Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:2597

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
18/418
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:654, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank oordeelt ambtshalve over de ontvankelijkheid van het bezwaar. Bezwaartermijn begint te lopen op de dag na het aanbrengen van het aanslagbiljet op het voertuig. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Geen toekenning dwangsom. Verweerder heeft op zitting de verzending van de verdagingsbrief, strekkende tot verlenging van de beslistermijn, aannemelijk gemaakt. Eiser heeft daarmee zijn ingebrekestelling prematuur gedaan.

Geen proceskostenvergoeding in beroep omdat geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank is ermee bekend uit andere zaken van dezelfde gemachtigde en eiser dat de gemachtigde en eiser gehuwd zijn, zonder huwelijkse voorwaarden, en samen op één adres wonen. Dat de gemachtigde zijn factuur heeft laten versturen door de vennootschap waarvoor hij werkzaam is, doet er niet aan af dat de rechtsbijstand door hem als natuurlijke persoon is verleend. De verleende rechtsbijstand gaat de normale hulp tussen echtelieden niet te boven; dus is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-06-2019
V-N Vandaag 2019/1301
FutD 2019-1564
V-N 2019/32.2.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/418

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. L.J. Boone).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 14 augustus 2017 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer [aanslagnummer] ) opgelegd ter hoogte van € 61,40, bestaande uit € 1,40 parkeerbelasting en € 60 kosten naheffing.

Eiser heeft op 26 september 2017 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 16 februari 2018 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de aanslag gehandhaafd en beslist dat hij geen dwangsom is verschuldigd aan eiser.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.

Eiser heeft de rechtbank brieven toegezonden van onder meer 25 april 2018 en 6 mei 2018 met bijlagen.

Verweerder heeft een reactie met bijlagen verzonden op 1 februari 2019.

Bij faxschrijven van 2 februari 2019 heeft eiser een nadere reactie verzonden.

Op 6 februari 2019 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend.

Een door eiser op 20 januari 2019 ingediend wrakingsverzoek is afgewezen bij beschikking van de wrakingskamer van deze rechtbank van 11 februari 2019 (WR 19/006).


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Eiser is – zonder bericht – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Gebleken is dat de gemachtigde van eiser door de griffier bij aangetekende brief van 16 januari 2019, verzonden naar het adres [adres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, is uitgenodigd om bij de zitting van 14 februari 2019 aanwezig te zijn. Omdat de gemachtigde, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet ter zitting is verschenen, heeft de griffier onderzocht of de aangetekende brief de gemachtigde heeft bereikt. De genoemde brief is niet ter griffie terugontvangen en uit de informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 18 januari 2019 om 16:45 uur is opgehaald op een Post-NL locatie.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de gemachtigde van eiser schriftelijke vragen gesteld. Daarop heeft hij bij brief van 2 maart 2019 geantwoord.


Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de rechtbank het onderzoek op 19 april 2019 heeft gesloten.

Overwegingen

Feiten Op dinsdag 14 augustus 2017, om 14:38 uur is een naheffingsaanslag parkeerbelasting (bonnummer [bonnummer] ) opgelegd ter zake van het parkeren van een auto (een BMW) met kenteken [kenteken] aan de Torenallee te Eindhoven met aanslagnummer [aanslagnummer] .

In het dossier bevindt zich een duplicaat naheffingsaanslag parkeerbelasting van 26 augustus 2017, gericht aan [naam bedrijf] .

De gemachtigde van eiser heeft op 26 september 2017, ontvangen door verweerder op
27 september 2017, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

Hierna heeft verweerder op 16 februari 2018 de bestreden uitspraak gedaan en is de procedure gevolgd zoals vermeld in het procesverloop.

Geschil en beoordeling

1. De rechtbank dient ambtshalve eerst de vraag te beantwoorden of sprake is van een ontvankelijk bezwaarschrift. Ook zal de rechtbank beoordelen of eiser aanspraak kan maken op een dwangsom.

2. Partijen hebben in essentie het volgende aangevoerd.

3. Eiser is van mening dat ten onrechte een naheffingsaanslag is opgelegd en dat de uitspraak op bezwaar niet van een deugdelijke motivering is voorzien. Voorts is eiser van mening dat verweerder hem een dwangsom is verschuldigd omdat zijn gemachtigde op 30 december 2017 een ingebrekestelling heeft gezonden naar verweerder en de termijn voor het nemen van een beslissing volgens hem was verstreken. Verder is eiser van mening dat hij de e-mail van verweerder van 29 december 2017, strekkende tot verlenging van de beslistermijn, niet in zijn e-mailbox heeft ontvangen en dat dit bericht waarschijnlijk door het spamfilter is achtergehouden. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser nadere stukken overgelegd.

