Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:2529

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
01/845010-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in haar woning met twee messen op haar dochter ingestoken. Het slachtoffer heeft daardoor steekwonden aan de linkerbovenarm en in de linkerborstkas on der linkerborst opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank acht poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen en veroordeelt verdachte daarvoor tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan achttien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. Aan het voorwaardelijk deel worden diverse bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een klinische behandeling voor de alcoholverslaving van verdachte in een afkickkliniek gevolgd door een ambulante behandeling. De bijzondere voorwaarden wordt dadelijk uitvoerbaar verklaard.

De vordering van het slachtoffer als benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van €5.117,51. Daarvan bestaat € 5.000,-- uit immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0735
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845010-19

Datum uitspraak: 3 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1963] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,

thans gedetineerd te: Zwolle PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 april 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 maart 2019.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 09 januari 2019 te Helmond ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met twee, althans een, mes(sen) heeft gestoken - in de borststreek, - in de hand,

- in de (boven)arm(en), in elk geval het bovenlichaam en in de richting van het (boven)lichaam, van die

[slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet het opzet had om haar dochter [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) van het leven te beroven en dat verdachte dan ook van poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

1. Een dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, met nummer OB3R019004, gesloten d.d. 17 januari 2019.

Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. Dit dossier houdt onder meer zakelijk weergegeven in:

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opgemaakt en ondertekend d.d. 9 januari 2019, 17-18:

Op 9 januari 2019 om 09:24 uur kregen wij [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , het verzoek om te gaan naar de [adres 2] te Helmond. Aldaar was een meisje aan komen rennen met twee steekwonden, ze was gestoken door haar moeder. Wij hoorden dat het meisje van de [adres 1] , te Helmond, af kwam.

Op 9 januari 2019, om 09:26 uur kwam ik verbalisant [verbalisant 2] , vergezeld door [verbalisant 3] , ter plaatse bij de [adres 2] , te Helmond. Ik ging door naar de woning, gelegen aan de [adres 1] , te Helmond. Ik belde aan bij de woning. Ik hoorde dat een vrouwenstem riep, van binnen uit de woning, dat wij weg moesten wezen.

Ik, [verbalisant 1] , betrad de woning. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , betrad tevens de woning. Wij zagen dat een vrouw, naar later bleek [verdachte] , op een bank in de woonkamer zat. Wij zagen dat zij een vleesmes in haar rechterhand vast had.

Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , zagen dat zij haar mes op de bank neerlegde. Wij zagen dat er, direct naast [verdachte] , twee messen op de bank lagen. Wij zagen dat deze messen zwarte handvatten hadden. Wij zagen dat het beide vleesmessen betroffen met een lemmet van ongeveer twintig centimeter.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , opgemaakt en ondertekend d.d. 9 januari 2019, p. 21-22:

Op 9 januari 2019, omstreeks 09.24 uur kregen wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , de opdracht te gaan naar de [adres 2] te Helmond. Omstreeks 09.26 uur waren wij ter plaatse op voornoemd adres. In de woonkamer troffen wij, naar later bleek, aangever [slachtoffer] . Wij zagen dat zij hevig overstuur was en dat zij huilde.

Wij zagen dat zij op haar linker bovenarm een rode vlek had. Wij zagen dat zij bloed aan haar linkerhand had en dat zij een snijwondje tussen haar linkerduim en linkerwijsvinger had. Wij vroegen wat er gebeurd was. Wij hoorden dat zij vertelde dat zij thuis, op de [adres 1] , ruzie had gehad met haar moeder. Gisteren was haar relatie met haar vriend uitgegaan. Haar moeder had haar beloofd dat zij er vandaag voor haar zou zijn. Omdat moeder zwaar alcoholiste is had [slachtoffer] haar gevraagd om nuchter te blijven. Vanochtend werd [slachtoffer] wakker gebeld door school omdat zij afwezig was. Hierop ging [slachtoffer] naar haar moeder om haar te vragen school voor haar te bellen. Toen bleek dat moeder alweer alcohol aan het drinken was. [slachtoffer] werd hier boos over en zei dit tegen moeder. Hierop liep moeder weg naar de keuken. Toen [slachtoffer] aan haar moeder vroeg wat zij ging doen zei moeder dat zij een bril ging pakken. Kort hierop kwam moeder weer uit de keuken gelopen. [slachtoffer] zag dat moeder met in elke hand een gekarteld mes uit de keuken kwam. Moeder kwam op [slachtoffer] ingelopen. Moeder probeerde [slachtoffer] te steken met de messen. [slachtoffer] weerde zich af en probeerde middels de noodknop van haar telefoon 112 te bellen, echter liet zij haar telefoon vallen. [slachtoffer] werd gesneden door moeder en kon uiteindelijk wegrennen via de voordeur. Zij probeerde bij meerdere huizen in de straat om binnen te komen, maar er was steeds niemand thuis, vervolgens werd zij bij [adres 2] binnen gelaten.

