Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:2916

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
01/865113-17
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:1035, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een garage, gelegen naast een woning, een ontploffing veroorzaakt, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en (levens)gevaar voor een ander te duchten was.

Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest op en een tbs met voorwaarden. De tbs met voorwaarden is dadelijk uitvoerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865113-17
Parketnummer vordering tul: 01/047602-17 Datum uitspraak: 23 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,

thans verblijvende te [postcode] , [straatnaam 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 december 2017, 21 februari 2018, 12 april 2018, 9 juli 2018, 4 oktober 2018, 11 december 2018, 28 februari 2019 en 9 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 november 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 28 februari 2018 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 20 mei 2017 in de gemeente Gemert, gemeente Gemert-Bakel, in een garage behorende bij een woning, aldaar gelegen aan de [straatnaam 2] , opzettelijk een ontploffing te weeg heeft gebracht, door toen en aldaar in die garage opzettelijk

- de dop(pen) van een of meerdere met benzine gevulde jerrycan(s) te verwijderen en/of

- benzine uit die jerrycan(s) te gieten en/of te sprenkelen, althans benzine uit die jerrycan(s) te laten vrijkomen en/of die benzine te laten uitdampen, ten gevolge waarvan een explosief mengsel is ontstaan en/of

- (vervolgens) een (vlammende) aansteker en/of (een) (ontstoken) lucifer(s) en/of een (brandende) sigaret, in ieder geval opzettelijk (open) vuur in aanraking te brengen met die benzine en/of dat explosieve mengsel, ten gevolge waarvan die ontploffing teweeg werd gebracht, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van de woning op dat perceel, te weten voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer bewoner(s) van omliggende woning(en) te duchten was en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die garage en/of (een) naburige garage(s) en/of een of meerdere in de nabijheid van die garage(s) geparkeerde auto's en/of de omliggende woning(en) te duchten was;

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 mei 2017 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam in een garage behorende bij een woning, aldaar gelegen aan de [straatnaam 2] , een hoeveelheid benzine uit een of meerdere jerrycans heeft laten vrijkomen en/of die benzine heeft laten uitdampen, ten gevolge waarvan een explosief mengsel is ontstaan, en/of een of meerdere lucifers heeft ontstoken en/of een aansteker heeft laten ontvlammen en/of een sigaret heeft aangestoken en/of een brandende sigaret heeft weggeschoten, ten gevolge waarvan dat explosieve mengsel is geëxplodeerd en (mede) het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die ontploffing te weeg is gebracht, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van de woning op dat perceel, te weten voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer bewoner(s) van omliggende woning(en) te duchten was en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die garage en/of (een) naburige garage(s) en/of een of meerdere in de nabijheid van die garage(s) geparkeerde auto's en/of de omliggende woning(en) te duchten was;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs (t.a.v. het primair ten laste gelegde).

Inleiding.

Aan verdachte wordt verweten dat hij op of omstreeks 20 mei 2017 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel – kort gezegd – opzettelijk dan wel door schuld een ontploffing heeft veroorzaakt in de garage van een woning gelegen aan de [straatnaam 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van alle hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken, omdat de feitelijke toedracht van de ontploffing op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan. De bevindingen van het technisch sporenonderzoek zijn gebaseerd op de aanname dat er gesprenkeld is met benzine. Deze aanname is slechts houdbaar als buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de jerrycans in de garage waren afgesloten. Het aantreffen van benzine op de schoenen van verdachte past evengoed in het scenario dat verdachte als toevallige passant slachtoffer is geworden van de ontploffing.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De bevindingen van het forensisch sporenonderzoek.

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek2 blijkt dat verbalisanten tijdens het forensisch technisch sporenonderzoek dat op zaterdag 20 mei 2017 te 20:28 uur in en op de oprit naar de uitgebrande garage van de woning aan de [straatnaam 2] werd verricht, de volgende bevindingen hebben gedaan.

Aan de overkant van de woning stond een auto van het merk Dacia, type Dokker, kleur blauw.3 De auto was voorzien van het [kenteken] . De voorzijde van de auto was door vuur verbrand. Op de tegels van de oprit stond een afdruk in verkoolde resten van een mogelijk verbrande rechtervoorband van de auto.

