Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:3017

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
01/879808-18
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:1110, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag.

Medeplegen van het wegmaken van een lijk met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel, te weten het gebruik maken van de bankpas van het doodslag-slachtoffer.

Gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar met aftrek van het voorarrest.

Hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen inclusief wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879808-18

Datum uitspraak: 29 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] ,

thans gedetineerd te: P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 augustus 2018, 15 november 2018, 24 januari 2019, 3 april 2019 en 15 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 juli 2018.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 30 januari 2018 tot en met 31 januari 2018, althans in de periode van 30 januari 2018 tot en met 26 maart 2018, te 's-Hertogenbosch, in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet,

- (meermalen) met een paal en/of een plank, in elk geval een hard voorwerp, tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van die [slachtoffer] geslagen en/of

- (meermalen) enige vorm van hevig uitwendig mechanisch stomp en/of kantig

geweld aangewend op/tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van die [slachtoffer] ,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij, in of omstreeks de periode van 30 januari 2018 tot en met 31 januari 2018, althans in de periode van 30 januari 2018 tot en met 26 maart 2018, te 's-Hertogenbosch, in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om de doodslag op [slachtoffer] , of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, het lijk van die [slachtoffer] heeft weggevoerd en/of weggemaakt,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s),

- het lijk van die [slachtoffer] met plastic omwikkeld en/of verzwaard en/of naar de

waterkant gesleept en/of (vervolgens) in de Dieze, in elk geval in het

water, gegooid/gedumpt;

3.

hij, meermalen, althans eenmaal,

in of omstreeks de periode van 06 februari 2018 tot en met 08 februari 2018, althans in de periode van 30 januari 2018 tot en met 26 maart 2018, te 's-Hertogenbosch, in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) een hoeveelheid geld, te weten in totaal EURO 49,38, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] ,

heeft weggenomen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

waarbij verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) de/het weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (te weten onbevoegd gebruik maken van een bankpas en/of pinpas van die [slachtoffer] ).

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Verdachte wordt verweten dat hij op of omstreeks 30 januari 2018 te ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door hem met een hard voorwerp (een paal of een plank) tegen het hoofd, of in ieder geval tegen het lichaam aan te slaan, dan wel enige vorm van geweld heeft aangewend tegen het hoofd of het lichaam (feit 1). Verdachte zou hierna het levenloze lichaam van het slachtoffer in het water hebben achtergelaten om de doodsoorzaak te verhelen (feit 2). Voorts wordt verdachte verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging, na de dood van het slachtoffer onbevoegd gebruik heeft gemaakt van de pinpas van [slachtoffer] om bier en sigaretten te kopen (feit 3).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn [medeverdachte 1] [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een paal op het hoofd van [slachtoffer] in te slaan, dat zij het lichaam van die [slachtoffer] in de Dieze hebben gegooid om de doodslag te verhelen en dat verdachte met een ander met de bankpas van [slachtoffer] heeft gepind terwijl zij daartoe niet gerechtigd waren. De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevorderd van het omwikkelen van het lichaam met plastic en het verzwaren daarvan.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het onder feit 2 (onder omstandigheden, namelijk met de kanttekening dat verdrinkingsdood niet is uitgesloten) en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 heeft hij bepleit dat nergens uit blijkt dat [verdachte] [slachtoffer] bij leven heeft geslagen en wat zijn rol in het geheel is geweest. Verdachte dient derhalve van de doodslag onder 1 te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.1

Ten aanzien van feit 1: (medeplegen doodslag) en feit 2: wegmaken van een lijk.

Deskundigenrapport van [deskundige 1] .

Er zijn meerdere fracturen van het achterhoofdsbeen, met name aan de linkerzijde met fracturen die doorlopen naar het linkerslaapbeen, het wandbeen beiderzijds, het voorhoofdsbeen en de schedelbasis. Er zijn fracturen ter plaatse van het aangezicht; van de linkerjukbeenboog, de linkerkaakbijholte, de linkeroogkas en het neusbeen. Deze fracturen kunnen verklaard worden door stomp extern inwerkend geweld. De letsels kunnen niet verklaard worden door één geweldsinwerking, er zijn minimaal twee geweldsinwerkingen nodig om de letsel te kunnen verklaren. Er zijn uitgebreide postmortale veranderingen van het lichaam. Op basis van radiologische beeldvorming is de doodsoorzaak functieverlies van de hersenen door stomp extern inwerkende geweldsinwerking op het hoofd.2

Deskundigenrapport van [deskundige 2] .