Wij zagen dat [slachtoffer] ons een steekwond toonde onder haar linkerborst. Wij zagen dat [slachtoffer] geen kleding onder het grijze vest droeg. Wij zagen dat [slachtoffer] ons een snijwond toonde op haar linker bovenarm. Wij zagen dat de randen van deze wond uiteen stonden en dat deze wond circa 7 tot 8 centimeter lang was en 1 tot 2 centimeter diep was.

Wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , voerden een onderzoek uit op de plaats delict, [adres 1] . Wij zagen dat er op de bank in de woonkamer twee messen lagen. Wij zagen dat dit keukenmessen betroffen met een licht gekartelde rand. Wij zagen dat één mes kleiner was dan het andere. Wij zagen dat er een paar rode druppels op het lemmet van het kleinere mes zaten.

Ik, [verbalisant 4] , zag dat er in de keuken een iPhone op de grond lag. Ik zag dat er op het startscherm van deze iPhone diverse ongelezen meldingen stonden, waaronder twee van afzender ‘Politie’ met de tekst ‘LET OP! U heeft wellicht onbewust 1-1-2 gebeld. U houdt hiermee een noodlijn bezet, kijk op www.112.nl.’ Ik zag dat deze meldingen 36 minuten oud waren. Hieruit maakte ik op dat er op of kort voor 09.19 uur 112 gebeld is met het door mij aangetroffen toestel.

Wij, verbalisanten, hoorden dat [slachtoffer] zei dat dit haar telefoon betrof.

Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer] , wonende aan de [adres 1] te Helmond, opgemaakt en ondertekend d.d. 9 januari 2019, p. 41-43:

Omstreeks 09.00 uur ging ik naar beneden [de rechtbank begrijpt: op 9 januari 2019].

Daar zat mijn moeder op de bank in de woonkamer. Ik zag dat er een pak wijn op tafel stond en dat zij aan het drinken was. Ik vroeg aan haar waarom ze de school niet had gebeld. Ze zei dat ze de voicemail had ingesproken. Ik werd boos en zei haar dat ze me weer teleurgesteld had, omdat ze niet gebeld had. Ik heb toen dat pak wijn weggegooid. Mijn moeder is toen naar bed gegaan. Ik heb mijn broer geappt. Dit was om 9.15 uur. Terwijl ik die app aan het typen was, kwam mijn moeder naar beneden. Ik zat op de bank in de kamer. Ik zag dat ze de keuken in liep. Ik bleef in de woonkamer zitten en plotseling kwam mijn moeder met twee messen in haar handen terug de woonkamer in. Dit was een groot mes en een klein mes. Deze kwamen uit een messenblok dat op het aanrecht stond.

U toont mij foto’s van de messen die jullie in de woning aantroffen.

Dat zijn de messen die mijn moeder vast had en waarmee ze mij bedreigde en stak.

Ze liep op mij af en maakte stekende bewegingen in mijn richting.

Ik stond op en liep achteruit. Ik ben achteruit gelopen, om de tafel heen gelopen, de tussendeur door, de woonkamer uit en de eetkamer (de kamer tussen de woonkamer en de keuken in) in.

Tijdens het weglopen, heb ik de noodknop op mijn telefoon in probeerde te drukken welke automatisch 112 belt. Ik heb toen mijn telefoon laten vallen. In de eetkamer, bij de kast, kwam ik tegen de muur te staan.