Staand voor de woning [straatnaam 2] en kijkend naar deze woning zagen wij dat rechts van deze woning een oprit was gesitueerd. Aan het einde van deze oprit, ongeveer 3 meter voorbij de achtergevel van genoemde woning, zagen wij dat er een vrijstaand bijgebouw was gesitueerd. Hierbij zagen wij dat het eerste gedeelte van deze bijbouw een garage betrof die van de oprit toegankelijk was middels twee garagedeuren.

Naast de oprit in de tuin aan de voorzijde werden verbrande resten met daarin metalen delen van een sjorband gevonden. Op ongeveer 1 meter afstand lag een blauwkleurige spijkerbroek met riem in de voortuin. De onderzijde van beide broekspijpen waren gedeeltelijk verbrand. De rest van de broek was niet verbrand. Op straat aan de zijde van de woning, bijna tegen de trottoirband aan, lag een verbrande schoen.

Ongeveer 1 meter verder in de richting van de garage lag een geelkleurige plastic afsluitdop.

De achterste houten schutting stond op een kier. Vanaf de brandgangzijde was het mogelijk om het schuttingdeel verder te openen en vervolgens doorgang te nemen tot de achtertuin van de betreffende woning met de garage.

Verbalisanten zagen dat het garagegedeelte geheel door brand was verwoest en dat het schuurtje en de carport in mindere mate door de brand waren aangetast. Hieruit werd door verbalisanten geconcludeerd dat de brand in de garage was begonnen en zich verder naar achteren had uitgebreid.

Verbalisanten zagen verder dat de verbranding van de houten balken, (..) vanaf de opritzijde naar achteren minder werd, hetgeen erop kon duiden dat de brand in de garage aan de voorzijde was begonnen. (..). Tijdens het wegscheppen van het puin roken verbalisanten dat er een sterke benzinelucht vrijkwam.

Verbalisanten hoorden en zagen dat de Minirae Lite, een detectieapparaat, linksvoor in de garage een signaal aangaf naar de aanwezigheid van vluchtige organische stoffen.

Door verbalisanten werd het volgende bevonden:

- De brand is zeer waarschijnlijk aan de voorzijde in de garage begonnen, gelet op het aldaar

aantreffen van organische vluchtige stoffen en het brandbeeld dat door hen werd

aangetroffen, zoals de inbrandingen van de houten balken.

- De ontploffing is zeer waarschijnlijk veroorzaakt doordat de dader vermoedelijk benzine

heeft gesprenkeld uit de daar aanwezige jerrycans waardoor de benzine is gaan uitdampen.

Door het uitdampen van de benzine is vermoedelijk een explosief mengsel ontstaan, dat

explodeerde op het moment dat de dader een vonk veroorzaakte, dan wel ergens vuur mee

maakte.

- Dat gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten was geweest, gelet hierbij op het

gegeven dat ten tijde van de brand de bewoners van genoemde woning thuis waren en

binnen in de woning zaten en gelet op het gegeven dat betreffend bijgebouw dicht tegen

de woning stond en stond aangebouwd aan de garage van de buren. (..).

In het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek werden de volgende sporen/stukken van overtuiging veilig gesteld:4

Gele dop op oprit

Spoornummer: PL2100-2017104546-1191416

SIN: AAGX4991NL

(..).

Linkerschoen van verdachte (Nike sportschoen)

Spoornummer: PL2100-2017104546-1191410

SIN: AAEY2084NL

(..).

Zakje met zwarte en witte tie-wraps uit spijkerbroek van verdachte

(de rechtbank gaat ervan uit dat de omschrijving ‘snoer met kabel’ niet klopt en gaat uit van de eerder gegeven omschrijving in het proces-verbaal zoals hierboven vermeld)

SIN: AAGX4992NL

(..).

Uit het proces-verbaal onderzoek speurhond naar brandversnellende middelen5 blijkt dat een blauwe jeansbroek, een t-shirt, een paar sokken, een werkhandschoen en een gele plastic dop met inzet van een speurhond op brandversnellende middelen zijn onderzocht.

De speurhond maakte een liggende melding bij de sportschoen en de gele dop. Op basis hiervan concludeert verbalisant dat de sportschoen en gele dop vermoedelijk besmet zijn met een brandversnellend middel.

De aangifte en aanvullende verklaring van aangever [slachtoffer 1] . 6

Aangever heeft op zaterdag 20 mei 2017 om 19:00 uur aangifte gedaan van brandstichting van zijn garage en auto. Uit de aangifte blijkt het volgende. Aangever zat in de woonkamer op de bank met zijn vrouw naar de Giro d’Italia te kijken. Net na de finish rook hij een benzinelucht. De schuifpui aan de achterzijde van de woning stond open.

