Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:2996

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
C/01/338649 / HA ZA 18-650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schuldoverneming. Verrekening. 6:133 BW. Akte van cessie. Schuldeisersverzuim door derdenbeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/338649 / HA ZA 18-650

Vonnis van 29 mei 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.M.J. Arts te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROCOAT TECHNIEK B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaten mr. V.H.B. Kruit en mr. S.J.M. Huijbregts te Utrecht.

Partijen zullen hierna WdG Holding en Procoat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 januari 2019;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 april 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De heer [naam bestuurder] (hierna te noemen: [naam bestuurder] ) is enig bestuurder van WdG Holding. W2G B.V. (hierna te noemen: W2G) is een 100% dochtervennootschap van WdG Holding.

2.2. 2

NG Investments B.V. (hierna te noemen: 2NG) is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Procoat. De heer [naam bestuurder Procoat] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van 2NG.

2.3.

Op 15 augustus 2012 heeft 2NG de aandelen in Procoat en diens – inmiddels failliete - zustervennootschap Wandflex B.V. gekocht van WdG Holding.

2.4.

In 2014 is door Vavier Kunststofvloeren B.V. (hierna te noemen: Vavier) jegens Procoat een procedure aanhangig gemaakt waarin Vavier een hoofdsom van € 37.770,00 van Procoat vorderde. Procoat heeft [naam bestuurder] en WdG Holding destijds in vrijwaring opgeroepen en – samengevat – gevorderd dat zij worden veroordeeld om aan Procoat al hetgeen te betalen waartoe Procoat in de hoofdzaak eventueel zou worden veroordeeld ten opzichte van Vavier.

2.5.

De beslissing van de rechtbank Rotterdam in het vonnis van 14 september 2016 luidt als volgt:

“De rechtbank

in de hoofdzaak:

in conventie:

veroordeelt Procoat om aan Vavier te betalen de hoofdsom van € 37.770,-- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 1 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Procoat in de proceskosten, aan de zijde van Vavier tot heden begroot op

€ 3.138,52 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis en te vermeerderen met de nakosten van € 131,- dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt, van € 199,-;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt Procoat in de proceskosten die aan zijde van Vavier worden begroot op € 579,-- te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de vrijwaring:

veroordeelt [eiseres] Holding om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan Procoat te voldoen al datgene waartoe Procoat in de hoofdzaak tussen Procoat en Vavier is veroordeeld, inclusief de proceskosten in conventie,

veroordeelt [eiseres] Holding in de proceskosten, aan de zijde van Procoat begroot op

€ 1.158,-- te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de nakosten van € 131,- dan wel indien betekening van het vonnis plaatsvindt, van

€ 199,-;

veroordeelt Procoat in de proceskosten in de vrijwaringsprocedure jegens [naam bestuurder] , die aan de zijde van [naam bestuurder] worden begroot op nihil,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.”

2.6.

Op 16 september 2016 heeft Vavier ten laste van Procoat derdenbeslag gelegd onder WdG Holding op de vorderingen die Procoat op WdG Holding heeft.

2.7.

In februari 2018 heeft Procoat deurwaarderskantoor Groenendaal & Van Krijl de opdracht gegeven om over te gaan tot executie van de bij vonnis van 14 september 2016 door de rechtbank in vrijwaring toegewezen vordering van Procoat op WdG Holding.

2.8.

Op 23 maart 2018 zijn WdG Holding en Vavier overeengekomen dat WdG Holding de vorderingen van Vavier op Procoat uit hoofde van het vonnis van 14 september 2016, inclusief rente met een totaal beloop van € 62.900,00, koopt van Vavier voor een bedrag van € 5.500,00.

2.9.

Deze overdracht heeft WdG Holding per aangetekende brief van 4 april 2018 en per e-mail van 5 april 2018 aan Procoat medegedeeld. In deze brief is door WdG Holding een beroep op verrekening gedaan van haar schuld aan Procoat uit hoofde van het vonnis van 14 september 2016 met de door WdG Holding van Vavier overgenomen vordering. Ook heeft WdG Holding Procoat in deze brief gesommeerd om binnen vijf dagen € 5.965,77 –

het restantbedrag dat volgens WdG Holding na verrekening overblijft – te betalen. Procoat heeft dit bedrag niet betaald.