De uitgebreide en ernstige letsels zijn, gelet op ondermeer de aanwezigheid van de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, het gevolg van bij leven opgetreden inwerking van heftig uitwendig mechanisch stomp en/of kantig geweld.

Het overlijden van [slachtoffer] wordt volledig verklaard door verwikkelingen van een ernstig schedeltrauma.3

In de bewijsmidelen gebruikt de rechtbank de namen van de betrokkenen zoals ze in het procesdossier voorkomen, te weten:

  • -

    [medeverdachte 1] ;

  • -

    [medeverdachte 2] ;

  • -

    [verdachte] ;

  • -

    [slachtoffer] .

Verklaring van getuige [getuige 1] .

Op 15 mei 2018 verklaarde [getuige 1] samengevat en zakelijk weergegeven dat hij bij het Inloopschip [medeverdachte 2] (fonetisch), [medeverdachte 1] en [verdachte] leerde kennen. Degene die dood was, hoorde bij hun en heette [slachtoffer] . Vlakbij het politiebureau hadden zij [slachtoffer] gedood. Hij hoorde van [verdachte] dat ze [slachtoffer] hadden afgeslacht. Hij hoorde dat [verdachte] zei dat [medeverdachte 1] met een voorwerp, een plank ofzo, meerdere malen op het hoofd van [slachtoffer] sloeg. [verdachte] zei dat hij het overnam en meerdere malen sloeg. Hierop vroeg hij aan [verdachte] wat ze met [slachtoffer] deden. Zij versleepten [slachtoffer] naar een plaats, achter de [bouwmarkt] , waar een groene overkapping of schuur stond en waar een soort strandje is. Daar duwden zij [slachtoffer] in het kanaal. [verdachte] vertelde dat zij, [verdachte] en [medeverdachte 1] , dit op 30 januari 2018 deden en daarna ergens anders gingen slapen. [verdachte] vertelde dit op 1 of 2 februari 2018. Hij wist niet waarom [slachtoffer] door [medeverdachte 1] en [verdachte] werd geslagen, maar [slachtoffer] zou op het gebroken been van [medeverdachte 2] gestaan hebben. [verdachte] vertelde hem dat hij het afgemaakt heeft en dat [slachtoffer] hem op zijn ogen had geslagen.4

Verklaring van [verdachte] .

Op 17 mei 2018 verklaarde [verdachte] , nadat hem was medegedeeld dat hij niet tot antwoorden was verplicht, samengevat en zakelijk weergegeven dat hij, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [slachtoffer] bij het strand nabij de [bouwmarkt] in Den Bosch waren gaan liggen. Hij sliep, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [slachtoffer] was dronken en begon hen te irriteren. [slachtoffer] wilde tusssen hen in gaan liggen. [medeverdachte 1] hield dat niet meer vol. [medeverdachte 1] werd boos, pakte die paal en begon [slachtoffer] te slaan. Het slaan gebeurde daar waar zij sliepen, onder de boog. [medeverdachte 1] sloeg zonder te kijken. Vervolgens hebben zij hem op het zand getrokken. Hij zag hoe [slachtoffer] stikte in het bloed. Zij hebben hem in het water gegooid naast die boog, bij de aanlegsteiger. Hij heeft [slachtoffer] nog twee keer geslagen ofzo, vanwege die ogen. Hij heeft met dezelfde paal geslagen als waarmee [medeverdachte 1] sloeg en daarna de paal in het water gegooid.5