Aangever is via de schuifpui de achtertuin in gelopen. Nadat aangever 2 of 3 stappen had gezet, hoorde hij een stevige knal en zag hij dat er vlammen uit zijn garage kwamen. Op datzelfde moment hoorde aangever dat iemand heel hard schreeuwde. Aangever dacht te horen dat er ‘help, help’ werd geschreeuwd. De ramen van de garage aan de achtertuinzijde knalden eruit en hier kwamen ook vlammen uit. Aangever zag dat er mensen in zijn voortuin stonden.7 Aangever zag ook vlammen aan de zijkant van de garage. Daarna is aangever naar binnen gelopen. Aangever heeft zijn autosleutels gepakt, omdat zijn auto vlak voor de garagedeur – ongeveer 1,5 meter ervoor – stond. Daarna is aangever weer naar buiten gelopen.

Aangever zag dat er een kledingstuk in brand stond en in zijn voortuin lag. Aangever heeft snel zijn auto achteruit van de oprit gereden. Toen aangever de oprit afreed, zag hij dat aan de rechtervoorkant van de auto vlammen zichtbaar waren en zag dat er rook onder de motorkap vandaan kwam. Aangever heeft de auto zover mogelijk weggezet en is uit de auto gestapt. Daarna is aangever naar de buurman van [huisnummer 1] gelopen en heeft hij daar zijn belangrijke papieren neergelegd. Nadat aangever de woning van de buurman had verlaten, zag hij dat het ambulancepersoneel in de gang met een brancard bij de voordeur stonden.

Aangever zag dat er een man op de brancard lag. Hij hoorde de man kermen van de pijn en zag dat de man onder de brandwonden zat. Aangever kende de man absoluut niet. De twee jerrycans in zijn garage waren goed afgesloten.

In het aanvullend verhoor bij de politie8 heeft aangever verklaard dat in de garage twee volle jerrycans met benzine stonden. Een jerrycan was zwart van kleur met een zwarte dop.

Deze jerrycan had een inhoud van 10 liter. De tweede jerrycan was zwart van kleur en had een gele dop. Deze jerrycan had een inhoud van 20 liter. De jerrycans stonden aan de linkerzijde tegen muur onder het raam in de garage. De enige manier om in de garage te komen zonder de schade te maken, is de deur aan de linkerzijde van de garage te gebruiken. Deze deur was dicht, maar zat niet op slot. De overige deuren waren allemaal afgesloten.

Toen aangever de spijkerbroek van het slachtoffer in zijn tuin zag liggen, zag aangever dat er een plastic zakje in zat. In dit plastic zakje zaten zowel witte als zwarte tie-wraps. In de garage van aangever lag ook een plastic zakje met zwarte en witte tie-wraps. Het plastic zakje lag in het midden van de achterwand, tussen de twee ramen van de garage, op een tafel. Ook zag aangever op de oprit van zijn woning een spanband liggen, maar dan zonder de band, want deze was verbrand. De spanband was afkomstig uit zijn garage en lag aan de linkerzijde op een werkbank.

De getuigenverklaringen van [getuige 1] 9 en [getuige 2] 10 .

Uit de aanvullende getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt het volgende.

Getuige woont op de [straatnaam 3] te Gemert. Haar vader was in de voortuin bezig met nieuwe stenen leggen. Getuige bracht samen met haar broertje de oude stenen met een skelter achterom naar de schuur. De deur van de schuur komt uit op een paadje. Dit paadje komt recht uit op de garage die toen afgebrand is. Toen ze in de schuur stenen aan het uitladen was, hoorde ze een enorme knal en een gil. Op het moment van de knal stond getuige midden in de schuur. Ze liep toen twee stappen naar buiten en zag een grote vlam uit de garage van de woning aan de [straatnaam 2] komen. Ze hoorde een man heel hard ‘help’ roepen en zag een hand en een voet uit de garage komen.

Uit de getuigenverklaring van [getuige 2] blijkt het volgende.

