Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:353

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
01/131083-18 & 01/087835-18 (gev. ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzet bij aanhouding. Aanleggen bloedwegverwurging door politieagent. Rechtmatige uitoefening van de bediening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01.131083.18 en 01.087835.18 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 25 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 1 juli 1990,

wonende te [adres verdachte] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 januari 2019.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 7 december 2018.

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.131083.18 tenlastegelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Eindhoven

[slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (keuken)mes aan voornoemde [slachtoffer 1] getoond en/of voorgehouden en/of met dat (keuken)mes meermalen, althans eenmaal in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] een steek en/of zwaaibeweging gemaakt en/of (daarbij en of vervolgens) naar voornoemde [slachtoffer 1] geschreeuwd;

feit 2:

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Eindhoven

[slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een (keuken)mes aan voornoemde [slachtoffer 2] getoond en/of voorgehouden en/of met dat (keuken)mes meermalen, althans eenmaal in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] een steek en/of zwaaibeweging gemaakt en/of (daarbij en/of vervolgens) naar voornoemde [slachtoffer 2] geschreeuwd

- en/of (vervolgens) een snijbeweging met zijn verdachte's vinger(s) over zijn verdachte's keel gemaakt;

feit 3:

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een of meer tafel(s) en/of een stoel in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

feit 4:

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Eindhoven toen de aldaar dienstdoende opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] , (allen) hoofdagent van politie Eenheid Oost-Brabant, (allen) belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en / of onderzoeken van strafbare feiten, verdachte - op heterdaad - op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte onverwijld voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau te Eindhoven, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zij/haar/hun bediening, door opzettelijk gewelddadig

-zijn, verdachte's, arm(en) en/of lichaam in een andere richting te bewegen dan in de richting waarin die opsporingsambtena(a)r(en) hem, verdachte, trachtte(n) te geleiden en/of

-een of meer slaande bewegingen te maken in de richting en/of tegen die opsporingsambtena(a)r(en) en/of

-een of meer schoppende bewegingen te maken in de richting en/of tegen die opsporingsambtena(a)r(en) en/of

- die opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , op/tegen diens hoofd te schoppen en/of

-zich los te rukken op het moment dat die opsporingsambtena(a)r(en) hem, verdachte, had(den) vastgepakt en/of had(den) vastgehouden;

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.087835.18 tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 april 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo,

zich met geweld heeft verzet

tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 4] (brigadier van politie) en/of [verbalisant 5] (hoofdagent van politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten gedurende de gebiedsbonden politiezorg,

door zijn arm naar achteren te bewegen en/of (vervolgens) zijn arm met kracht naar voren te bewegen als gevolg waarvan hij voornoemde [verbalisant 5] in het gelaat raakte en/of hij - verdachte - (vervolgens) viel als gevolg waarvan voornoemde [verbalisant 4] ten val kwam,

terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig

lichamelijk letsel, te weten een bult en/of wond in het gelaat bij die [verbalisant 5] en/of een bloedende wond en/of pijn op/aan de elleboog bij die [verbalisant 4] ten gevolge heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

De verdachte wordt, kort samengevat, beschuldigd van bedreigingen waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een mes, van een vernieling en van wederspannigheid.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met uitzondering van hetgeen aan verdachte in de tenlastelegging met parketnummer 01.131083.18 onder feit 2 is ten laste gelegd. Ten aanzien van dit feit heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Vrijspraak 01.13108.18 feit 2:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de tenlastelegging met parketnummer 01.131083.18 onder feit 2 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat verdachte de in de tenlastelegging omschreven gedragingen jegens [slachtoffer 2] heeft verricht.

Vrijspraak 01.087835.18:

De rechtbank acht eveneens niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de tenlastelegging met parketnummer 01.087835.18 ten laste is gelegd. Hoewel tegen dit feit geen verweer is gevoerd, heeft de rechtbank in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting aanleiding gevonden om – mede nu het de bewijsvraag betreft – ambtshalve te beoordelen of het verzet van verdachte was gericht tegen politieagenten die handelden in de “rechtmatige uitoefening van hun bediening”. De rechtbank overweegt als volgt.

