Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:2877

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
17/3393, 18/144, 18/715 en 18/2602
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hotel IJzeren Man Vught.

Deze vier zaken hangen samen met de wens van eisers om een hotel te bouwen op de projectlocatie vlakbij de waterplas “De IJzeren Man” in Vught. De zaken draaien allemaal om dezelfde vraag: mag B&W van Vught (verweerder) weigeren om hier aan mee te werken? Eisers willen een hotel realiseren op een perceel met een horecabestemming die helemaal is omringd met een natuurbestemming. Op deze natuurbestemming is autoverkeer niet toegestaan. Het moet er voor worden gehouden dat de gemeenteraad van Vught op dit moment nog steeds vindt dat horeca op de projectlocatie mogelijk is. Anders had de gemeenteraad de horecabestemming eraf moeten halen. Dat is tot op heden nog niet gebeurd. Eisers merken terecht op dat zij niets hebben aan een horecabestemming waarop een hotel mag worden gebouwd, als je dit hotel niet met een auto kunt bereiken. Verweerder is in het bestreden besluit hier niet op ingegaan. Verweerder heeft ook de gevolgen voor de verkeersveiligheid van een aparte uitrit op de Boslaan niet goed onderzocht in reactie op een advies over de verkeersveiligheid van eisers. Daarom is ook de weigering van de omgevingsvergunning voor bouwen onvoldoende gemotiveerd. Dat wil nog niet zeggen dat het hotel er gaat komen. Het gaat de rechtbank te ver om in deze zaak zelf hiervoor toestemming te verlenen, vooral omdat het voor de rechtbank nog onduidelijk is of de gevolgen voor de verkeersveiligheid van een uitrit op de Boslaan (on)aanvaardbaar zijn. De behandeling van deze zaken heeft al lang genoeg geduurd. Verweerder moet binnen 12 weken een nieuw besluit nemen over de uitrit en mag pas daarna beslissen over de omgevingsvergunning voor de bouw van het hotel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2020/39
JNA 2019/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/3393, SHE 18/144, SHE 18/715 en SHE 18/2602

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2019 in de zaken tussen

[eisers] , in hun hoedanigheid als curatoren in het faillissement van [persoon A] , eisers

(gemachtigde: mr. B. de Haan),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught, verweerder

(gemachtigden: mr. F.A. Pommer, mr. R.P. Randewijk en J.M.C van Vliet).

Als derde-partij heeft deelgenomen aan het geding de gemeenteraad van de gemeente Vught (de gemeenteraad), (gemachtigden: mr. F.A. Pommer, mr. R.P. Randewijk en J.M.C van Vliet).

Procesverloop

In het besluit van 13 februari 2017 heeft verweerder geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een hotel aan [de projectlocatie] (de projectlocatie). Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. In het besluit van 6 november 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Dat beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer SHE 17/3393.

In een besluit van 6 november 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder geweigerd een verkeersbesluit te nemen en het verzoek van eisers om de geslotenverklaring voor automobilisten te verplaatsen waardoor automobilisten het perceel en daarmee de parkeerplaatsen kunnen bereiken afgewezen. Eisers hebben tegen het bestreden besluit 2 met instemming van verweerder rechtstreeks beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/144.

In een besluit van 21 februari 2017 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van een uitrit op het perceel. Eisers hebben tegen het bestreden besluit 3 met instemming van verweerder rechtstreeks beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/715.

Voor de zitting heeft verweerder nog een verklaring van geen bedenkingen toegezonden aan eisers en de rechtbank. Die verklaring ontbrak bij het bestreden besluit 3. Eisers hebben hier voor de zitting nog op gereageerd.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 15 mei 2018. Eisers en hun gemachtigde zijn gekomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na de zitting zijn de zaken aangehouden.

In een besluit van 20 september 2018 (het bestreden besluit 4) heeft verweerder geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. Eisers hebben hier beroep tegen ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/2602.

De rechtbank heeft de vier zaken gevoegd. In de vierde zaak is pas op 13 februari 2019 een verweerschrift ingediend. Eisers hebben hierop gereageerd. Partijen hebben uiteindelijk toestemming verleend om de vier zaken af te doen zonder nadere zitting. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.1

Deze vier zaken hangen samen met de wens van eisers om een hotel te bouwen op [de projectlocatie] vlakbij de waterplas “De IJzeren Man” in Vught. De rechtbank heeft de zaken gevoegd omdat ze allemaal draaien om dezelfde vraag: mag verweerder weigeren om mee te werken aan het vervullen van de wens van eisers?

1.2

In deze uitspraak worden eerst wat feiten op een rij gezet. Daarna worden de beroepsgronden tegen de bestreden besluiten één voor één behandeld. De wettelijke bepalingen die in de uitspraak worden genoemd, staan zoveel mogelijk in een bijlage bij deze uitspraak.

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

 In een grijs verleden stond er op [de projectlocatie] een hotel. Dat is afgebrand. In het geldende bestemmingsplan “De IJzeren Man” heeft het perceel nog steeds een horecabestemming in het bestemmingsplan “Buitengebied 2011”. De gemeenteraad heeft ervoor gekozen om de gronden rond deze horecabestemming te bestemmen als “natuur” (zie de uitsnede van de planverbeelding van het Bestemmingsplan “Buitengebied 2011”. .

 Het perceel ligt vlakbij de Boulevard, een weg aan de zuidzijde van deze waterplas die uitkomt op de Boslaan. De Boulevard is niet vrij toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. Dat is bepaald in een verkeersbesluit van 30 maart 1993. De Boulevard heeft in het bestemmingsplan “Buitengebied 2011” ook de bestemming “natuur". Er staan paaltjes om te voorkomen dat auto’s het pad oprijden. Twee bewoners van woningen aan de zuidkant van de waterplas hebben een sleutel om (als zij dat willen) een paal te verwijderen om bij hun huis te komen.