Getuige woont op de [straatnaam 3] te Gemert. Op 20 mei 2017 hoorde getuige een enorme knal. Hij is daarop naar buiten gelopen om te gaan kijken. Getuige kwam aangelopen vanuit de [straatnaam 3] richting de [straatnaam 2] . Hij zag, toen hij de [straatnaam 2] in kwam gelopen, direct aan de rechterzijde vuur. Getuige zag dat een garage in brand stond. Vanuit de brandende garage zag hij een man komen. Die man stond in brand. Hij zag dat de man zijn schoen uittrok en op straat gooide. De man ging in de bosjes liggen voor de woning van de [straatnaam 2] . De bewoner van [huisnummer 2] begon het vuur van de man te doven.

Aangifte van [betrokkene 1] . 11

Op zaterdag 20 mei, omstreeks 17.15 uur bevonden mijn vrouw en ik ons in de woning gelegen aan de [straatnaam 2] te Gemert. Ik hoorde ineens een hele harde knal en hoorde iemand roepen “help, help, help”. Later zag ik dat de garage van de buurman in brand stond. Dit is overgeslagen op mijn aangrenzende garage.

De getuigenverklaring van [getuige 3] . 12

Getuige woont op de [straatnaam 4] (de rechtbank begrijpt: [straatnaam 4] ) in Gemert. De ouders van getuige waren op vakantie en kwamen een dag na de brand weer thuis. Getuige was op zaterdag 20 mei 2017 vanaf ongeveer 17:25 uur thuis. Hij hoorde, vrij snel nadat hij de pannen op het fornuis had gezet, een flinke ontploffing. Hij voelde de grond trillen en zag het keukenraam trillen en hoorde een flinke knal. Hij hoorde iemand schreeuwen en dacht dat dit van buiten kwam. Hij hoorde dat iemand om hulp riep, is via de voordeur naar buiten gegaan en zag bij de buren in de tuin iemand op de grond liggen. De man stond in brand en rolde over de grond. De man brandde aan zijn zij. Ook stond de man in brand bij zijn beide onderbenen. De deur van de schuur van de buren stond in brand. De buurman reed zijn auto, die voor de schuur stond, achteruit en zette de auto op straat. Het linker voorwiel van deze auto stond in brand. Hij probeerde met zijn blote handen het vuur uit te slaan bij de man die brandend op de grond lag. Nadat het vuur uit was, zei hij tegen de man dat zijn broek uit moest. Hij zag dat de man overeind kwam zitten. De man vroeg hoe hij eruit zag. Getuige zei tegen de man dat hij een beetje verbrand was. Daarop begon de man meteen weer te schreeuwen. Getuige zag dat de onderbenen van de man geel gekleurd waren. Hij heeft toen de knoop van de broek van de man losgemaakt. De man was over zijn buik naar de straat aan het kruipen. Op dat moment pakte hij de broek van de man bij de enkels vast en heeft op die manier de broek uitgetrokken. Hij heeft de man nooit eerder gezien.

De herkenning van verdachte. 13

Verbalisant was betrokken bij het onderzoek naar de brand in een garage op het adres [straatnaam 2] te Gemert, waarbij een persoon gewond was geraakt. Zij liet een foto van verdachte uit de politiesystemen zien aan de medewerker van de ambulancedienst, die bij het slachtoffer in de ambulance stond. Die medewerker herkende verdachte als de persoon die in de ambulance lag.

Bewijsmotivering (t.a.v. het primair ten laste gelegde).

De aanwezigheid van verdachte in de garage.

De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of verdachte op 20 mei 2017 in de garage van de woning aan de [straatnaam 2] aanwezig is geweest. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij in de garage is geweest. De rechtbank stelt vast dat in deze garage zich een ontploffing heeft voorgedaan en een brand heeft gewoed. Van verdachte is direct na de ontploffing gezien dat hij in brand stond. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte direct na de ontploffing met het vuur in de garage in aanraking is geweest, nu van andere brandhaarden bij de [straatnaam 2] niet is gebleken. Dat verdachte in de garage aanwezig is geweest, volgt daarnaast uit het gegeven dat de op de oprit aangetroffen linkerschoen van verdachte en de gele dop zeer waarschijnlijk besmet zijn met brandversnellende middelen, het aantreffen van een zakje met witte en zwarte tie-wraps, vermoedelijk afkomstig uit de garage, in de broekzak van de in de voortuin aangetroffen spijkerbroek van verdachte, de verklaringen van getuige [getuige 1] en [getuige 2] die erop neerkomt dat zij een brandend persoon uit de garage hebben zien komen en de aard en ernst van de brandwonden van verdachte, zoals blijkend uit de verklaring van getuige [getuige 3] Vanaf de straat bestond feitelijk toegang tot de garage via de achterste schutting, die op een kier stond, en via de deur aan de linkerzijde van de garage.