2.10.

Op 6 april 2018 heeft WdG Holding de restantvordering van € 5.965,77 op Procoat verkocht en overgedragen aan W2G.

2.11.

Op 26 juli 2018 is door de voorzieningenrechter – in een door WdG Holding aanhangig gemaakt executiegeschil – het volgende beslist:

“De voorzieningenrechter

5.1.

schorst de executie van het vonnis van 14 september 2016 onder de ontbindende voorwaarde dat [eiseres] Holding niet binnen twee maanden na heden een bodemgeschil jegens Procoat aanhangig heeft gemaakt met betrekking tot de rechtmatigheid van de door Procoat voorgenomen executie,

5.2.

veroordeelt Procoat in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] Holding tot op heden begroot op € 1.692,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Procoat in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00, aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW daarover met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Procoat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.”

2.12.

Procoat is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van 26 juli 2018.

3 Het geschil

3.1.

WdG Holding vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. een verklaring voor recht dat de executie van het vonnis van 14 september 2016 door Procoat onrechtmatig is en Procoat uit hoofde van voornoemd vonnis niks van WdG Holding te vorderen heeft;

2. dat de executie van het vonnis van 14 september 2016 wordt verboden;

3. dat Procoat wordt verboden executiemaatregelen te treffen uit hoofde van het vonnis van 14 september 2016;

4. een verklaring voor recht dat WdG Holding per 4 april 2018 een bedrag van

€ 5.965,77 van Procoat te vorderen had; en

5. veroordeling van Procoat tot betaling aan WdG Holding van de kosten van dit geding te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 157,00 zonder betekening en verhoogd met € 82,00 in geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Procoat voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

WdG Holding heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij de vordering van Vavier op Procoat rechtsgeldig heeft overgenomen en dat zij rechtsgeldig een beroep op verrekening heeft gedaan.

4.2.

Procoat verzoekt de rechtbank om de vorderingen van WdG Holding af te wijzen en WdG Holding te veroordelen in de proceskosten en nakosten. Procoat legt daaraan het volgende ten grondslag.

Schuldoverneming

4.3.

Procoat stelt dat 2NG op 3 november 2016 de schuldpositie van Procoat (jegens Vavier) per diezelfde datum heeft overgenomen tegen betaling van een bedrag van

€ 6.000,00 aan Vavier door 2NG. Volgens Procoat heeft Vavier dus geen vordering meer op Procoat, maar op 2NG, en is de akte van cessie van WdG Holding en Vavier daarom onjuist. Ook is de vereiste mededeling niet aan de schuldenaar – volgens Procoat namelijk 2NG – gedaan, maar aan Procoat. Volgens Procoat is daarom niet aan de constitutieve vereisten (akte en mededeling) van een cessie voldaan en is de cessie daarom non-existent. Procoat stelt dat deze schuldoverneming blijkt uit de correspondentie – overgelegd als productie F bij conclusie van antwoord – tussen haar en de advocaat van Vavier. Procoat heeft ter comparitie verklaard dat zij zich in de brief van 9 april 2018 niet op deze schuldoverneming heeft beroepen, omdat zij de overneming destijds vergeten was en dat zij pas medio april 2018 of later erachter kwam dat deze schuldoverneming had plaatsgevonden.

4.4.

WdG Holding betwist de door Procoat gestelde schuldoverneming. Volgens WdG Holding blijkt uit de correspondentie (overgelegd als productie F bij conclusie van antwoord) niet dat er sprake is van een schuldoverneming, maar gaat deze correspondentie over een verklaring die is bedoeld voor een eerder executiegeding van 17 november 2016.

4.5.

In artikel 6:155 BW is bepaald dat een schuldoverneming pas werking heeft jegens de schuldeiser, indien deze zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven. De rechtbank volgt de verwijzing van Procoat naar productie F bij conclusie van antwoord als onderbouwing van de gestelde schuldoverneming niet, omdat in deze correspondentie niet wordt gesproken over een schuldoverneming. Ook blijkt niet uit de correspondentie dat de advocaat van Vavier toestemming heeft gegeven voor een schuldoverneming. Daarnaast komt het de rechtbank onwaarschijnlijk voor dat Vavier een vordering op Procoat zou verkopen als zij die vordering op dat moment niet meer had. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Procoat onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat 2NG op 3 november 2016 haar schuldpositie jegens Vavier heeft overgenomen. Dit betekent dat aan bewijslevering op dit punt niet wordt toegekomen.

