Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:220

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
18_1472
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak waarin de gemeente bij de verlening van een omgevingsvergunning voor 12 woningen eerst afweek van een beeldkwaliteitsplan en later dacht dat dit toch niet nodig was. De rechtbank is van oordeel dat het beeldkwaliteitsplan integraal deel uitmaakt van de planregels. Het beeldkwaliteitsplan bevat enkele voldoende concrete normen om het bouwplan aan te toetsen. Het bouwplan is in strijd met deze normen. Bovendien is niet goed beoordeeld of er voldoende parkeerplaatsen zijn. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en schorst de omgevingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 18/1472, 18/1473, SHE 18/1474, SHE 18/1451, SHE 18/1496,

SHE 18/1489 en SHE 18/1490

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 januari 2019 in de zaken tussen

[eiser] , [eiser] en [eiser] , te [woonplaats] eisers 1 tot en met 3

(gemachtigde: D.T.M. Derks),

[eiser] en [eiser] , te [woonplaats] , eisers 4,

(gemachtigde: mr. C. Jansen),

[eiser] , te [woonplaats] , eiser 5,

(gemachtigde: mr. C. Jansen),

[eiser] , te [woonplaats] , eiser 6,

(gemachtigde: mr. D. van de Weerdt),

[eiser] , te [woonplaats] , eiser 7,

(gemachtigde: mr. J. Schoneveld)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, verweerder

(gemachtigde: mr. R.E.H.G. Paping Driessen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], te [vestigingsplaats] (vergunninghoudster), gemachtigde: mr. I.L. van Geel.

Procesverloop

In het besluit van 13 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 10 huizen met schuur aan het adres [adres] en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

In het besluit van 8 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit van 13 oktober 2017 herroepen en aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld. De zaken zijn geregistreerd onder de hierboven genoemde zaaknummers.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op 4 december 2018. Eisers, met uitzondering van eiser 6, zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van R. van der Geld. De gemachtigde van de derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Vergunninghoudster heeft op 27 juni 2017 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van de 10 in het procesverloop genoemde woningen. Eisers zijn omwonenden van de projectlocatie.

1.2

Op de projectlocatie zijn de voorschriften van het bestemmingplan “De Rijtse Vennen” (het bestemmingsplan) van toepassing. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 15 september 2009. Als bijlage bij de regels is gevoegd het beeldkwaliteitsplan “Rijtse Vennen” (beeldkwaliteitsplan). Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het beeldkwaliteitsplan gelijktijdig met het bestemmingsplan de procedure heeft doorlopen. Het beeldkwaliteitsplan is daarna niet gewijzigd.

2. In het primaire besluit heeft verweerder aan vergunninghoudster met toepassing van artikel 2:12, eerste lid, onder a ten 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een omgevingsvergunning verleend. In het bestreden besluit heeft verweerder, overigens deels in afwijking van het advies van de gemeentelijke bezwarencommissie de bezwaren gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en opnieuw omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de (Wabo).

3. Op de zitting heeft eiser 6 de beroepsgrond met betrekking tot het ontbrekende bodemonderzoek ingetrokken.

4.1

Alle eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan moet worden getoetst aan het beeldkwaliteitsplan op grond van artikel 8.1.2. van de planregels en dat het beeldkwaliteitsplan een juridische status heeft. Eiser 5 heeft in aanvulling op bovenstaande beroepsgronden nog aangevoerd dat verweerder in de verkoopbrochure van bouwgrond uitdrukkelijk verwijst naar de koppeling tussen het beeldkwaliteitsplan en de voorschriften van het bestemmingsplan.

4.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beeldkwaliteitsplan onvoldoende juridisch is verankerd. Verweerder dacht in het primaire besluit nog wel dat het beeldkwaliteitsplan een juridische status had en heeft daarom ook vergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan. In het primaire besluit heeft verweerder overwogen dat het bouwplan niet voldoet aan twee punten van het beeldkwaliteitsplan (‘maximaal één woonlaag met kap’ en ‘voorgevelrooilijn overige woningen tussen de 4 en 6 meter’). Maar verweerder is tot andere inzichten gekomen op basis van een advies van SAOZ. In de toelichting en voorschriften van het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan valt volgens verweerder op te maken dat het kennelijk de bedoeling is geweest een juridische koppeling te maken tussen toetsing aan het bestemmingsplan en de toetsing aan het beeldkwaliteitsplan. Dat is echter niet gebeurd omdat in paragraaf 1.4 van het beeldkwaliteitsplan weliswaar staat dat in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan is neergelegd dat onder het plan dat onder het plan naast de regels en de plankaart ook het beeldkwaliteitsplan wordt verstaan, maar dat het bestemmingsplan een dergelijke bepaling niet kent. Uit artikel 8.1.2. van de planvoorschriften volgt niet bindend dat bij strijd met het beeldkwaliteitsplan ook sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