Op vrijdag 25 mei 2018 verklaarde [verdachte] , nadat hem was verteld dat hij niet tot antwoorden was verplicht, samengevat en zakelijk weergegeven dat hij zag dat [medeverdachte 1] met de paal tegen [slachtoffer] sloeg en dat hij daarbij niets zei of riep. Hij zag dat [slachtoffer] op wilde staan, maar hem dat niet lukte. Hij verklaarde dat [medeverdachte 1] zeker meer dan twee keer sloeg en dat [medeverdachte 1] de paal met beide handen vasthield. Hij zag dat [medeverdachte 1] , bij elke slag, vanaf boven zijn schouder aanhaalde. Hij hoorde dat [slachtoffer] geen lucht kon happen en stikte. Hij voelde toen aan het lichaam van [slachtoffer] en vanwege geen hartslag wist hij dat [slachtoffer] dood was. Samen met [medeverdachte 1] legde hij [slachtoffer] op het zeil. Samen met [medeverdachte 1] tilden ze [slachtoffer] met behulp van het zeil op. Vanwege de zwaarte sleepten ze [slachtoffer] nog een stukje en droegen hem vervolgens van een trapje af naar een steiger. Vanaf deze steiger gooide hij samen met [medeverdachte 1] , [slachtoffer] in het water. Hij verklaarde dat [slachtoffer] direct naar de bodem zonk.6

Verklaring van [getuige 2]

Op 11 juli 2018 werd [getuige 2] als getuige gehoord. Zakelijk weergegeven verklaarde hij dat hij van [medeverdachte 1] had gehoord dat ‘we’ een man hadden gedood en verdronken. [medeverdachte 1] had hem verteld dat ‘ze’ hem hadden gedood met een dikker stuk hout en ze hem in het kanaal hadden laten verdrinken. [medeverdachte 1] had hem de foto getoond die daar staat waar het eten wordt opgehaald [de rechtbank: het Inloopschip] en gezegd dat het die [persoon 1] was.7

Verklaring van [medeverdachte 2] .

Op dinsdag 29 mei 2018 werd [medeverdachte 2] gehoord. Zakelijk weergegeven verklaarde hij dat hij, [medeverdachte 1] en [verdachte] omstreeks 19.00 uur onder de afdekking op stadsstrand [stadsstrand] zijn gaan liggen. [slachtoffer] kwam hier na 30 á 40 minuten bij. Hij verklaarde dat [slachtoffer] hem per ongeluk tegen zijn been schopte en hij het hierop uitschreeuwde van de pijn. Hij verklaarde dat [verdachte] ruzie kreeg met [slachtoffer] en dat [medeverdachte 1] zich bij deze ruzie aansloot. Hij verklaarde dat [verdachte] [slachtoffer] verweet dat hij ( [slachtoffer] ) hem ( [verdachte] ) had geslagen. Hij verklaarde dat dit slaan ook in het gezicht van [verdachte] zichtbaar was. Hij zag dat [slachtoffer] op zijn rug op een zeil lag. Hij verklaarde dat hij de hartslag van [slachtoffer] controleerde aan beide zijden van diens nek. Hij constateerde geen hartslag en voelde later dat [slachtoffer] steeds kouder werd. Hij verklaarde dat hem werd verteld dat [slachtoffer] een pak slaag had gekregen en hij twee paaltjes naast het zeil zag liggen. Hij verklaarde dat hij zag dat [slachtoffer] in het zeil door twee personen richting de brug werd gesleept en in het water werd gegooid. Hij had niemand zien slaan, maar [verdachte] had hem verteld dat hij [slachtoffer] had omgebracht. Hij verklaarde dat [medeverdachte 1] hem had verteld dat hij ( [medeverdachte 1] ) [slachtoffer] tegen zijn gezicht had geslagen.8

Tapgesprek [betrokkene 1] -NNV.

Op 31 maart 2018, omstreeks 22:41 uur, belde [betrokkene 1] uit naar de gebruiker van het

[telefoonnummer 1] (opmerking: [betrokkene 1] noemt de gebruiker “mama”). Een

passages van dit gesprek worden hierbij woordelijk weergegeven:

“ [betrokkene 1] : En hebben ze dan niet over de jongen uit Nederland verteld? Hij is uit een kanaal gevist.

NNV kijkt niet altijd naar het nieuws.

[betrokkene 1] : Het was bij ons in de stad. Hij heeft bij ons bedrijf gewerkt.

NNV: Was dat ook een [persoon 1] ?

[betrokkene 1] : Ja.

NNV: Echt waar?

[betrokkene 1] : Ja. Het was een [persoon 1] . Hij was 32 jaar oud.

NNV: Jeetje.

[betrokkene 1] : Hij is uit een kanaal gevist.