4. Verweerder vindt dat hij terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Ook is verweerder van mening dat hij geen dwangsom is verschuldigd. Daartoe voert hij aan dat hij de gemachtigde van eiser bij brief van 29 december 2017 heeft laten weten dat het hem niet lukt om voor 1 januari 2018 uitspraak op het bezwaar te doen en dat de uitspraaktermijn met zes weken wordt verlengd. Als uiterste datum heeft verweerder daarbij vermeld 12 februari 2018. Deze brief heeft verweerder per e-mail verzonden op vrijdag 29 december 2017 om 18:39 naar het e-mailadres van de gemachtigde van eiser, te weten [e-mailadres] . Ook verweerder heeft zijn standpunt toegelicht met nadere stukken waaronder de e-mail van 29 december 2017, gevoegd bij het verweerschrift van
23 april 2018.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Volgens artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in afwijking van artikel 6:8 van de Awb, vangt de termijn voor het instellen van bezwaar, voor zover hier van belang, aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

7. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

8. Ingevolge artikel 234, zevende lid, van de Gemeentewet kan, in afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, worden volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken van het voertuig. Het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig wordt gezien als een bekendmaking op juiste wijze.

9. De Hoge Raad (HR) heeft in zijn uitspraak van 1 maart 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4987) geoordeeld dat de toezending van een duplicaat van het aanslagbiljet met een andere dagtekening dan het originele aanslagbiljet, geen wijziging brengt in het aanvangstijdstip van de bezwaartermijn.

10. Verder is van belang de vaste rechtspraak waaruit volgt dat bij de vaststelling van de dag waarop een brief ter post is bezorgd, uitgegaan wordt van het op de envelop geplaatste poststempel. Dit is alleen anders indien de verzender aannemelijk maakt dat de brief op een eerdere datum ter post is bezorgd. Verwezen wordt naar de uitspraak van de HR van 28 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP2138).

11. Volgens de brief van eisers gemachtigde van 25 april 2018, is eiser niet bekend met een duplicaat van de naheffingsaanslag en heeft hij bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag met kenmerk [kenmerk] (de rechtbank begrijpt: [bonnummer] , het bonnummer). De gestelde onbekendheid met het duplicaat van de naheffingsaanslag brengt naar het oordeel van de rechtbank volgens het hierboven in r.o. 9 genoemde arrest, geen wijziging in de aanvang van de bezwaartermijn. Gelet op eisers voornoemde brief van
25 april 2018 en het zich in het dossier bevindende mini proces-verbaal staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser is opgelegd en op zijn auto aangebracht op 14 augustus 2017. De bezwaartermijn is dus aangevangen op 15 augustus 2017 en geëindigd op 25 september 2017. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 26 september 2017 en blijkens het poststempel op de envelop, die zich onder de gedingstukken bevindt, ook op die datum ter post bezorgd. Dit betekent dat de termijn om bezwaar te maken is overschreden.

12. In antwoord op een schriftelijke vraag van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in zijn brief van 2 maart 2019 te kennen gegeven dat hij niet meer weet waarom hij het bezwaarschrift op 26 september 2017 heeft afgedrukt en op de post heeft gedaan. Het is inmiddels anderhalf jaar geleden.

13. Naar het oordeel van de rechtbank is er in redelijkheid geen twijfel over mogelijk dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Verweerder had het bezwaar van eiser dan ook niet-ontvankelijk behoren te verklaren wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Het beroep is dus gegrond. De uitspraak op bezwaar kan niet in stand blijven. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

14. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank geen uitspraak kan doen over het inhoudelijke geschil.

15. De rechtbank zal wel ingaan op de vraag of verweerder terecht heeft beslist dat hij geen dwangsom is verschuldigd aan eiser. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het beroep, gelet op het bepaalde in artikel 4:19 van de Awb, van rechtswege mede betrekking heeft op de (afwijzende) dwangsombeschikking. De rechtbank verwijst naar het arrest van de HR van 6 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1).

