Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:2553

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
01/997615-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van onder meer medeplegen van gewoontewitwassen.

Het handelen van verdachte en haar partner kenmerkt zich over vele jaren door enerzijds het ophouden van een luxe levensstijl en anderzijds het buiten beeld houden van de werkelijke situatie rondom het verwerven van inkomsten, doen van uitgaven en hun bezittingen. Ook de verklaringen van verdachte omtrent (het ontbreken van wetenschap over) de handelsactiviteiten en de administratieve en fiscale verantwoording daarvan door medeverdachte ziet de rechtbank als zijnde gericht op het bemantelen van de waarheid en in die zin leugenachtig. Gezien het ontbreken van voldoende legale inkomsten van verdachte zelf om hun levensstijl te kunnen bekostigen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte wist van de criminele herkomst van de contante bedragen die zij van haar partner kreeg.

De rechtbank legt een taakstraf op van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft daarbij laten meewegen dat verdachte belast is met de zorg voor haar nog jonge kinderen.

Verbeurdverklaring van in beslag genomen auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/997615-16

Datum uitspraak: 07 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2019. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 januari 2019. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 14 december 2016 te

's-Hertogenbosch en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

a. a) van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) tot een totaal van 216.430,18 euro, althans een totaal van ongeveer 215.000 euro of daaromtrent, althans (telkens) van een of meerdere geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel verborgen heeft gehouden of heeft verhuld wie de rechthebbende op dit voorwerp/deze voorwerpen is en/of dit voorwerp/deze voorwerpen (geld) voorhanden heeft gehad, dan wel

b) een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) tot een totaal van 216.430,18 euro, althans tot een totaal van ongeveer 215.000 euro of daaromtrent, althans (telkens) een of meerdere geldbedrag(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) tot een totaal van 216.430,18 euro, althans tot een totaal van ongeveer 215.000 euro of daaromtrent, althans (telkens) van een of meerdere geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en)/geldbedrag(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middelijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

2. zij op of omstreeks 14 december 2016 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, een wapen van categorie II onder 5°, te weten een stroomstootwapen (Paralyseur Electrique, SP2000, kleur zwart) (goednummer 1122650), voorhanden heeft gehad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden en de daarop ter terechtzitting van 23 april 2019 mondeling gegeven aanvullingen, heeft de officier van justitie geconcludeerd dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop ter terechtzitting van 23 april 2019 mondeling gegeven aanvullingen, heeft de verdediging algehele vrijspraak van verdachte bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

de bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Van misdrijf afkomstig

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat tegen de toenmalige echtgenoot van verdachte, [medeverdachte 1] , de verdenking was ontstaan dat hij zich schuldig had gemaakt aan gewoontewitwassen in de ten laste gelegde periode van 1 januari 2013 tot en met 14 december 2016. Ter terechtzitting van 23 april 2019 heeft verdachte verklaard dat zij in die periode verantwoordelijk was voor het huishouden en dat zij de daarvoor benodigde financiële middelen contant van [medeverdachte 1] kreeg.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen, het niet anders kan zijn dan dat een groot deel van de inkomsten van [medeverdachte 1] door hem aan de belastingheffing is onttrokken en aldus van misdrijf afkomstig is geweest. Dit betekent voor de verdachte dat het niet anders kan zijn dan dat minst genomen een groot gedeelte van de door haar van [medeverdachte 1] ontvangen en door haar in het legale betalingsverkeer gebrachte gelden, uit enig misdrijf afkomstig waren.

De wetenschap bij verdachte

In de ten laste gelegde periode van 1 januari 2013 tot en met 14 december 2016 bewoonde verdachte de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Zij was toen gehuwd met [medeverdachte 1] . Zij vormden samen met hun kinderen een gezin en aldus een economische eenheid. Ter terechtzitting van 23 april 2019 heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] en zij op 4 mei 2013 in het huwelijk zijn getreden en dat zij daarvoor al jarenlang samenwoonden. Door de verdediging is in dit verband aangevoerd dat verdachte en medeverdachte onder huwelijkse voorwaarden waren gehuwd en dat derhalve inkomsten en uitgaven van [medeverdachte 1] zelf niet aan verdachte ‘toegerekend’ kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat de gelden die door [medeverdachte 1] aan verdachte ter beschikking zijn gesteld voor het doen van uitgaven in het kader van huishouden, zorg voor de kinderen, het gezamenlijk bewonen van een woning en dergelijke, ontegenzeggelijk ten goede zijn gekomen aan de economische eenheid die het gezamenlijke gezin vormde en waarvan zij beiden deel uitmaakten. Daarbij stelt de rechtbank vast dat verdachte naar haar eigen verklaring in de ten laste gelegde periode enkel bezig was met het huishouden en zorg voor de kinderen. Zij beschikte niet over regulier betaald werk en ontving derhalve geen loon of enig door haarzelf gegenereerd substantieel inkomen. Het kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders dan dat zij op zijn minst ook middelen ontvangen heeft van [medeverdachte 1] om zichzelf te kunnen kleden, voeden, verzorgen of anderszins activiteiten te ondernemen.