De raadsman heeft bepleit dat het aantreffen van benzine op de schoenen van verdachte evengoed past in het scenario dat verdachte als toevallige passant slachtoffer is geworden van de ontploffing. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een begin van aannemelijkheid van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario - dat de garage zich aan het einde van een oprit bevond past ook niet binnen het scenario dat verdachte daar als toevallige passant aanwezig was - en acht bewezen dat verdachte op 20 mei 2017 in de garage van de woning aan de [straatnaam 2] aanwezig is geweest.

Opzet op het veroorzaken van een ontploffing.

De rechtbank moet tevens beoordelen of verdachte opzettelijk een ontploffing in de garage heeft veroorzaakt. Door de branddeskundigen is in het sporenonderzoek vastgesteld dat de ontploffing zeer waarschijnlijk is veroorzaakt doordat de dader vermoedelijk benzine heeft gesprenkeld uit de in de garage aanwezige jerrycans. Door het uitdampen van de benzine is vermoedelijk een explosief mengsel ontstaan dat explodeerde op het moment dat de dader een vonk veroorzaakte, dan wel ergens vuur mee maakte. De rechtbank neemt de voornoemde conclusie van de branddeskundigen over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank acht, gelet op de bevindingen van sporenonderzoek en hetgeen aangever en getuige [getuige 1] en [getuige 2] bij de garage hebben waargenomen, bewezen dat verdachte in de garage benzine heeft gesprenkeld en vervolgens op enigerlei wijze de benzine in aanraking heeft gebracht met vuur.

Het alternatieve scenario dat door de verdediging is aangedragen, namelijk dat de jerrycans mogelijk niet goed afgesloten waren en de benzine uit de jerrycans is weggelekt, vindt zijn weerlegging in de uitkomsten van het sporenonderzoek alsmede in de verklaring van aangever dat hij vrij plots een sterke benzinelucht rook.
Het sprenkelen van benzine is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van brand of een ontploffing, dat het niet anders kan dan dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er brand en/of een ontploffing in de garage zou ontstaan. Dit betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte opzet had op het veroorzaken van een ontploffing in de garage.

Levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of gemeen gevaar voor goederen.

Ten slotte moet de rechtbank beoordelen of door het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing in de garage levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of gemeen gevaar voor goederen is veroorzaakt. Door de branddeskundigen is in het sporenonderzoek vastgesteld dat door de ontploffing gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten was geweest, omdat de bewoners van de genoemde woning ten tijde van de ontploffing thuis waren en binnen in de woning zaten en het feit dat betreffend bijgebouw dicht tegen de woning stond en stond aangebouwd aan de garage van de buren.

De rechtbank neemt de voornoemde conclusie van de branddeskundigen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank acht bewezen dat door de ontploffing in de garage levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning aan de [straatnaam 2] , [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of bewoners van een omliggende woning, de bewoners van [straatnaam 5] , aangever [betrokkene 1] en zijn echtgenote, te duchten was. De rechtbank acht tevens bewezen dat door de ontploffing in de garage gemeen gevaar voor goederen, te weten de garage van aangever [slachtoffer 1] , de naburige garage van aangever [betrokkene 1] , de in de nabijheid van de garage van aangever [slachtoffer 1] geparkeerde auto van aangever en de naast gelegen woningen te duchten was.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank, in onderlinge samenhang en verband bezien, tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Op 20 mei 2017 in Gemert, gemeente Gemert-Bakel, in een garage behorende bij een woning, aldaar gelegen aan de [straatnaam 2] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door toen en aldaar in die garage opzettelijk

- de dop(pen) van een of meerdere met benzine gevulde jerrycan(s) te verwijderen en

- benzine uit die jerrycan(s) te gieten en/of te sprenkelen en die benzine te laten uitdampen, ten gevolge waarvan een explosief mengsel is ontstaan en

- vervolgens vuur in aanraking te brengen met die benzine en/of dat explosieve mengsel, ten gevolge waarvan die ontploffing teweeg werd gebracht, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning op dat perceel, te weten voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of bewoners van een omliggende woning te duchten was en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die garage en een naburige garage en een in de nabijheid van die eerste garage geparkeerde auto en de omliggende woning te duchten was.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op de zitting van 12 april 2018 naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de oplegging van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geëist.