Terwijl ze op mij af kwam lopen, had ze de messen recht vooruit langs haar middel naar mij gericht.

Op het moment dat ik tegen de muur stond, zag ik dat mijn moeder haar handen omhoog hield met de messen vast en ze op mij wilde insteken. Ik dacht dat ik dood zou gaan. Ik zag dat mijn moeder probeerde me te steken. Ik dacht dat ik dan maar mijn handen eraan moest laten gaan, dus ik heb met mijn linkerhand in het mes gegrepen. Ik liep daarbij een wond op aan mijn hand. Tussen mijn duim en de muis van mijn hand. Hierna stak mijn moeder mij in mijn bovenarm en onder mijn borst. Ik was alleen maar bezig met de messen proberen te ontwijken. Ik wilde weg. Ik kon op een gegeven moment naar de woonkamer komen en de tussendeur dicht trekken. Deze hield ik vast en mijn moeder stond aan de andere kant van de deur te trekken om deze weer open te krijgen. Ik droeg alleen een onderbroek en een vest. Terwijl ik de deur dicht hield, bedacht ik hoe ik weg kon komen. Ik wilde niet in de kou bijna naakt de straat op. Maar ik was bang en wilde weg, dus ik heb de deur losgelaten, de voordeur losgetrokken en ik ben de straat opgerend. Ik ben gaan rennen tot ik een paar huizen verder mannen aan het werk zag. Ik heb naar hen geschreeuwd dat ik gestoken was en hulp nodig had. Zij hebben mij een woning ingehaald en de politie gebeld. Daar ben ik gebleven tot de politie en de ambulance er waren.

Ik heb een steekwond onder mijn borst en een steekwond op mijn linker bovenarm en een wond in mijn hand.

Het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , opgemaakt en ondertekend d.d.

9 januari 2019, p. 50-51:

Op 9 januari 2019, omstreeks 09.20 uur, was ik in mijn woning gelegen aan de [adres 2] te Helmond. Op dat moment hoorde ik een meisje huilen. Ik zag dat bij mijn buren een meisje voor de voordeur stond. Ik zag dat zij gekleed was in enkel ondergoed en een grijs vest.

Ik herkende het meisje als [slachtoffer] . Ik weet dat [slachtoffer] verderop in de straat woont op [adres 1] . Ik zag dat [slachtoffer] helemaal overstuur was, dat de tranen over haar wangen rolden en dat haar vest bebloed was ter hoogte van haar linker bovenarm. Ik ben naar [slachtoffer] toegelopen en heb ik haar meegenomen naar mijn woning en haar daar opgevangen.

[slachtoffer] liet mij een diepe snijwond in haar linker bovenarm zien.

[slachtoffer] had mij verteld dat ze was gestoken door haar moeder.

Het proces-verbaal van verhoor [getuige 2] en [getuige 3] , opgemaakt en ondertekend d.d. 11 januari 2019, p. 55:

De [getuige 2] en [getuige 3] werden samen gehoord en legden samen een verklaring af. Zij waren tijdens het incident de hele tijd samen en verklaarden beide hetzelfde te hebben gezien.

De getuigen verklaarden:

Ik begrijp dat u een getuigenverklaring van ons wilt opnemen in verband met de steekpartij op de [adres 1] in Helmond op 9 januari 2019. Wij waren daar samen aan het werk bij [adres 2] . Wij stonden buiten. We zagen toen een meisje bij de woning van [adres 3] staan. Het viel ons op, omdat het meisje enkel gekleed was in een string en een vest en het was koud buiten. We zagen dat het meisje onze richting op kwam. We zagen dat zij in paniek was. Dit zagen we doordat ze rende en we hoorden dat ze riep dat ze onze hulp nodig had. We zagen bloed op het vest. Er zat een grote rode plek op haar bovenarm. Haar linkerhand was ook flink bebloed. We hebben haar mee de woning in genomen en 112 gebeld.

Toen het meisje naar ons toe rende hoorden we dat ze zei dat ze gestoken was door haar moeder. We hebben haar meegenomen naar binnen en daar zagen we dat ze nog een wond onder haar borst had.

