Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:2716

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-05-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
19/362
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/362

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2019 in de zaak tussen

[naam] , in [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.J.L.M. van den Reek),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder

(gemachtigde: mr. E.A. Otten).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft het college eisers verzoek om een urgentiebeschikking voor een woning afgewezen.

Bij besluit van 19 december 2018 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 28 maart 2019. Eiser is naar de zitting gekomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is [naam] , dochter van eiser, naar de zitting gekomen. Voor het college is mr. E.A. Otten naar de zitting gekomen.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is van oorsprong van Turkse afkomst. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser is in 2008 naar Marokko geëmigreerd, waar hij is getrouwd. Samen met zijn Marokkaanse echtgenote heeft hij twee minderjarige kinderen. In oktober 2017 is eiser naar Nederland geremigreerd en met zijn gezin boven het eetcafé van zijn broer in Volkel gaan wonen. Omdat de kinderen voor te veel geluidsoverlast zorgden en omdat de woning niet passend zou zijn voor de huisvesting van een gezin, is eisers vrouw met de kinderen in illegale onderhuur op een adres in Grave gaan wonen. Eiser is boven het café blijven wonen. Op 20 juni 2018 heeft eiser om een urgentiebeschikking verzocht.

2. Het college heeft het verzoek om een urgentiebeschikking afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de algemene voorwaarden voor een urgentiebeschikking, neergelegd in artikel 4, eerste lid, onder a en b, Huisvestingsverordening Gemeente Helmond 2016 (hierna: de Verordening) en het college geen reden ziet om de hardheidsclausule toe te passen.

Standpunt van het college in het bestreden besluit

3. In het bestreden besluit heeft het college dit standpunt gehandhaafd. Het college heeft begrip voor de zorgen die eiser heeft geuit over de huidige woonsituatie en het belang van de betrokken kinderen, maar vindt dat dit geen reden kan zijn om voorbij te gaan aan de Verordening en het daarin opgenomen beginsel van de eigen verantwoordelijkheid. Volgens het college was er geen dringende noodzaak voor eiser om terug te keren naar Nederland en is de huidige situatie ontstaan door eisers keuze voor kamerbewoning bij zijn broer en daarmee voor een remigratie, zonder over passende woonruimte te beschikken of het vooruitzicht om op korte termijn over dergelijke woonruimte te beschikken. Het college vindt dat het woonprobleem voorzienbaar was en mede door eigen toedoen is ontstaan. Gelet op het grote aantal woningzoekenden en de daarmee gepaard gaande grote druk op het aanbod in de sociale huursector, kan hieraan niet voorbij worden gegaan. Het college is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan met de hardheidsclausule van de Huisvestingsverordening zou moeten worden afgeweken.
De huidige woonsituatie is weliswaar verre van ideaal, maar er is geen sprake van acuut dreigende dakloosheid of dusdanige medische of sociale problematiek dat toch urgentie moet worden verleend.

De gronden van beroep

4. Eiser is het hier niet mee eens. Volgens eiser was er wel degelijk een dringende noodzaak om naar Nederland terug te keren. Eiser heeft gezondheidsproblemen en was bang dat hij het smeergeld om in Marokko te worden behandeld niet langer zou kunnen opbrengen. Verder heeft ook de zorg voor zijn dochter, die een ontwikkelingsachterstand heeft en licht verstandelijk gehandicapt is, een rol gespeeld bij het besluit om naar Nederland terug te gaan. De voorzieningen in Nederland zijn op dat gebied beter dan in Marokko. Eiser heeft er alles aan gedaan om vooraf voor woonruimte te zorgen. Dat de woonruimte bij zijn broer achteraf niet passend bleek te zijn, kan hem niet worden tegengeworpen althans was voor hem niet voorzienbaar. Het was voor eiser en zijn vrouw onmogelijk om vanuit Marokko een inschrijving als woningzoekende te regelen en woningen te bezichtigen. Eiser is digibeet en beheerst de Nederlandse taal niet goed genoeg om formulieren en stukken in te vullen. Zijn vrouw is de Nederlandse taal helemaal niet machtig en kan niet met de computer overweg. Verder is het zo dat bij toewijzing van een woning allerlei formulieren overgelegd moeten worden. Hulp van familie daarbij zou niet mogelijk zijn geweest, omdat gelet op de AVG geen informatie aan derden kan en mag worden verstrekt. Eiser heeft een vriend in Nederland gevraagd voor hem op woningen te reageren, maar deze vriend bleek niets te hebben gedaan. Eiser heeft uiteindelijk contact opgenomen met zijn dochter in Nederland uit zijn eerdere huwelijk. Samen met haar heeft hij de urgentiebeschikking aangevraagd. Vanaf 24 juni 2018 heeft zijn dochter de zoektocht naar woningen op zich genomen. Eiser staat inmiddels bij diverse woningcorporaties ingeschreven en reageert op woningen. Eiser vraagt verder aandacht voor de situatie waarin zijn gezin verkeert. Eiser en zijn gezin leven van elkaar gescheiden. De hygiënische omstandigheden in de woning van zijn vrouw en kinderen laat te wensen over als gevolg waarvan zij huidklachten hebben ontwikkeld. Verder is het voor eiser, die een uitkering heeft op grond van de Participatiewet, moeilijk om de huur van twee woningen op te brengen.

