Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:3951

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
11-07-2019
Zaaknummer
19_1521
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is niet via het Omgevingsloket online gewijzigd maar per emailbericht. Nu het gaat om een zelfstandig stuk, het duidelijk gaat om een wijziging van een aanvraag 1ͤ fase, maar de zienswijze op het ontwerpbesluit wat verwarrend is en eiser na de mail toch een omgevingsvergunning lijkt aan te vragen voor meer vierkante meters, had verweerder verduidelijking moeten vragen aan eiser. Zeker nu de aanvraag om een bouwvergunning voor gebouw 3 niet is strijd is met het in werking getreden bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats Eindhoven

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1521

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

Het college van burgemeester en wethouders van Bladel, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. S.M.W. Verouden, P. Stappaerts en A. Knops).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2019 heeft verweerder de aanvraag om een omgevingsvergunning

1ͤ fase afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 24 juni 2019 gelijktijdig met de zaken SHE 19/757 en SHE 19/1477. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorafgaand aan de behandeling heeft de rechtbank een onderzoek ter plaatse ingesteld als bedoeld in artikel 8:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser en de gemachtigden van verweerder zijn hierbij aanwezig geweest.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

- Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres] . Het perceel omvat meerdere kadastrale percelen met een totale oppervlakte van 5.264 m². Op het perceel staan onder andere een woning en een bijgebouw waarvoor in het verleden een bouwvergunning is verleend met een oppervlakte van 70 m². Daarnaast staan er enkele overkappingen en gebouwen, waaronder een dicht gebouw van 53 m² (gebouw 3), een gebouw met 2 open zijden van 210 m² (gebouw 4) en er stond een dicht gebouw van

72 m² (gebouw 5). Tijdens de plaatsopneming op 24 juni 2019 heeft de rechtbank gezien dat gebouw 5 er niet meer staat.

  • -

    Bij besluit van 30 juni 2016 heeft verweerder onder oplegging van dertien dwangsommen verzoeker gelast om binnen zes weken na de dag van deze aanschrijving de bouwwerken 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9a, 9b, 9c en 10 te verwijderen en verwijderd te houden. Tevens is verzoeker gelast het gebruik van het perceel als hondenfokkerij ten behoeve van de bedrijfsmatige verkoop van honden en het bedrijfsmatig houden van honden en paarden te beëindigen en beëindigd te houden. Bij besluit van 18 juli 2017 heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 juni 2018 (SHE 17/2421) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de last tot het beëindigen en beëindigd houden van het bedrijfsmatig houden van paarden op het perceel en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft verzoeker hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ingesteld. De Afdeling heeft nog geen uitspraak gedaan.

  • -

    Verweerder heeft enkele invorderingsbesluiten genomen naar aanleiding van het besluit van 30 juni 2016. De Afdeling zal ook een uitspraak doen op de beroepen ingevolge artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot deze invorderingsbesluiten.

  • -

    Op 22 juli 2017 heeft verweerder een beleidsregel vastgesteld, de 'regeling vergroten bijgebouwen in het buitengebied' (verder: Regeling).

  • -

    Op 3 mei 2018 heeft eiser een aanvraag voor een omgevingsvergunning 1e fase ingediend. De eerste fase heeft betrekking op de activiteit 'gebruik in strijd met het bestemmingsplan' als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