 Eerder heeft [persoon A] , de eigenaar van [de projectlocatie] , bij verweerder een aanvraag ingediend voor de bouw van een (ander) hotel. Op 28 juli 2005 heeft verweerder daarvoor aanvankelijk een bouwvergunning verleend. Uiteindelijk heeft verweerder die bouwvergunning geweigerd wegens strijd met de gemeentelijke bouwverordening. In die bouwverordening was (en is nog steeds) bepaald dat er een geschikte verbindingsweg tussen de openbare weg en de toegang van het hotel aanwezig moet zijn. De weigering is na lang procederen uiteindelijk bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).1Op 28 oktober 2015 is [persoon A] door deze rechtbank failliet verklaard. Eisers zijn curatoren in het faillissement en zien nog steeds heil in het realiseren van een hotel op de locatie. Op 21 december 2016 hebben zij daarom bij verweerder een aanvraag ingediend voor het bouwen van een kleiner hotel op dezelfde locatie.

 Eisers hebben verweerder op 16 augustus 2017 verzocht om een verkeersbesluit te nemen. Dat heeft geleid tot het bestreden besluit 2. Verweerder wilde dit niet doen.

 Eisers hebben op 21 februari 2016 om een vergunning voor een uitweg naast de Boulevard op de Boslaan gevraagd. De uitweg is in strijd met de bestemming die op een deel van de gronden ligt, en daarom hebben eisers ook gevraagd om af te wijken van het bestemmingsplan. Dat heeft geleid tot bestreden besluit 3.

 Op 11 januari 2018 hebben eisers verzocht om een omgevingsvergunning voor gebruik van de Boulevard in afwijking van de daarop rustende bestemming ‘Natuur’. Dat heeft geleid tot bestreden besluit 4.

 Eisers hebben ook langs civielrechtelijke weg in kort geding geprobeerd een noodweg te krijgen. Nadat verweerder het bestreden besluit 3 had genomen, heeft de civiele voorzieningenrechter in een vonnis van 3 april 2018 deze vordering afgewezen omdat eisers geen spoedeisend belang zouden hebben.

Bespreking van de beroepsgronden in zaak SHE 17/3393, weigering omgevingsvergunning ‘bouwen’ voor het hotel

3.1

Eisers beschouwen de Boulevardweg als een openbare weg als bedoeld in artikel 6.37, eerste lid, van het Bouwbesluit en stellen dat het bouwplan daarmee voldoet aan dat artikel. Eisers wijzen erop dat de weg wordt gebruikt als fietspad en is verbonden met de overige wegen. Het is niet alleen maar een ontsluitingsweg voor de waterplas de IJzeren Man. Ook al is de Boulevard afgesloten voor auto’s, de weg is nog steeds openbaar. Verweerder legt bovendien artikel 6.37 van het Bouwbesluit verkeerd uit.

3.2

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit 1 op het standpunt dat de Boulevard geen openbare weg is in de zin van artikel 6.37 van het Bouwbesluit. Verweerder is hierbij afgeweken van het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie. In het advies van de bezwaarschriftencommissie staat dat ‘het niet op voorhand is uitgesloten dat verweerder, met inachtneming van alle relevante belangen, een verkeersbesluit neemt om de Boulevard open te stellen voor bestemmingsverkeer richting de horecagelegenheid’.

3.3

Is de Boulevard een openbare weg? De rechtbank vindt van wel. Het is een weg die deel uitmaakt van een netwerk van wegen rond de IJzeren Man. De weg is openbaar want iedereen mag er gebruik van maken. Er is een verbod voor gemotoriseerd verkeer en er rust een bestemming ‘natuur’ op, maar wil niet zeggen dat de Boulevard geen openbare weg is. Deze bestemming laat de aanleg van een fietspad toe. Een fietspad is een openbare weg. Dit past in de rechtspraak van de Afdeling die het begrip openbare weg als volgt uitlegt: “De Wegenwet heeft naar het oordeel van de Afdeling betrekking op verkeersbanen die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het openbare verkeer en die derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen.”2 Het maakt niet uit of de openbare weg slechts door een deel van het openbaar verkeer (in dit geval fietsers en voetgangers) mag worden gebruikt.

3.4

De vervolgvraag is of de Boulevard wel geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpdiensten. Geen onbelangrijke vraag want de brandweer zal het perceel moeten bereiken als er brand uitbreekt. Dit is een eis die wordt gesteld in artikel 6.35 van het Bouwbesluit 2012.

3.5

Verweerder is van mening dat het begrip ‘openbare weg’ in het Bouwbesluit 2012 wat anders betekent dan in de Wegenwet. Verweerder zoekt aansluiting bij eisen die aan de geschiktheid van een verbindingsweg worden gesteld in artikel 6.37, derde lid van het Bouwbesluit 2012. Verweerder vindt dat alleen die wegen die voldoen aan de eisen die in artikel 6.37, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 aan een verbindingsweg worden gesteld, als ‘openbare weg’ kunnen worden beschouwd . Volgens verweerder voldoet de Boulevard niet aan de eisen die aan een verbindingsweg worden gesteld. Ook verwijst verweerder naar een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage.3