Op de zitting van 9 mei 2019 heeft hij zijn eis gewijzigd:

  • -

    gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte pleegt strafbare feiten om aandacht te trekken en hulp te krijgen. Er is sprake van een voortdurende hulpvraag. De raadsman verzoekt om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 20 mei 2017 te Gemert heeft verdachte opzettelijk een ontploffing veroorzaakt die is gevolgd door brand in een garage behorende bij een woning gelegen aan de [straatnaam 2] . Verdachte heeft benzine in die garage gesprenkeld en vervolgens opzettelijk vuur met die benzine in aanraking gebracht. De garage stond vlakbij voornoemde woning. Bovendien stond voor die garage een auto geparkeerd die – ondanks dat die door aangever kort na het ontdekken van de brand werd weggereden – alsnog in brand vloog. De ravage na de ontploffing was groot.

Door zijn handelen heeft verdachte het gevaar in het leven geroepen dat de brand zou overslaan naar de woning waarin aangever en zijn echtgenote zich bevonden. Hierdoor ontstond het risico dat zij en omwonenden in levensgevaar zouden komen te verkeren dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Dat dit gevaar zich niet heeft gerealiseerd is geenszins aan het handelen van verdachte te danken maar aan adequaat ingrijpen van de buurtbewoners en de brandweer. Verdachte heeft door zijn handelen aangever en diens echtgenote veel schrik aangejaagd en heeft overigens bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Uit het feit dat de benadeelde partij elke zitting waar onderhavige zaak op stond gepland, heeft bijgewoond blijkt eveneens dat het gebeuren indruk heeft gemaakt.

Verder was verdachte, volgens eigen zeggen, zwaar onder invloed. Het gaat om een ernstig en gevaarzettend feit, dat voor veel onrust heeft gezorgd in de betreffende woonwijk. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Het onvoorspelbare gedrag van verdachte is zorgwekkend.

Bij de strafoplegging betrekt de rechtbank dat verdachte zelf is getroffen door de gevolgen van het door hem gepleegde strafbare feit in die zin dat hij zelf (ernstig) letsel heeft opgelopen waarvan hij thans nog steeds de gevolgen draagt. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat, zoals hierna nog wordt besproken in verband met de op te leggen maatregel, het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Conclusies met betrekking tot de op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt .

Conclusies met betrekking tot de op te leggen maatregel.

Verdachte is onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Uit het onderzoeksrapport d.d. 19 februari 2019 opgemaakt door F.H.A. Berkelbach van der Sprenkel, GZ-psycholoog, Th.W. van de Kant, GZ-psycholoog in opleiding tot klinisch psycholoog en M.A. Westerborg, psychiater blijkt, dat het door hem gepleegde strafbare feit in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend.

Dit rapport houdt kort samengevat in:

Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Daarbij is er vermoedelijk sprake van psychopathisering. Betrokkene heeft de neiging zijn antisociale gedrag te externaliseren en/of te rechtvaardigen. Hij heeft aandacht nodig om structuur in zijn leven te ervaren. Betrokkene kan het best worden omschreven als een aandacht behoeftige, egocentrische man, die wanneer het zijn eigenbelang betreft, geen rekening houdt met een ander. Voorts kan worden gesteld dat er bij betrokkene sprake is van een ernstige stoornis in het gebruik van amfetaminen en alcohol en tenminste een matige stoornis in het gebruik van GHB, cocaïne, cannabis en opiaten, momenteel allen in gedwongen remissie. Het eindoordeel over de risicofactoren voor geweld moet als matig-hoog worden gesteld. Daarbij is de kans op ernstig letsel en acuut dreigend geweld matig.

Voor betrokkene is veel zorg nodig en kan niet zelfstandig wonen. Hij zal waarschijnlijk altijd de zorg van anderen nodig hebben in de vorm van aandacht en praktische ondersteuning. Primair zal betrokkene via de verslavingszorg behandeld moeten worden. Betrokkene zal moeten stoppen met middelengebruik. Daarnaast zal er behandeling plaats moeten vinden op het gebied van de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene. Onderzoekers denken dan ook aan een forensische verslavingskliniek. Betrokkene zal zeker terugvallen in middelengebruik, maar op die momenten moet hij juist meer beschermd worden dan losgelaten.