16. De rechtbank is van oordeel dat de op 3 januari 2018 door verweerder ontvangen ingebrekestelling van eiser, prematuur is. Verweerder heeft met zijn e-mail van 29 december 2017 de beslistermijn immers verlengd. Deze e-mail is verzonden naar het e-mailadres van de gemachtigde van eiser. Via dit e-mailadres is veelvuldig contact geweest tussen de gemachtigde van eiser en verweerder, getuige het e-mailverkeer tussen partijen op 4, 5, 8 en 16 februari 2018. Daaruit volgt dat eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij via dit e-mailadres bereikbaar is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de HR van 19 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1967), waarin de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 april 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:1591) is bevestigd). Gelet op dit e-mailverkeer acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de gemachtigde van eiser het bericht van 29 december 2017 niet heeft ontvangen. Gezien het veelvuldige e-mailverkeer tussen partijen komt het gebruik van een spamfilter dat een dergelijk bericht zou blokkeren, wat daarvan ook zij, bovendien geheel voor risico van eiser. Eiser heeft na het verstrijken van de nieuwe beslistermijn niet alsnog een ingebrekestelling uitgebracht, zodat de rechtbank reeds op die grond van oordeel is dat verweerder in zijn uitspraak op bezwaar terecht heeft beslist dat van een geldige ingebrekestelling geen sprake kan zijn. Daarbij komt nog de omstandigheid dat zoals hiervoor is overwogen (zie r.o. 12) buiten redelijke twijfel is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onderdeel c, van de Awb, hoe dan ook geen dwangsom is verschuldigd.

17. Omdat het beroep gegrond is verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Daartoe wordt het volgende overwogen.

19. De rechtbank is gebleken dat gemachtigde en eiser gehuwd zijn, zonder huwelijkse voorwaarden (zie de uitspraak van 14 december 2018, SHE 17/2632, geregistreerd onder ECLI:NL:RBOBR:2018:6073). De rechtbank is verder ambtshalve bekend dat eiser en zijn gemachtigde woonachtig zijn op [adres] (dit volgt uit de zaak met nummer SHE 18/423, behandeld op de zitting van 14 februari 2019 van de meervoudige kamer, ECLI:NL:RBOBR:2019:1256). In beginsel dient er dan ook van te worden uitgegaan dat de rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend (zie bijvoorbeeld het arrest van de HR van 6 juni 2014 en de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 10 mei 2017, ECLI:NL:HR:2014:1313 respectievelijk ECLI:NL:GHDHA:2017:1343). Gemachtigde heeft in deze zaak geen factuur overgelegd waaruit blijkt dat hij de gemaakte kosten heeft gefactureerd aan eiser. Zo al aangenomen moet worden dat de gemachtigde aan eiser (ook) in deze zaak een factuur heeft gezonden, dan geldt het volgende. Het versturen van een factuur voor door gemachtigde aan zijn echtgenoot verleende rechtsbijstand door een vennootschap, acht de rechtbank onvoldoende om op grond daarvan te oordelen dat de rechtsbijstand niet door de ene aan de andere echtgenoot is verleend. Rechtsbijstand wordt namelijk verleend door een natuurlijke persoon. Dat die natuurlijke persoon verbonden is aan een rechtspersoon, maakt dat niet anders. De verleende rechtsbijstand voor een naheffingsaanslag parkeerbelasting, gaat de normale hulp tussen echtelieden niet te boven; dus is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake.

20. De verschuldigde parkeerbelasting komt verder mede ten laste van de gemachtigde zodat de gemachtigde direct belanghebbende is bij de naheffingsaanslag. Daaraan doet niet af dat de gemachtigde door de beperking van de kring van beroepsgerechtigde belanghebbenden in artikel 26a van Algemene wet inzake rijksbelastingen niet zelf in bezwaar of beroep kan komen.

21. Wat onder 19 en 20 is overwogen brengt mee dat de door gemachtigde aan eiser verleende bijstand niet kan worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Eiser heeft daarom geen recht op vergoeding van de door hem ter zake van de door gemachtigde verleende bijstand gemaakte kosten, zo er al van zodanige kosten sprake is.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, behoudens voor zover daarbij is beslist dat geen dwangsom is verschuldigd;

  • -

    verklaart het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.S. Requisizione, voorzitter, en mr. F.M. Rijnbeek en mr. G.J. van Leijenhorst, leden, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 9 mei 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.