Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:279

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
C/01/328575 / HA ZA 17-823
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Uitleg boetebeding. De rechtbank stelt voorop dat bij het opstellen van een boetebeding moet worden beoogd duidelijkheid te scheppen zodat het voor alle partijen bij de overeenkomst waarin het boetebeding is opgenomen duidelijk is in welk geval er sprake is van een overtreding. Nu het gaat om een overeenkomst die is gesloten tussen twee commerciële partijen uit verschillende landen, komt bij de uitleg van hoe partijen dit hebben moeten begrijpen, mede gelet op het karakter van een boetebeding, belangrijke betekenis toe aan de bewoordingen van deze bepaling.

Zoals overwogen in r.o. 4.4 komt waarde toe aan de letterlijke tekst van de bepaling. Omstandigheden op grond waarvan partijen dit beding anders hadden moeten of mogen begrijpen, zijn niet gesteld. De rechtbank gaat daar dan ook niet van uit. De rechtbank concludeert daarom dat het Wnuk op basis van deze bepaling niet is toegestaan om rechtstreeks (directly) te vervoeren voor de vier grote blikproducenten, meer specifiek: dat Wnuk geen transportopdrachten mag aannemen van één van de vier blikproducenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/328575 / HA ZA 17-823

Vonnis van 23 januari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARGO SERVICE EUROPE B.V.,

gevestigd te Oss,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L.M.P. van Zandvoort te Oss,

tegen

vennootschap naar buitenlands recht

TRANSPORT MIEDZYNARODOWY SPEDYCJA WOJCIECH WNUK,

gevestigd te Klodzko, Polen,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. P.J. de Bruin te Rotterdam.

Partijen zullen hierna CSE en (in mannelijk enkelvoud) Wnuk genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 februari 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 september 2018 en de daarin genoemde stukken

  • -

    de akte van CSE van 10 oktober 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

CSE en Wnuk hebben op 31 maart 2016 een schriftelijke charterovereenkomst ondertekend. Op basis van deze overeenkomst verrichte Wnuk transportwerkzaamheden ten behoeve van CSE. De aanvangsdatum van de overeenkomst was 1 juli 2016, de overeenkomst had een looptijd van ongeveer drie jaar en zou in beginsel eindigen op 30 mei 2019. Op 9 maart 2017 is de samenwerking beëindigd. In de overeenkomst wordt Wnuk aangeduid als “Party 2”.

2.2.

In artikel 7 van de charterovereenkomst staat:

“Party 2 or the carrier commissioned by Party 2 is not allowed to directly conduct transport for individuals or companies, with which it has come into contact during the term of this Agreement or three years afterwards, and that are relationships of CSE. Under penalty of forfeiture, without judicial intervention, of an immediately payable fine of €250.000,- for each violation and €25.000,- for each day the violation continues, without prejudice to the right of CSE to claim compensation.”

2.3.

Tussen CSE en Wnuk is een geschil ontstaan over het al dan niet overtreden van dit artikel door Wnuk. Vanwege de door CSE gestelde overtreding door Wnuk, heeft CSE de betaling van een aantal facturen aan Wnuk opgeschort.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

CSE vordert, na vermeerdering van eis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. een verklaring voor recht dat Wnuk artikel 7 van de charterovereenkomst minimaal zeven keer heeft overtreden;

2. veroordeling van Wnuk tot betaling van (i) de onmiddellijk opeisbare geldboetes van in totaal € 1.750.000,00 – of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de opeisbaarheid en (ii) vergoeding van de geleden schade ten gevolge van de overtredingen van de charterovereenkomst, nader op te maken bij staat, voor zover deze hoger is dan de onder (i) genoemde geldboetes waartoe Wnuk veroordeeld zal zijn, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Wnuk voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.1.

Wnuk vordert, na vermeerdering van eis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. veroordeling van CSE tot betaling van € 420.807,55, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 24 januari 2018 tot de dag van betaling;

2. veroordeling van CSE tot betaling van € 150.000,00, subsidiair veroordeling van CSE om mee te werken aan een schadestaatprocedure indien de vordering niet door de rechtbank kan worden vastgesteld;

3. veroordeling van CSE tot betaling van de rente en kosten waartoe Wnuk in Polen is veroordeeld en zal worden veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van de akte vermeerdering van eis in reconventie van 11 september 2018;

4. een verklaring voor recht dat artikel 7 van de charterovereenkomst onverbindend is dan wel de werking van artikel 7 te schorsen voor een periode die de rechtbank rechtvaardig acht;

en subsidiair:

5. een verklaring van recht dat CSE onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Wnuk en derhalve schadeplichtig is;

6. veroordeling van CSE tot betaling van een bedrag van € 686.769,12 (in verband met de kosten waartoe Wnuk in Polen veroordeeld is en zal worden), vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 24 januari 2018, dan wel een datum die de rechtbank redelijk acht, dan wel veroordeling van CSE tot meewerken aan een schadestaatprocedure indien de vordering niet eenvoudig door de rechtbank kan worden vastgesteld;

veroordeling van CSE in de kosten van de procedure in reconventie te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

CSE voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

4.1.