In de ‘Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewone opsporingsambtenaar’ wordt geweld gedefinieerd als “elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken”. Het toepassen van uitsluitend fysieke geweldstechnieken zonder het gebruik van geweldsmiddelen worden in de ambtsinstructie niet nader gedefinieerd en gereguleerd. De algemene vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit vormen daardoor de normatieve basis. Deze vereisten staan omschreven in artikel 7 van de Politiewet. Artikel 7, eerste lid, van de Politiewet bepaalt dat een ambtenaar van de politie bevoegd is tot het gebruik van geweld, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf. Artikel 7, zesde lid, van de Politiewet bepaalt dat het toepassen van geweld in verhouding dient te staan tot het beoogde doel en redelijk en gematigd dient te zijn.

De rechtbank stelt vast dat verbalisant [verbalisant 4] zonder voorafgaande waarschuwing bij verdachte een bloedwegverwurging heeft toegepast ter zake een verdenking van heling en openbare dronkenschap teneinde de verdachte zonder verzet te kunnen aanhouden. Tijdens het toepassen van deze bloedwegverwurging heeft de verbalisant pas aan de verdachte medegedeeld dat hij is aangehouden.

De rechtbank stelt vast dat niet aan de normatieve vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het beoogde doel, een aanhouding zonder verzet ter zake van heling en openbare dronkenschap, de bloedwegverwurging jegens verdachte niet rechtvaardigde. De rechtbank acht hiervoor van belang dat de verdachte voorafgaand aan de bloedwegverwurging niet is medegedeeld dat hij zou worden aangehouden en dat de verdachte vooraf niet is gewaarschuwd over het (mogelijk) toepassen van geweld jegens hem indien de verdachte zich tegen aanhouding zou verzetten. Het feit dat de verbalisant – naar achteraf is gebleken deels onjuiste – informatie had gekregen dat deze verdachte bij een eerdere aanhouding verzet had gepleegd en een vernieling van een politievoertuig had gepleegd maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank stelt vast dat bij het toepassen van de bloedwegverwurging door de verbalisant niet is gehandeld in de rechtmatige uitoefening van de bediening. De ten laste gelegde gedragingen van verdachte hebben plaatsgevonden gedurende het toepassen van deze bloedwegverwurging. Gelet hierop kan het ten laste gelegde onder 01.087835.18 niet wettig en overtuigend bewezen worden. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij.

Bewijsmiddelen:

De rechtbank acht de overige ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen.

T.a.v. 01.131083.18 feit 1:

het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1] opgemaakt door [verbalisant politiebureau] op 1 april 2018, pag. 60, onder meer inhoudende:

Op zaterdag 31 maart 2018 kwam ik omstreeks 18:00 uur aan bij onze zaak gevestigd aan de [adres 1] te Eindhoven. (...) Toen ik aan kwam bij onze zaak zag ik dat een man bezig was om tafels kapot te gooien. (...) Hij pakte een mes. (…) Het mes had een zwart lemmet en het was best een breed en lang mes. (...) De man met het mes kwam naar mij toe met het mes. Hij maakte bewegingen met het mes alsof hij echt wilde steken.

het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] op 31 maart 2018, pag. 48, onder meer inhoudende:

Vandaag zaterdag 31 maart 2018 was ik werkzaam in [bedrijf] . Ik was met klanten in de zaak bezig. Ik hoorde vervolgens dat er buiten voor de zaak ruzie was. Ik zag dat er buiten voor de zaak 2 personen naar elkaar aan het schreeuwen waren. Een van deze personen was mijn baas genaamd [slachtoffer 1] , de eigenaar van deze zaak. De andere jongen in de blauwe jas is een bekend gezicht. Ik weet niet hoe die jongen heet. Ik zag dat [slachtoffer 1] door deze jongen met de blauwe jas bedreigd werd. De jongen deed dit door dreigend met een mes voor [slachtoffer 1] te gaan staan. Dit was een groot mes.