Verdachte woonde vanaf augustus 2008 samen met [medeverdachte 1] op hetzelfde adres, waar zijn onderneming [bedrijf] was gevestigd en van waaruit hij zijn handelsactiviteiten verrichtte. [medeverdachte 1] heeft tijdens het opsporingsonderzoek verklaard dat hij ongeveer € 1000,00 per maand verdiende met zijn handel. (V01-02, pag 2) Niettemin veroorloofden verdachte en [medeverdachte 1] zich een levensstijl, die zich kenmerkte door luxe, met grote uitgaven voor dure merkkleding, sieraden en vakanties, die zich niet verhouden tot een inkomen als waarover [medeverdachte 1] bij de politie heeft verklaard. De rechtbank wijst tevens op de huwelijksvoltrekking in mei 2013, die zich kenmerkte door een zekere extravagantie, waarbij de daarmee gepaard gaande kosten in de eenvoudige kasopstelling zijn geraamd op € 50.000,00.

Gebleken is dat in de jaren 2013 tot en met 2016 noch door [medeverdachte 1] , noch door verdachte aangifte inkomstenbelasting is gedaan, terwijl zij wel een economische eenheid vormden. Bovendien hield [medeverdachte 1] van zijn activiteiten een ondeugdelijke administratie bij (AMB 056). De stelling dat verdachte mocht uitgaan van de mededeling van [medeverdachte 1] dat hij zijn activiteiten administratief en fiscaal verantwoordde is naar het oordeel van de rechtbank niet houdbaar. In 2011 heeft een boekenonderzoek door de Belastingdienst plaatsgevonden naar de handelsactiviteiten van [medeverdachte 1] in de jaren 2008, 2009 en 2010, waaruit in verband met de vele onvolkomenheden in de administratie forse navorderings- en naheffingsaanslagen met vergrijpboetes zijn opgelegd. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat verdachte hiervan niet op de hoogte zou zijn geweest.

Verdachte moet eveneens ervan op de hoogte zijn geweest dat haar partner [medeverdachte 1] in 2012 door de rechtbank is veroordeeld voor hypotheekfraude, welke veroordeling nadien in hoger beroep in de kern is bevestigd door het Hof ’s-Hertogenbosch. Deze hypotheekfraude had immers betrekking op de door hen gezamenlijk bewoonde woning, die als gevolg daarvan gedwongen is verkocht.

Tevens acht de rechtbank het volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte geen weet heeft van het feit dat haar partner in 2013 voor € 67.500,00 goud heeft ingekocht van haar eigen moeder, met wie zij een hechte band lijkt te hebben. Haar ter terechtzitting afgelegde verklaring op dit punt acht de rechtbank ongeloofwaardig en deze wordt terzijde gesteld.

De rechtbank acht het tevens opvallend dat verdachte en medeverdachte vele jaren in luxe auto’s hebben gereden, die nimmer op eigen naam stonden geregistreerd, maar op die van moeder of stiefvader [medeverdachte 2] , dan wel werden gehuurd bij onder meer buitenlandse ondernemingen. Dit past bij het niet verantwoorden van eigen inkomsten bij de belastingdienst en het leven van zwart geld.

Alles overziend concludeert de rechtbank dat het handelen van verdachte, tezamen met haar medeverdachte, over vele jaren structureel zich kenmerkt door enerzijds het ophouden van een luxe levensstijl, maar daar tegenover het buiten beeld houden van de werkelijke situatie rondom het verwerven van inkomsten, doen van uitgaven en hun bezittingen/goederen. Ook de verklaringen van verdachte omtrent (het ontbreken van wetenschap over) de handelsactiviteiten en de administratieve en fiscale verantwoording daarvan door [medeverdachte 1] ziet de rechtbank als zijnde gericht op het bemantelen van de waarheid en in die zin leugenachtig.