NNV: Maar is het bekend of iemand hem... [zin niet afgemaakt]

[betrokkene 1] : Hij is vermoord. Hij is mishandeld. Ze hebben hem in een kanaal gegooid. En hij is

verdronken. Op 30 januari. Hij heeft bij ons bedrijf gewerkt”.9

Tapgesprek [getuige 2] - [betrokkene 1] .

Op 8 april 2018, omstreeks 16:24 uur, werd [betrokkene 1] (= [betrokkene 1] ) gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , zijnde [getuige 2] . Enkele passages van dit gesprek zijn hierbij woordelijk weergegeven:

Passage 01

“ [betrokkene 1] : Luister ze hebben een mens afgemaakt...met z’n drieën.

[getuige 2] : Ik weet het. Ik heb het gehoord.

[betrokkene 1] : En nog meer. Als ze gedronken hebben dan kletsen ze wel...

[getuige 2] : Maar natuurlijk...zij komen er wel achter...ik vertelde tegen [medeverdachte 1] dat ze er achter zullen komen... je zult zien...fuck…die vent…zij gaan vingerafdrukken verzamelen...iemand heeft iets gezien en zo niet dan verraden jullie jezelf../ntv/ en dan de bak in, fuck.

[betrokkene 1] : Daarom vermijd ik Den Bosch...dat ze mij of [getuige 1] er niet aan koppelen...dat wij hen kennen…want later shit...wordt het een kwestie...

[getuige 2] : Maar jou kunnen ze niets doen…waarom maak je je er zorgen over…noch jou, noch hem kunnen ze iets doen...zij zullen jullie verhoren en vragen wat jullie weten en dat is het...de hele situatie, er is geen bewijs en zij kunnen niks doen en omdat het een [persoon 1] is dan zullen ze er niet dieper erop in gaan. ..maar als iemand het echt heeft gezien...dan wat...zij sturen (hem) terug naar [land] , hij gaat hier even zitten en dan wordt hij terug naar [land] gestuurd en dan krijgt hij een gevangenisstraf van 25 jaar...fuck en dat is het en misschien is het beter zo...shit...25 jaar is te veel...maar als ze minstens 5 jaar krijgen…daar zou ik, denk ik, blij om zijn. Misschien worden ze dan wijzer, nul alcohol, shit...geloof me dat de bak hun leven zou redden.

[betrokkene 1] : In Nederland zouden ze het heel luxe hebben....

[getuige 2] : Nee, niet in Nederland...Nee....dat zou te goed zijn. Nee, niet hier…zij zullen hier niet wijzer worden... naar [land] ...daar worden ze lastig gevallen....alleen daar...en zij worden gedeporteerd, geen probleem. Zij staan hier niet ingeschreven, zij hebben niets...zij zullen tot de zaak vast zitten en daarna zus en zo...1 jaar of maximaal 1,5 jaar blijven ze zitten en dan worden ze gedeporteerd...100%...voor het doden, voor doodslag...100% dat de test van hun vonnis ze in [land] gaan uitzitten…en dan zullen ze zien wat een gevangenis betekent, daar zullen ze een les krijgen…fuck zeg…dat zou goed voor ze zijn, voor die ene maar ook voor die andere…anders putten zij zichzelf uit… [medeverdachte 2] heeft het vooral nodig.

[betrokkene 1] : De ene, de tweede en de derde ook. Want zij waren met z’n drieën.

[getuige 2] : En die derde ook ....fuck... [betrokkene 2] of hoe hij ook heet...

[betrokkene 1] : Die... [verdachte] ... [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

[getuige 2] : Fuck, [medeverdachte 1] heeft hem geslagen.

[betrokkene 1] : Ik weet de details niet. [getuige 2] , ik ken de details echt niet.

[getuige 2] : Ik ook niet. Ik weet alleen wat hij mij verteld heeft...hoe moet ik het weten. Het interesseert met geen barst...bij de [supermarkt] (fon.) zag ik een politieauto...toen ik [medeverdachte 1] zocht. Ik heb een sigaret opgestoken... ik zeg...kom, ik laat je die mens zien die ik heb afgemaakt en hij liet me...er lag een foto daar waar je het eten ophaalt…snap je…er waren twee zwart-wit foto’s en hij wees op een foto…dat het deze [persoon 1] is…

[betrokkene 1] : En waarom in godsnaam...je kunt elkaar slaan maar niet doden.”