CSE en Wnuk hebben tot 9 maart 2017 samengewerkt op basis van de charterovereenkomst. CSE stelt dat Wnuk na afloop van de samenwerking ten minste zeven maal artikel 7 van de charterovereenkomst (hierna te noemen: artikel 7) heeft overtreden. De rechtbank overweegt dat het van belang is om eerst vast te stellen wat artikel 7 concreet betekent.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is. Voorts acht de rechtbank zich bevoegd van het geschil kennis te nemen. Ook partijen zijn overigens van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitgegaan.

Betekenis van artikel 7

4.3.

Ter zitting heeft CSE gesteld dat artikel 7 als volgt moet worden uitgelegd: Wnuk mag gedurende een periode van drie jaar na beëindiging van de charterovereenkomst geen transportopdrachten uitvoeren als de opdrachtgever of ontvanger één van de grote vier blikproducenten is. De grote vier blikproducenten zijn Ardagh, Crown, Can-Pack en Ball Beverage.

4.4.

De visie van Wnuk op artikel 7 is anders, namelijk dat Wnuk niet direct voor de vier grote blikproducenten mag vervoeren. Dit houdt in dat Wnuk geen rechtstreeks contact mag hebben met de vier blikproducenten, maar wel hun goederen mag vervoeren. Het was Wnuk niet toegestaan de grote vier blikproducenten te benaderen met de vraag of ze een vracht voor hem hadden of vrachten te rijden voor de betreffende blikproducenten als hij door één van hen daarvoor rechtstreeks zou worden benaderd. Het is Wnuk bijvoorbeeld wel toegestaan om als subcontractor voor een andere opdrachtgever goederen van de grote vier blikproducten te vervoeren, zolang er maar geen direct contact was met de grote vier.

Beoordeling van artikel 7 door de rechtbank

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat bij het opstellen van een boetebeding moet worden beoogd duidelijkheid te scheppen zodat het voor alle partijen bij de overeenkomst waarin het boetebeding is opgenomen duidelijk is in welk geval er sprake is van een overtreding. Nu het gaat om een overeenkomst die is gesloten tussen twee commerciële partijen uit verschillende landen, komt bij de uitleg van hoe partijen dit hebben moeten begrijpen, mede gelet op het karakter van een boetebeding, belangrijke betekenis toe aan de bewoordingen van deze bepaling.

4.6.

CSE en Wnuk verschillen er niet met elkaar over van mening dat met “individuals or companies, with which it has come into contact during the term of this Agreement or three years afterwards, and that are relationships of CSE” de vier grote blikproducenten worden bedoeld. De rechtbank zal hier dan ook van uitgaan.

4.7.

Over de betekenis van “Party 2 or the carrier commissioned by Party 2 is not allowed to directly conduct transport for” is wel discussie tussen partijen. Zoals overwogen in r.o. 4.4 komt waarde toe aan de letterlijke tekst van de bepaling. Omstandigheden op grond waarvan partijen dit beding anders hadden moeten of mogen begrijpen, zijn niet gesteld. De rechtbank gaat daar dan ook niet van uit. De rechtbank concludeert daarom dat het Wnuk op basis van deze bepaling niet is toegestaan om rechtstreeks (directly) te vervoeren voor de vier grote blikproducenten, meer specifiek: dat Wnuk geen transportopdrachten mag aannemen van één van de vier blikproducenten.

De vermeende overtredingen van artikel 7

4.8.

CSE noemt de volgende zeven overtredingen van artikel 7 door Wnuk:

1. Op 28 april 2017 bevindt een vrachtwagen van Wnuk zich op het terrein van Ardagh in Weissenthurm om goederen te laden;

2. Op 9 juni 2017 heeft Wnuk goederen vervoerd van Ball Beverage;

3. Op 10 augustus 2017 heeft een vrachtwagen van Wnuk bij Ardagh goederen gelost;

4. Op 2 juli 2018 is een vrachtwagen van Wnuk bij Ardagh Metal Beverage Europe GmbH geladen;

5. Op 4 juli 2018 is een vrachtwagen van Wnuk bij Ardagh geladen;

6. Op 24 juli 2018 is een vrachtwagen van Wnuk bij Ball Beverage Packaging geladen;

7. Op 13 augustus 2018 is een vrachtwagen van Wnuk bij Ardagh geladen.

Als bewijs van deze overtredingen heeft CSE een aantal foto’s en vrachtbrieven overgelegd. Met betrekking tot de gestelde overtredingen 5, 6 en 7 stelt CSE dat niet van belang is of Wnuk, Transs I of Trans II de bewuste transporten verzorgde, omdat Wnuk eigenaar is en volledige zeggenschap heeft over Transs I en Transs II.