3.6

De rechtbank deelt het standpunt van verweerder niet. Artikel 6.37 van het Bouwbesluit verplicht eisers tot de aanleg van een goede verbindingsweg van [de projectlocatie] naar de Boulevard. Verweerder kan hierop controleren en kan rechtstreeks op basis van het Bouwbesluit 2012 optreden als de door eisers gemaakte verbindingsweg niet voldoet aan de eisen in artikel 6.37, derde lid, van het Bouwbesluit. Dit artikel stelt echter geen eisen aan de openbare weg zelf. Evenmin is er aanleiding voor een andere uitleg van het begrip “openbare weg”. In artikel 6.37, eerste lid, van het Bouwbesluit wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de openbare weg en de verbindingsweg, Artikel 6.37 is een bepaling die is gericht op de bereikbaarheid van percelen voor de brandweer en de hulpdiensten. De verbindingsweg moet met andere woorden geschikt zijn voor deze diensten om de plaats van de calamiteit te bereiken. Daarvoor is het niet nodig dat de verbindingsweg openbaar is, maar alleen dat de verbindingsweg fysiek zich leent voor de hulpdiensten om de calamiteit te bereiken. De verwijzing naar de uitspraak van de (civiele) rechtbank ’s-Gravenhage kan verweerder evenmin helpen. De brug in kwestie was een verbindingsweg maar geen openbare weg. Daarnaast betwijfelt de rechtbank of de Boulevard zo ongeschikt is voor de brandweer of hulpdiensten. Op de zitting hebben eisers gezegd (en heeft verweerder niet bestreden) dat de Boulevard is gebruikt door hulpdiensten in verband met het redden van drenkelingen uit de IJzeren Man. De Boulevard dient bovendien als ontsluitingsweg voor twee woningen verderop. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de brandweer zich zal storen aan het paaltje op de Boulevard bij een calamiteit. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning voor bouwen niet kon weigeren wegens strijd met artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012.

4.1

Eisers wijzen er - in navolging van de bezwaarschriftencommissie - op dat het bouwplan voorziet in een opstelplaats voor brandweerwagens op de Boulevard en een bluswatervoorziening op eigen terrein en dat wordt voldaan aan artikel 6.38 van het Bouwbesluit.

4.2

Verweerder vindt dat het bouwplan in strijd is met artikel 6.38 van het Bouwbesluit. Volgens hem is er geen goede opstelplaats voor brandweervoertuigen aanwezig.

4.3

De rechtbank leest in artikel 6.38 van het Bouwbesluit niet dat de opstelplaatsen voor brandweerwagens bereikbaar moeten zijn via een weg die voldoet aan alle eisen in artikel 6.37, derde lid. Er kunnen brandweerwagens rijden over de Boulevard en eisers merken terecht op dat de wagens op de Boulevard kunnen staan. Bovendien is er genoeg ruimte op het perceel zelf. De rechtbank ziet evenmin in waarom vanuit deze opstelplaats de bluswatervoorziening op [de projectlocatie] niet bereikbaar zou zijn. Verweerder heeft het verder in zijn macht om ervoor te zorgen dat de opstelplaats beter bereikbaar is. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning voor bouwen niet kon weigeren wegens strijd met artikel 6.38 van het Bouwbesluit 2012.

5.1

Verweerder stelt zich conform het advies van de commissie op het standpunt dat strijd is met artikel 2.5.30 van het Bouwverordening, omdat de voorziene parkeerplaatsen niet bereikbaar zouden zijn, dit – kort gezegd – omdat de ontsluitingsweg naar de Boslaan niet gerealiseerd is. De Boulevard is gesloten voor verkeer uitgezonderd fietsen en bromfietsen.

5.2

Eisers betwisten dat de parkeerplaatsen niet bereikbaar zijn. De parkeerplaatsen zouden bereikbaar kunnen zijn door middel van de Boulevard of door middel van een uitweg op de Boslaan. De Boulevard is echter gesloten voor verkeer, uitgezonderd fietsen en bromfietsen. Hiertoe zou verweerder een omgevingsvergunning moeten verlenen voor de uitweg, dan wel een omgevingsvergunning moeten verlenen voor het gebruik van het pad op de Boulevard in combinatie met een verkeersbesluit. Het verkeersbesluit is maar een juridische belemmering die de bereikbaarheid van de parkeerplaatsen niet in de weg kan staan. Eisers vinden dat verweerder mee moet werken aan ontsluiting van het perceel. Eisers hebben in alle zaken nog opgemerkt dat zij vermoeden dat de bestemming ‘natuur’ om de gronden rondom de projectlocatie in het bestemmingsplan “Buitengebied 2011” slechts is gelegd om bij recht toegelaten gebruiks- en bouwmogelijkheden te dwarsbomen. Eisers zijn van mening dat de natuurbestemming buiten toepassing zou moeten worden gelaten. In dat geval zou de aanleg van de uitrit niet in strijd zijn met het bestemmingsplan en zijn de parkeerplaatsen bereikbaar.

5.3

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De parkeerplaatsen liggen op [de projectlocatie] en zijn niet bereikbaar via de Boulevard of door middel van een uitweg via de Boslaan. Dat komt door het verbod voor gemotoriseerd verkeer op de Boulevard dat wordt geëffectueerd door middel van een paal. Dit is niet zomaar een juridische belemmering. Door de paal kan er feitelijk geen auto bij [de projectlocatie] komen. Bovendien is het evident dat gebruik van de Boulevard met auto’s niet is toegestaan. De parkeerplaatsen zijn ook niet bereikbaar via de Boslaan want er is geen uitweg op de Boslaan vanaf de projectlocatie. Weliswaar zou een uitweg op de Boslaan kunnen worden aangelegd, maar het gebruik van deze uitrit voor gemotoriseerd verkeer is in strijd met de bestemming ‘natuur’ in het bestemmingsplan “Buitengebied 2011”. Het gaat de rechtbank te ver om aan te nemen dat de bestemming ‘natuur’ slechts is gelegd op de omringende gronden om de belangen van de eigenaar van de projectlocatie te dwarsbomen. De rechtbank ziet geen reden om deze bestemming buiten toepassing te laten. Toen het bestreden besluit 1 werd genomen, mocht verweerder de vergunning weigeren wegens strijd met artikel 6.5.2.30 van de Bouwverordening.

