Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:2914

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
C/01/333952 / HA ZA 18-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. fosfaatrechten Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/333952 / HA ZA 18-316

Vonnis van 22 mei 2019

in de zaak van

1. de maatschap

[eiser 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser 6],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.M.M. Menu te Tilburg.

Partijen zullen hierna [eisers] (mannelijk enkelvoud) en [gedaagde] (mannelijk enkelvoud) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 juli 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 december 2018 en de daarin vermelde conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.2.

[eisers] exploiteert een agrarisch akker- en/of tuinbouwbedrijf gecombineerd met het fokken en houden van dieren. [gedaagde] exploiteert een melkveebedrijf.

Partijen hebben op 19 maart 2012 een opfokovereenkomst gesloten. Op grond daarvan diende [eisers] het vrouwelijk jongvee van [gedaagde] op te fokken tot drachtige vaarzen.

De kalveren werden in eigendom overgedragen aan [eisers] en [eisers] betaalde een prijs van € 235,00 per aangevoerd kalf. Eén maand voor de afkalfleeftijd gingen de dieren terug naar [gedaagde] en werden weer in eigendom overgedragen aan [gedaagde] . De door [gedaagde] te betalen prijs voor die kalveren werd bepaald door het door [eisers] betaalde aankoopbedrag vermeerderd met een bedrag per levensdag.

2.3.

De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. Op 8 juli 2015 heeft [eisers] de overeenkomst mondeling opgezegd met een opzegtermijn van 6 maanden. De opzegging is door [eisers] bij brief van 3 augustus 2015 schriftelijk bevestigd.

2.4.

Bij facturen genummerd 46 (ad € 9.877,50), 47 (€9.841,46) en 48

(€ 10.987,05) van respectievelijk 17 augustus 2016, 31 augustus 2016 en 28 september 2016 heeft [eisers] aan [gedaagde] afgeleverde vaarzen in rekening gebracht.

Op 3 november 2016 heeft [gedaagde] een bedrag van € 10.000,00 aan [eisers] overgemaakt.

2.5.

Bij brief van 8 november 2016 heeft [eisers] [gedaagde] gesommeerd om binnen 3 dagen te reageren op het in die brief gedane voorstel met betrekking tot de door [gedaagde] af te nemen dieren die in november-december 2016 afkalven met de mededeling dat [eisers] zich bij gebreke van een reactie vrij zou achten de betreffende dieren aan een derde te verkopen.

Vervolgens heeft [eisers] 14 hoogdrachtige vaarzen verkocht aan [X] . De opbrengst daarvan was € 9.224,00.

2.6.

Bij brief van 25 november 2016 heeft [eisers] [gedaagde] gesommeerd de openstaande facturen te voldoen, de dieren die nog op het bedrijf van [eisers] aanwezig waren tijdig (één maand voor het afkalven) af te nemen, de daarvoor overeengekomen vergoeding te voldoen en vóór 30 november 2016 12.00 uur schriftelijk te bevestigen dat de dieren tijdig tegen de overeengekomen condities zouden worden afgenomen.

2.7.

Op 21 december 2016 heeft een keuring plaatsgevonden op het bedrijf van [eisers] , waarbij ook de dierenartsen van partijen, de heer [naam dierenarts gedaagde] ( [gedaagde] ) en [naam dierenarts eisers] ( [eisers] ), en de heer [naam medewerker VION] , medewerker van Vion, aanwezig waren.

2.8.

Op 23 december 2016 heeft [eisers] 11 vaarzen afgeleverd bij [gedaagde] , die deze heeft geaccepteerd. De daarop betrekking hebbende factuur d.d. 25 december 2017 is factuur 49, ten bedrage van € 17.283,13.

Op 2 februari 2017 heeft [eisers] 7 dieren geleverd, de daarop betrekking hebbende factuur is factuur 50, ten bedrage van € 10.000,67.

In maart 2017 zijn nog 3 dieren geleverd aan [gedaagde] die in rekening zijn gebracht bij factuur nummer 51, ten bedrage van € 4.928,84.

Bij factuur 52 (d.d. 1 april 2017) heeft [eisers] 6 op 24 maart 2017 aan [gedaagde] geleverde vaarzen in rekening gebracht ad € 9.663,06.

2.9.

Op 29 december 2016 zijn 5 dieren afgevoerd voor de slacht. De opbrengst daarvan was € 3.360,00.

Op 10 maart 2016 heeft [eisers] nog 3 dieren verkocht voor de slacht. De verkoopopbrengst daarvan bedroeg € 2.762,20.

2.10.

De na 24 maart 2017 nog op het bedrijf van [eisers] aanwezige, door [gedaagde] als kalf aangeleverde, 52 dieren heeft [eisers] verkocht aan een derde voor een prijs van (in totaal) € 26.000,00.

2.11.

Bij brief van 21 november 2017 heeft [gedaagde] [eisers] aansprakelijk gesteld voor door [gedaagde] geleden schade.

2.12.

Met ingang van 1 januari 2018 is een wijziging van de Meststoffenwet in werking getreden, waarbij het zogeheten fosfaatrechtstelsel werd ingevoerd. Dit houdt kort gezegd in dat melkveehouders per 1 januari 2018 fosfaatrechten toegekend hebben gekregen op basis van het aantal koeien dat op de peildatum 2 juli 2015 in het Identificatie & Registratiesysteem bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op hun naam stond geregistreerd.

Op de peildatum stonden op naam van [eisers] 179 kalveren/vaarzen geregistreerd die hij in het kader van de opfokovereenkomst ten behoeve van [gedaagde] verzorgde en opfokte.

2.13.

Bij brief van 20 maart 2018 heeft [gedaagde] [eisers] gesommeerd tot overdracht van de fosfaatrechten die aan [eisers] zijn toegekend op basis van de 179 stuks jongvee die [eisers] op peildatum ten behoeve van [gedaagde] hield, met aansprakelijkstelling van [eisers] voor de schade die [gedaagde] lijdt als gevolg van de weigering van [eisers] om de fosfaatrechten over te dragen.

[eisers] heeft geweigerd aan de overdracht mee te werken.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

I. de facturen nummers 47 tot en met 52 ad in totaal € 63.580,71,

II. schade in verband met het niet afnemen van 14 hoogdrachtige vaarzen in november 2016 ad € 13.881,60,

III. schade in verband met het niet afnemen van 5 niet drachtige runderen in december 2016 ad € 5.261,00,

IV. schade in verband met het niet afnemen van 3 vaarzen in maart 2017 ad

€ 2.762,20,

V. schade in verband met het door [eisers] bekostigde sperma ad € 612,50,

VI. schade in verband met het niet afnemen van 52 vaarzen ad € 47.933,61,

VII. de buitengerechtelijke kosten ad € 2.115,00,

alles vermeerderd met de wettelijke (handels)rente en kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert samengevat -:

  1. veroordeling van [eisers] (hoofdelijk) tot betaling van schadevergoeding wegens niet-nakoming van de opfokovereenkomst ad € 216.612,00, vermeerderd met rente,

  2. een verklaring voor recht dat [gedaagde] in haar onderlinge verhouding tot [eisers] , ten aanzien van de fosfaatrechten die [eisers] toegekend heeft gekregen op basis van de 179 dieren die [eisers] ten behoeve van [gedaagde] hield op 2 juli 2015, ten volle, althans deels rechthebbende is,

  3. veroordeling van [eisers] (hoofdelijk) tot vergoeding van de schade die [gedaagde] lijdt als gevolg van de weigering van [eisers] om de (onder 2 bedoelde) fosfaatrechten aan [gedaagde] over te dragen, op te maken bij staat,

met veroordeling van [eisers] in de kosten.

3.5.

[eisers] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

de facturen

factuur 47

4.1.

Factuur 47 heeft betrekking op 6 vaarzen die [eisers] op 23 augustus 2016 aan [gedaagde] heeft geleverd.

4.1.1.

[gedaagde] stelt dat van de 6 vaarzen waarop factuur 47 betrekking heeft, er 3 ondeugdelijk waren en voor de andere 3 vaarzen een te hoge dagvergoeding in rekening is gebracht.

4.1.2.

Conform de overeenkomst diende [eisers] volgens [gedaagde] gezonde en melkproductieve vaarzen te leveren. Drie van de geleverde vaarzen (2242, 2248 en 2271) zijn kort na het afkalven overleden dan wel afgevoerd voor de slacht en voldeden niet aan de kwaliteitseis. De dieren waren volgens [gedaagde] te oud ten tijde van het afkalven en waren behept met leververvetting als gevolg van onjuiste voeding en verzorging door [eisers] .

[gedaagde] roept de partiële ontbinding in van de overeenkomst op dit punt en stelt dat de prijs voor deze 3 vaarzen op € 0,00 moet worden gesteld.

4.1.3.