Passage 02

“ [betrokkene 1] : Weet je waar om het ging? Om bier. Zij gingen ruzie maken en degene die dood

is…he…hij heeft die [verdachte] in elkaar geslagen...hij had donker blauwe plekken onder zijn ogen...en na drie dagen wilden ze wraak op hem nemen en daarom is het gebeurd.

[getuige 2] : En waarschijnlijk heeft [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] opgefokt fuck en zo is het gegaan...100%

[betrokkene 1] : [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en die [betrokkene 3] waren daar. En zoals ik al zei, wij vermijden Den

Bosch...maar ik zelf...ik was ver weg...

[getuige 2] : Maar zij hebben hem uitgevist…en zij doen nu de sectie en zij doen het onderzoek, zij zoeken de getuigen, de schuldigen...vingerafdrukken…en wie er per toeval kon zijn…en het gaat een paar weken duren maar zij zullen er achter komen… [betrokkene 1] , je zult het zien…zij zijn niet dom, tenzij ze het laten liggen…maar ik betwijfel het…ik betwijfel het.

[betrokkene 1] : Maar daarvoor heeft [getuige 1] ze gezien…dus ik zeg tegen [getuige 1] : vermijd ze…

[getuige 2] : Maar het doet er niet toe dat jij er was, jij hebt er niet aan deelgenomen. Dus…punt uit. Waar heb je het nog over?”.10

Nadere bewijsoverwegingen.

Op basis van genoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] op 30 januari 2018 op of nabij stadsstrand [stadsstrand] te ’s-Hertogenbosch om het leven is gebracht doordat hij door [medeverdachte 1] en door [verdachte] meermalen met een paaltje op zijn hoofd is geslagen. Op een zeil is [slachtoffer] vervolgens door de verdachten naar de waterkant gesleept en in het water van de Dieze gegooid. De rechtbank overweegt hiertoe nog het volgende.

Betrouwbaarheid van de verklaringen.

De verklaringen van [getuige 1] , [verdachte] [getuige 2] en [medeverdachte 2] komen naar het oordeel van de rechtbank op essentiële onderdelen overeen en worden door de rechtbank op die onderdelen betrouwbaar geacht. Hoewel er door de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] soms wisselend wordt verklaard en de verklaringen van verdachten (in een later stadium) kennelijk worden ‘ingekleed’ om de eigen rol in het geheel af te waarderen, heeft de rechtbank, mede gewaardeerd in het licht van de overige onderzoeksbevindingen zoals vervat in het dossier, geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen die elkaar ondersteunen en versterken op wezenlijke onderdelen.

Bekennende verklaring verdachte.

De rechtbank houdt [verdachte] aan zijn op 17 mei 2018 afgelegde bekennende verklaring dat hij [slachtoffer] nog twee keer (bij leven) heeft geslagen met dezelfde paal als waarmee [medeverdachte 1] sloeg. Verdachte heeft immers daags na het gebeuren aan [getuige 1] verteld dat hij samen met [medeverdachte 2] [slachtoffer] had afgeslacht. Nadat [medeverdachte 1] [slachtoffer] meerdere malen met een ‘plank’ op zijn hoofd had geslagen, nam [verdachte] het over en sloeg [slachtoffer] eveneens meerdere malen (op zijn hoofd). De wijziging in de verklaring van [verdachte] op 25 mei 2018 dat hij pas heeft geslagen nadat [slachtoffer] was overleden en dat hij bovendien alleen tegen de romp en het onderlichaam heeft geslagen, acht de rechtbank dan ook hoogst onwaarschijnlijk en onaannemelijk.

Doodsoorzaak.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte was overleden op het moment dat hij te water raakte. Het rapport van het radiologisch onderzoek van prof. dr. Hofman is hier duidelijk over: het overlijden van [slachtoffer] wordt volledig verklaard door verwikkelingen van een ernstig schedeltrauma. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 1] het (levenloze) lichaam van [slachtoffer] , op een zeil, naar de waterkant gesleept en het lichaam in het water gegooid. Verdachte verklaart dat hij zeker weet dat [slachtoffer] op dat moment al was overleden nu hij eerst zijn hartslag heeft gecontroleerd. Ook [medeverdachte 2] verklaart dat hij voelde dat [slachtoffer] geen hartslag meer had en hij steeds kouder werd op het moment dat hij op het zeil lag alvorens hij in het water terechtkwam.