  • -

    Eiser is enkele malen in de gelegenheid gesteld ontbrekende gegevens in te dienen. Er heeft op 4 juli 2018 een overleg plaatsgevonden met de adviseur van eiser, eiser en enkele medewerkers van verweerder. Hiervan zijn twee verschillende verslagen opgemaakt door eiser en verweerder. Op 17 juli 2018 heeft de adviseur van eiser nog enkele onderbouwingen ingediend. Op 24 augustus 2018 heeft de adviseur van eiser een mail gestuurd aan een medewerker van verweerder met een aangepaste tekening met de volgende tekst: "Bijgaand tref je een aanvulling aan op de aanvraag omgevingsvergunning 1e fase. Hierin staat op de situatietekening nadrukkelijk aangegeven voor welk bouwwerk vergunning wordt aangevraagd (rood vlak). Tevens is in een geel en een groen vlak aangemerkt op de situatietekening welke delen als vergunningvrij doorgaan t.b.v de vergunningaanvraag. In de onderbouwing is abusievelijk de volgende tekst opgenomen: "resteert het verzoek iom de reeds bestaande bouwwerken (202 m² bouwwerken geen gebouwen zijnde) middels de aanvraag omgevingsvergunning te vergunnen." Dit deel van de onderbouwing is niet correct en komt hiermee te vervallen. Het document wordt tevens via het OLO ingebracht (…)".

  • -

    Verweerder heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegd met ingang van 4 december 2018. Eiser heeft zienswijzen ingediend naar aanleiding van het ontwerpbesluit. In deze zienswijzen is onder andere aangegeven dat wordt gevraagd om 351 m² te legaliseren en dat deze oppervlakte ruim binnen de Regeling valt.

  • -

    Op 21 maart 2019 heeft de gemeenteraad van Bladel het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014, tweede herziening 2018" vastgesteld. Dit vastgestelde bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen vanaf 9 mei 2019.

2. In het bestreden besluit gaat verweerder er van uit dat eiser een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor bouwwerken met een totale oppervlakte van 405 m². Verweerder is van mening dat een grotere oppervlakte wordt aangevraagd dan de oppervlakte die met toepassing van de Regeling kan worden vergund. Verweerder heeft kritiek op de ruimtelijke onderbouwing (vooral het ontbreken van een beoordeling van de onderdelen archeologie, flora en fauna en is het niet eens met andere onderdelen in de ruimtelijke onderbouwing. Verweerder merkt tot slot op dat de bouwwerken deels staan op een afstand van minder dan 5 meter van de perceelgrens in afwijking van artikel 28.2.3 onder d van de planregels van het (geconsolideerde) bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014" en is niet bereid om van deze planregel af te wijken omdat hiermee een doorzicht van de [straatnaam] naar het buitengebied verloren zou gaan en vanwege ongewenste precedentenwerking.

3. De belangrijkste beroepsgrond van eiser is feitelijk dat verweerder uit is gegaan van de verkeerde oppervlakte. De aanvraag is volgens eiser gewijzigd door middel van de mail van 24 augustus 2018. De rechtbank begrijpt dat eiser stelt dat verweerder de grondslag van de aanvraag heeft verlaten.

4. Verweerder erkent de ontvangst van dit mailbericht. Hij betwist dat de aanvraag is gewijzigd in het Omgevingsloket (OLO). Verweerder geeft in het verweerschrift aan dat het op basis van de tekening bij het mailbericht onvoldoende duidelijk is waarvoor precies een omgevingsvergunning is aangevraagd.

5. Het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014, tweede herziening 2018" was niet in werking getreden ten tijde van het bestreden besluit. Toen gold nog de Regeling. Deze wijkt op onderdelen af. Niet in geschil is dat zowel op basis van de Regeling als het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014, tweede herziening 2018" de mogelijkheid bestaat om op het perceel van eiser in totaal 351 m² aan bijgebouwen te bouwen. Ten tijde van het bestreden besluit was het mogelijk om, zonder afwijking van het bestemmingsplan 100 m² aan bijgebouwen te bouwen. Om de mogelijkheden van de Regeling te benutten was ten tijde van het bestreden besluit echter ook een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan vereist met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a sub 3 van de Wabo.