Eerdere verrekening door Procoat

4.6.

Ook stelt Procoat dat WdG Holding geen rechtsgeldig beroep op verrekening heeft gedaan. Volgens Procoat heeft zij zelf namelijk al eerder de verrekening ingeroepen met een andere vordering. Procoat stelt dat zij op 21 maart 2018 een (gedeelte van een meeromvattende) vordering van € 64.000 op WdG Holding gecedeerd heeft gekregen van 2NG. Volgens Procoat is deze cessie aan WdG Holding medegedeeld in een brief van 21 maart 2018 die zij per post (niet aangetekend) verzonden heeft. Vervolgens hebben 2NG en Procoat op 9 april 2018 een verrekeningsbrief aan WdG Holding verstuurd. De cessie en de verrekeningsverklaring leiden er volgens Procoat toe dat de vordering van WdG Holding teniet is gegaan en dat de door WdG Holding vervolgens ingeroepen verrekening derhalve nietig is. Procoat beroept zich er daarbij op dat zij op grond van artikel 6:133 BW de werking van de verrekeningsverklaring van WdG Holding kan ontnemen, door (alsnog) gebruik te maken van een eigen bevoegdheid tot verrekening. Volgens Procoat is hiervan sprake nu de verrekening van Procoat verder terugwerkt dan die van WdG Holding. Ter comparitie heeft Procoat toegelicht dat zij het vermoeden had dat Vavier haar vordering mogelijk aan WdG Holding zou cederen, omdat Vavier de vordering eerst aan Procoat heeft aangeboden en er daarna mee dreigde om de vordering aan WdG Holding te cederen. Procoat heeft toen, om “het zekere voor het onzekere te nemen”, besloten tot bovengenoemde cessie.

4.7.

Volgens WdG Holding heeft Procoat niet rechtsgeldig verrekend. WdG Holding betwist dat zij de brief van 21 maart 2018 – waarin de cessie zou zijn medegedeeld – heeft ontvangen. WdG Holding stelt dat zij voorafgaand aan de brief van 9 april 2018 geen mededeling heeft ontvangen van de cessie van 2NG aan Procoat en dat de verrekening daarom niet eerder werking kan hebben gehad dan vanaf 9 april 2018, terwijl WdG Holding reeds voor die datum een beroep op verrekening heeft gedaan. Ook vermoedt WdG Holding dat de cessie en de mededeling daarvan geantedateerd zijn. WdG Holding wijst daarbij op de brief van 9 april 2018 waarin Procoat over de cessie van Vavier aan WdG Holding van 23 maart 2018 schrijft: “Procoat Techniek BV was van dit voornemen al op de hoogte”, terwijl Vavier zegt dat zij pas op 7 april 2018 voor het eerst met Procoat over de kwestie heeft gesproken. Volgens WdG Holding is dit een aanwijzing voor antedatering, omdat de cessie van 2NG aan Procoat door Procoat wordt gekoppeld aan de cessie van Vavier aan WdG Holding, terwijl Procoat van die laatste cessie volgens Vavier pas vanaf 7 april 2018 op de hoogte was. Bovendien heeft Procoat volgens WdG Holding niet voldaan aan de eis van artikel 6:133 BW dat er onverwijld gebruik moet worden gemaakt van de eigen mogelijkheid tot verrekening, de verstreken vijf dagen tussen 4 april 2018 en 9 april 2018 zijn daarvoor volgens WdG Holding te lang.

4.8.

In artikel 6:133 BW is bepaald dat nadat de ene partij een verrekeningsverklaring heeft uitgebracht, de andere partij, mits onverwijld, aan die verklaring haar werking kan ontnemen door alsnog gebruik te maken van een eigen bevoegdheid tot verrekening, doch alleen indien deze laatste verrekening verder terugwerkt. De omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, moet de handeling zonder vertraging na het uitbrengen van de eerste verklaring plaatsvinden. Procoat stelt dat (een deel van) de vordering van 2NG op WdG Holding is overgedragen aan Procoat. In artikel 3:94 lid 1 BW is bepaald dat tegen één of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten geleverd worden door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger.