Medeplegen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat uit de wijze waarop verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] deze geweldshandelingen hebben uitgevoerd, blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij de geweldshandelingen naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht waren op het veroorzaken van de dood van [slachtoffer] , dat daaruit voor ieder van hen tenminste het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] kan worden afgeleid. Uit de samenwerking met betrekking tot het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer] , kan eveneens het medeplegen worden afgeleid. De rechtbank zal verdachten vrijspreken voor het omwikkelen van het lichaam van [slachtoffer] met plastic en het verzwaren daarvan.

Ten aanzien van feit 3: diefstal (in vereniging) middels een valse sleutel.

Evenals de officier van justitie, acht de rechtbank het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Omdat verdachte bij de politie een bekennende verklaring heeft afgelegd en zijn raadsman ter terechtzitting geen bewijsverweer heeft gevoerd of vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.

 Verklaring van verdachte bij de politie.11

 Verklaring van [getuige 1] .12

 Relaas van [verbalisant] .13

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

omstreeks 30 januari 2018, te 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet,

meermalen met een paal tegen het hoofd van die [slachtoffer] geslagen,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

omstreeks 30 januari 2018, te 's-Hertogenbosch,

tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] te verhelen,

het lijk van die [slachtoffer] heeft weggemaakt,

immers hebben verdachte en zijn mededader,

het lijk van die [slachtoffer] naar de waterkant gesleept en in de Dieze

gegooid/gedumpt;

3. meermalen, in de periode van 06 februari 2018 tot en met 08 februari 2018, te 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander,

telkens geld, te weten in totaal EURO 49,39,

toebehorende aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, heeft weggenomen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

waarbij verdachte en verdachtes mededader telkens de weggenomen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel (te weten onbevoegd gebruik maken van een bankpas

van [slachtoffer] ).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht om bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de nagenoeg blanco documentatie van verdachte en met zijn persoonlijke omstandigheden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het met grof geweld om het leven brengen van [slachtoffer] , enkel en alleen omdat hij vervelend was. Verdachte en zijn mededader hebben het lichaam vervolgens letterlijk in het water gedumpt, hetgeen getuigt van een weerzinwekkend gebrek aan respect. Verdachte heeft na de dood van [slachtoffer] gewetenloos gebruik gemaakt van de bankpas van [slachtoffer] om in zijn eigen verslavings)behoefte te voorzien. De nabestaanden zijn lange tijd in onzekerheid gebleven over het lot van het slachtoffer. Het laatste teken van leven dateerde van 30 januari 2018 en pas op 29 maart 2018 hoorden zij dat het lichaam van hun (stief)zoon en broer met zekerheid kon worden geïdentificeerd. Al die tijd hebben de nabestaanden in onzekerheid geleefd of het slachtoffer was overleden en zo ja, wanneer. Daar komt in geval van verdachte nog bij dat hij, doordat hij gebruikmaakte van de bankpas van [slachtoffer] en de nabestaanden inzicht hadden in diens bankrekening, de nabestaanden van [slachtoffer] de hoop heeft gegeven dat het slachtoffer nog in leven was. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet de initiatiefnemer lijkt te zijn geweest van het toegepaste geweld en hij enige openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte verkeerde tijdens het plegen van het geweld (vermoedelijk) onder de invloed van alcohol, hetgeen zijn frustratie heeft doen toenemen en zijn remmingen heeft doen wegnemen. Verdachte had zijn mededader kunnen weerhouden van het plegen van de strafbare feiten, maar is in plaats daarvan verder gegaan waar medeverdachte [medeverdachte 1] was gebleven. In plaats van hulp te verlenen, heeft verdachte het slachtoffer laten creperen en hem vervolgens in het water gedumpt. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer en heeft de nabestaanden onherstelbaar leed bezorgd.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij en in verband met een juiste normhandhaving een vrijheidsbeneming van zeer lange duur op haar plaats. De rechtbank is, in navolging van de officier van justitie, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf korter dan 15 jaren geen recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde en zal de officier van justitie volgen in zijn strafeis.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (wettelijk vertegenwoordiger