Verweer overtreding 1 en 2

4.9.

Wnuk voert als verweer aan dat CSE overtreding 1 alleen onderbouwt met

GPS-gegevens en dat hieruit niet afgeleid kan worden dat Wnuk geladen of gelost heeft. Er is geen vrachtbrief overgelegd. Overtreding 2 wordt met een foto van een vrachtwagen ook onvoldoende bewezen door CSE.

Verweer overtreding 4

4.10.

Ook stelt Wnuk dat op de foto die CSE heeft aangevoerd als bewijs van overtreding 4 een vrachtwagen te zien is van [X] en dat Wnuk daar niets mee te maken heeft.

Verweer overtreding 5, 6 en 7

4.11.

Daarnaast verklaart Wnuk dat overtredingen 5, 6 en 7 transportopdrachten betreffen die niet door Wnuk zelf zijn uitgevoerd. Wnuk heeft namelijk voor de door hem geleasede trucks en opleggers (onder)leaseovereenkomsten gesloten met 2 bedrijven: (i) Transs Spolka z ograniczona odpowiedzialnoscia (hierna te noemen: Transs I), een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, en (ii) Transs Spolka z ograniczona odpowiedzialnoscia, Spolka komandytowa (hierna te noemen: Transs II), een commanditaire vennootschap. Overtreding 5, 6 en 7 zien dus op transportopdrachten die zijn uitgevoerd door Transs I en Transs II. Wnuk heeft hierover ter zitting verklaard dat hij evenals zijn echtgenote voor 50% aandeelhouder is van Transs I en Transs II en dat hij tot mei 2017 directeur was.

Beoordeling van de overtredingen door de rechtbank

4.12.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt CSE de stelplicht en bewijslast van de overtredingen van artikel 7. CSE heeft echter niets gesteld over hoe de opdrachtverleningen van de transporten, die in de in de zeven overtredingen genoemd worden, tot stand zijn gekomen. Nu uit de door CSE aangedragen feiten en omstandigheden niet blijkt wie de opdrachtgever is van de betreffende transportopdrachten, kan de rechtbank niet vaststellen of Wnuk al dan niet rechtstreeks opdrachten heeft aangenomen van de vier grote blikproducenten en daarmee artikel 7 heeft overtreden.

4.13.

Ook heeft CSE geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat Wnuk ook een boete verschuldigd is als de transportopdracht wordt uitgevoerd door een andere maatschappij waarin hij zeggenschap heeft, zoals Transs I of Transs II. Ook met betrekking tot deze transporten is niets gesteld over de wijze waarop en aan wie de vervoersopdrachten zijn verstrekt.

4.14.

Omdat CSE haar standpunten onvoldoende heeft onderbouwd, wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Er is dan ook niet komen vast te staan dat Wnuk artikel 7 van de charterovereenkomst heeft overtreden. De vorderingen van CSE zijn dan ook alleen al om die reden niet toewijsbaar. De overige verweren van Wnuk kunnen daarom buiten bespreking blijven.

5 De beoordeling in reconventie

Onbetaalde facturen

5.1.

Wnuk vordert betaling van facturen over de periode januari tot en met maart 2017. CSE heeft deze facturen tot nu toe niet betaald. Het totaalbedrag van de niet-betaalde facturen bedraagt € 394.473,80 en het totaalbedrag van de gevorderde rente bedraagt tot 24 januari 2018 € 26.333,75.

5.2.

CSE betwist deze facturen niet, maar geeft wel aan dat daar nog een bedrag van

€ 59.194,95 op in mindering moet worden gebracht in verband met door CSE verrichte diensten. CSE geeft aan de betaling van de facturen van Wnuk te hebben opgeschort in verband met het overtreden van artikel 7 door Wnuk.

5.3.

Dat op de vordering van Wnuk nog een bedrag van € 59.194,95 in mindering moet worden gebracht, zoals door CSE is betoogd, is door Wnuk niet betwist. Uit de stellingen van CSE volgt echter niet wanneer dit bedrag opeisbaar is geworden, of Wnuk ter zake in verzuim is komen te verkeren en evenmin of Wnuk over dit bedrag wettelijke (handels)rente verschuldigd is. De rechtbank zal van dit laatste dan ook niet uit gaan en zal op het totaal aan Wnuk toe te wijzen bedrag het door CSE genoemde bedrag van € 59.194,95 in mindering brengen.