Nu is gesteld noch gebleken dat er sprake is van een stille cessie ex artikel 3:94 lid 3 BW, is de cessie van 2NG aan Procoat alleen voltooid als daarvan mededeling is gedaan aan WdG Holding. Volgens Procoat is die mededeling per brief van 21 maart 2018 aan WdG Holding gedaan, maar WdG Holding betwist dat zij deze brief ontvangen heeft. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Zelfs als Procoat zou kunnen bewijzen dat zij de brief van 21 maart 2018 verzonden heeft, is daarmee nog niet voldaan aan de eis dat de verklaring WdG Holding moet hebben bereikt om werking te hebben. Nu Procoat niet heeft gesteld, noch is gebleken, dat WdG Holding de beweerdelijk verzonden brief ontvangen heeft, terwijl WdG Holding betwist de mededeling op 21 maart 2018 te hebben ontvangen, kan niet worden geconcludeerd tot een voltooide cessie op 21 maart 2018. Niet in geschil is dat WdG Holding de brief van 9 april 2018 – waarin Procoat de cessie mededeelt en een beroep op verrekening doet – ontvangen heeft. Op 9 april 2018 is dus een rechtsgeldige cessie van 2NG aan Procoat tot stand gekomen. Echter, daarmee gaat het argument van Procoat dat haar verrekening verder terugwerkt dan de verrekening van WdG Holding niet op, omdat de cessie pas na de verrekening van WdG Holding voltooid is. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat door de verstreken dagen tussen de brief van 4 april 2018 van WdG Holding en de brief van 9 april 2018 van Procoat, in aanmerking genomen dat Procoat hierover geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld, niet is voldaan aan de eis van onverwijldheid uit artikel 6:133 BW.

Redelijkheid en billijkheid

4.9.

Procoat stelt dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid en de goede zeden is dat WdG Holding een claim van Procoat, waarvoor WdG Holding zich garant heeft gesteld en welke WdG Holding zelf veroorzaakt heeft, van een schuldpositie ombuigt naar een positie waarin Procoat een bedrag aan WdG Holding dient te betalen.

4.10.

WdG Holding brengt hier tegenin dat cessies en verrekeningen nergens zijn uitgesloten en dat de cessie van 23 maart 2018 en de verrekening van 4 april 2018 rechtsgeldig zijn. Volgens WdG Holding is de uitkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

4.11.

In artikel 6:2 BW is bepaald dat partijen verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en dat (lid 2) een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ brengt met zich dat de rechter bij de toepassing van lid 2 de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten. In het licht van deze terughoudendheid acht de rechtbank door Procoat onvoldoende onderbouwd gesteld dat de handelwijze van WdG Holding leidt tot een situatie die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De restantvordering van € 5.965,77

4.12.

Volgens WdG Holding is de vordering die WdG Holding van Vavier heeft overgenomen als volgt opgebouwd:

Hoofdsom

€ 37.770,00

Wettelijke handelsrente over hoofdsom van 1/8/2012 tot en met 4/4/2018

€ 21.103,56

Proceskosten in conventie

€ 3.138,52

Wettelijke rente over proceskosten in conventie van 28/9/2016 tot en met 4/4/2018

€ 95,88

Proceskosten in reconventie

€ 579,00

Wettelijke rente over proceskosten in reconventie van 28/9/2016 tot en met 4/4/2018

€ 17,68

Nakosten bij betekening

€ 199,00

Totaal per 4 april 2018

€ 62.903,64

De vordering van Procoat op WdG Holding uit hoofde van de vrijwaringszaak is volgens WdG Holding als volgt opgebouwd:

Hoofdsom

€ 37.770,00

Proceskosten in conventie

€ 3.138,52

Proceskosten in de vrijwaring

€ 1.158,00

Nasalaris in conventie

€ 199,00

Nasalaris in de vrijwaring

€ 199,00

Rente tot en met 16/9/2016

€ 14.472,67

Overige kosten

€ 11,60

Totaal per 16 september 2016

€ 56.937,87

4.13.

