder vraagt de voorzieningenrechter een hoger pgb toe te kennen, zodat zij in staat is alle benodigde en aangevraagde ondersteuningsvormen in te zetten en alle zorg die al is ingezet te waarborgen. De benodigde en aangevraagde ondersteuningsvormen hebben blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting betrekking op zorg verleend door zorgverlener Feniks Talent. Moeder stelt dat de zorg door Feniks Talent noodzakelijk is naast de zorg door Pienterplus. Dat Feniks Talent een passende vorm van zorg biedt blijkt uit een advies van onderwijsconsulent Marlies Peters. [naam] heeft inmiddels een of twee keer per week een gesprek met Pienterplus, ofschoon het toegekende pgb daar niet voor mag worden ingezet. Feniks Talent zal [naam] gaan begeleiden. Inzet van Cogmed is noodzakelijk voor de behandeling van [naam] ’s concentratieproblemen. Moeder wijst er op dat de aanvankelijk gevraagde en ook toegekende zorg via Psy-Noord niet meer aan de orde is. Moeder wijst voorts op een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 27 april 2019 over [naam] . De kinderrechter heeft een verzoek om ondertoezichtstelling van [naam] afgewezen en daarbij overwogen dat de ontwikkeling van [naam] stagneert, maar dat moeder en haar partner, de heer [naam] , daarvan geen verwijt treft. In het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming wordt geadviseerd [naam] zorg via Pienterplus en Feniks Talent aan te bieden. Moeder stelt zich op het standpunt dat zij keuzevrijheid heeft voor zorg in natura of een pgb ten behoeve van de inkoop van zorg. Verweerder wenst niet mee te werken aan verlening van pgb voor de inkoop van zorg door Feniks Talent. Daarom wil moeder het ondersteuningsplan ten behoeve van de zorg door Feniks Talent, dat verweerder bij brief van 14 mei 2019 ter ondertekening aan haar heeft aangeboden, niet ondertekenen.

7. Verweerder geeft aan dat het besluit van 20 november 2018 gezien de op dat moment beschikbare informatie juist was. Op dat moment was Feniks Talent niet in beeld, zodat in het besluit daar niet over is beslist. Verweerder had onvoldoende informatie over de zorg door Pienterplus. Verweerder bevestigt dat moeder het toegekende pgb niet mag inzetten voor inkoop van zorg bij Pienterplus. Blijkens de brief van 14 mei 2019 heeft moeder op vragen van verweerder over de zorg door Pienterplus volstaan met toezending van een behandelplan van Pienterplus. Verweerder maakt uit dat behandelplan op dat de doelen van de behandeling door Pieterplus en Feniks Talent overeenkomen, en dat deze behandelingen elkaar overlappen. Verweerder heeft aangegeven dat voor eenzelfde ondersteuning niet gelijktijdig een toekenning wordt gedaan.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

9. De offerte van Feniks Talent dateert van 8 april 2019. De aanvraag waarover de rechtbank in zaak SHE 18/887 heeft geoordeeld had geen betrekking op Feniks Talent, aangezien die zorgverlener op dat moment nog niet in beeld was. Verweerder heeft daarom terecht opgemerkt dat het insturen van de offerte van Feniks een melding is, waarop nog een aanvraag moet volgen. Er is dus nog geen besluitvorming ten aanzien van mogelijke zorg verleend door zorgverlener Feniks Talent. Het ingediende verzoek om voorlopige voorziening is op dit punt dus prematuur en zal daarom in zoverre worden afgewezen.

10. Nu voorts reeds een aanzienlijk pgb is toegekend waarmee individuele begeleiding wordt ingekocht bij zorgverlener mevrouw Blankendaal en Cogmed werkgeheugentraining en er geen reden is om aan te nemen dat deze zorg de komende tijd niet gewaarborgd zal worden, ziet de voorzieningenrechter ook op dit punt geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

11. Ter zitting is verder gebleken dat [naam] inmiddels ook zorg ontvangt van Pienterplus. Pienterplus brengt volgens moeder geen kosten in rekening zolang er nog geen uitspraak in deze procedure is. Moeder heeft niet onderbouwd dat Pienterplus nadien onmiddellijk voldoening van openstaande betalingsverplichtingen zal vorderen. In zoverre bestaat voorshands ook geen grond voor het oordeel dat voortzetting van deze zorg niet is gewaarborgd. Moeder heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat zij thans in een situatie verkeert als omschreven in rechtsoverweging 5, en die zou maken dat levering van de zorg onmiddellijk gevaar loopt. Ook in zoverre bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daarnaast heeft moeder ter zitting gesteld dat de Raad voor de Kinderbescherming zorg door Pienterplus passend acht voor [naam] . Dat zou voor verweerder aanleiding kunnen vormen om thans wel te bewilligen in de inzet van pgb ten behoeve van zorg door Pienterplus. Is die stelling juist, dan zou het aanbeveling verdienen het rapport van de Raad aan verweerder ter beschikking te stellen. Moeder heeft de Raad echter geen toestemming verleend dat rapport aan verweerder beschikbaar te stellen. Die keuze moet voor rekening van moeder – en dus van [naam] – komen.

12. Ter voorlichting van partijen overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Moeder wijst er op zichzelf terecht op dat artikel 8.1.1 van de Jeugdwet in beginsel keuzevrijheid biedt tussen verlening van een pgb en zorg in natura. Verweerder zal het onthouden van keuzevrijheid ten aanzien van de zorg door Feniks Talent moeten kunnen onderbouwen. Daar staat tegenover dat moeder het zelf in de hand heeft de levering van zorg door Feniks Talent te bespoedigen door het ondersteuningsplan te ondertekenen. Het is kennelijk in het belang van [naam] dat de behandeling bij Feniks Talent zo snel mogelijk start. Daar komt bij dat moeder vooralsnog geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die zouden maken dat verlening van een pgb ten behoeve van de inkoop door moeder zodanige voordelen heeft ten opzichte van levering van die zorg in natura dat die voordelen opwegen tegen het nadeel dat door de discussie hierover de aanvang van de kennelijk noodzakelijke zorg door Feniks Talent wordt vertraagd. Het heeft er alle schijn van dat partijen verzeild zijn geraakt in een machtsstrijd. Die strijd is beslist niet in het belang van [naam] . De voorzieningenrechter geeft partijen daarom in overweging gezamenlijk te bewerkstelligen dat de zorg door Feniks Talent kan starten, en de discussie over de vorm van de gevraagde voorziening daarvan los te koppelen.

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op

5 juli 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.