Onder verwijzing naar artikel 7 van de overeenkomst stelt [gedaagde] voorts dat [eisers] voor de (andere 3 in factuur 47 genoemde) vaarzen (genummerd) 2254, 2258 en 2266 een te hoge dagvergoeding in rekening heeft gebracht. Deze vaarzen zijn op een leeftijd van respectievelijk 777, 772 en 742 dagen aan [gedaagde] uitgeleverd terwijl de leeftijd conform de overeenkomst maximaal 730 dagen mag zijn. [eisers] heeft aldus (101 dagen á € 1,80) € 181,80 teveel aan dagvergoeding in rekening heeft gebracht. Dat bedrag dient volgens [gedaagde] in mindering te worden gebracht op het factuurbedrag.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.1.

Volgens [gedaagde] was vaars 2242 ruim 28 maanden oud toen ze afkalfde. Uit de door [gedaagde] als productie 10 overgelegde dierkaarten en specifieke gegevens leidt de rechtbank af dat vaars 2248 ruim 26 maanden oud was en vaars 2271 (op 1 dag na) 24 maanden oud was ten tijde van het afkalven.

Artikel 7 van de opfokovereenkomst bepaalt dat de gemiddelde afkalfleeftijd tussen de 22 en 24 maanden dient te zijn. Aangezien dit een gemiddelde leeftijd is, volgt daaruit niet dat een vaars die ten tijde van het afkalven ouder is dan 24 maanden, te oud is en daarmee niet voldoet aan de overeenkomst. Dat de dieren te laat zijn geïnsemineerd als ze op latere leeftijd dan 24 maanden afkalven, zoals door [gedaagde] is aangevoerd, volgt ook niet uit de overeenkomst. In de overeenkomst is voorzien in het geval dat een dier op een bepaalde leeftijd niet drachtig is. In artikel 11 is bepaald dat indien een dier na 19 maanden (en natuurlijke dekking) nog niet drachtig is, de kosten voor [gedaagde] zijn. Als het langer duurt voordat een dier drachtig is, stijgt automatisch de afkalfleeftijd. Gelet op de gemiddelde draagtijd (9 maanden) kalft een dier dat op een leeftijd van 19 maanden wordt geïnsemineerd, wat niet in strijd is met de overeenkomst, af op een leeftijd van ongeveer 28 maanden.

Dat contractueel voorgeschreven was dat [eisers] het voeder- en verzorgingsschema van voerleverancier Forfarmers moest volgen dat een looptijd had van 22 maanden, is ook onvoldoende om aan te nemen dat de maximale afkalfleeftijd 24 maanden moest zijn. Bovendien is door [eisers] onweersproken gesteld dat de in de overeenkomst genoemde leeftijd van 12 maanden waarop de dieren geïnsemineerd dienden te worden, op verzoek van [gedaagde] (in verband met de gewenste borstomvang bij inseminatie) een maand is opgeschoven. Dat dat slechts maximaal 10% van de dieren betrof, zoals door de heer [naam eigenaar gedaagde] ( [gedaagde] ) op de zitting is verklaard, is niet van belang.

De stelling dat de betreffende vaarzen niet aan de overeenkomst voldeden omdat ze te oud waren toen ze afkalfden, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd.

4.2.2.

In de overeenkomst staat niet dat [eisers] gezonde en melkproductieve dieren diende te leveren. In de overeenkomst is bepaald (in artikel 18) dat [gedaagde] alle dieren terug neemt die bij aflevering minimaal een borstomvang hebben van 194 cm bij één maand voor het afkalven. Daarnaast is bepaald (artikel 19) dat de dieren zonder uiterlijke gebreken worden afgeleverd en dat bij alle overige gebreken de veearts beslist over het verwijtbaar zijn van de ontstane gebreken.

Over de borstomvang van de geleverde dieren heeft [gedaagde] in dit kader niets aangevoerd. Dat er sprake was van uiterlijke gebreken is evenmin gesteld. [gedaagde] stelt dat dierenarts [naam dierenarts gedaagde] de ondeugdelijkheid van de vaarzen heeft geconstateerd. Een verklaring van [naam dierenarts gedaagde] ontbreekt echter. Bij productie 10, waar [gedaagde] in dit kader naar verwijst, is een formulier gevoegd van Dierenartsenpraktijk Oploo-Overloon (de naam van de dierenarts wordt niet vermeld) waarop (handgeschreven) nummer 2271 staat vermeld. De rechtbank leidt daaruit af dat dit ziet op behandeling van dieren, waaronder nummer 2271, en een medicijn daarvoor. Op de zitting heeft de heer [naam eigenaar gedaagde] ( [gedaagde] ) verklaard dat de gezondheidsdienst eind 2016-2017 op het bedrijf is geweest en er leverbiopten zijn genomen waaruit bleek dat sprake was van vervetting bij de dieren. Dat dit onderzoek betrekking had op de in factuur 47 genoemde dieren, is niet gesteld of gebleken.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan daaruit (noch uit productie 10), niet afgeleid worden aan welke ziekte (of gebrek) de dieren leden, noch wat de oorzaak daarvan is. In ieder geval kan daaruit niet afgeleid worden dat de vaarzen leden aan een gebrek dat verwijtbaar is aan [eisers] .

4.2.3.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] de stelling dat de vaarzen ondeugdelijk waren onvoldoende heeft onderbouwd.

4.2.4.

Dat geldt ook voor de stelling dat [eisers] een te hoge dagvergoeding in rekening heeft gebracht. Zoals hiervoor (rov. 4.2.1.) overwogen bepaalt artikel 7 van de overeenkomst niet dat de afkalfleeftijd maximaal 24 maanden is. In artikel 25 van de overeenkomst is de prijs bij teruglevering bepaald. Daarin staat dat [gedaagde] een vergoeding betaalt van € 235,- vermeerderd met 1,70 per levensdag. In deze bepaling is geen uitzondering of beperking opgenomen voor de situatie waarin de afkalfleeftijd hoger is dan (gemiddeld) 22-24 maanden. Ook voor levensdagen die de gemiddelde afkalfleeftijd overstijgen, moet op grond van artikel 25 van de overeenkomst € 1,70 per dag worden vergoed.

4.2.5.

Het voorgaande brengt met zich dat [gedaagde] factuur 47 dient te betalen.

Factuur 48

4.3.

Factuur 48 heeft betrekking op de uitlevering van 7 vaarzen aan [gedaagde] .

Eén vaars, 2275, voldeed volgens [gedaagde] niet aan de (kwaliteits)eis in de overeenkomst dat [eisers] gezonde en melkproductieve vaarzen moet leveren en is dus ondeugdelijk. Ten aanzien van de ondeugdelijke vaars roept [gedaagde] de partiële ontbinding in en stelt dat de prijs op € 0,00 moet worden gesteld.

Drie andere vaarzen waarop de factuur betrekking heeft, genummerd 2259, 2269 en 2272, zijn uitgeleverd op een leeftijd van respectievelijk 789, 754 en 745 dagen, dus ouder dan de (volgens [gedaagde] ) maximale leeftijd van 730 dagen conform de overeenkomst. [eisers] heeft voor deze 3 vaarzen € 176,40 (98 dagen x € 1,80) in rekening gebracht. Dat bedrag moet volgens [gedaagde] in mindering worden gebracht op het factuurbedrag.

4.4.

Met betrekking tot de ondeugdelijkheid van vaars 2275 geldt hetgeen is overwogen in rov. 4.2.2.. Ook hier stelt [gedaagde] dat dierenarts [naam dierenarts gedaagde] de ondeugdelijkheid heeft geconstateerd maar een verklaring van de dierenarts ontbreekt. Uit productie 11, waarnaar [gedaagde] verwijst, blijkt enkel dat vaars 2275 op 6 november 2011 dood gegaan is.

[gedaagde] heeft niet gesteld dat sprake was van uiterlijke gebreken of dat de dierenarts heeft beslist dat de ondeugdelijkheid verwijtbaar is aan [eisers] . Dat de vaars leed aan een aan [eisers] verwijtbaar gebrek is dan ook onvoldoende onderbouwd.

4.4.1.

Ten aanzien van de gestelde te hoge dagvergoeding geldt ook hier wat is overwogen in rov. 4.2.4..

4.4.2.

[gedaagde] moet derhalve ook factuur 48 betalen.

Facturen 49 tot en met 52

4.5.

[eisers] vordert betaling van factuur 49 (d.d. 25 december 2016) ad € 17.283,13, factuur 50 (d.d. 2 februari 2017) ad € 10.999,67, factuur 51 (d.d. 13 maart 2017) ad

€ 4.928,84 en factuur 52 (d.d. 24 maart 2017) ad € 9.663,06. Deze hebben betrekking op leveranties van vaarzen door [eisers] aan [gedaagde] in de periode van 23 december 2016 tot en met 24 maart 2017.

4.6.