Op basis van bovenstaande berekeningen stelt WdG Holding per 4 april 2018 – na de verrekening – nog een restantvordering van € 5.965,77 op Procoat te hebben. WdG Holding stelt dat zij slechts tot 16 september 2016 rente verschuldigd is over de vordering van Procoat op WdG Holding, omdat op die datum door Vavier ten laste van Procoat derdenbeslag is gelegd onder WdG Holding op de vorderingen die Procoat op WdG Holding heeft. Volgens WdG Holding verkeerde zij op dat moment nog niet in verzuim, omdat de betaaltermijn nog niet was verstreken en was zij, ingevolge artikel 475 lid 1 en 475h lid 1 Rv, gehouden het beslagene onder zich te houden. Volgens WdG Holding is over de vordering van Procoat op WdG Holding vanaf 16 september 2016 geen rente meer verbeurd, omdat vanaf die datum aan de eisen van schuldeisersverzuim is voldaan. WdG Holding stelt dat het derdenbeslag pas op 4 april 2018 vervallen is en verwijst ter onderbouwing daarvan naar productie 27 bij dagvaarding.

4.14.

Volgens Procoat heeft WdG Holding geen restantvordering op Procoat, omdat het derdenbeslag al medio november 2016 vervallen is en WdG Holding daarom wel wettelijke handelsrente over de hoofdsom en wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is. Dat het derdenbeslag al medio november 2016 is vervallen, blijkt volgens Procoat uit producties B en F bij conclusie van antwoord en productie 27 bij dagvaarding. Daarnaast verwijst Procoat naar de overweging van de Hoge Raad in het arrest van 13 april 2012 (JOR 2012/237), waarin de Hoge Raad overweegt dat indien derdenbeslag geen beletsel (meer) voor de betaling vormt, schuldeisersverzuim geen rol van betekenis meer kan spelen. Ook mag een schuldenaar niet beter worden door een beslag, en wordt WdG Holding dit volgens Procoat in deze situatie wel, omdat zij door de cessie zowel de beslagene is als degene ten gunste van wie het beslag is gelegd.

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat Procoat niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat het derdenbeslag al medio november 2016 vervallen was en WdG Holding dus wel rente verschuldigd is. De rechtbank leest in de producties waar door Procoat naar wordt verwezen niets waaruit blijkt dat het derdenbeslag in november 2016 al vervallen was. WdG Holding heeft haar stelling dat het derdenbeslag pas op 4 april 2018 vervallen is wel deugdelijk onderbouwd met de als productie 27 bij dagvaarding overgelegde e-mail van de gerechtsdeurwaarder. De rechtbank is van oordeel dat WdG Holding nog niet in verzuim verkeerde toen het beslag werd gelegd, omdat in het vonnis van 14 september 2016 een betaaltermijn van veertien dagen is opgenomen en reeds op 16 september 2016 derdenbeslag is gelegd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van schuldeisersverzuim en dat er vanaf 16 september 2016 geen rente meer verbeurd is. Voor het overige zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van de berekeningen van WdG Holding, nu deze door Procoat (behalve de berekende rente) niet worden betwist.

4.16.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de vorderingen zal toewijzen.

Proceskosten

4.17.

Procoat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten aan de zijde van WdG Holding worden begroot op:

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

- griffierecht € 626,00

- kosten dagvaarding € 85,79

- totaal € 1.797,79

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de executie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 september 2016 (zaaknummer / rolnummer: C/10/494837 / HA ZA 16-145) door Procoat onrechtmatig is en Procoat uit hoofde van voornoemd vonnis niks van WdG Holding te vorderen heeft;

5.2.

verbiedt de executie van voormeld vonnis van 14 september 2016;

5.3.

verbiedt Procoat executiemaatregelen te treffen uit hoofde van voormeld vonnis van 14 september 2016;

5.4.

verklaart voor recht dat WdG Holding per 4 april 2018 een bedrag van € 5.965,77 van Procoat te vorderen had;

5.5.

veroordeelt Procoat om aan WdG Holding de proceskosten te betalen, aan de zijde van WdG Holding tot op heden begroot op € 1.797,79, te vermeerderen met de nakosten ter hoogte van € 157,00 zonder betekening en verhoogd met € 82,00 in geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na de vonnisdatum en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.L. Pechaczek en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.