Het toetsingskader

5. In artikel 4, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat beschikkingen tot indeling in een of meer urgentiecategorieën als bedoeld in artikel 6 (de “urgentiebeschikking”) uitsluitend worden afgegeven als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. er is sprake van een bijzondere (nood)situatie die is ontstaan buiten verwijtbare schuld van de woningzoekende (…) en;

b. de individuele situatie van de woningzoekende en zijn inzet om zelf bij te dragen aan de oplossing van het woonprobleem zijn uitgangspunten voor de beoordeling van het verzoek om urgentiebeschikking, en;

c. t/m h.

6. Volgens artikel 14 van de Verordening kan het college van burgemeester en wethouders in uiterst bijzondere gevallen van schrijnende sociaal-maatschappelijke problematiek op aanvraag van de urgentiecommissie en voorzien van een door deze commissie uitgebracht daartoe strekkend advies, in individuele gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel leidt tot een bijzondere hardheid ten gunste van de woningzoekende afwijken van het bepaalde in deze verordening.

Oordeel van de rechtbank

7. De voorwaarden in artikel 4 van de Verordening zijn cumulatief. Dat betekent dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan om voor een urgentiebeschikking in aanmerking te kunnen komen of anders gezegd: dat het college de urgentiebeschikking al kan weigeren als aan één voorwaarde niet is voldaan.

8. De rechtbank vindt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in eisers geval geen sprake is van een situatie die is ontstaan buiten zijn verwijtbare schuld. Weliswaar heeft eiser voor vertrek uit Marokko voor woonruimte in Nederland gezorgd, maar hij had zich er ook van behoren te vergewissen of de woning boven het eetcafé wel geschikt was voor huisvesting van zijn gezin. Nu de woning boven het eetcafé van zijn broer is, moet het voor eiser ook mogelijk zijn geweest om vanuit Marokko na te gaan of het verantwoord was om hier met zijn gezin te gaan wonen. Het was de eigen keuze en verantwoordelijkheid van eiser om naar Nederland te gaan, terwijl er geen passende huisvesting aanwezig was en ook geen zicht daarop. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat de woonruimte achteraf niet passend bleek te zijn, eiser wel degelijk kan worden verweten.

9. Nu het college het verzoek om een urgentiebeschikking al op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, van de Verordening heeft kunnen afwijzen, hoeft de vraag of aan de voorwaarde in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Verordening is voldaan geen bespreking meer.

10. Bij het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule, komt het college beleidsruimte toe. De toepassing van die bevoegdheid wordt door de rechtbank dan ook terughoudend getoetst. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de huidige situatie, waarin eiser en zijn gezin gescheiden van elkaar leven, verre van ideaal is, maar dat geen sprake is van een acuut dreigende dakloosheid of een dusdanige medische dan wel sociale problematiek dat aan de grote druk op het aanbod in de sociale huursector voorbij kan worden gegaan. Het college heeft er op de zitting nog aanvullend op gewezen dat niet met een verklaring van een arts is onderbouwd dat de huidklachten van zijn vrouw en kinderen worden veroorzaakt door de woning waarin zij wonen en dat uit het in beroep overgelegde aanmeldingsformulier Basisteam Jeugd en Gezin niet blijkt dat de problemen die eisers dochter heeft, te maken hebben met de huisvesting van het gezin. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Verder heeft eiser op de zitting wel gezegd dat hij allerlei pogingen heeft ondernomen om aan vervangende woonruimte voor zijn gezin te komen, maar heeft hij geen bewijsstukken overgelegd om te laten zien wat hij dan precies heeft gedaan om opvang te regelen. Het was aan eiser om voor de gestelde bijzondere nijpendheid van zijn situatie ten minste een begin van bewijs te leveren en dat heeft hij - vooralsnog - niet gedaan. Onder deze omstandigheden hoefde het college in wat eiser heeft aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding te zien om met toepassing van de hardheidsclausule toch een urgentiebeschikking af te geven.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Manie, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 9 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.