Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:3960

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
18/2519
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 18/2519

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx),

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. P.S.J. de Koning).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 15 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Op 17 mei 2018 heeft eiser een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand in verband met een boedelscheiding (zaakcode P050). Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij besluit van 19 juni 2018 een toevoeging met kenmerk [nummer] verstrekt voor de beëindiging van de samenwoning met nevenvorderingen (zaakcode P012).
Op 4 juni 2018 heeft eiser een toevoeging aangevraagd voor het vorderen in kort geding van een straat- en/of contactverbod voor zijn ex-partner. In het primaire besluit met kenmerk [nummer] heeft verweerder de gevraagde toevoeging - onder verwijzing naar artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 32 van de Wet op de Rechtsbijstand (Wrb) - geweigerd, omdat de werkzaamheden vallen onder het bereik van de toevoeging met kenmerk [nummer] . Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zijn gemachtigde verweerder verzocht de zaakcode P012 “Beëindiging samenwoning met nevenvorderingen” van de toevoeging met kenmerk [nummer] te wijzigen in zaakcode P050 “Boedelscheiding”, zoals verzocht op 17 mei 2018. Verweerder heeft dit mutatieverzoek op 29 augustus 2018 afgewezen. Ook hiertegen is bezwaar gemaakt.

2. In het bestreden besluit heeft de weigering van de toevoeging voor het vorderen van een straat- en contactverbod voor zijn ex-partner in stand gelaten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het rechtsbelang waarop de aanvraag om toevoeging betrekking heeft, hetzelfde rechtsbelang is als dat waarvoor eerder onder kenmerk [nummer] een toevoeging is verleend, of daarmee zo nauw samenhangt, dat niet gesproken kan worden van zelfstandige rechtsbelangen. Verder is geen sprake van diversiteit van procedures.

3. Eiser voert aan dat wel degelijk sprake is van verschillende rechtsbelangen. De eerste toevoeging was aangevraagd voor een boedelscheiding (zaakcode P050) maar ten onrechte verstrekt voor de beëindiging van de samenwoning met nevenvorderingen (zaakcode P012). De procedure waarvoor de nieuwe toevoeging is aangevraagd betreft een geheel ander geschil dan de kwestie over de boedelscheiding. Hij vordert dat zijn ex-partner geen contact meer met hem opneemt en niet langer laster en smaad pleegt jegens derden op onder meer sociale media. Omdat een normale procedure niet kan worden afgewacht moeten deze vorderingen in kort geding worden behandeld, in tegenstelling tot de boedelverdeling die zich niet leent voor een procedure in kort geding. Hij is druk doende met het verzamelen van bewijsmiddelen voor het voeren van die procedure. Het standpunt van verweerder dat pas een toevoeging kan worden verleend als gebleken is van twee afzonderlijke procedures is onrechtvaardig omdat de werkzaamheden voor het kort geding dan onder advieswerkzaamheden zouden vallen. Intussen verkeert eiser in onzekerheid over de vraag of hij een toevoeging krijgt voor een kort gedingprocedure en wordt hij hierdoor belemmerd in zijn procesrecht. Verweerder heeft in het verleden opvolgende toevoegingen verleend onder vermelding dat deze alleen gelden voor het voeren van een procedure en had dit ook in dit geval kunnen doen. Onder deze omstandigheden is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

4. Verweerder stelt met verwijzing naar paragraaf 3.2.5.1 van de werkinstructie “Bereik, civielrechtelijke zaken” dat advieswerkzaamheden voor een straat- en/of contactverbod of sociaal mediaverbod (O011) naast een ‘beëindiging relatie’ vallen onder het bereik van de toevoeging voor de beëindiging van de relatie (bijvoorbeeld P010 of P012). Het onderliggende feitencomplex is hetzelfde en beide kwesties vloeien voort uit de verbreking van de relatie. Pas als twee afzonderlijke procedures bij verschillende instanties worden gevoerd, kan een toevoeging worden verleend. Tot dusver is niet gebleken dat daadwerkelijk twee verschillende procedures worden gevoerd. In het beroepschrift wordt namelijk nog gesproken over het verzamelen van bewijsdocumenten.

5. Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb kan de raad de toevoeging weigeren, indien het verzoek betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de verzoeker aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

6. Op grond van artikel 32 van de Wrb geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvan zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

7. Verweerder heeft voor de toepassing van deze artikelen beleid vastgesteld, neergelegd in werkinstructies. Deze zijn te vinden op de kenniswijzer van verweerder (kenniswijzer.rvr.org.).