5.4.

Het beroep van CSE op een opschortingsrecht omdat hij in verband met het overtreden van artikel 7 door Wnuk nog vorderingen op Wnuk heeft, slaagt niet nu de vorderingen van CSE met betrekking tot deze overtreding in conventie zijn afgewezen.

De rechtbank acht daarom de door Wnuk gevorderde hoofdsom van € 394.473,80 toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de diverse facturen, welk totaalbedrag dient te worden verminderd met het hiervoor genoemde bedrag van € 59.194,95.

Schade door beëindiging van de charterovereenkomst

5.5.

Wnuk stelt dat CSE de charterovereenkomst op 9 maart 2017 abrupt beëindigd heeft. Wnuk heeft hierdoor geen maatregelen kunnen treffen voor het opvangen van het volledig weggevallen inkomen uit de charterovereenkomst. CSE had een redelijke opzegtermijn in acht moeten nemen. Een redelijke opzegtermijn zou drie maanden zijn geweest. Wnuk stelt zijn schade op € 50.000,00 per maand. Zijn schade komt daarmee op

€ 150.000,00.

5.6.

Daarnaast vordert Wnuk betaling van de kosten en rente waarvoor hij door de rechtbank is veroordeeld in de tegen hem aanhangig gemaakte procedures in Polen en de kosten en rente waartoe hij in de toekomst nog zal worden veroordeeld. Deze procedures zijn het gevolg van het zonder in acht nemen van een redelijke opzegtermijn beëindigen van de charterovereenkomst. Subsidiair vordert Wnuk een schadevergoeding van € 686.769,12 in verband met de schade die hij heeft geleden door het onrechtmatig handelen van CSE door op onjuiste gronden en in ieder geval zonder rekening te houden met de belangen van Wnuk de charterovereenkomst met Wnuk op te zeggen.

5.7.

CSE stelt echter dat Wnuk er zelf mee akkoord is gegaan om de charterovereenkomst per 9 maart 2017 met onmiddellijke ingang te beëindigen. Ook stelt CSE dat Wnuk haar na deze datum op geen enkele wijze in gebreke heeft gesteld.

Beoordeling van de rechtbank

5.8.

In artikel 1.7 van de charterovereenkomst is bepaald dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden van partijen kan worden beëindigd.

5.9.

Ter zitting heeft Wnuk bevestigd dat de beëindiging van het contract is gegaan zoals CSE stelt, namelijk dat hij er op 9 maart 2017 mee akkoord is gegaan om de charterovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.

5.10.

De rechtbank kan uit de feitelijke gang van zaken niet anders dan concluderen dat de beëindiging met wederzijds goedvinden heeft plaatsgevonden. Hierin weegt de rechtbank ook de omstandigheid mee dat Wnuk, als de heer [naam medewerker CSE] van CSE tijdens het gesprek op 9 maart 2017 inderdaad zou hebben gezegd dat er over de beslissing van CSE niet te praten viel, niet binnen redelijke tijd op het gesprek van 9 maart 2017 is teruggekomen en CSE later alsnog heeft verzocht, danwel gesommeerd, om de overeenkomst voort te zetten. De rechtbank concludeert dat CSE, nu Wnuk heeft ingestemd met de beëindiging van de overeenkomst, in deze niet onrechtmatig heeft gehandeld noch toerekenbaar tekortgeschoten is.

5.11.

De rechtbank wijst de vorderingen tot schadevergoeding dan ook af.

5.12.

De vordering van een verklaring voor recht dat artikel 7 onverbindend is, dan wel tot schorsing van de werking van artikel 7, wijst de rechtbank af wegens een gebrek aan belang.

In conventie en in reconventie

5.13.

Omdat CSE de in conventie in het ongelijk gestelde partij is, en Wnuk de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij, compenseert de rechtbank de kosten van de procedure, in die zin dat beide partijen daarvan hun eigen kosten dragen.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

6.1.

wijst de vorderingen af,

in reconventie:

6.2.

veroordeelt CSE om aan Wnuk een bedrag te betalen van € 394.473,80, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de vervaldatum van de diverse facturen, welk totaalbedrag dient te worden verminderd met een bedrag van € 59.194,95,

6.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie:

6.4.

compenseert de kosten van de procedure, in die zin dat beide partijen daarvan hun eigen kosten dragen,

6.5.

verklaart dit vonnis waar het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.B. van Daalen, mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en mr. E.C.L. Pechaczek en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2019.