6. De Afdeling heeft in een uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:829) het volgende geoordeeld: "De gebruikelijke weg om een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen is langs elektronische weg als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van het Bor via het Omgevingsloket online of met gebruikmaking van het formulier als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Bor. Een aanvraag kan ook worden gedaan op andere wijze. De Afdeling zal vanaf nu oordelen dat een verzoek om omgevingsvergunning dat op andere wijze is gedaan, alleen dan een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb is, als voor het bestuursorgaan meteen duidelijk is of kan zijn dat een aanvraag is gedaan. Het dient daarbij altijd te gaan om een zelfstandig stuk. Alleen bij een dergelijke evidente aanvraag kan dus een omgevingsvergunning van rechtswege zijn gegeven. Dit oordeel heeft geen gevolgen voor omgevingsvergunningen van rechtswege die reeds bekend zijn gemaakt met toepassing van artikel 4:20c van de Awb en waarbij de termijn om beroep in te stellen ongebruikt is verstreken. Evenmin heeft dit oordeel gevolgen voor een besluit, waartegen wel rechtsmiddelen zijn aangewend, en waarop een uitspraak is gevolgd die in rechte onaantastbaar is geworden."

7. De rechtbank acht deze uitspraak ook van toepassing op berichten waarmee wordt beoogt de aanvraag te wijzigen. Het mailbericht van 24 augustus 2018 is een zelfstandig stuk waarin volgens de rechtbank duidelijk genoeg wordt aangegeven dat het de bedoeling is om de aanvraag te wijzigen en om alleen een omgevingsvergunning 1e fase te vragen voor het rode gebouw (gebouw 3 met een oppervlakte van 53 m2). Verweerder moet wel worden toegegeven dat de zienswijze van eiser op het ontwerpbesluit wat verwarrend is. Eiser lijkt hier, in afwijking van het mailbericht, toch weer omgevingsvergunning aan te vragen voor meer vierkante meters. De rechtbank beschouwt deze opmerking in de zienswijze echter niet als een wijziging van de aanvraag omdat de zienswijze geen zelfstandig stuk is.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder deze omstandigheden aan eiser om verduidelijking had moeten vragen aan eiser. Verweerder had eiser moeten verplichten om klip en klaar aan te geven wat hij aanvraagt. Het gaat echter te ver om het mailbericht van 24 augustus 2018 buiten beschouwing te laten en maar van een worst case scenario uit te gaan. Temeer omdat, als eiser inderdaad alleen maar een omgevingsvergunning 1e fase voor bouwwerk 3 aanvraagt, er in het bestreden besluit eigenlijk geen ruimtelijke motieven zijn om deze omgevingsvergunning 1e fase te weigeren. Sterker nog, de enkele aanvraag voor bouwwerk 3 is niet eens in strijd met het inmiddels in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2014, tweede herziening 2018". Onder deze omstandigheden valt niet uit te sluiten dat verweerder met het bestreden besluit de grondslag van de (gewijzigde) aanvraag heeft verlaten. De rechtbank concludeert dat deze beroepsgrond slaagt.

9. Dit is voldoende reden om het beroep van eiser gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De overige beroepsgronden van eiser (met onder andere een klacht over de gang van zaken, de voorlichting door de gemeente en een beroep op het gelijkheidsbeginsel en een discussie over vergunningsvrij bouwen) hoeven niet te worden besproken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De reden hiervoor is dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder eerst aan eiser moet vragen wat hij nu precies aanvraagt. Pas als dat duidelijk is, is er aanleiding om op de rest van de beroepsgronden in te gaan of om dit geschil finaal te beslechten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser zelf heeft opgemerkt dat de aanpassing van 24 augustus 2018 achteraf gezien niet de meest ideale aanpassing is geweest

10. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken. De rechtbank bepaalt ook dat afdeling 3.4 van de Awb bij de voorbereiding van het nieuwe besluit buiten toepassing blijft. De rechtbank geeft verweerder wel de aanwijzing om eerst bij eiser om verduidelijking van zijn aanvraag te vragen.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat afdeling 3.4 van de Awb bij de voorbereiding van dit nieuwe besluit buiten toepassing blijft;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 3 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.