8. Werkinstructie P012, beëindiging samenwoning met nevenvorderingen, geeft onder meer aan:
Toevoegbeleid:
(..)
In deze situatie is er sprake van een verbroken relatie tussen twee partijen. Een eerste toevoeging verstrek je met de code P012 (advies/procedure).
(..)
Bereik (geen afzonderlijke toevoeging):
Werkzaamheden kunnen onder het bereik van een eerder verstrekte toevoeging vallen. Je verstrekt in dat geval geen afzonderlijke toevoeging. Het beleid is beschreven in de Werkinstructie Bereik.
(..).

9. De werkinstructie Bereik civielrechtelijke zaken geeft onder meer aan:
3.2 Personen en familierecht: beëindiging relatie.
De advieswerkzaamheden met betrekking tot de verschillende rechtsvragen die ontstaan bij het beëindigen van een relatie vallen onder het bereik van de toevoeging die wordt verstrekt voor advies en de eerste procedure. Dit kan een toevoeging voor de echtscheiding (P010) of voor de beëindiging samenwoning (P012) zijn.
3.2.5 Geschil voortvloeiend uit beëindiging relatie
3.2.5.1 Straat- en of contactverbod of sociaal mediaverbod/ vaderschapsactie
Advieswerkzaamheden voor een straat- en of contactverbod of sociaal mediaverbod (O011) of een vaderschapsactie (P070) naast een beëindiging relatie vallen onder het bereik van de toevoeging voor de beëindiging van de relatie (bijvoorbeeld P10 of P012). De problematiek vloeit voort uit hetzelfde feitencomplex. Wordt een afzonderlijke procedure gevoerd, dan verstrek je hiervoor een nieuw toevoeging (zie paragraaf 1.3).

10. Gelet op artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 32 van de Wrb moeten in geval van verschillende rechtsbelangen ten aanzien waarvan rechtsbijstand is aangevraagd, in beginsel meer toevoegingen worden verstrekt. Als sprake is van één rechtsbelang kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is behandeling van een procedure in meer dan één instantie. Het gaat daarom in de eerste plaats om de vraag of het verzoek om een toevoeging betrekking heeft op hetzelfde rechtsbelang als een eerder verzoek. Als dat zo is, dient vervolgens te worden bezien of sprake is van een behandeling van een procedure in meer dan één instantie.

11. De aangevraagde toevoeging is ingediend voor rechtsbijstand voor de vordering in kort geding van een straat- en contactverbod voor de ex-partner van eiser. Uit het dossier blijkt dat aan eiser eerder een toevoeging is verstrekt met zaakcode P012 voor de beëindiging van de samenwoning met nevenvorderingen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden van de advocaat van eiser voor het vorderen van het straat- en contactverbod hetzelfde rechtsbelang betreffen als de rechtsbijstand waarvoor eerder een toevoeging is verleend. De vordering in de kort gedingprocedure en de vordering in de bodemprocedure vloeien beide voort uit de verbreking van de relatie tussen eiser en zijn ex-partner, hetgeen door eiser niet wordt betwist, en beide procedures dienen hetzelfde belang, namelijk het regelen van de gevolgen van de verbreking van de relatie tussen eiser en zijn ex-partner. Daarmee bestaat tussen beide zaken een dermate grote verwevenheid dat gesproken kan worden van hetzelfde rechtsbelang. De stelling van eiser dat de toevoeging voor de beëindiging van de samenwoning verleend had moeten worden voor een boedelscheiding/verdeling, maakt niet dat er sprake zou zijn van een ander rechtsbelang. Gelet hierop is er tevens geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet toereikend is gemotiveerd.
De daarop betrekking hebbende beroepsgronden kunnen daarom niet slagen.

11. Voor het verlenen van een toevoeging voor de zaak over het straat- en contactverbod is pas plaats, indien zich een diversiteit van procedures voordoet. Niet in geschil is dat daarvan op het moment van het bestreden besluit geen sprake was en met betrekking deze zaak alleen advieswerkzaamheden waren verricht. Voor de verlening van een tweede toevoeging bestond dan ook geen aanleiding.

11. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder de afwijzing van de aanvraag om toevoeging met kenmerk [nummer] voor het vorderen in kort geding van een straat- en of contactverbod in het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd. Hetgeen eiser overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander standpunt.

14. Nu de beroepsgronden niet slagen, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 5 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.