Primair stelt [gedaagde] dat deze facturen betrekking hebben op leveranties die hebben plaatsgevonden nadat de dieren op 21 december 2016 door dierenarts [naam dierenarts gedaagde] en Vionmedewerker [naam medewerker VION] reeds waren afgekeurd. Volgens [gedaagde] hebben partijen op 23 december 2016 afgesproken dat [gedaagde] een elftal vaarzen (onder protest) zou afnemen en dat [eisers] die niet bij [gedaagde] in rekening zou brengen. [gedaagde] verwijst daarvoor naar productie 7 (bij cva conventie). [gedaagde] stelt vervolgens ook op 1, 10 en 24 maart 2017, op basis van die zelfde afspraak, vaarzen te hebben afgenomen. In strijd met die afspraak heeft [eisers] toch facturen gestuurd. De facturen 49, 50 en 51 zijn pas op 13 maart 2017 door [gedaagde] ontvangen, factuur 52 is op 6 april 2017 ontvangen.

4.7.

Subsidiair stelt [gedaagde] dat alle na 21 december 2016 door [eisers] aan [gedaagde] geleverde dieren in aanleg ondeugdelijk waren en niet beantwoordden aan de kwaliteitseisen van de overeenkomst.

4.8.

Ten aanzien van het primaire verweer overweegt de rechtbank als volgt.

4.8.1.

[eisers] bestrijdt dat op 23 december 2016 de afspraak gemaakt is dat de geleverde 11 vaarzen (waarop factuur 49 betrekking heeft) niet in rekening gebracht zouden worden. Volgens [eisers] is afgesproken dat het sturen van een factuur zou worden uitgesteld en partijen na de jaarwisseling zouden overleggen over hoe de zaak met betrekking tot de 11 vaarzen (en de overige nog bij [eisers] aanwezige dieren) praktisch, juridisch en financieel verder opgelost zou gaan worden. Daarnaast stelt [eisers] , onder verwijzing naar productie 8 (bij cva conventie) dat het toezenden van de facturen 49, 50 en 51 op 13 maart 2017 berust op een daarover met [gedaagde] gemaakte afspraak.

4.8.2.

Uit de als productie 7 (bij cva conventie) overgelegde e-mail d.d. 23 december 2016 van de heer [naam eigenaar gedaagde] ( [gedaagde] ) aan [eisers] leidt de rechtbank af dat afgesproken is dat partijen in overleg zouden treden hoe een en ander ten aanzien van de overeenkomst af te wikkelen, waaronder ook de facturering van de geleverde 11 vaarzen (en de overige, nog bij [eisers] aanwezige dieren). Uit de tekst kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de geleverde 11 vaarzen (en de overige dieren) in het geheel niet in rekening gebracht zouden worden.

4.8.3.

Dat tussen de heer [naam agrarisch adviseur gedaagde] (namens [gedaagde] ) en [naam accountant eisers] (namens [eisers] ) in het kader van het minnelijk overleg is afgesproken, zoals [gedaagde] heeft gesteld, dat de 11 vaarzen en de overige dieren onder protest en zonder facturering zouden worden afgenomen door [gedaagde] , is door [eisers] betwist. Door [eisers] is daarbij aangegeven dat de heer [naam accountant eisers] ook niet bevoegd was een dergelijke afspraak namens [eisers] te maken. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] zich beroept op een afspraak die afwijkt van de overeenkomst. Gelet daarop ligt het op zijn weg om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat die afwijkende afspraak is gemaakt. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde] gelegen om aan te geven op welke grond hij [naam accountant eisers] bevoegd achtte om de gestelde afspraak namens [eisers] te maken. De enkele omstandigheid dat [naam accountant eisers] de accountant is van [eisers] , is daarvoor onvoldoende. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] ervan uitging dat [naam accountant eisers] alles in overleg met en na ruggenspraak met [eisers] deed, is ook onvoldoende. [gedaagde] heeft namelijk nagelaten aan te geven op welke verklaringen en gedragingen van [eisers] hij dat uitgangspunt baseerde. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat [naam accountant eisers] bevoegd was om de gestelde afspraak namens [eisers] te maken.

4.8.4.

[gedaagde] heeft onvoldoende gesteld dat [eisers] akkoord is gegaan met de afspraak die volgens [gedaagde] tijdens het minnelijke overleg is gemaakt. Aan het gegeven dat [eisers] de facturen met betrekking tot de leveringen van december 2016 en februari 2017 (facturen 49 en 50) pas aan [gedaagde] heeft verzonden op 13 maart 2017 (tegelijk met factuur 51 met betrekking tot de levering van 13 maart 2017) nadat het minnelijk overleg tussen partijen niet tot overeenstemming leidde, kan in dit verband geen betekenis worden gehecht.

4.8.5.

De heer [naam eigenaar gedaagde] heeft namens [gedaagde] ter comparitie verklaard dat hij in december 2016 een telefoongesprek met de heer [eisers] heeft gehad over de 11 drachtige vaarzen. De heer [eisers] gaf volgens hem aan dat de vaarzen met spoed opgehaald moesten worden en dat het hem niets uitmaakte als ze voor niks werden opgehaald. Volgens de heer [naam eigenaar gedaagde] spraken zij af dat hij ze op zou halen en dat de vaarzen niet gefactureerd zouden worden. De heer [naam eigenaar gedaagde] heeft echter ook verklaard: “we zouden in het nieuwe jaar kijken hoe we dit gingen oplossen. De 11 vaarzen waren niet conform de overeenkomst opgefokt”. De heer [naam eigenaar gedaagde] verklaarde dat dezelfde afspraak later ook is gemaakt ten aanzien van andere vaarzen. Over die vaarzen verklaarde hij: “Die zouden niet gefactureerd worden. Ik heb duidelijk aangegeven dat ik niet wilde betalen als ze niet conform overeenkomst waren opgefokt. [eisers] stelt zich op het standpunt dat de dieren wel conform overeenkomst zijn opgefokt en we zijn het niet eens geworden over de betaling”. De rechtbank acht de verklaring van [naam eigenaar gedaagde] innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds zegt hij immers dat de vaarzen niet gefactureerd zouden worden; anderzijds zegt hij dat ze in het nieuwe jaar zouden kijken hoe ze dit gingen oplossen. Ten aanzien van andere vaarzen waarover volgens hem dezelfde afspraak is gemaakt zegt hij dat de heer [eisers] en hij het niet eens zijn geworden over de betaling. Gelet hierop kunnen de verklaringen van de heer [naam eigenaar gedaagde] niet als onderbouwing dienen van de stelling dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] niet voor de 11 vaarzen zou betalen.

4.8.6.

De rechtbank concludeert dat [gedaagde] zijn stelling dat tussen partijen is afgesproken dat de dieren waarop de facturen 49 tot en met 52 betrekking hebben niet in rekening zouden worden gebracht, onvoldoende heeft onderbouwd.

4.9.

Met betrekking tot het subsidiaire verweer verwijst [gedaagde] naar de onderzoeksverslagen van [naam dierenarts gedaagde] (productie 5 cva) en de bevindingen van [naam medewerker VION] (productie 6 cva) en stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat alle dieren ondeugdelijk waren en dat ten aanzien van alle na 21 december 2016 geleverde dieren, voor zover die binnen afzienbare tijd na afkalving op het bedrijf van [gedaagde] zijn gestorven of afgevoerd zijn naar de slacht, vast staat dat dit een gevolg was van een aan [eisers] toerekenbaar gebrek ten tijde van de levering. Het rechtsgevolg daarvan dient volgens [gedaagde] te zijn dat het deel van de facturen 49 tot en met 52 dat betrekking heeft op de dieren die in de periode na 21 december 2016 zijn overleden of afgevoerd zijn naar de slacht niet betaald hoeft te worden en [gedaagde] roept ten aanzien van deze dieren de partiële ontbinding van de overeenkomst in.

Daarnaast stelt [gedaagde] dat ook in de facturen 49 tot en met 52 voor een deel van de dieren een te hoge dagvergoeding is berekend.

4.10.

Ten aanzien van het subsidiaire verweer overweegt de rechtbank als volgt.

4.10.1.

In de overeenkomst is bepaald (in artikel 18) dat [gedaagde] alle dieren terug neemt die bij aflevering minimaal een borstomvang hebben van 194 cm bij één maand voor het afkalven. Daarnaast is bepaald (artikel 19) dat de dieren zonder uiterlijke gebreken worden afgeleverd en dat bij alle overige gebreken de veearts beslist over het verwijtbaar zijn van de ontstane gebreken.

Over de borstomvang van de geleverde dieren waarop de facturen 49 tot en met 52 betrekking hebben, heeft [gedaagde] in dit kader niets aangevoerd. Dat er sprake was van uiterlijke gebreken is evenmin gesteld.

4.10.2.