We zagen een flinke wond op haar bovenarm. Het meisje vertelde dat haar moeder haar gestoken had met twee messen.

Het proces-verbaal van verhoor inverzekeringstelling, opgemaakt en ondertekend d.d.

9 januari 2019, p. 84:

Op 9 januari 2019 om 13.15 uur hoorde ik, [verbalisant 6] , de verdachte [verdachte] .

Verdachte verklaarde: Ik heb mijn dochter met een mes gestoken.

2. Een geneeskundige verklaring met betrekking tot [slachtoffer] , opgemaakt op 17 januari 2019 door [arts] (arts), inhoudende kort en zakelijk weergegeven:

Uitwendig waargenomen letsel:

- Wond linker bovenarm, circa 4 centimeter;

- Klein steekwondje linker borstkas onder de linker borst.

Datum waarop [slachtoffer] werd onderzocht: 9 januari 2019.

De overwegingen.

Daderschap.

De verklaringen van [slachtoffer] en haar moeder, verdachte, over de toedracht lopen niet ver uiteen. Zij verklaren beiden dat de vriend van [slachtoffer] de relatie had verbroken, dat [slachtoffer] hier heel verdrietig om was en dat verdachte had beloofd haar dochter te steunen. Verdachte had beloofd dat zij geen alcohol meer zou drinken en de school zou bellen om [slachtoffer] ziek te melden. ’s Ochtends werd [slachtoffer] echter door de school uit bed gebeld. [slachtoffer] wilde haar moeder hierop aanspreken, ging naar haar moeder toe, die beneden op de bank lag te slapen, en maakte haar wakker. [slachtoffer] en haar moeder kregen vervolgens ruzie over het al dan niet ziekmelden op school én over het feit dat verdachte

– ondanks haar belofte – toch alcohol had gedronken. [slachtoffer] gooide het pak wijn van verdachte vervolgens weg, waardoor verdachte boos werd.

[slachtoffer] verklaart dan dat haar moeder enige minuten later naar de keuken loopt, daar twee messen pakt en haar vervolgens met die messen steekt. Verdachte heeft aanvankelijk bekend dat zij haar dochter heeft gestoken, maar is hier later op teruggekomen. Zij heeft verklaard dat ‘de knop op dat moment omging’ en dat zij hier geen herinnering aan heeft. De rechtbank vindt in het dossier echter op meerdere essentiële punten steun voor de verklaring van [slachtoffer] dat haar moeder haar heeft gestoken.

Allereerst past het letsel dat door verbalisanten en/of de arts bij [slachtoffer] is geconstateerd bij haar verklaring. [slachtoffer] heeft immers verklaard dat zij de eerste aanval met het mes met haar hand heeft afgeweerd en dat haar moeder haar daarna in haar arm en onder haar borst stak. Het aangetroffen letsel: een wond tussen haar duim en wijsvinger, een wond van circa 4 centimeter lang en 1 à 2 centimeter diep op haar bovenarm en een steekwond onder haar borst, ondersteunen deze lezing van [slachtoffer] .

Daarnaast vindt de verklaring van [slachtoffer] steun in getuigenverklaringen. [slachtoffer] heeft immers verklaard dat zij, nadat zij door haar moeder was gestoken, de woning uit is gevlucht en de straat op is gegaan, gekleed in enkel een vest en een onderbroek. De [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat zij [slachtoffer] in paniek op straat aantroffen, dat zij enkel gekleed ging in een vest en onderbroek en dat zij bebloed was en meerdere verwondingen had. Zij hoorden [slachtoffer] hen geëmotioneerd vertellen dat haar moeder haar had gestoken en haar deze verwondingen had toegebracht.

Verder heeft [slachtoffer] verklaard dat zij tijdens de aanval van haar moeder met een noodknop op haar telefoon 112 heeft geprobeerd te bellen. Volgens haar verklaring is dit echter niet gelukt, omdat de telefoon uit haar handen viel. Op de grond in de woning aan de [adres 1] vindt de politie de iPhone van [slachtoffer] . In de iPhone is een bericht van de politie aangetroffen, waaruit blijkt dat [slachtoffer] omstreeks het tijdstip waarop haar moeder haar zou hebben aangevallen, het alarmnummer 112 heeft geprobeerd te bellen.