5.4

De rechtbank plaatst hier echter wel een kanttekening bij. De bereikbaarheid van de parkeerplaatsen via de Boulevard of door middel van een uitweg via de Boslaan, is de inzet van de procedures SHE 18/144, SHE 18/715 en SHE 18/2602. Verweerder heeft ervoor gekozen om de besluitvorming in deze procedures te scheiden van de besluitvorming rond de omgevingsvergunning voor het bouwen van het hotel. De rechtbank heeft de procedures echter gevoegd. Hieronder zal de rechtbank de overige procedures bespreken en vervolgens bezien of dit aanleiding is om in de zaak SHE 17/3393 tot een ander oordeel te komen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eisers hebben verzocht om aanpassing van het verkeersbesluit alsmede een aanvraag hebben ingediend voor het gebruik van een uitrit in strijd met het bestemmingsplan, voordat het bestreden besluit werd genomen.

Bespreking van de beroepsgronden in de zaak SHE 18/144, weigering verkeersbesluit (bestreden besluit 2) en de beroepsgronden in de zaak SHE 18/2602, weigeren omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van de bestemming ‘Natuur’(bestreden besluit 4)

6.1

Verweerder weigert het verkeersbesluit uit 1993 te wijzigen en de Boulevard open te stellen voor gemotoriseerd verkeer. Verweerder heeft dat verkeersbesluit destijds genomen omdat het gebied rond de “IJzeren Man” intensief werd gebruikt voor het parkeren van auto’s met een aantasting van de natuur als gevolg. Bovendien was dit autoverkeer gevaarlijk voor fietsers en voetgangers. Overigens zou het gebruik van de Boulevard voor auto’s in strijd zijn met het bestemmingsplan Buitengebied 2011, op grond waarvan de Boulevard uitsluitend gebruikt mag worden als voet- en rijwielpad, maar niet voor autoverkeer.

6.2

Verder weigert verweerder vergunning te verlenen voor het afwijkend gebruik van de op de Boulevard rustende bestemming “Natuur” omdat de gemeenteraad van Vught heeft geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Volgens de gemeenteraad verhoudt het gebruik door gemotoriseerd verkeer zich niet met de aanwezige natuurwaarden en de verkeersveiligheid van de overige gebruikers van de Boulevard. De gemeenteraad beschouwt een toename van 201 motorvoertuigbewegingen per etmaal niet als gering maar substantieel en wijst op de bestaande grote verkeersdrukte in het seizoen op de Boslaan. Hierdoor zou het fietsverkeer op de Boulevard kunnen worden geconfronteerd met wachtende auto’s. De aanwezige natuurwaarden kunnen worden aangetast door de uitstoot van uitlaatgassen. De raad ziet ook een kans op wildparkeren. In het verweerschrift van 13 februari 2019 verwijst verweerder nog naar een advies dat hij nog heeft ingewonnen van Exante en dat als bijlage bij dat verweerschrift is gevoegd. Ofschoon Exante in het advies de hoeveelheid verkeer niet bestrijdt, vraagt Exante wel aandacht voor het risico op meer verkeer tijdens het hoogseizoen.

6.3

Eisers benadrukken dat zij slechts verzoeken om het openstellen voor gemotoriseerd verkeer voor een klein deel, namelijk van de Boslaan tot de verbindingsweg met de projectlocatie. Het grootste deel van de Boulevard (één kilometer lang) blijft gesloten voor gemotoriseerd verkeer. Bezoekers van de horecagelegenheid zullen immers parkeren bij het hotel. Eisers verwijzen naar het verkeersadvies van Loendersloot op dit punt, waarin ook gewezen wordt op de mogelijkheid van een parkeerverbod zoals dat er nu al is op de Boslaan. Parkeren zal dus ook niet leiden tot verkeersonveilige situaties. De instandhouding en bruikbaarheid van de Boulevard is niet geschaad en van een belemmering van de vrijheid van het verkeer is geen sprake. Verder blijkt uit het door eisers ingewonnen advies van Loendersloot dat de verkeersgeneratie die het hotel oplevert (201 motorvoertuigen per etmaal) niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het aanwezige fietspad zal verder niet worden verbreed zodat er ook geen sprake is van aantasting van bestaande natuurwaarden. Eisers merken in dit verband ook op dat verweerder niet heeft beschreven wat die bestaande natuurwaarden zijn en vragen zich ook af of deze natuurwaarden niet reeds worden aangetast door het huidige drukke verkeer op de Boulevard en de Boslaan.

6.4

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bestemmingsverkeer van en naar het hotel 201 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. In de huidige situatie zijn er 12 motorvoertuigbewegingen per etmaal op de Boulevard gelet op de woningen aan de zuidzijde van de “IJzeren Man”. Eisers verzoeken niet meer dan het openstellen van de Boulevard voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer voor een beperkt deel (35 meter vanaf de Boslaan).

6.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van natuurwaarden. Er vindt geen verdere verharding plaats. De gevolgen van de toename van verkeer op de weg voor de aanwezige natuur zijn, gelet op het aantal berekende voertuigbewegingen, zeer beperkt. Eisers merken op dat onduidelijk is wat de bestaande natuurwaarden zijn. Dat vraagt de rechtbank zich ook af. De enkele aanwijzing van het gebied als “groenblauwe mantel” zegt niets over de aanwezige natuurwaarden respectievelijk de staat van deze natuurwaarden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder zelf stelt dat er al veel wandel- en fietsverkeer op de Boulevard is. Verweerder moet weliswaar worden toegegeven dat de toename van het verkeer op het stukje de ontwikkeling van natuurwaarden niet ten goede zal komen. De rechtbank vindt echter dat verweerder meer onderzoek had moeten doen naar de bestaande natuurwaarden en de staat daarvan. Zonder dit onderzoek kan verweerder ook geen conclusies trekken of een belangenafweging maken over de vraag of door de toename van het verkeer op de weg de aanwezige waarden worden aangetast of niet verder kunnen worden ontwikkeld.