Op 21 december 2016 heeft dierenarts [naam dierenarts gedaagde] de op het bedrijf van [eisers] aanwezige dieren, in aanwezigheid van de heer [naam medewerker VION] (medewerker Vion) en de dierenarts van [eisers] , [naam dierenarts eisers] , beoordeeld. Uit het onderzoeksverslag van dierenarts [naam dierenarts gedaagde] (productie 5 bij cva) volgt volgens [gedaagde] dat de 11 vaarzen (factuur 49) een te ruime conditie hadden, buiten een afkalftijd van 22-24 maanden zouden afkalven waardoor deze als hoogrisicodieren aangemerkt moesten worden en de uiterlijke kenmerken hadden van zogenaamde ‘damslapers’, terwijl 25% van de overige dieren ook als hoogrisicodieren moesten worden aangemerkt en niet voldeden aan de contractuele kwaliteitseisen. Daarnaast heeft Vionmedewerker [naam medewerker VION] , volgens [gedaagde] , naar aanleiding van zijn taxatie van de dieren op 21 december 2016 aangegeven geen dagwaarde te kunnen bepalen voor de dieren omdat teveel daarvan naar zijn mening ongeschikt waren om later als goede melkkoeien te worden ingezet. [gedaagde] verwijst in dit kader naar de eindbevindingen met bijbehorende stallijsten (productie 6 bij cva) van [naam medewerker VION] .

4.10.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verslagen en bevindingen van [naam dierenarts gedaagde] en [naam medewerker VION] niet volgt dat sprake was van aan [eisers] verwijtbare gebreken.

Voor wat betreft de (te hoge) afkalfleeftijd wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in rov. 4.2.1..

Dat de door [naam dierenarts gedaagde] in het onderzoeksverslag van 21 december 2016 genoemde gebreken aan [eisers] verwijtbaar zijn, volgt daaruit niet. [naam dierenarts gedaagde] legt in zijn rapportage geen verband tussen zijn bevindingen en enig handelen of nalaten van [eisers] .

Dat geldt ook voor de bevindingen van [naam medewerker VION] en de daarbij behorende stallijst naar aanleiding van zijn beoordeling op 21 december 2016. In de bevindingen vermeldt [naam medewerker VION] dat zijn eerste algemene indruk is dat het hier gaat om een prima opgefokte veestapel, er diverse dieren niet drachtig geworden zijn en daardoor zwaar en rijp zijn geworden en afgevoerd worden voor de slacht, er individuele dieren zijn met wat afwijkingen aangaande beenwerk en conditiescore en de conditiescore neigt naar te veel, wat zijns inziens niet problematisch is, er geen Mortellaro is geconstateerd en er diverse damslapers zijn. Als punt van aandacht noemt [naam medewerker VION] dat er (te) veel dieren afkalven op een leeftijd van 2 jaar en ouder. Dat sprake is van aan [eisers] verwijtbare gebreken volgt daaruit niet. Uit de stallijst volgt dat evenmin. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan daaruit slechts worden afgeleid dat 37 van de 101 dieren door [naam medewerker VION] als ‘goed’ beoordeeld zijn, dat er damslapers zijn en dat de dieren waar een 0 bijgeschreven staat in zijn visie ‘gemiddeld’ waren. Dat er sprake was van gebreken (en welke) blijkt daaruit niet, laat staan dat deze gebreken aan [eisers] verwijtbaar zijn.

4.10.4.

[gedaagde] verwijst ook naar de als productie 12, 13, 14 en 15 (bij cva/cve) overgelegde dierkaarten en specifieke gegevens van de op de facturen 49 tot en met 52 genoemde dieren. Hij doet dat in het kader van zijn stelling dat voor zover de na 21 december 2016 geleverde dieren binnen afzienbare tijd na afkalving op het bedrijf van [gedaagde] zijn gestorven dan wel zijn afgevoerd naar de slacht, vast staat dat dat het gevolg is van een aan [eisers] toerekenbaar gebrek ten tijde van de levering.
De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde producties niet kan worden afgeleid dat de betreffende dieren een aan [eisers] verwijtbaar gebrek hadden ten tijde van de levering.

Uit de zich bij die producties bevindende formulieren van Dierenartsenpraktijk Oploo-Overloon (de naam van de dierenarts wordt niet vermeld) kan weliswaar afgeleid worden dat er bij enkele dieren wellicht sprake was van gezondheidsproblemen aangezien daarin o.a. de termen ‘lebmaagdislocatie’, ‘baarmoeder/neg. energiebalans’, ‘melkgift’, ‘1 x bl.tappen, leveronderzoek’, en ‘diarree’ voorkomen, maar dat er causaal verband bestaat tussen enig handelen of nalaten van [eisers] en de aandoening, het sterven of het voor de slacht afvoeren van de dieren, en dus (wellicht) van een aan [eisers] verwijtbaar gebrek, volgt daaruit geenszins. Dat geldt ook voor de bij productie 13 gevoegde uitslagen van laboratoriumonderzoek: zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volgt daaruit niet dat het dier/de dieren waarop deze uitslagen betrekking hebben, ten tijde van de levering leden aan een aan [eisers] verwijtbaar gebrek.

4.10.5.

Uit het vorenstaande volgt dat, anders dan [gedaagde] stelt, geenszins vast staat dat er bij de in de periode na 21 december 2016 afgeleverde (al dan niet daarna gestorven of naar de slacht afgevoerde) dieren sprake was van een aan [eisers] verwijtbaar gebrek. Voor partiële ontbinding van de overeenkomst en reducering van de prijs voor die dieren tot

€ 0,00 is dan ook geen grond.

4.10.6.

De stelling dat ook in de facturen 49 tot en met 52 een te hoog bedrag aan dagvergoeding in rekening is gebracht omdat (een deel van) de geleverde dieren bij aflevering en/of afkalven ouder waren dan 24 maanden wordt, onder verwijzing naar hetgeen daarover is overwogen in rov. 4.2.1. en 4.2.4., verworpen.

4.11.

De rechtbank concludeert dan ook dat [gedaagde] gehouden is de facturen 49 tot en met 52 aan [eisers] te voldoen.

De schade in verband met het niet afnemen van 14 hoogdrachtige vaarzen

in november 2016 ad € 13.881,60,

4.12.

[eisers] stelt schade te hebben geleden doordat [gedaagde] 14 hoogdrachtige vaarzen niet wilde afnemen waardoor hij genoodzaakt was deze aan een derde, [X] , te verkopen. De koopprijs bedroeg € 13.300,00 en [eisers] heeft aan [X] een bedrag van € 4.076,00 moeten restitueren wegens uitval. Volgens [eisers] zou de opbrengst bij teruglevering aan [gedaagde] conform de overeenkomst € 23.105,60 hebben bedragen. Het verschil in opbrengst,

€ 13.881,60, dient [gedaagde] aan [eisers] te vergoeden.

4.13.

Dit deel van de vordering wordt afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Dat [gedaagde] weigerde de 14 vaarzen af te nemen staat niet vast. [gedaagde] betwist dat en stelt dat [eisers] weigerde de 14 vaarzen te leveren. [eisers] heeft bij dagvaarding ( sub 3.15) gesteld dat hij op 4 november 2016 heeft laten weten eerst betaling van de openstaande facturen te verlangen alvorens er dieren aan [gedaagde] zouden worden afgeleverd. Aldus heeft [eisers] zijn leveringsverplichting opgeschort. [eisers] heeft echter niet met [gedaagde] afgesproken dat hij ten aanzien van deze 14 vaarzen niet aan de verplichting tot teruglevering hoefde te voldoen. De opschorting van de leveringsverplichting door [eisers] ontslaat hem niet van de verplichting om de dieren aan [gedaagde] terug te leveren. De verkoop aan een derde is dan ook in strijd met de overeenkomst. Daaraan doet niet af dat het bedrijf van [eisers] niet was ingericht om de dieren ter plekke te laten afkalven. [eisers] heeft zichzelf in deze positie gebracht door de leveringsverplichting in afwachting van betaling op te schorten. De lagere opbrengst van de vaarzen komt dan ook voor rekening en risico van [eisers] .

schade in verband met het niet afnemen van 5 niet drachtige dieren

in december 2016 ad € 5.261,00,

4.14.

Op 29 december 2016 zijn 5 niet drachtig geworden dieren afgevoerd voor de slacht.

4.14.1.

[eisers] voert aan dat het risico van niet drachtig worden van de dieren volgens de overeenkomst voor rekening komt van [gedaagde] . De opbrengst van de dieren bedroeg
€ 3.360,00. Volgens [eisers] zou de opbrengst op grond van de overeenkomst € 8.621,00 geweest zijn en dient [gedaagde] het verschil in opbrengst te vergoeden.

4.14.2.

[gedaagde] stelt te hebben ingestemd met afvoer voor de slacht omdat deze dieren niet drachtig waren en ook anderszins niet voldeden aan de overeenkomst aangezien ze te oud waren om nog conform de opfokovereenkomst drachtig te kunnen worden. Volgens [gedaagde] is het aan [eisers] te wijten geweest dat de 5 dieren niet drachtig geworden zijn en de opfokperiode nodeloos is opgelopen naar een gemiddelde leeftijd van meer dan 800 dagen en kan [eisers] , nu hij heeft verzuimd het bepaalde in de artikelen 8 tot en met 11 in acht te nemen, geen aanspraak maken op de opfokkosten. Toen de dieren een leeftijd van 17 maanden hadden bereikt en nog steeds niet drachtig waren, heeft [eisers] [gedaagde] daarvan niet in kennis gesteld. Als [eisers] dat wel gedaan had, had [gedaagde] kunnen proberen het dier door middel van natuurlijke dekking met een stier drachtig te maken. Die kans is [gedaagde] ontnomen. Daaropvolgend heeft [eisers] , toen de vijf dieren een leeftijd van 19 maanden hadden bereikt, verzuimd aan [gedaagde] te melden dat de dieren nog steeds niet drachtig waren.