Tot slot wordt de verklaring van [slachtoffer] ondersteund door het feit dat verbalisanten die direct na de melding ter plaatse gingen, verdachte op de bank in de woonkamer aantroffen met een mes in haar hand; een ander mes lag naast haar. Op een van die messen zijn rode druppels, kennelijk bloed, aangetroffen.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] , inhoudende dat haar moeder haar heeft gestoken, op essentiële punten door meerdere bewijsmiddelen wordt ondersteund. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar dochter heeft gestoken in de borststreek en de bovenarm.

Opzet.

[slachtoffer] heeft verklaard dat haar moeder tegen haar zei dat ze haar kapot zou maken en er een einde aan zou maken, toen ze met twee messen in haar handen op [slachtoffer] afliep. Hoewel dit zeer heftige bewoordingen zijn en gezien de situatie zodanig zouden kunnen worden opgevat, is de rechtbank er niet van overtuigd dat deze woorden de werkelijke intentie van verdachte op dat moment weerspiegelden. Van gericht opzet op het om het leven brengen van [slachtoffer] is de rechtbank dan ook niet gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank is wel sprake van ‘voorwaardelijk opzet’ op het om het leven brengen van [slachtoffer] . Verdachte heeft haar dochter met twee keukenmessen in haar handen achtervolgd, tot haar dochter op enig moment met haar rug tegen de muur kwam te staan. Verdachte heeft toen op haar dochter ingestoken en heeft haar in haar linker bovenarm en onder haar linker borst geraakt. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand ten gevolge hiervan komt te overlijden, aanmerkelijk. In de bovenarm lopen immers slagaders. Bij het steken in de borst kunnen vitale organen worden geraakt. De gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm dan ook zo zeer gericht op het om het leven brengen van haar dochter dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte zich van de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust is geweest én deze kans willens en wetens bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 9 januari 2019 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met twee messen heeft gestoken in de borststreek en in de bovenarm van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht er rekening mee te houden dat verdachte een blanco documentatie heeft, dat zij inmiddels al ruim drie maanden in voorarrest zit en volledig aan het onderzoek heeft meegewerkt. Voorts is verzocht er rekening mee te houden dat het feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend; verdachte voelde zich onheus bejegend door haar dochter en vanwege haar problematiek was ze niet in staat deze gevoelens te reguleren, hetgeen tot deze impulsieve agressieve actie heeft geleid.

Aangegeven is dat verdachte hulp nodig heeft, dat zij hiervoor open staat en hiervoor gemotiveerd is; verdachte kan zich vinden in de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

De verdediging heeft aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen enkele toegevoegde waarde heeft en verzoekt dan ook een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd, dan verzoekt de verdediging die te beperken tot de duur van het voorarrest. Ten aanzien van de duur van de proeftijd heeft de verdediging aangegeven dat zij vijf jaren aan de lange kant vindt, één jaar te kort vindt, en verzoekt de rechtbank dan ook een proeftijd langer dan één jaar, maar korter dan vijf jaren op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft geprobeerd haar dochter [slachtoffer] van het leven te beroven door haar neer te steken. Duidelijk is dat dit voor [slachtoffer] grote gevolgen heeft gehad. Zij ondervindt hiervan nog dagelijks de gevolgen, zoals ook uit de door haar ter terechtzitting afgelegde verklaring blijkt. Zij is het vertrouwen in zichzelf en anderen verloren, doordat haar moeder – degene die zij het allermeest vertrouwde, die er altijd voor haar had moeten zijn en voor haar had moeten zorgen – haar in hun eigen huis heeft geprobeerd van het leven te beroven. Op dit moment lijkt de band met haar moeder hierdoor onherstelbaar beschadigd te zijn. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij de schuld voor wat er tussen hen beiden is misgegaan vrijwel volledig bij haar dochter en buiten zichzelf lijkt neer te leggen. Anderzijds ziet de rechtbank ook dat dit in enige mate met de bij verdachte spelende problematiek samenhangt.