[persoon 2] ).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de minderjarige zoon van het slachtoffer integraal toewijsbaar. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering af te wijzen in verband met de bepleite vrijspraak van verdachte. Subsidiair is de vordering niet voor toewijzing vatbaar omdat de vordering niet voldoende is onderbouwd: er kan niet worden gesproken van schade in de zin van gederfd levensonderhoud nu uit de stukken niet blijkt dat er door het slachtoffer kinderalimentatie werd of zou worden betaald.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank is van oordeel dat met de beslissing waaruit blijkt dat uitkering van kinderalimentatie uit het alimentatiefonds voor de periode van 1 oktober 2017 tot en met 30 september 2019 is toegekend en met ingang van 1 april 2018 is ingetrokken omdat het slachtoffer (volgens informatie van de moeder in maart 2018 in het buitenland) is komen te overlijden, is komen vast te staan dat er sprake is van rechtstreekse schade.

Door de raadsvrouw van de benadeelde partij is verzocht de vordering tot vergoeding van schade toe te kennen in [munteenheid] . De rechtbank zal om redenen van uitvoerbaarheid niet meegaan in dat verzoek. De rechtbank wijst de vordering toe in euro’s waarbij de vordering in [munteenheid] kan worden omgerekend naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (wettelijk vertegenwoordiger

[persoon 2] ).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de minderjarige zoon van het slachtoffer integraal toewijsbaar. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering af te wijzen in verband met de bepleite vrijspraak van verdachte. Subsidiair is de vordering niet voor toewijzing vatbaar omdat de vordering niet voldoende is onderbouwd: er kan niet worden gesproken van schade in de zin van gederfd levensonderhoud nu uit de stukken niet blijkt dat er door het slachtoffer kinderalimentatie werd of zou worden betaald.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank is van oordeel dat met de beslissing waaruit blijkt dat uitkering van kinderalimentatie uit het alimentatiefonds voor de periode van 1 oktober 2017 tot en met 30 september 2019 is toegekend en met ingang van 1 april 2018 is ingetrokken omdat het slachtoffer (volgens informatie van de moeder in maart 2018 in het buitenland) is komen te overlijden, is komen vast te staan dat er sprake is van rechtstreekse schade.

Door de raadsvrouw van de benadeelde partij is verzocht de vordering tot vergoeding van schade toe te kennen in [munteenheid] . De rechtbank zal om redenen van uitvoerbaarheid niet meegaan in dat verzoek. De rechtbank wijst de vordering toe in euro’s waarbij de vordering in [munteenheid] ’s kan worden omgerekend naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de moeder van het slachtoffer voldoende onderbouwd en integraal toewijsbaar. De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering, subsidiair behoudens de gevorderde reiskosten, af te wijzen nu de vordering niet voldoende is onderbouwd. Uit de stukken blijkt niet dat de begrafeniskosten niet zijn vergoed door een verzekering of dat de factuur (door de benadeelde partij) is voldaan.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2018 (factuurdatum) tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal daarnaast toewijzen de gemaakte proceskosten (reiskosten) ten behoeve van het bijwonen van de zittingen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op € 42,56.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2018 (factuurdatum) tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen (zogenoemde ‘sporendragers’) aan de rechthebbenden nu naar het oordeel van de rechtbank – na het onherroepelijk worden van het vonnis – het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 151, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:medeplegen van doodslag Ten aanzien van feit 2:medeplegen van het wegmaken van een lijk met het oogmerk om de oorzaak van hetoverlijden te verhelen.Ten aanzien van feit 3:diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg tenemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valsesleutel, meermalen gepleegd. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregelen.

Ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3:Gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 1:Maatregel van schadevergoeding van EUR 7134,50 subsidiair 70 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] (vertegenwoordigd door [persoon 2] ), van

een bedrag van EUR 7.134,50 (zegge: zevenduizend honderdvierendertig

euro en vijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen

door 70 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding

(post: gederfd levensonderhoud). Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018

tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de [benadeelde 2] (vertegenwoordigd

door [persoon 2] ), van een bedrag van EUR 7.134,50 (zegge: zevenduizend honderdvierendertig euro en vijftig eurocent), te weten materiële

schadevergoeding (post: gederfd levensonderhoud).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