Subsidiair stelt [gedaagde] dat de opfokvergoeding gemaximeerd dient te worden tot de leeftijd van 17 maanden omdat [eisers] verzuimd heeft [gedaagde] in staat te stellen de dieren vanaf die leeftijd door middel van natuurlijke dekking door een stier drachtig te maken.

4.14.3.

[eisers] heeft ter comparitie verklaard dat er nooit inseminatie via natuurlijke weg heeft plaatsgevonden op zijn bedrijf. Hij wilde namelijk absoluut geen stier op zijn bedrijf.

4.14.4.

[gedaagde] heeft ter comparitie erkend dat [eisers] geen stier op zijn bedrijf wilde hebben. [gedaagde] heeft daarbij aangegeven dat te begrijpen, maar dat dan wel voor risico van [eisers] is.

4.15.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.15.1.

In artikel 8 van de overeenkomst staat dat de eerste inseminatie geschiedt vanaf een leeftijd vanaf 12 maanden, bij een borstomvang van minimaal 170 cm.

In artikel 10 is bepaald dat indien een dier niet drachtig is op een leeftijd van 17 maanden, het dier via natuurlijke dekking met een stier drachtig wordt gemaakt.
In artikel 11 staat dat indien het dier na 19 maanden en natuurlijke dekking nog niet drachtig wordt, de kosten voor [gedaagde] zijn en dat [eisers] maandelijks aangeeft welke dieren met een leeftijd van 19 maanden nog niet drachtig zijn.

4.15.2.

In artikel 10 van de overeenkomst is niet aangegeven wie ervoor zorgdraagt dat, als een dier niet drachtig is op een leeftijd van 17 maanden, het dier via natuurlijke dekking met een stier drachtig wordt gemaakt. Vaststaat dat [eisers] daar niet voor wilde zorgdragen. Hij heeft dan ook geen uitvoering gegeven aan artikel 10 van de overeenkomst. Vaststaat dat [gedaagde] wel wilde zorgdragen voor natuurlijke dekking. Onder die omstandigheden brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst met zich dat [eisers] [gedaagde] in de gelegenheid diende te stellen om dat te doen. Als onweersproken staat vast dat [eisers] niet aan [gedaagde] heeft gemeld dat de 5 dieren op een leeftijd van 17 maanden niet drachtig waren. Verder staat als onweersproken vast dat [eisers] niet heeft aangegeven dat de 5 dieren met een leeftijd van 19 maanden nog niet drachtig waren. [eisers] heeft [gedaagde] derhalve niet de gelegenheid gegeven uitvoering te geven aan artikel 10 van de overeenkomst. Dit leidt ertoe dat artikel 11, eerste volzin, van de overeenkomst niet van toepassing is. Op grond van die bepaling zijn de kosten voor [gedaagde] indien het dier na 19 maanden en natuurlijke dekking nog niet drachtig wordt. Aangezien geen natuurlijke dekking heeft plaatsgevonden, kan niet staande worden gehouden dat het risico van niet drachtig worden van de 5 dieren voor rekening van [gedaagde] komt. De door [eisers] aangevoerde grondslag voor de schadevergoedingsverplichting van [gedaagde] faalt. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook afwijzen.

schade in verband met het niet afnemen van 3 dieren in maart 2017 ad

€ 2.762,20,

4.16.

Op 10 maart 2017 heeft [eisers] nog 3 niet drachtig geworden dieren verkocht voor de slacht. De opbrengst hiervan bedroeg € 2.762,20. Volgens [eisers] zou de opbrengst op grond van de overeenkomst € 4.843,00 geweest zijn en dient [gedaagde] het verschil in opbrengst te vergoeden.

[gedaagde] verwijst voor zijn verweer naar zijn verweer als weergegeven ten aanzien van de schade vermeld in rov. 4.14.2.

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat ook dit deel van de vordering dient te worden afgewezen. Voor de daartoe leidende overwegingen wordt verwezen naar rov. 4.15.2..

schade in verband met door [eisers] bekostigd sperma ad € 612,50,

4.18.

[eisers] stelt dat hij sperma heeft moeten aankopen omdat [gedaagde] op enig moment weigerde sperma te verstrekken voor de inseminatie van de dieren.

[gedaagde] betwist dat hij geweigerd heeft sperma te leveren en stelt voldoende sperma geleverd te hebben voor inseminatie van alle van hem afkomstige dieren door middel van kunstmatige inseminatie.

4.19.

[eisers] heeft zijn vordering op dit punt niet nader onderbouwd. Gelet op de betwisting van [gedaagde] staat dan ook niet vast dat [eisers] schade heeft geleden als gesteld. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] door [eisers] op dit punt in gebreke is gesteld.

Dit deel van vordering is dan ook niet toewijsbaar.

schade in verband met het niet afnemen van 52 vaarzen ad € 47.933,61,

4.20.

[eisers] stelt dat er op 24 maart 2017 op zijn bedrijf nog 52 van [gedaagde] afkomstige dieren aanwezig waren waarvan [gedaagde] had aangegeven deze niet meer te zullen afnemen. Daarom heeft [eisers] de dieren verkocht aan een derde. De opbrengst bedroeg € 26.000,00. Op grond van de opfokovereenkomst zou de opbrengst € 73.933,60 hebben bedragen. [gedaagde] dient het verschil in opbrengst te vergoeden.

4.21.

[gedaagde] stelt dat in het minnelijk overleg dat plaatsgevonden heeft nadat dierenarts [naam dierenarts gedaagde] en Vionmedewerker [naam medewerker VION] de bij [eisers] aanwezige dieren hadden gekeurd/getaxeerd, op 4 april 2017 tussen de agrarisch adviseur van [gedaagde] ( [naam agrarisch adviseur gedaagde] ) en de accountant van [eisers] ( [naam accountant eisers] ) is afgesproken dat [eisers] de hier aan de orde zijnde 52 dieren aan een derde zou mogen verkopen, en de verkoopopbrengst mocht behouden en dat daarmee de opfokovereenkomst ten aanzien van deze dieren tegen finale kwijting was afgewikkeld.

Subsidiair stelt [gedaagde] dat de gevorderde schadevergoeding niet toewijsbaar kan zijn. In de eerste plaats omdat [eisers] geen bewijs heeft bijgebracht ten aanzien van de gestelde opbrengst. En ten tweede omdat [eisers] niet heeft bewezen dat de dieren voldeden aan de kwaliteitseisen van de overeenkomst, ten aanzien waarvan [gedaagde] verwijst naar wat door hem is aangevoerd in het kader van het subsidiaire verweer met betrekking tot de facturen 49 tot en met 52.

4.22.

[eisers] heeft op de zitting de door [gedaagde] gestelde afspraak tussen [naam accountant eisers] en [naam agrarisch adviseur gedaagde] betwist en gesteld dat [naam accountant eisers] heeft gezegd dat niet afgesproken is dat de 52 dieren tegen finale kwijting verkocht zouden worden aan een derde. Daarnaast heeft [eisers] aangevoerd dat [naam accountant eisers] niet bevoegd was een dergelijke afspraak namens hem te maken.

Van de zijde van [gedaagde] is daarop verklaard dat [naam agrarisch adviseur gedaagde] gezegd heeft dat die afspraak wel gemaakt is. [gedaagde] heeft een e-mail van 4 april 2017 overgelegd, die aan het proces-verbaal is gehecht (gewaarmerkt B), waarin, zo stelt [gedaagde] , die afspraak staat.

4.23.

De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagde] de door hem gestelde afspraak, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eisers] , onvoldoende heeft onderbouwd.

4.23.1.

In de overgelegde e-mail van 4 april 2017 van [naam accountant eisers] aan [naam eigenaar gedaagde] ( [gedaagde] ), [eiser 2] en [eiser 3] en [naam agrarisch adviseur gedaagde] (Agro Advies), wordt een bevestiging gevraagd van alle partijen dat het juist is dat [naam eigenaar gedaagde] ) afziet van overname van het nog aanwezige vee (52 stuks) en deze dieren door [eiser 2] ) worden verkocht. Van finale kwijting is daarin geen sprake.

4.23.2.

[gedaagde] heeft ondanks de inhoud van de e-mail vastgehouden aan zijn standpunt dat [naam accountant eisers] en [naam agrarisch adviseur gedaagde] (namens partijen) hebben afgesproken dat finale kwijting zou plaatsvinden. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat [naam accountant eisers] bevoegd was om de gestelde afspraak namens [eisers] te maken. De rechtbank wijst voor de motivering van dit oordeel op hetgeen zij in rov. 4.8.3 heeft overwogen. Die overwegingen gelden ook ten aanzien van de gestelde bevoegdheid van [naam accountant eisers] om af te spreken de 52 dieren tegen finale kwijting te verkopen.