6.6

Op de zitting is besproken dat het eenvoudig is om het parkeren van auto’s van derden (niet-bezoekers) in de berm van de Boulevard te voorkomen, namelijk door het plaatsen van palen langs het stukje weg in combinatie met een parkeerverbod. Exact dezelfde methode wordt toegepast om parkeren langs de Boslaan te voorkomen. Hierdoor blijft de Boulevard zelf gevrijwaard van geparkeerde auto’s en kan er ook niet in de berm worden geparkeerd. Verweerder heeft onvoldoende weerlegd dat door middel van een eenvoudige ingreep parkeeroverlast kan worden voorkomen. Overigens wordt in het advies van Exante ook aangeraden om maatregelen te treffen tegen parkeeroverlast op de Boulevard. De rechtbank leest in het advies van Exante niet dat het onmogelijk is om deze maatregelen te treffen. In dat geval blijft het gemotoriseerd verkeer op de Boulevard beperkt tot de auto’s van de bezoekers en leveranciers van het hotel op de projectlocatie en kan er niet worden geparkeerd langs de Boulevard. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet heeft onderbouwd dat het nemen van het verkeersbesluit respectievelijk het verlenen van de omgevingsvergunning zou leiden tot een toename van parkeeroverlast in het gebied.

6.7

De vervolgvraag is of de toename van het gemotoriseerd verkeer op de Boulevard een gevaar voor de verkeersveiligheid van de overige gebruikers van de Boulevard oplevert. Verweerder heeft slechts in algemene bewoordingen gesteld dat deze motorvoertuigbewegingen gevaarlijk zijn voor fietsers en voetgangers. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat het toelaten van gemotoriseerd verkeer door het jaar heen op het stukje Boulevard een ontoelaatbaar risico voor de verkeersveiligheid oplevert. Dit volgt ook niet uit het advies van Exante. Verweerder vraagt echter ook aandacht voor de verkeersveiligheid tijdens het hoogseizoen, bij warme dagen als er veel mensen lopen of fietsen naar en van de IJzeren Man. Op die dagen is er veel verkeer op de aansluitende Boslaan en veel wandel- en fietsverkeer op de Boulevard. Eisers merken weliswaar op dat verweerder dit niet met cijfers heeft onderbouwd, maar de rechtbank acht het bestaan van veel verkeer in het hoogseizoen niet onaannemelijk. Het wordt door eisers in ieder geval niet ontkend. Zij gebruiken het drukke verkeer in het hoogseizoen zelfs als argument in de discussie rond de aantasting van aanwezige natuurwaarden. Dit reeds aanwezige verkeer in het hoogseizoen zou ertoe kunnen leiden dat het gemotoriseerd verkeer van en naar het hotel moeilijk de Boslaan kan verlaten respectievelijk oprijden en dat het op de laatste 35 meter van de Boulevard voor de Boslaan wel erg druk kan worden. Dit wordt benadrukt in het onderzoek van Exante. Exante concludeert: ”Echter geeft de praktijk in dit gebied een ander beeld. In het hoogseizoen is het in deze omgeving dusdanig druk dat je je kan afvragen hoe een extra ontwikkeling met verkeer aantrekkende functie zich verhoudt tot de bestaande verkeerssituatie gezien vanuit het oogpunt van doorstroming en verkeersveiligheid. Deze ontwikkeling zal daar dan zeker geen positieve bijdrage in leveren. Dit maakt dat deze ontwikkeling hier niet wenselijk is.”

Deze conclusie wordt door eisers niet betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de conclusie. Eisers vinden dat een bestaande verkeersproblematiek buiten beschouwing zou moeten worden gelaten (op dezelfde wijze als een bestaand tekort aan parkeerplaatsen) maar de rechtbank ziet dit anders. Weliswaar dient verweerder op grondslag van de aanvraag te beslissen en is het bestaande verkeersprobleem niet aan eisers te wijten, maar verweerder dient bij de beslissing wel te beoordelen wat de verkeersproblematiek als hij vergunningen zou verlenen. De argumenten van eisers zijn geen reden om door meer verkeer toe te staan, de risico’s voor de verkeersveiligheid te laten toenemen. Gelet op de conclusie in het rapport van Exante hebben verweerder en de gemeenteraad zich op het standpunt kunnen stellen dat het gevaar voor de verkeersveiligheid zodanig groot is dat hierin aanleiding bestaat het gevraagde verkeersbesluit niet te nemen respectievelijk de omgevingsvergunning niet te verlenen.

6.8

De rechtbank concludeert dat de beroepen van eisers tegen de weigering om een verkeersbesluit te nemen en tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ongegrond zijn.

Bespreking van de beroepsgronden in de zaak SHE 18/715, weigering omgevingsvergunning ‘afwijking van het bestemmingsplan’ voor het realiseren van een uitrit op het perceel (bestreden besluit 3)

7. Verweerder weigert vergunning te verlenen voor het afwijkend gebruik van het bestemmingsplan in verband met het realiseren van een uitrit op het perceel naar de Boslaan omdat de gemeenteraad van Vught heeft geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Volgens verweerder verdraagt de aanleg van een verbindingsweg zich niet met de te beschermen natuur- en ecologische waarden en de instandhouding van de natuurlijke landschappelijke waarden. De aanleg is verder in strijd met de Verordening Ruimte omdat het gebied is gelegen in de Groenblauwe mantel en binnen de aanduiding Cultuurhistorisch vlak. Ook komt de verkeersveiligheid in geding.

8.1

Eisers klagen in de eerste plaats erover dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op de door hen ingediende zienswijzen op het voornemen tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning.

