Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:2509

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
02-05-2019
Zaaknummer
01/860277-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van synthetische drugs. De rechtbank kan niet vaststellen of verdachte in het laboratorium in aanbouw in Friesland aanwezig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860277-18
Parketnummer vordering: 02/800267-17

Datum uitspraak: 2 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 april 2019, 2 april 2019, 3 april 2019, 4 april 2019 en 18 april 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 februari 2019.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 4 april 2018 te [pleegplaats] ( [gemeente] ),in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van

Nederland brengen van een of meer middel(en) vermeld op lijst I van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

-(telkens) een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die

feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om

daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen te verschaffen en/of

- (telkens) zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te

verschaffen en/of

- (telkens) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die

bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij verdachte en/of zijn mededader(s):

- (een) loods(en), althans ruimte(s)/ schu(u)r(en), gehuurd en/of laten huren en/of gebruikt en/of laten gebruiken voor de productie van synthetische drugs en/of

-een of meer voertuigen gehuurd en/of geregeld en/of bestuurd en/of laten besturen om chemicaliën en/of grondstoffen en/of hardware te vervoeren en/of

- hardware, onder andere ketels gefabriceerd en/of laten fabriceren en/of

-chemicalien en/of grondstoffen, onder andere methanol en/of APAA(N) en/of formamide en/of zoutzuur en/of zwavelzuur en/of hardware,onder andere ketels en/of drukvaten en/of glaswerk en/of kookplaten voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 02/800267-17 is aangebracht bij vordering van 9 maart 2019. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda d.d. 17 oktober 2017. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

In oktober 2017 is onder leiding van het Openbaar Ministerie door de politie eenheid Oost-Brabant een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Marne. Dit onderzoek werd onder andere opgestart naar aanleiding van TCI-meldingen met betrekking tot [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in relatie tot onder andere de productie van synthetische drugs. Er zijn diverse bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet, waarbij het onderzoek zich in beginsel richtte op [medeverdachte 1] . Gedurende het onderzoek komen diverse locaties en medeverdachten in beeld.

Het opsporingsonderzoek heeft uiteindelijk geleid tot een actiedag op 4 april 2018 waarbij de diverse in beeld gekomen locaties worden betreden. Eén van die locaties is een schuur te [pleegplaats] , een dorp in Friesland. Er wordt een laboratorium in aanbouw aangetroffen voor de vervaardiging van synthetische drugs. Ook op andere locaties worden druggerelateerde goederen en stoffen in beslag genomen. Verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] worden die dag aangehouden.

Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldigd van het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op de productie van amfetamine.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft op gronden zoals vermeld in zijn schriftelijke pleitnota betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak.

De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van herkenning, op pagina 655 en verder in het dossier, geen directe herkenning bevat. De verbalisanten relateren dat zij onderzoek hebben verricht ten einde de identiteit van de personen te achterhalen die op 19 en 20 maart 2018 zijn gezien bij de schuur te [pleegplaats] . Dit onderzoek heeft geleid tot de naam [medeverdachte 7] . Vervolgens wordt aan de hand van foto’s vastgesteld wat de identiteit van de NN personen is. Door de verbalisanten wordt niet omschreven op basis van welke specifieke persoonskenmerken zij de verdachten herkennen. Derhalve dient de rechtbank op basis van eigen waarnemingen te beoordelen of verdachte de persoon is die op 20 maart 2018 door het observatieteam zijn gefotografeerd.

De rechtbank stelt op basis van eigen waarneming vast dat op de foto van de persoon afgebeeld onderaan pagina 657 van het dossier specifieke persoonskenmerken slecht zichtbaar zijn. Dit komt mede doordat die persoon een pet draagt. De rechtbank kan op basis van deze foto niet vaststellen of specifieke persoonskenmerken van verdachte overeenkomen met persoonskenmerken van deze persoon. Daaruit volgt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte op 19 en 20 maart 2018 in [pleegplaats] is geweest. Het dossier bevat voor het overige geen bewijs voor enige betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde. Daarom acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 02/800267-17.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen omdat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit en dus kan niet worden geoordeeld dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling: Afwijzing van de vordering met parketnummer 02/800267-17 van de officier van justitie d.d. 6 maart 2019.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. T. Kraniotis en mr. A. Bernsen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,

en is uitgesproken op 2 mei 2019.