4.23.3.

Gelet op het voorgaande treft het primaire verweer geen doel.

4.24.

Ook het subsidiaire verweer treft geen doel.

[gedaagde] heeft op de zitting weliswaar betwist dat de prijs van de vaarzen lager was omdat het geen stamboekvee was en gesteld dat er geen noodzaak was om de dieren met spoed (en dus tegen een lagere prijs) te verkopen, maar heeft anderzijds wel erkend dat de markt in die tijd slecht was als gevolg van de fosfatenkwestie. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende concrete betwisting van de juistheid van de door [eisers] gestelde opbrengst. De rechtbank merkt de door [eisers] gestelde opbrengst dan ook als vaststaand aan. Dat [eisers] daarvoor geen bewijs heeft bijgebracht, maakt dat niet anders.

De stellingen van [gedaagde] ten aanzien van de ondeugdelijkheid van de dieren en het niet beantwoorden aan de kwaliteitseisen van de overeenkomst worden als onvoldoende onderbouwd verworpen. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze beslissing naar de overwegingen op dat punt in rov 4.10 tot en met 4.10.5..

Conclusie en buitengerechtelijke kosten

4.25.

Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen vermeld onder I. en VI (rov. 3.1.) in beginsel toewijsbaar zijn.

De gevorderde rente over de (toewijsbare) schadebedragen kan worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] met de betaling daarvan in verzuim was op een eerdere datum.

4.26.

Dat geldt ook voor de onder VII. gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Het verweer van [gedaagde] dat de verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden moeten worden aangemerkt als een voorbereiding van de processtukken en instructie van de zaak in de zin van artikel 241 Rv die geen afzonderlijke vergoeding rechtvaardigen, wordt verworpen.

De eisende partij vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter slechts ten dele betrekking op één van de situaties waarin genoemd Besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de voor de individuele delen van de vordering geldende vereisten.

Voor het deel van de vordering dat betrekking heeft op vergoeding van schade geldt dat niet aan de vereisten voor toewijsbaarheid van buitengerechtelijke incassokosten is voldaan.

Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is in het geval van een vordering voortvloeiend uit een overeenkomst (het deel van de vordering dat ziet op betaling van de facturen) niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht, zodat in beginsel een enkele brief voldoende is, omdat de uitsluiting van artikel 241 Rv door lid 5 van artikel 6:96 BW ook geldt in een geval dat de wettelijke regeling als regelend recht van toepassing is op een niet-consument. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten met betrekking tot het deel van de vordering dat ziet op betaling van de facturen is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, zijnde een bedrag van € 1.410,81.

Het beroep op opschorting en verrekening

4.27.

[gedaagde] doet een beroep op opschorting en verrekening. Hij stelt daartoe dat [eisers] gehouden is door [gedaagde] geleden schade te vergoeden, welke schade het gevorderde in conventie overtreft en die wordt gevorderd in reconventie.

Dit beroep wordt verworpen omdat de vordering in reconventie, zoals hierna zal worden overwogen, niet toewijsbaar is.

Samenvatting

4.28.

De vordering van [eisers] is toewijsbaar tot een bedrag van in totaal

€ 112.925,13 (€ 63.580,71 + €47.933,61 + € 1.410,81).

Proceskosten

4.29.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 83,30

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 3.946,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2 punt × tarief € 1.707,00)

Totaal € 7.443,30

4.30.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

schadevergoeding in verband met wanprestatie

4.31.

Onder 1 vordert [gedaagde] [eisers] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens niet-nakoming van de opfokovereenkomst ad in totaal

€ 216.612,00.

[gedaagde] stelt daartoe dat [eisers] niet voldaan heeft aan zijn verplichting om deugdelijke dieren (terug) te leveren, waardoor de door [gedaagde] gerealiseerde melkopbrengst minder was. [gedaagde] berekent de geleden schade vanaf juli 2015 door de gemiddelde melkproductie (per dier) te vermenigvuldigen met een gemiddeld saldo van € 0,12 per kg melk en dat te vermenigvuldigen met het aantal ondeugdelijke/ uitgevallen/afgevoerde dieren.

[eisers] betwist dat hij zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen.

4.32.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.32.1.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat [eisers] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen voert [gedaagde] aan dat [eisers] de voedingsadviezen van Forfarmers niet opvolgde en er (minimaal) 54 dieren zijn uitgevallen op het bedrijf van [eisers] en 40 dieren op het bedrijf van [gedaagde] .

[gedaagde] verwijst daarbij naar een verslag van dierenarts [naam dierenarts gedaagde] (prod. 5 bij cva/cve) en (als prod. 10 tot en met 15 en 18 tot en met 29 bij cva/cve overgelegde) dierkaarten en specifieke gegevens van de bij de facturen 35 tot en met 52 door [eisers] in rekening gebrachte dieren.

4.32.2.

Artikel 5 van de overeenkomst bepaalt -voor zover hier van belang- dat [eisers] de dieren opfokt volgens het 22 maanden schema van HendrixUTD (thans Forfarmers), dat samen met de voerleverancier 4 maal per jaar steekproefsgewijs van een aantal dieren de borstomvang wordt gemeten en dat het rantsoen, indien nodig, wordt bijgesteld.

4.32.3.

[eisers] stelt zich wel aan het voedingsschema te hebben gehouden en het rantsoen ook, indien nodig, te hebben aangepast. [gedaagde] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt in welk opzicht in strijd met het voedingsschema is gehandeld en wat [eisers] , op grond van de overeenkomst, anders dan het rantsoen aanpassen als dat nodig bleek, had moeten doen. Het enkele feit dat aanpassing van het rantsoen in sommige gevallen nodig bleek, is in dat opzicht onvoldoende.

Weliswaar vermeldt dierenarts [naam dierenarts gedaagde] in zijn verslag van 5 november 2016 (prod. 5 cva/cve) bij 2 dieren te hebben geconstateerd dat sprake was van ernstige leverbeschadiging en ernstige bloedarmoede en benadrukt hij dat (o.a.) voldoende voeropname (van kwalitatief goed voer) van belang is, maar dat slecht voer, of afwijking van het voedingsschema in de periode dat de dieren zich op het bedrijf van [eisers] bevonden, de oorzaak is van die gebreken, volgt daaruit niet. Bovendien betreft dit slechts 2 (niet nader gespecificeerde) dieren.

Dat de uitval van dieren (op het bedrijf van [eisers] of het bedrijf van [gedaagde] ) in verband staat met het voeren door [eisers] , is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd.

4.32.4.

Met betrekking tot de gestelde ondeugdelijkheid van de geleverde dieren is het bepaalde in artikel 19 van de overeenkomst van belang (zie ook rov. 4.2.2. en 4.10.1 in conventie). Dat bepaalt, voor zover hier van belang, dat de dieren zonder uiterlijke gebreken worden afgeleverd en bij alle andere overige gebreken de veearts beslist over verwijtbaar zijn van de ontstane gebreken.

4.32.5.

[gedaagde] wijst er op dat zich onder de geleverde dieren een aantal structurele ‘damslapers’ bevonden en dieren die niet goed waren onthoornd, gevaarlijke of vergroeide hoorns hadden en diverse dieren ‘onrustig-schrikachtig’ gedrag vertoonden waarbij werd vermoed dat onthoornen zonder verdoving een rol heeft gespeeld. Hoewel er door [gedaagde] geen schadebedrag is verbonden aan deze gebreken en deze daarom niet van belang zijn voor de beoordeling van de vordering, merkt de rechtbank op dat zij van oordeel is dat hier sprake is van uiterlijke gebreken die bij, of kort na, aflevering vastgesteld kunnen worden en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] daarover bij [eisers] (tijdig) heeft geklaagd dan wel geweigerd heeft de dieren, in verband met die gebreken, af te nemen.

Dat bij de uitgevallen dieren waarop de schadevergoeding betrekking heeft sprake was van uiterlijke gebreken, is door [gedaagde] niet aangevoerd.

4.32.6.

De producties 10 tot en met 15 vormen, zoals is overwogen in rov. 4.2.2., 4.4. en 4.10.4., onvoldoende onderbouwing van de stelling dat [eisers] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. De rechtbank verwijst naar hetgeen in de genoemde rechtsoverwegingen is overwogen.

4.32.7.

Datzelfde geldt voor de producties 18 tot en met 29. Voor zover uit die producties kan worden afgeleid dat dieren die door [eisers] zijn opgefokt met gezondheidsproblemen kampten, blijkt daaruit geenszins dat dit (door een veearts vastgestelde) aan [eisers] verwijtbare gebreken waren als bedoeld in de overeenkomst.

4.32.8.

Dit betekent dat [gedaagde] zijn stelling dat [eisers] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen, onvoldoende heeft onderbouwd. De ter zake daarvan gevorderde schadevergoeding is daarom niet toewijsbaar.

4.32.9.