Er is uiteindelijk meer zorg nodig dan bescherming, waarbij de start van de behandeling in een klinische setting zal moeten plaatsvinden. Geadviseerd wordt dan ook de beschreven intensieve, klinische behandeling in een verslavings- of dubbel diagnosekliniek op te leggen als een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Het gebruik van middelen dient aan banden te worden gelegd, waarbij betrokkene moet worden ondersteund met adequate medicatie en begeleiding. Het niveau van bescherming die nodig is met dergelijke zorg is minder groot. Behandeling in een FPK kan op problemen stuiten, omdat daar veel minder tolerantie zal bestaan voor het omgaan met middelen, met nodige strafmaatregelen, die contraproductief zullen werken. Onderzoekers hebben de mogelijkheid tot het adviseren van een tbs-maatregel overwogen. Zoals de problematiek en de dynamiek werden beoordeeld heeft betrokkene volgens het onderzoekend team dus meer behoefte aan zorg dan bescherming c.q. beveiliging.

Bij het toenemen van zelfstandigheid, autonomie en verantwoordelijkheid zal echter ook de kans op overvraging en overspoeling toenemen, zeker wanneer betrokkene een relatie aangaat waarbij de druk op hem aanzienlijk toeneemt. Hierin zal betrokkene dan ook langdurig begeleid moeten worden. Eventuele resocialisatie zal zeer geleidelijk moeten gebeuren.

Door [reclasseringsmedewerker] , is op 7 februari 2019 een reclasseringsadvies uitgebracht. Dit rapport houdt kort samengevat en weergegeven in:

Het risico op recidive en letselschade en onttrekking aan de voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Bij een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd is behandeling, controle en beveiliging niet gewaarborgd, zodra betrokkene voorwaarden (fors) overschrijd. De noodzaak van klinische behandeling, beveiliging en controle zien wij wel. Overtreden van voorwaarden, zo schatten wij in, zal met name aan de orde zijn bij het resocialisatietraject buiten de beveiliging van de kliniek. Wij adviseren derhalve negatief ten aanzien van een voorwaardelijke gevangenisstraf in tegenstelling tot het advies van het PBC. Indien de rechtbank beslist tot een terbeschikkingstelling met voorwaarden, adviseert de reclassering tot dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden. De kans op een misdrijf met schade voor personen is groot.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting d.d. 28 februari 2019 zijn de deskundigen F.H.A. Berkelbach van der Sprenkel, Th.W. van de Kant en [reclasseringsmedewerker] gehoord.

Kort samengevat houdt hun verklaring het volgende in:

Als [reclasseringsmedewerker] moet kiezen tussen een (deels) voorwaardelijke straf met bij voorwaarden of een tbs met voorwaarden gaat haar voorkeur uit naar tbs met voorwaarden omdat betrokkene dan langdurig wordt behandeld. Bovendien is er bij een tbs met voorwaarden een vangnet, terwijl als verdachte bij een (deels) voorwaardelijke straf recidiveert, hij het voorwaardelijk deel uitzit. Daarna is er niets meer.

Vanuit zorgoogpunt vinden Berkelbach van der Sprenkel en Van de Kant tbs met voorwaarden niet nodig maar de reclassering kan de haalbaarheid van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel beter inschatten. Als het niet haalbaar is om het gewenste resultaat met bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke straf te bereiken, zijn Berkelbach van der Sprenkel en Van de Kant niet tegen oplegging van tbs met voorwaarden.

De reclassering heeft in het reclasseringsadvies d.d. 9 april 2019 de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling met voorwaarden geformuleerd. Het advies en de voorwaarden zijn met de verdachte besproken. Verdachte heeft laten weten zich te kunnen vinden in het advies en de voorwaarden.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over. Tijdens het begaan van de feiten bestond bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Daarbij is er vermoedelijk sprake van psychopathisering en bestaat bij verdachte een ernstige stoornis in alcohol- en drugsgebruik.

Met de psycholoog en de psychiater is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het hierna te kwalificeren feit opzettelijke brandstichting met gevaar voor zwaar lichamelijk letsel betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Klinische behandeling.

De rechtbank is van oordeel dat een klinische behandeling in een verslavings- of dubbel diagnosekliniek van verdachte noodzakelijk is. De rechtbank baseert dit – onder meer – op voornoemd PBC-rapport van 19 februari 2019 en de door de deskundigen F.H.A. Berkelbach van der Sprenkel en Th.W. van de Kant ter terechtzitting van 28 februari 2019 gegeven toelichting. Zij adviseren om de behandeling eerst klinisch te laten plaatsvinden omdat het gebruik van middelen aan banden dient te worden gelegd, waarbij verdachte wordt ondersteund met adequate medicatie en begeleiding.