8.2

Verweerder heeft erkend dat bij het bestreden besluit de reactie op de door eisers ingediende zienswijzen niet is bijgevoegd. Verweerder heeft dit gebrek hersteld door de reactie alsnog aan eisers toe te zenden. Eisers hebben hierop voldoende kunnen reageren voorafgaand aan de behandeling van de beroepen op de zitting van 15 mei 2018. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers door het gebrek niet in hun belangen zijn geschaad en zal het gebrek daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

9.1

Volgens eisers is het aangevraagde gebruik in strijd met het bestemmingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot de mogelijke aantasting van natuurwaarden merken zij op dat in de bestaande bestemming verhardingen reeds zijn toegelaten alsmede het gebruik van deze verhardingen door voetgangers en fietsers. Het gaat uiteindelijk om de verharding van 149 m² grond. Deze verharding ligt vlakbij de Boulevard zodat slechts sprake is van een minimale versnippering van natuur. Er hoeven maar 7 bomen te wijken voor de verharding en dit wordt elders op het perceel gecompenseerd. Eisers stellen verder dat geen sprake is van strijd met de regels in de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant (VrNB) nu deze regels niet voorzien in een absoluut verbod. Het gaat om de vraag of de ontwikkeling zorgvuldig wordt ingepast en dat is volgens eisers het geval, zeker nu de kap van 7 bomen wordt gecompenseerd. Bovendien vindt de ontsluiting plaats op gronden die in de structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 zijn aangewezen als ‘stedelijk concentratiegebied’.

9.2

Verweerder meent dat de aanwezige ecologische- en natuurwaarden moeten worden behouden. Volgens verweerder staat het aanbrengen van de verharding haaks op het behoud, herstel of ontwikkeling van het nabijgelegen watersysteem en de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden. Volgens verweerder wordt in de ruimtelijke onderbouwing van eisers voorbijgegaan aan het intensieve gebruik van de uitweg en het risico dat de uitweg wordt gebruikt als parkeerplaats door recreanten van de IJzeren Man. Volgens verweerder is de aanvraag in strijd met de VrNB omdat het gebied is gelegen in de ‘Groenblauwe mantel en binnen de aanduiding ‘cultuurhistorisch vlak’. Verweerder stelt ook in dit verband dat de gebieden in de ‘Groenblauwe Mantel’ zijn bedoeld voor het behoud, herstel of ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van deze gebieden alsmede de cultuurhistorische waarden en dat de gevraagde ontwikkeling hier haaks op staat en dat de VrNB niet voorziet in de aanleg van wegen.

9.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door slechts in algemene zin te verwijzen naar de bestaande ecologische waarden en natuurwaarden, onvoldoende heeft onderbouwd welke waarden nu daadwerkelijk aanwezig zijn. Zonder dit onderzoek kan verweerder ook geen conclusies trekken of een belangenafweging maken over de vraag of door de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning de aanwezige waarden worden aangetast of niet verder kunnen worden ontwikkeld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het verharden ten behoeve van fiets- of voetpaden in het bestemmingsplan rechtstreeks is toegelaten en dat hier geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo voor is vereist. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de gemeenteraad niet iedere verharding als een aantasting van de aanwezige natuurwaarden beschouwt. Verweerder merkt weliswaar op dat iedere aanvraag op de eigen merites moet worden beoordeeld, maar verliest hierbij uit het oog dat slechts wordt afgeweken van het bestemmingsplan voor wat betreft het toelaten van gemotoriseerd verkeer op de betreffende uitrit. Verweerder veronderstelt dat het gaat om intensief verkeer op de uitrit, maar heeft niet bestreden dat het hier gaat om 201 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Verweerder wijst in dit verband ook nog op de parkeeroverlast van recreanten. Het is de rechtbank niet duidelijk welke parkeeroverlast dat dan zou moeten zijn, omdat de uitrit grotendeels wordt aangelegd op het terrein van het hotel.

9.4

Verweerder lijkt vooral te benadrukken dat de bestaande ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden moeten worden beschermd. De rechtbank begrijpt deze wens, omdat dit ook met zoveel woorden voortvloeit uit de provinciale regelgeving. De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat de VrNB van toepassing was toen het bestreden besluit werd genomen. Dat is de geldende provinciale regelgeving. In gevolge artikel 6.1 van de VrNB moet het bestreden besluit strekken tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ingevolge artikel 6.12, derde lid van de VrNB moet bij de uitbreiding van een bestaand horecabedrijf artikel 6.10, derde lid, van de VrNB in acht worden genomen. Hier is sprake van de uitbreiding van een bestaand horecabedrijf omdat de aanvraag voorziet in een uitrit voor gemotoriseerd verkeer bij een positief bestemd horecabedrijf. Ingevolge artikel 6.10, derde lid van de VrNB kan een bestemmingsplan (of een besluit over de afwijking van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onder a sub 3 van de Wabo) voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie. Dan moet de toelichting op dit besluit wel een verantwoording bevatten waaruit blijkt dat de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen. Ook moet worden gekeken naar artikel 4.6, tweede lid van de VrNB. De ontwikkeling moet gepaard gaan met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Tot slot moet de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. De rechtbank is overigens van oordeel dat niet hoeft te worden getoetst aan artikel 6.17 van de VrNB (over wegen in de Groen-Blauwe mantel) omdat het hier niet om een weg gaat maar om uitrit voor gemotoriseerd verkeer.

9.5

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit op deze onderdelen onvoldoende is onderbouwd.