Onderdeel van de gevorderde schadevergoeding is een bedrag van € 16.026,00 dat ook betrekking heeft op gemiste melkopbrengst doordat een aantal dieren bij afkalven ouder waren dan de (volgens [gedaagde] maximale) leeftijd van 24 maanden. Ook dit onderdeel is niet toewijsbaar omdat uit de overeenkomst niet volgt dat een dier dat op het moment van afkalven ouder is dan 24 maanden niet voldoet aan de overeenkomst. Voor de daarvoor van belang zijnde overwegingen wordt verwezen naar rov. 4.2.1..

4.32.10.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [gedaagde] niet toewijsbaar is.

Fosfaatrechten en daarmee samenhangende schadevergoeding

4.33.

Onder 2 vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat [gedaagde] in haar onderlinge verhouding tot [eisers] , ten aanzien van de fosfaatrechten die [eisers] toegekend heeft gekregen op basis van de 179 dieren die [eisers] ten behoeve van [gedaagde] hield op 2 juli 2015, ten volle, althans deels rechthebbende is. En onder 3 vordert [gedaagde] veroordeling van [eisers] tot vergoeding van de schade die [gedaagde] lijdt als gevolg van de weigering van [eisers] om de (onder 2 bedoelde) fosfaatrechten aan [gedaagde] over te dragen.

4.34.

[gedaagde] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag.

Een redelijke uitleg en toepassing van de tussen partijen gesloten opfokovereenkomst brengt met zich dat [gedaagde] van begin af aan niet alleen rechthebbende was (en bleef) met betrekking van de dieren, maar ook rechthebbende is geworden van alle (vermogens)rechten die van overheidswege met betrekking tot die dieren zijn en worden toegekend. Fosfaatrechten strekken ertoe om melkveebedrijven niet meer mest (fosfaat) te laten produceren dan de hoeveelheid mest die geproduceerd werd met het aantal koeien dat op 2 juli 2015 deel uitmaakte van hun bedrijf. De dieren werden door [eisers] ten behoeve van [gedaagde] opgefokt en verzorgd met de bedoeling die dieren na de opfokperiode aan [gedaagde] terug te leveren, zodat [gedaagde] de dieren voor melkproductie kon inzetten. De terugkerende dieren kunnen op het bedrijf van [gedaagde] alleen voor melkproductie ingezet worden voor zover daartoe voldoende fosfaatrechten aanwezig zijn. Deze fosfaatrechten ontbreken echter omdat ze om puur administratieve redenen aan [eisers] zijn toegekend. [eisers] heeft de fosfaatrechten niet nodig, aangezien de dieren van [gedaagde] , waarvoor de daarmee samenhangende fosfaatrechten aan [eisers] zijn toegekend, zich inmiddels niet meer op het bedrijf van [eisers] bevinden. Bovendien wilde [eisers] stoppen en heeft hij ook daadwerkelijk de opfokovereenkomst in 2015 opgezegd maar [eisers] wil wel de fosfaatrechten gekoppeld aan de voor [gedaagde] bestemde dieren behouden en profiteren van de aanzienlijke vermogenswaarde van die rechten. Daardoor wordt [eisers] onevenredig bevoordeeld en [gedaagde] benadeeld.

Daarnaast stelt [gedaagde] dat in het oude systeem van melkquota de eigendom van melkkoeien en de eigendom van melkquota vóór de afschaffing van het melkquotumstelsel per 1 april 2015 onlosmakelijk met elkaar verbonden waren en dat de fosfaatrechten een directe opvolger/vervanger zijn van het melkquotum. Daarom is het eens temeer redelijk en billijk om [gedaagde] , als melkproducent waarvoor de op 2 juli 2015 bij [eisers] gestalde dieren bestemd waren, aan te merken als rechthebbende van de aan die dieren gekoppelde fosfaatrechten.

[eisers] weigert ten onrechte om onvoorwaardelijk mee te werken aan de overdracht van de fosfaatrechten en is daarom schadeplichtig jegens [gedaagde] .

Subsidiair is [eisers] schadeplichtig omdat hij ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van [gedaagde] . Daarbij gaat het om de waarde die gemoeid is met de 179 dieren die [eisers] op de peildatum ten behoeve van [gedaagde] hield.

Primair stelt [gedaagde] dat [eisers] verplicht is tot vergoeding van de volledige waarde van de betreffende fosfaatrechten. Subsidiair stelt hij –onder verwijzing naar jurisprudentie van de pachtkamer- dat hem minimaal de helft van de waarde daarvan toekomt.

4.35.

[eisers] voert met name het volgende verweer.

Fosfaatrechten worden conform de Meststoffenwet toegekend aan degene die houder van de dieren was op 2 juli 2015. Het gaat daarbij om feitelijk houderschap. [eisers] was op 2 juli 2015 houder van de dieren. Daarom zijn de fosfaatrechten aan [eisers] toegekend. [eisers] was op 2 juli 2015 ook juridisch eigenaar van de betreffende dieren en in punt 27 van de overeenkomst is bepaald dat dier- en overige premies ten goede komen aan [eisers] . Daar vallen fosfaatrechten ook onder. Bovendien worden fosfaatrechten niet gekoppeld/ toegekend aan dieren maar aan het desbetreffende bedrijf.

[eisers] betwist dat hij de fosfaatrechten niet nodig heeft. Zonder fosfaatrechten kan [eisers] het bedrijfsmatig opfokken van jongvee voor anderen, zoals voor [gedaagde] gebeurde, niet voortzetten. Fosfaatrechten zijn ook vereist voor jongvee. Dat de opfokovereenkomst met [gedaagde] is beëindigd is niet van belang. [eisers] kan jongvee van anderen opfokken.

Niet in te zien valt waarom [gedaagde] wordt benadeeld door toekenning van de rechten aan [eisers] , laat staan dat die benadeling onevenredig is. [gedaagde] is en was immers nimmer rechthebbende. Ook valt niet in te zien waarom [eisers] , die op grond van het wettelijke systeem als rechthebbende wordt aangemerkt, onevenredig bevoordeeld zou zijn.

De vergelijking met het oude systeem van melkquota gaat niet op. Anders dan in dat systeem worden in het systeem van fosfaatrechten rechten toegekend aan de feitelijk houder van de dieren en niet aan de eigenaar. Los daarvan is melkquotering een wezenlijk ander instrument dan fosfaatrechten. Melkquotering is een marktordeningsinstrument terwijl het fosfaatrechtenstelsel tot doel heeft de mestproductie van melkvee te reguleren.

Noch uit de overeenkomst, noch uit de redelijkheid en billijkheid volgt een verplichting van [eisers] om mee te werken aan de overdracht van de fosfaatrechten, ook niet voor een deel. De verwijzing van [gedaagde] naar de jurisprudentie in pachtzaken gaat niet op. Bovendien valt niet in te zien hoe [gedaagde] schade lijdt die aan [eisers] is toe te rekenen.

Van ongerechtvaardigde verrijking is geen sprake. [gedaagde] is niet verarmd omdat de fosfaatrechten op grond van het wettelijk systeem toekomen aan [eisers] . [gedaagde] is nooit rechthebbende geweest en dus ook niet verarmd.

4.36.

De rechtbank overweegt als volgt.

De fosfaatrechten zijn geregeld in de Meststoffenwet. De Meststoffenwet luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

Art. 21b lid 1: “Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. De productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt forfaitair vastgesteld overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 35.”

Art. 23 lid 3: “Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdtip van inwerkingtreding van het verbod, bedoeld in artikel 21b, eerste lid, wordt door Onze Minister vastgesteld en komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. (…)”

Art. 25: “Een productierecht kan, onder welke titel ook, overgaan naar een ander bedrijf, overeenkomstig het bepaalde in deze paragraaf en artikel 32.”

4.36.1.

De Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten (Kamerstuk 34 532 nr. 3) vermeldt onder 4.4. onder meer:

“Na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel krijgen bedrijven met melkvee van RVO.nl een beschikking over de voor hun bedrijf vastgestelde hoeveelheid fosfaatrechten, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. De hoeveelheid toegekende fosfaatrechten – het fosfaatrecht – rust op het bedrijf en wordt als zodanig door RVO.nl geregistreerd. Bedrijven krijgen een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend die volgt uit het aantal gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015 – de datum waarop de introductie van het fosfaatrechtenstelsel aan de Tweede Kamer is aangekondigd – en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie en de forfaitaire fosfaatexcretie voor jongvee, beide volgend uit de Meststoffenwet (bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Groei van de veestapel die na 2 juli 2015 heeft plaatsgevonden, wordt niet vertaald in fosfaatrechten. (…)

Wat betreft het begrip «houden van dieren», dat wordt gebruikt in de verbodsbepaling, gaat het om het feitelijke houderschap, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten. Het is van ondergeschikt belang of de houder ook de eigenaar van de dieren is. In het geval van uitgeschaarde dieren gaat het voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten dus niet om wie de eigenaar was van het melkvee op de peildatum van 2 juli 2015, maar om de feitelijke houder van de dieren, wie feitelijk de dieren in zijn stal onderbracht, op zijn land weide en de verzorging op zich nam.”