het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] opgemaakt door verbalisant [verbalisant politiebureau] op 3 april 2018, pag. 50, onder meer inhoudende:

U vraagt mij welke meneer [slachtoffer 1] bedreigd werd. In mijn eerste verklaring bedoel ik [slachtoffer 1] . (…) Met bedreigen bedoel ik dat de jongen met het mes aan het schreeuwen en aan het uitschelden was, ook wees hij met het mes in de richting van mensen en maakte hij stekende bewegingen met het mes.

de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 11 januari 2019, onder meer inhoudende:

Ik ben op 31 maart 2018 naar de [bedrijf] gegaan in Eindhoven. Ik had een mes meegenomen.

T.a.v. 01.131083.18 feit 3:

het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7] op 2 april 2018, pag. 9, onder meer inhoudende:

Ik ben toen weer terug naar mijn zaak gegaan en zag dat op het terras twee tafels en een stoel kapot waren.

het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1] opgemaakt door [verbalisant politiebureau] op 1 april 2018, pag. 60, onder meer inhoudende:

Op zaterdag 31 maart 2018 kwam ik omstreeks 18:00 uur aan bij de zaak van mijn broer [bedrijf] gevestigd aan de [adres 1] te Eindhoven.(...) Toen ik aan kwam bij onze zaak zag ik dat een man bezig was om tafels kapot te gooien.

het proces-verbaal van verhoor van verdachte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] op 2 april 2018, pag. 104 en 106, onder meer inhoudende:

Het was een [bedrijf] . (…) Ik pakte een tafel en richtte die tegen het raam. (…) Ik heb de tafel naar beneden laten vallen en toen ging de tafel stuk.

T.a.v. 01.131083.18 feit 4:

het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] op 1 april 2018, pag. 28, onder meer inhoudende:

Op zaterdag 31 maart 2018, omstreeks 18.10 uur, was ik, verbalisant [verbalisant 2] , belast met de noodhulp surveillance te Eindhoven. Ik zag dat verdachte [verdachte] door collega [verbalisant 3] en [verbalisant 1] getracht werd onder controle te brengen zodat men de transportboeien konden aanleggen. Ik zag dat [verdachte] zich hevig verzette en zich aan zijn aanhouding trachtte te onttrekken. Ik zag dat [verdachte] zich bij tijde klein maakte, met zijn kin op de borst, zich tussen de collega's weg probeerde te wringen. Ik zag dat hij enkele malen wild om zich heen sloeg. (…) Ik zag dat hij, terwijl mijn collega's trachtte onder andere zijn armen vast te pakken, wild met zijn benen begon te schoppen. (..)Ik zag en voelde dat een van zijn geschoeide voeten mijn gezicht raakte.

het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] op 1 april 2018, pag. 32, onder meer inhoudende:

Op zaterdag 31 maart 2018, omstreeks 18.10 uur, ben ik, verbalisant [verbalisant 3] , belast geweest met de aanhouding van verdachte [verdachte] op de [adres 2] ter hoogte van pandnummer [huisnummer] te Eindhoven. (...) Om een fouillering uit te voeren wilde ik verdachte [verdachte] fixeren tegen de muur. Vrijwel direct nadat ik verdachte [verdachte] aanraakte zag en voelde ik dat verdachte [verdachte] zijn linker arm introk waardoor ik de controle verloor. Ook zag en voelde ik dat verdachte [verdachte] zich met kracht omdraaide. Ik voelde dat verdachte [verdachte] met kracht in tegengestelde richting bewoog waar ik wilde dat verdachte [verdachte] heen bewoog. Ik voelde dat verdachte [verdachte] zich los probeerde te maken. Ik heb verdachte [verdachte] voorover gebogen. Ik voelde dat verdachte [verdachte] veel kracht gebruikte om omhoog te komen.

het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op 31 maart 2018, pag. 16, onder meer inhoudende:

Ik, verbalisant zag dat beide verdachte zich hevig verzetten bij de aanhoudingen door

zich in een andere richting te bewegen dan wij heb bevolen en wild met hun armen en

benen om zich heen sloegen en schopte.

het proces-verbaal van verhoor van verdachte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] op 2 april 2018, pag. 106, onder meer inhoudende:

Als iemand mij pijn doet dan raak ik de controle kwijt over mezelf.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. 01.131083.18:

1

op 31 maart 2018 te Eindhoven [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes aan voornoemde [slachtoffer 1] getoond en voorgehouden en met dat mes meermalen in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] een steekbeweging gemaakt;

3

op 31 maart 2018 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk tafels en een stoel, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft beschadigd;

4

op 31 maart 2018 te Eindhoven toen de aldaar dienstdoende opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , van politie Eenheid Oost-Brabant, allen belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, verdachte - op heterdaad - op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde verdachte onverwijld voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau te Eindhoven, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, door opzettelijk gewelddadig

-zijn, verdachte's, armen en lichaam in een andere richting te bewegen dan in de richting waarin die opsporingsambtenaren hem, verdachte, trachtten te geleiden en

-een of meer slaande bewegingen te maken in de richting van die opsporingsambtenaren en

-een of meer schoppende bewegingen te maken in de richting van die opsporingsambtenaren en

-die opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , tegen diens hoofd te schoppen en

-zich los te rukken op het moment dat die opsporingsambtenaren hem, verdachte, hadden vastgepakt en vastgehouden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht tot matiging van de door de officier van justitie gevorderde taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met een mes en het vernielen van meubilair. Door zijn handelen heeft de verdachte bij het slachtoffer en de omstanders gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan wederspannigheid. Hij heeft zich agressief gedragen tegenover drie politieagenten die zich bezighielden met de rechtmatige uitoefening van hun vak. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat verdachte de politieagenten heeft belemmerd in hun werk. Het gebruik van geweld tegen een ambtenaar in functie is temeer ernstig omdat die ambtenaar erdoor wordt aangetast in zijn of haar gezag. Bovendien getuigt dergelijk gedrag jegens opsporingsambtenaren in functie, die zich bezig houden met de naleving van op democratische wijze tot stand gekomen regels, van een kwalijk gebrek aan respect voor het openbaar gezag.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een taakstraf opleggen van een kortere duur dan de door de officier van justitie gevorderde taakstraf, maar legt daarnaast wel een voorwaardelijke gevangenisstraf op van een langere duur dan is gevorderd. De rechtbank heeft gekozen voor deze combinatie van strafoplegging om aan verdachte duidelijk te maken dat zijn gedrag niet wordt getolereerd maar vooral ook om aan verdachte duidelijk te maken dat hij bij een herhaling van dit gewelddadig gedrag een forse gevangenisstraf tegemoet kan zien.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 100 uren passend en geboden is.

Daarnaast legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren op.

De vordering van de benadeelde partij [verbalisant 4] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar vermeerderd met de wettelijke rente en vordert daarnaast de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 150,-.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken voor het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [verbalisant 5] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar vermeerderd met de wettelijke rente en vordert daarnaast de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt het gevorderde bedrag te matigen.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken voor het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 180, 285, 350 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 01.131083.18 feit 2 en onder 01.087835.18 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01.131083.18 feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

T.a.v. 01.131083.18 feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

T.a.v. 01.131083.18 feit 4:

wederspannigheid.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

De rechtbank legt op de volgende straf:

T.a.v. 01-131083-18 feit 1, feit 3, feit 4:

Een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis

T.a.v. 01-131083-18 feit 1, feit 3, feit 4:

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

T.a.v. 01-087835-18 feit 1:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 4] .

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. 01-087835-18 feit 1:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 5] .

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. T. Dompeling en mr. A.M. Bossink, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,

en is uitgesproken op 25 januari 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Oost-Brabant, genummerd PL2100-2018065020.