9.6

De ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag bevat een onderbouwing van een toets aan de voorganger van de VrNB. De Verordening Ruimte 2014 verschilt op dit onderdeel inhoudelijk nauwelijks van de VrNB. In de ruimtelijke onderbouwing wordt verdedigd dat de inrit niet leidt tot een aantasting van de beschermde waarden. In de ruimtelijke onderbouwing is ook een uitgebreide toetsing aan natuurwetgeving opgenomen en een waterparagraaf. De rechtbank stelt wel vast dat in de onderbouwing niet wordt onderbouwd welke positieve bijdrage de uitrit gaat leveren op de beschermde waarden. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek wordt ondervangen doordat aan de aanvraag een schets is gehecht waarop compenserende maatregelen worden geschetst. Verweerder is niet inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag of (als hij dat nodig vond) te vragen om meer compenserende maatregelen. Verweerder heeft evenmin getoetst aan het hierboven geschetste toetsingskader maar slechts in algemene bewoordingen gesteld dat niet wordt voldaan aan de VrNB. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet is gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder kan zich daarom niet op het standpunt stellen dat de aanvraag in strijd is met de VrNB.

10.1

Eisers stellen dat uit het advies van de Loendersloot blijkt dat de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt. Bovendien kan de ontsluiting verkeersveilig worden aangelegd en is deze inpasbaar in het project ‘herinrichting Loonsebaan’. Zij merken op dat verweerder niet op deze stelling is ingegaan in het bestreden besluit.

10.2

Volgens verweerder blijkt uit het advies van de Loendersloot niet dat de aangevraagde uitrit is onderzocht. Verder is het gevolg van de uitrit op het drukke verkeer tijdens een dag in het hoogseizoen onderschat en vreest verweerder dat een schuine inrit op de Boslaan, die zou staan op een tekening bij de aanvraag, de overzichtelijkheid ter plaatse negatief beïnvloedt waardoor de veiligheid van het verkeer niet kan worden gegarandeerd.

10.3

De rechtbank stelt vast dat aan de aanvraag een tekening is gehecht met een uitrit die haaks op de Boslaan uitkomt. Verder worden in het advies van Loendersloot drie varianten beschreven waarbij de tweede en de derde variant voorzien in aparte uitritten op de Boslaan. In het advies van Loendersloot wordt de voorkeur uitgesproken voor het gebruik van de Boulevard als fietsstraat. De tweede variant sluit aan bij de tekening bij de aanvraag. Hierover wordt opgemerkt dat niet direct duidelijk is wie aan wie voorrang moet verlenen maar in het advies wordt een voorstel gedaan om dit probleem op te lossen. Ook voor de derde variant is een voorstel gedaan. De rechtbank kan verweerders vrees voor een schuine inrit op de Boslaan niet plaatsen. Ook de opmerking van verweerder dat de aangevraagde uitrit niet is onderzocht in het advies van Loendersloot snapt de rechtbank niet. Dat is namelijk wel gebeurd. Het advies van Loendersloot gaat niet in op de gevolgen van een uitrit op de Boslaan voor de verkeersveiligheid gedurende het hoofdseizoen. Verweerder heeft dit slechts gesteld maar niet onderzocht. Het advies van Exante gaat niet in op de gevolgen voor de verkeersveiligheid van een aparte uitrit. Met een aparte uitrit wordt de combinatie van gemotoriseerd bestemmingsverkeer van en naar het hotel met het fiets- en wandelverkeer op de Boulevard voorkomen. Volgens de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd of de gevraagde omgevingsvergunning zal leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het bestreden besluit niet is bestreden dat het (ook op de inrit) om 201 motorvoertuigbewegingen per etmaal gaat. In het bestreden besluit wordt tot slot niet gemotiveerd waarom eisers oplossing voor de inpasbaarheid van de uitrit in het project ‘herinrichting Loonse Baan’ niet zou deugen. De rechtbank concludeert dat verweerder in het bestreden besluit de gevolgen van het project voor de verkeersveiligheid onvoldoende heeft onderbouwd.

11.1

Eisers benadrukken dat de horecabestemming op het perceel geheel is omringd met de bestemming “natuur” in het bestemmingsplan “Buitengebied 2011”. Het benutten van de horecabestemming (die overigens niet in het plangebied van het bestemmingsplan “Buitengebied 2011” ligt), is onmogelijk als verweerder categorisch iedere medewerking weigert aan het ontsluiten van het perceel.

11.2

Verweerder meent dat hij niet gehouden is om medewerking te verlenen aan een project dat in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

11.3

Als het project in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening, dan kan verweerder geen vergunning verlenen. Een dergelijk besluit zou in strijd zijn met artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Verweerder heeft echter onvoldoende onderbouwd dat het project op deze locatie zonder meer in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van belang dat de horecabestemming die deels van toepassing is op de projectlocatie door de gemeenteraad is gehandhaafd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de gemeenteraad op dit moment nog steeds het standpunt huldigt dat horeca op de projectlocatie mogelijk is. Anders had de gemeenteraad de horecabestemming eraf moeten halen. Dat is tot op heden nog niet gebeurd. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat verweerder de belangen van eisers onvoldoende heeft gewogen. Eisers merken terecht op dat zij niets hebben aan een horecabestemming waarop een hotel mag worden gebouwd, als je dit hotel niet met een auto kunt bereiken. Verweerder is in het bestreden besluit hier niet op ingegaan. Evenmin heeft hij overwogen hoe de aanvraag zich verhoudt tot de horecabestemming. Onder deze omstandigheden heeft verweerder echter onvoldoende gemotiveerd waarom hij tot deze belangenafweging is gekomen. Het bestreden besluit 3 is in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Conclusie

12. Het beroep tegen de weigering een verkeersbesluit te nemen is ongegrond. Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor een afwijkend gebruik van de Boulevard is ook ongegrond. Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor een afwijkend gebruik van het bestemmingsplan voor een uitrit op de Boslaan is gegrond. De rechtbank zal dit besluit vernietigen. Deze vernietiging heeft consequenties voor het beroep tegen het bestreden besluit op het bezwaarschrift voor de weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het hotel. Weliswaar zijn de parkeerplaatsen bij het hotel niet bereikbaar, maar verweerder heeft in dat besluit onvoldoende gemotiveerd dat de bereikbaarheid van de parkeerplaatsen niet kan worden bewerkstelligd door de aanleg van een uitrit op de Boslaan, zeker nu deze uitrit is aangevraagd voordat het betreffende bestreden besluit is genomen. Verweerder had de uitkomst van deze aanvraag in het betreffende bestreden besluit moeten betrekken. Daarom is het beroep tegen dat bestreden besluit gegrond en zal de rechtbank ook dat bestreden besluit vernietigen.