De conclusie

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en gezien het ontbreken van voldoende legale inkomsten van verdachte zelf om hun levensstijl te kunnen bekostigen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte wist van de criminele herkomst van de contante bedragen die zij van [medeverdachte 1] kreeg, zodat het ontvangen en vervolgens het gebruiken van die geldbedragen witwassen oplevert. De witwashandelingen heeft verdachte gedurende een langere periode verricht in een zodanige frequentie en onder de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden, dat deze gedragingen als gewoonte moeten worden aangemerkt. De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte dan ook als het medeplegen van gewoontewitwassen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. in de periode van 01 januari 2013 tot en met 14 december 2016 te 's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag heeft omgezet en telkens van een geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte en haar mededader, wisten dat bovenomschreven geldbedragen telkens geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. op of omstreeks 14 december 2016 te 's-Hertogenbosch een wapen van categorie II onder 5°, te weten een stroomstootwapen (Paralyseur Electrique, SP2000, kleur zwart) (goednummer 1122650), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken. Dit op schrift gestelde voornemen legt zij aan de rechtbank over.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft zich gedurende langere tijd schuldig gemaakt aan witwassen. Door middel van witwaspraktijken heeft verdachte de door haar partner [medeverdachte 1] uit misdrijf verkregen gelden in het gewone betalingsverkeer gebracht. Deze opbrengsten gingen (nagenoeg) geheel op aan de luxueuze levensstijl van verdachte en haar gezin. Witwassen – ook indien ter sprake is van vermenging van crimineel geld met legaal geld – leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden worden verhuld. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht. De verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft kennelijk enkel gehandeld uit eigen financieel gewin. Verdachte is in dezen niet aan te merken als de onwetende wederhelft van een partner die zich bezighoudt met strafbare zaken, maar als iemand die op alle onderdelen van haar (gezins)leven welbewust zonder scrupules daarvan heeft geprofiteerd.

Bij de doorzoeking van de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , de woning waar verdachte met haar kinderen woonachtig was, is in een jas van verdachte een stroomstootwapen aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijke wapen brengt veiligheidsrisico's met zich mee.

Strafmatigende omstandigheden

Verdachte is niet eerder voor vermogens- of fraudedelicten veroordeeld. In het totale witwasproces heeft zij een ondergeschikte rol gespeeld door een deel van het illegale geld van haar toenmalige partner [medeverdachte 1] in het legale betaalverkeer te brengen.

Redelijke termijn

Het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van deze zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 14 december 2016. Op deze dag vond een doorzoeking plaats van de woning waarin verdachte met grote regelmaat verbleef. Verdachte is die dag ook in verzekering gesteld op verdenking van witwassen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop niet geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de officier van justitie of dat dient te worden afgeweken van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt.

Ten tijde van de uitspraak is de termijn van twee jaar met bijna vijf maanden overschreden.

Nu dit voortvloeit uit het complexe witwasonderzoek tegen [medeverdachte 1] en verdachte, zal de rechtbank volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.

De strafmodaliteit

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank heeft daarbij met name laten meewegen dat verdachte belast is met de zorg voor haar nog jonge kinderen.

De rechtbank acht oplegging van een taakstraf passend en geboden. Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal de rechtbank bevelen dat aan haar vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Naast deze taakstraf zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen. Daarmee wil de rechtbank enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds voorkomen dat verdachte opnieuw zal overgaan tot het plegen van een strafbaar feit.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uur, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen personenauto, een Volkswagen Polo met het [kenteken] , vatbaar is voor verbeurdverklaring omdat deze personenauto aan verdachte toebehoort, verdachte deze personenauto geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en omdat de aankoop van die personenauto is gefinancierd met van misdrijf afkomstig geld. Op deze personenauto rust slechts beslag op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 34, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en

26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

1. medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken

2. handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen..

ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten.

 een taakstraf voor de duur van 240 uren [tweehonderd veertig uren] te vervangen door 120 dagen hechtenis indien veroordeelde deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.

beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze taakstraf in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van deze taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht. De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op twee uur te verrichten arbeid.

 een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit voorts.

verklaart verbeurd:

een rode Volkswagen Polo met het [kenteken] en de bij die personenauto behorende sleutel. De opbrengst bij verkoop van deze personenauto op 10 mei 2017 bedroeg € 9.353,--.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. E.M. Vermeulen en mr. R. van den Munckhof, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 7 mei 2019.