1 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Ten aanzien van feit 1:Maatregel van schadevergoeding van EUR 7134,50 subsidiair 70 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] (vertegenwoordigd door [persoon 2] ), van

een bedrag van EUR 7.134,50 (zegge: zevenduizend honderdvierendertig

euro en vijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen

door 70 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding

(post: gederfd levensonderhoud). Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018

tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de [benadeelde 3] (vertegenwoordigd

door [persoon 2] ), van een bedrag van EUR 7.134,50 (zegge: zevenduizend honderdvierendertig euro en vijftig eurocent), te weten materiële

schadevergoeding (post: gederfd levensonderhoud).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

1 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Ten aanzien van feit 1: Maatregel van schadevergoeding van EUR 7064,14 subsidiair 70 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] van een bedrag van EUR 7.064,14 (zegge: zevenduizend vierenzestig euro en veertien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (post: uitvaartkosten en reiskosten).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2018 (factuurdatum) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de [benadeelde 4] , van een bedrag van EUR 7.064,14 (zegge: zevenduizend vierenzestig euro en veertien cent), te weten materiële schadevergoeding (post uitvaartkosten en reiskosten).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

14 april 2018 (factuurdatum), tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op 42,56.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Teruggave inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast – bij onherroepelijk worden van het vonnis – de teruggave van de op de beslaglijst genoemde in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- 1 t/m 6 aan de nabestaanden van [slachtoffer] ;

- 7 t/m 9 aan verdachte [verdachte] ;

- 10 t/m 13 aan de perso(o)n(en)

die redelijkerwijs als rechthebbende(n) kan/kunnen worden aangemerkt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Waals, voorzitter,

mr. M.M. Klinkenbijl en mr. T. Kraniotis, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 29 mei 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar het procesdossier, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit bijlagen bij het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, DRR-TGO OBRAB18004 Goudriaan, pagina 1-1 t/m 32-19; Wanneer hierna wordt verwezen naar het forensisch dossier, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit bijlagen bij het forensisch proces-verbaal van het team forensische opsporing van de politie Eenheid Oost-Brabant, 2018057735, TGO Goudriaan, aantal doorgenummerde pagina’s: 294.

2 Rapport Radiologisch onderzoek naar aanleiding van een niet natuurlijke dood Maastricht UMC+ Forensische Radiologie (rapportnummer 40/2018) [deskundige 1] d.d. 21 juni 2018, p. 1-42 t/m 1-49 en p. 31-1154 t/m 31-1161 van voornoemd procesdossier / p. 231-238 van voornoemd forensisch dossier.

3 NFI-rapport voorlopige bevindingen [deskundige 2] (arts en patholoog) en [deskundige 3] ((forensisch) arts en patholoog in opleiding) d.d. 28 maart 2018, p. 1-56 t/m 1-59 van voornoemd procesdossier / p. 240-243 van voornoemd forensisch dossier.

4 Proces-verbaal verhoor [getuige 1] d.d. 15 mei 2018, p. 31-647 t/m 31-664 van voornoemd procesdossier.

5 Proces-verbaal van (3e) verhoor [verdachte] d.d. 17 mei 2018, p. 22-283 t/m 22-304 van voornoemd procesdossier.

6 Proces-verbaal van (5e) verhoor [verdachte] d.d. 25 mei 2018, p. 22-313 t/m 22-323 van voornoemd procesdossier.

7 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , d.d. 11 juli 2018, p. 31-829 t/m 31-864 van voornoemd procesdossier.

8 Proces-verbaal van (6e) verhoor [medeverdachte 2] d.d. 29 mei 2018, p. 23-317 t/m 23-348 van voornoemd procesdossier.

9 Tapgesprek sessienummer 26 d.d. 31 maart 2018, p. 31-230 t/m 31-231 van voornoemd procesdossier.

10 Tapgesprek sessienummer 167 d.d. 8 april 2018, p. 31-232 t/m 237 van voornoemd procesdossier.

11 Proces-verbaal van (4e) verhoor [verdachte] d.d. 24 mei 2018, p. 22-305 t/m 22-312 van voornoemd procesdossier.

12 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 6 juni 2018, p. 31-682 t/m 31-693 van voornoemd procesdossier.

13 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek bankrekening [verbalisant] d.d. 18 april 2018, p. 31-211 t/m 31-212 van voornoemd procesdossier.