13. Verweerder heeft dus niet goed gemotiveerd waarom hij geen medewerking verleend aan het vervullen van de wensen van eisers. Dat wil nog niet zeggen dat het hotel er gaat komen. Het gaat de rechtbank te ver om in deze zaak zelf hiervoor toestemming te verlenen, vooral omdat het voor de rechtbank nog onduidelijk is of de gevolgen voor de verkeersveiligheid van een uitrit op de Boslaan (on)aanvaardbaar zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze procedure verweerder via een bestuurlijke lus in de gelegenheid te stellen de gebreken in beide vernietigde besluiten te herstellen. Ook de gemeenteraad moet wat vinden van een nieuw besluit op de omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik van het bestemmingsplan voor een uitrit op de Boslaan. De rechtbank kan niet overzien hoe lang dat gaat duren en de behandeling van deze zaken heeft al lang genoeg geduurd. Daarom bepaalt de rechtbank het volgende:

14. Verweerder moet een nieuw besluit te nemen op de aanvraag voor afwijkend gebruik van het bestemmingsplan voor een uitrit op de Boslaan. De rechtbank bepaalt dat verweerder hierbij geen toepassing hoeft te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Verweerder moet het bestreden besluit nemen binnen twaalf weken na de datum van deze uitspraak.

Verweerder zal verder een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaarschrift van eisers tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor de bouw van het hotel. Dat besluit mag pas worden genomen nadat verweerder heeft besloten op de aanvraag voor afwijkend gebruik van het bestemmingsplan maar moet uiterlijk binnen zestien weken na de datum van deze uitspraak worden genomen. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat bij het nemen van dit besluit verweerder niet meer kan toetsen aan artikel 2.5.30 van de Bouwverordening omdat dit artikel is vervallen. Verweerder zal moeten toetsen aan de planregels van het bestemmingsplan “Parapluplan parkeren”. Indien verweerder van oordeel is dat niet voldaan kan worden aan deze planregels, zal verweerder ook moeten beslissen of aanleiding bestaat af te wijken van de planregels, ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo.

15. Omdat het beroep, voor zover het is gericht tegen de bestreden besluiten 1 en 3, gegrond is, moet verweerder eisers het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden in de zaken SHE 17/3393 en SHE 18/715. Ook zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op in totaal € 1.536,– voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (twee punten voor het indienen van twee beroepschriften, 1 punt voor het naar de zitting komen).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen bestreden besluit 2 en bestreden besluit 4 ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 3 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 1 en bestreden besluit 3;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen twaalf weken na deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag voor afwijkend gebruik van het bestemmingsplan voor een inrit op de Boslaan met inachtneming van deze uitspraak en dat verweerder hierbij afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing kan laten;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen zestien weken na deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eisers tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor de bouw een hotel, met inachtneming van deze uitspraak en pas nadat verweerder heeft besloten op de aanvraag voor afwijkend gebruik van het bestemmingsplan voor een inrit op de Boslaan;

  • -

    bepaalt dat verweerder eisers het door hen betaalde griffierecht van € 238,– moet vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, tot een bedrag van € 1.536,–.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Lie, en
mr. J. Huijben, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 21 mei 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze einduitspraak en de tussenuitspraak kan, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: Wettelijk kader

Bouwbesluit

Artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012

1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2. Het eerste lid is niet van toepassing:

[…]

- indien de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt, of

- indien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid vereist.

Artikel 6.38, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012

Bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zijn zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

Artikel 6.38, het derde lid van het Bouwbesluit 2012

de afstand tussen een opstelplaats, als bedoeld in het eerste lid, en een brandweeringang van een bouwwerk voor het verblijven van personen is ten hoogste 40 m.

Bouwverordening

Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening van de gemeente Vught luidde als volgt:

Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.

Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;

b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.

3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

In het bestemmingsplan “Buitengebied 2011” heeft de grond waarop de uitrit zich bevindt de bestemming “Natuur”.

In artikel 16.1 van de planregels zijn de op de verbeelding voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuurlijke waarde en/of ecologische waarde;

b. in stand houden en bewaren van de samenhang van het Nationaal Landschap Het Groene Woud;

c. instandhouding van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige, waterhuishoudkundige en/of abiotische waarden;

d. extensieve dagrecreatie;

e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

f. voet- en rijwielpaden.

ter plaatse van de functieaanduiding:

g. 'militair oefenterrein', een militair oefenterrein;

h. 'parkeerterrein', een parkeerterrein;

i. 'specifieke vorm van maatschappelijk - oorlogsgedenkplaats', een oorlogsgedenkplaats.

ter plaatse van de gebiedsaanduiding:

(…)

Verkeersbesluit

Artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw) 1994

De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Artikel 2, tweede lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw) 1994

De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden".

6.12

VrNB Afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen

1. In afwijking van artikel 6.10, eerste lid onder a (niet-agrarische functies), kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel voorzien in een vestiging van een horecabedrijf of van een maatschappelijke voorziening, mits de omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 1,5 hectare bedraagt.

2. Voor een bestaand bedrijf als bedoeld in het eerste lid is artikel 6.10, derde lid (redelijke uitbreiding), overeenkomstig van toepassing

6 10, derde lid VrNB:

In afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, kan een bestemmingsplan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen;

b. overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6, tweede lid (uitbreiding bedrijven in kern landelijk gebied) indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt;

c. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

d. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste

zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

1 Uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1444.

2 Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:BC6035.

3 Uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:5696.