4.37.

Vast staat dat [eisers] eigenaar is van de fosfaatrechten. Deze zijn aan hem toegekend omdat hij op de peildatum, 2 juli 2015, houder was van de dieren. De fosfaatrechten zijn overdraagbaar. Uit de Meststoffenwet en de uitvoeringsregelingen volgt geen verplichting tot overdracht van fosfaatrechten bij de beëindiging van een opfokovereenkomst. Het geschil spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] op grond van de opfokovereenkomst, of de (postcontractuele) redelijkheid en billijkheid, dan wel ongerechtvaardigde verrijking, aanspraak had op overdracht van de fosfaatrechten of een deel daarvan.

4.38.

In de opfokovereenkomst geen regeling opgenomen over de fosfaatrechten. In artikel 27 is weliswaar bepaald dat dier- en overige premies ten goede komen aan [eisers] , maar dat dat (ook) ziet op de fosfaatrechten is niet of onvoldoende onderbouwd gesteld. Het is ook niet aannemelijk dat die bepaling op fosfaatrechten ziet, omdat ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst nog geen sprake was van het invoeren van een systeem van fosfaatrechten.

4.39.

Een overeenkomst heeft op grond van artikel 6:248 lid 1 BW niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] op grond van de redelijkheid en billijkheid aanspraak had op (een deel van) de fosfaatrechten, acht de rechtbank het volgende van belang.

4.39.1.

In de overeenkomst is bepaald dat [gedaagde] de dieren bij [eisers] aanbiedt op een leeftijd van (in principe) 2 weken en dat ze 1 maand voor de afkalfdatum terug gaan naar het bedrijf van [gedaagde] (artikel 2 en artikel 12). Gelet op de in de overeenkomst genoemde gemiddelde afkalfleeftijd stonden de dieren daar dus voor een langere periode (iets meer of minder dan 2 jaar). In artikel 22 is bepaald dat er steeds minimaal 160 dieren bij [eisers] staan.

4.39.2.

De stelling van [gedaagde] komt er op neer dat [eisers] een oneigenlijk voordeel heeft gekregen omdat hij de fosfaatrechten puur om administratieve redenen vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) toegekend heeft gekregen.

De rechtbank deelt deze stelling niet. Zoals hiervoor vermeld stonden er gedurende de looptijd van de overeenkomst minimaal 160 door [gedaagde] geleverde dieren voor de duur van ongeveer 2 jaar op het bedrijf van [eisers] . Dat was dus ook het geval in 2015, het jaar waarin de peildatum (2 juli 2015) viel. Dat maakt dat [eisers] als houder van de dieren recht had op de fosfaatrechten. Er is dus geen sprake van toekenning puur om administratieve redenen.

4.39.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin sprake van een oneigenlijk voordeel voor [eisers] . [eisers] is de opfokovereenkomst aangegaan in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteiten als opfokker van jongvee. [gedaagde] is de opfokovereenkomst aangegaan in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteiten als melkveehouder. De opfokovereenkomst bracht met zich dat [eisers] voortdurend jongvee van [gedaagde] huisvestte op zijn bedrijf. [gedaagde] kon de vrijgekomen gebouwen gebruiken voor het houden van melkkoeien. Sinds 1 januari 2018 heeft [eisers] de fosfaatrechten nodig om zijn bedrijfsactiviteiten als opfokker van jongvee uit te kunnen oefenen. Dat [eisers] de fosfaatrechten nu (deels) niet meer nodig zou hebben omdat -zoals door de heer [naam eigenaar gedaagde] op de zitting naar voren is gebracht- [eisers] wil stoppen met zijn bedrijfsactiviteiten, is door [eisers] op de zitting betwist. [eisers] heeft verklaard ook nu nog jongvee op zijn bedrijf te hebben. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat [eisers] na de beëindiging van de opfokovereenkomst is gestopt met zijn bedrijfsactiviteiten als opfokker van jongvee. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [eisers] die bedrijfsactiviteiten heeft voortgezet en dat hij de fosfaatrechten dientengevolge nodig had en heeft voor zijn bedrijfsvoering.

4.39.4.

De rechtbank overweegt verder dat [gedaagde] , als de opfokovereenkomst zou zijn voortgezet, geen fosfaatrechten nodig zou hebben voor het jongvee dat hij aan [eisers] uitbesteedde. [gedaagde] heeft er na de beëindiging van de opfokovereenkomst voor gekozen om zijn jongvee niet meer uit te besteden, maar zelf op te fokken. De stelling van [gedaagde] dat hij nu fosfaatrechten nodig heeft voor het jongvee op zijn bedrijf, leidt niet tot de conclusie dat hij aanspraak kan maken op (een deel van) de fosfaatrechten van [eisers] . [gedaagde] heeft er immers zelf voor gekozen om zijn bedrijfsvoering te wijzigen in die zin dat hij het jongvee op zijn eigen bedrijf opfokt. Dat hij daardoor fosfaatrechten nodig heeft voor dat jongvee, kan hij niet afwentelen op [eisers] . De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat [gedaagde] op grond van de redelijkheid en billijkheid aanspraak kan maken op (een deel van) de fosfaatrechten van [eisers] .

4.39.5.

Gelet op het voorgaande kan [gedaagde] niet op grond van de redelijkheid en billijkheid aanspraak maken op (een deel van) de aan [eisers] toegekende fosfaatrechten. Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd met betrekking tot het melkquotumstelsel maakt dat niet anders. Dat stelsel is niet vergelijkbaar met het fosfaatrechtenstelsel. Volgens het melkquotumstelsel had Mander geen quotum nodig terwijl hij in het fosfaatrechtstelsel wel fosfaatrechten nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering.

De jurisprudentie van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden brengt ook geen wijziging in het oordeel van de rechtbank. In het arrest van 26 maart 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2544) heeft de pachtkamer geoordeeld dat er beginsel geen reden is voor de pachter om fosfaatrechten over te dragen aan de verpachter, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid mee kunnen brengen dat onder bepaalde voorwaarden wel een verplichting tot overdracht van (een deel van de) fosfaatrechten bestaat. De voorwaarden die de pachtkamer noemt, zijn toegespitst op de verhouding pachter/verpachter en hebben betrekking op het geval dat de verpachter bedrijfsmiddelen (gebouwen en/of grond) ter beschikking heeft gesteld aan de pachter. Daar is in de verhouding tussen [gedaagde] en [eisers] echter geen sprake van. [gedaagde] heeft immers geen gebouwen of grond ter beschikking gesteld aan [eisers] . De verhouding tussen partijen is alleen hierom al niet vergelijkbaar met die tussen een pachter en verpachter.

4.40.

[gedaagde] doet subsidiair een beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Hij stelt dat [eisers] ten koste van [gedaagde] is verrijkt, omdat [eisers] de fosfaatrechten heeft verkregen die gekoppeld zijn aan het jongvee van [gedaagde] dat op de peildatum op het bedrijf van [eisers] stond.

4.40.1.

Dit beroep slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW, moet sprake zijn van een verrijking van de één en verarming van de ander. Daartussen dient een causaal verband te bestaan. Ten slotte moet de verrijking ongerechtvaardigd zijn, hetgeen het geval zal zijn indien hieraan geen redelijke oorzaak ten grondslag ligt. De verarming van [gedaagde] bestaat volgens hem uit het missen van de fosfaatrechten die samenhangen met de 179 stuks jongvee. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de wetgever de fosfaatrechten met ingang van 1 januari 2018 in het leven heeft geroepen. De fosfaatrechten zijn toegekend aan [eisers] . [gedaagde] heeft de fosfaatrechten nooit gehad en is dus niet verarmd. [eisers] is wel verrijkt doordat hij de fosfaatrechten heeft gekregen. Deze verrijking is echter niet ongerechtvaardigd omdat deze voortvloeit uit de Meststoffenwet en de beschikking waarbij de fosfaatrechten aan [eisers] zijn toegekend. Het voorgaande betekent dat niet is voldaan aan de eisen voor ongerechtvaardigde verrijking.

4.41.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [gedaagde] niet toewijsbaar zijn.

4.42.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.707,00 (0,5 x 2 punt × factor 1,0 × tarief € 1.707,00)

Totaal € 1.707,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 112.925,13 (honderdtwaalfduizend negenhonderdvijfentwintig euro en dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over:

  • -

    € 9.718,96 vanaf 14 september 2016,

  • -

    € 10.987,05 vanaf 12 oktober 2016,

  • -

    € 17.283,13 vanaf 8 januari 2017,

  • -

    € 10.999,67 vanaf 16 februari 2017,

  • -

    € 4.928,84 vanaf 27 maart 2017,

  • -

    € 9.663,06 vanaf 15 april 2017,

en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 49.344,42 vanaf de dag van dagvaarding, 3 mei 2018,

een en ander steeds tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 7.443,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van vijftiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.707,00,

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Hutten en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2019.