Dadelijke uitvoerbaarheid.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder behandeling en begeleiding opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal overeenkomstig het advies van de reclassering en de vordering van de officier van justitie worden bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank verwijst daarbij met name naar het recidiverisico zoals dat uit voornoemde rapporten blijkt.

Alles afwegend wordt na te noemen maatregel passend en geboden geacht.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

Integrale toewijzing van de vordering benadeelde partij met toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2017 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente 20 mei 2017 tot de dag der algehele voldoening.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/047602-17.

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen, nu het bewezen verklaarde dateert van voor het moment waarop de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling is aangevangen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24c, 36f, 37a, 38, 38a, 57, 157.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primairopzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar / gevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.

Ten aanzien van primair:gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van primair:terbeschikkingstelling met voorwaarden voor de duur van 2 jaar.

De rechtbank stelt na te noemen voorwaarden betreffende het gedrag. Dat de veroordeelde:

- zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat hij:

- zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

- zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen

geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij

het naleven van de voorwaarden;

- de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is

nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- meewerkt aan huisbezoeken;

- de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door

andere instellingen of hulpverleners;

- zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

- meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben

met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;

- meewerkt aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere

instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met

de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken

per jaar;

- niet naar het buitenland gaat of naar de Nederlandse Antillen, zonder toestemming van het

Openbaar Ministerie;

- zich per 23 mei 2019 laat opnemen in [instelling] of een soortgelijke zorginstelling, te

bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. (Deze opname is

in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte reeds

aangevangen op 12 april 2019). De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.

Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft

voor de behandeling. Het innemen van voorgeschreven medicijnen kan onderdeel zijn van

de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of

maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling

en plaatsing;

- zich laat behandelen door een nader te bepalen ambulante zorgverlener, te bepalen door de

reclassering. De behandeling start in aansluiting op de klinische behandeling. De

behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de

huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen

van voorgeschreven medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- verblijft in een nader te bepalen beschermde woonvorm, te bepalen door de reclassering.

Het verblijf start in aansluiting op de klinische fase. Het verblijf duurt zolang de

reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het

dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met

urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;

- geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met

welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke

controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest).

De reclassering Nederland wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de betrokkene ten behoeve daarvan hulp en steun te verlenen. Bij het verlenen van hulp en steun bij naleving van de voorwaarden wordt de identiteit van betrokkene vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Ten aanzien van primair: maatregel van schadevergoeding van € 2.039,98 subsidiair 30 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.039,98 (zegge: tweeduizend negenendertig euro en achtennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 2.039,98 (zegge: tweeduizend negenendertig euro en achtennegentig eurocent). Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:Afwijzing van de vordering met parketnummer 01/047602-17 van de officier van justitie d.d. 14 november 2017.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. T. Kraniotis, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 23 mei 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces- verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het voorgeleidingsdossier tevens einddossier van de politie Oost-Brabant, Onderzoeknummer OB3R017045, Proces-verbaalnummer 5, Documentcode 20170907.1440.83969, aantal pagina’s: 1 tot en met 90.

2 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 24 mei 2017, opgesteld door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , op p. 31-35 van het dossier, alsmede de aangehechte fotomap op p. 39-71 van het dossier.

3 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 24 mei 2017, op p. 31 van het dossier.

4 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 24 mei 2017, op p. 32-35 van het dossier.

5 Het proces-verbaal onderzoek met speurhond naar brandversnellende middelen d.d. 31 augustus 2017, opgesteld door [verbalisant 1] , op p. 73 van het dossier.

6 Het proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 20 mei 2017 op p. 10-12 van het dossier.

7 Het proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 20 mei 2017 op p. 11 van het dossier.

8 Het proces-verbaal aanvullend verhoor van aangever [slachtoffer 1] d.d. 21 mei 2017, op p. 13-14 van het dossier.

9 Het aanvullend proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 10 maart 2018.

10 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 20 mei 2017, op p. 25-26 van het dossier.

11 Het proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 1] d.d. 30 mei 2017, op p. 15-16 van het dossier.

12 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 mei 2017, op p. 19-22 van het dossier.

13 Het proces-verbaal van bevindingen van [betrokkene 2] d.d. 22 mei 2017, op p. 29A van het dossier.