De rechtbank is van oordeel dat voor een dergelijk ernstig feit vanuit het oogpunt van vergelding en normbevestiging in beginsel enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren passend is. Echter, de rechtbank houdt er rekening mee dat het feit verdachte blijkens de psychologische rapportage van 22 maart 2019 in verminderde mate kan worden toegerekend. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat hulpverlening – meer dan afstraffing – voorop dient te staan in deze zaak.

De psycholoog heeft gerapporteerd dat verdachte lijdende is aan een posttraumatische stress-stoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, die gekenmerkt wordt door een instabiel zelfbeeld, impulsiviteit en affectieve instabiliteit. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol. De psycholoog en de reclassering achten een langdurige behandeling noodzakelijk om het hoge recidiverisico in te kunnen perken. De reclassering adviseert een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met als bijzondere voorwaarden – kort samengevat – een meldplicht, een klinische behandeling van maximaal 12 maanden, aansluitend daarop een ambulante behandeling en een begeleid wonen-traject, een alcoholverbod en de verplichting mee te werken aan de controles op dit verbod. Daarnaast adviseert de reclassering om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat verdachte, zolang de reclassering dat nodig vindt, niet op hetzelfde adres zal verblijven als haar dochter [slachtoffer] .

De rechtbank is – in navolging van de adviezen – van oordeel dat hulpverlening noodzakelijk is om het recidiverisico in te perken. De rechtbank zal dan ook bovengenoemde bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte opleggen. De rechtbank vindt, gelet op het hoge recidiverisico, een proeftijd van 3 jaren niet afdoende. De rechtbank zal, ter voorkoming van recidive en ter bescherming van [slachtoffer] , een proeftijd van 5 jaren opleggen. De klinische behandeling, de ambulante behandeling en het begeleid wonen zullen naar verwachting lange tijd in beslag nemen; dit mede gezien de complexe problematiek die speelt bij verdachte en haar zeer forse alcoholverslaving. Bovendien heeft verdachte tot nu toe zorgmijdend gedrag vertoond. Verdachte geeft nu weliswaar aan hulp te willen en zegt gemotiveerd te zijn voor een behandeling; echter hiervan is in het verleden ook sprake geweest, maar desondanks is zij zorgmijdend gebleven. De rechtbank acht het noodzakelijk dat lange tijd hulpverlening en, zo lang als nodig is, een verplichting tot behandeling en begeleiding aanwezig zullen zijn. Daarbij is relevant dat het gaat om een moeder-dochter relatie. [slachtoffer] heeft weliswaar aangegeven geen contact meer met haar moeder te willen. De rechtbank kan echter niet uitsluiten dat zij, gezien haar jonge leeftijd en mede gezien de relatie die zij en haar moeder blijkens de psychologische rapportage voorheen hadden, op enig moment wel weer contact met haar moeder zal zoeken.. De rechtbank acht het ter bescherming van [slachtoffer] dan noodzakelijk dat zij en haar moeder hierin begeleid worden.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals hierboven weergegeven een passende strafoplegging vormt. De rechtbank legt daarmee een lichtere gevangenisstraf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank (nog) meer dan de officier van justitie van oordeel is dat hulpverlening voorop dient te staan.

De rechtbank zal bevelen dat de voorwaarden die aan de voorwaardelijke straf zijn verbonden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, aangezien de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht € 13.742,50 toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de reiskosten heeft de verdediging de reiskosten van het met de auto naar school gaan betwist. De verdediging is van mening dat deze kosten niets met het incident te maken hebben; daarvoor ging [slachtoffer] ook al met de auto naar school.

Ten aanzien van de studievertraging heeft de verdediging aangevoerd dat dit een ingewikkelde vordering is en dat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Aangevoerd is dat de studievertraging niet geheel aan het incident is toe te schrijven; het ging daarvoor ook al niet goed op school. Enkel de aanwezigheidsoverzichten vanaf januari 2019 zijn overgelegd, terwijl voor de beoordeling van deze schadepost in ieder geval ook de overzichten vanaf september 2018 hadden moeten worden overgelegd. Het in de gelegenheid stellen die overzichten alsnog over te leggen, levert naar mening van de raadsman echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. De raadsman verzoekt dit deel van de vordering dan ook af te wijzen of de benadeelde partij hierin niet ontvankelijk te verklaren.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde immateriële schade aan de hoge kant is en verzoekt hij deze te matigen.

Beoordeling.

* Reiskosten

De rechtbank acht € 46,23, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade voor reiskosten, toewijsbaar. Dit bedrag bestaat uit de reiskosten voor het gaan naar de huisarts, de apotheek, de GGZ, het gesprek met de officier van justitie en de zitting, welke laatste beide hebben plaatsgevonden op 19 april 2019. Ten aanzien van de gevorderde reiskosten voor het van en naar school gaan met de auto, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. De rechtbank is niet gebleken dat deze reiskosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit.

* Medische kosten en schade aan het vest

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding van € 56,28 voor medische kosten en een schadevergoeding van € 15,- voor schade aan het vest gevorderd. De rechtbank acht de medische kosten voldoende onderbouwd en zal deze dan ook toewijzen. De rechtbank maakt voor het vaststellen van de schade aan het vest gebruik van haar schattingsbevoegdheid; een bedrag van € 15,- als vergoeding voor deze schade komt de rechtbank redelijk en billijk over, zodat de rechtbank ook die schade zal toewijzen zoals gevorderd.

* Studievertraging

De benadeelde partij heeft voorts een schadevergoeding van € 8.425,- gevorderd wegens opgelopen studievertraging. De rechtbank acht dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering op dit punt zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal de benadeelde partij ten aanzien van dat deel dan ook niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

* Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 5.000,- gevorderd.

De rechtbank acht dit bedrag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank acht in totaal dan een bedrag van € 5.117,51 toewijsbaar, bestaande uit een bedrag van € 117,51 aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het bedrag van € 117,51 (materiële schadevergoeding) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag van € 5.000,- (immateriële schadevergoeding) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het bedrag van € 117,51 (materiële schadevergoeding) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag van € 5.000,- (immateriële schadevergoeding) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om de verbeurdverklaring van de in beslag genomen messen te gelasten.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen opmerkingen over het beslag gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met behulp van welke het feit is begaan; en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

art. 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslagVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

5 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt bij verslavingsreclassering Novadic-Kentron of soortgelijke instelling. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

- zich laat opnemen/behandelen bij Novadic-Kentron te Vught of een soortgelijke forensische verslavingskliniek, welke is bepaald door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zodra er een opnamedatum bekend is of zoveel eerder middels overbruggingszorg. De opname duurt 12 maanden of zoveel korter dan de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zich laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na afloop van de klinische behandeling. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij een aanleiding die zich kan voordoen, bijvoorbeeld terugval in middelengebruik,

overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- zich conformeert aan de begeleiding door een nader te bepalen zorginstelling voor ambulante woonbegeleiding, zolang de reclassering het nodig acht;

- geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit alcoholverbod, zolang de reclassering het nodig acht. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest);

- niet op hetzelfde adres zal verblijven als het slachtoffer, zolang de reclassering het nodig acht,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te

's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 5.117,51 subsidiair 60 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 5.117,51 (zegge: vijfduizend honderdzeventien euro en eenenvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van

EUR 5.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 117,51 materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde

betalingsverplichting niet op.

Het bedrag van EUR 117,51 (materiële schadevergoeding) te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf 19 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag van EUR 5.000,- (immateriële schadevergoeding) te vermeerderen met

de wettelijke rente vanaf 9 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van

EUR 5.117,51 (zegge: vijfduizend honderdzeventien euro en eenenvijftig eurocent), te weten EUR 5.000,- immateriële schadevergoeding en EUR 117,51 materiële schadevergoeding.

Het bedrag van EUR 117,51 (materiële schadevergoeding) te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf 19 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag van EUR 5.000,- (immateriële schadevergoeding) te vermeerderen met

de wettelijke rente vanaf 9 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

2 keukenmessen, G1452865.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. Kraniotis, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Hulst, griffier,

en is uitgesproken op 3 mei 2019.

Mr. B. Damen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.