4.3

Artikel 8.1.2 van de planregels luidt als volgt: “het Beeldkwaliteitsplan De Rijtse Vennen en de daarin opgenomen normen zullen mede als toetsingskader dienen voor burgemeester en wethouders bij de bouwvergunningverlening voor de woningen.” Artikelen 4.1.2 en 6.1.2 van de planregels bevatten soortgelijke bepalingen. In artikel 1 van de planregels is een definitie van bestemmingsplan opgenomen: “de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0762.BPRijtseVennen-0003.gml met de bijbehorende regels.” In de toelichting op het bestemmingsplan staat niets vermeld over de status van het beeldkwaliteitsplan. In het beeldkwaliteitsplan zelf staat het volgende vermeld: “Het beeldkwaliteitsplan is juridisch gemaakt en maakt deel uit van de voorschriften van het bestemmingsplan. In de begripsbepalingen van het bestemmingsplan is neergelegd dat onder het plan, naast de regels en de plankaart, ook het beeldkwaliteitsplan wordt verstaan.”

4.4

De rechtbank is van oordeel dat het beeldkwaliteitsplan integraal deel uitmaakt van de planregels. In de eerste plaats omdat het beeldkwaliteitsplan als bijlage bij de planregels deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Volgens artikel 8.1.2 van de planregels is het beeldkwaliteitsplan mede toetsingskader voor vergunningverlening. Het woord ‘toetsingskader’ kan niet anders worden uitgelegd dan dat het beeldkwaliteitsplan integraal onderdeel uitmaakt van de planregels. De definitie van het woord ‘bestemmingsplan’ in de planregels staat aan deze uitleg niet in de weg. Het beeldkwaliteitsplan is immers onderdeel van de planregels. Overigens hecht de rechtbank bij de uitleg van de planregels geen waarde aan de tekst uit de verkoopbrochure. Verweerder merkt terecht op dat het beeldkwaliteitsplan op zichzelf bezien geen plan of ander instrument is op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Maar dat doet zich hier ook niet voor omdat door de verwijzing in de planregels het beeldkwaliteitsplan zelf onderdeel uitmaakt van de planregels. Het ontbreken van een formulering in de planregels waaruit volgt dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd als sprake is van strijd met het beeldkwaliteitsplan leidt niet tot een ander oordeel. Dat hoeft ook niet in de planregels te worden opgenomen, dit volgt rechtstreeks uit artikel 2.1 eerste lid onder a, in samenhang met artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het ontbreken van regels om af te wijken van het beeldkwaliteitsplan wil evenmin zeggen dat het beeldkwaliteitsplan geen onderdeel uitmaakt van de planregels. Overigens heeft verweerder op basis van de algemene ontheffingsregels in artikel 14 van de planregels de bevoegdheid om af te wijken van het beeldkwaliteitsplan.

4.5

De vervolgvraag is of het bouwplan in strijd is met het beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan bevat vooral een beschrijving van het ideaalbeeld van de wijk. Deze algemene beschrijving is als zodanig onvoldoende concreet om een bouwplan aan te toetsen. Maar op onderdelen is het beeldkwaliteitsplan wel gedetailleerd en concreet. Zo is in het beeldkwaliteitsplan bepaald dat de hoogte van de bebouwing is gerelateerd aan de plek in de planstructuur en de betekenis van een gebouw in de omgeving. Op een tekening zijn de bouwhoogten aangegeven. Op de tekening staan ter plaatse van de bouwlocatie 6 vrijstaande bouwwerken in één bouwlaag met een kap aangegeven. De rechtbank acht dit voldoende concreet om het bouwplan aan te toetsen. Omdat het bouwplan voorziet in meerlaagse aaneengebouwde woningen, is het bouwplan op dit onderdeel in strijd met het beeldkwaliteitsplan en dus in strijd met de planregels. In het beeldkwaliteitsplan is ook een themakaart rooilijnen opgenomen. Hierop staan voorgevelrooilijnen aangegeven. Ook dit acht de rechtbank voldoende concreet om het bouwplan aan te toetsen. Het bouwplan voorziet in woningen die worden gebouwd voor deze voorgevelrooilijnen en is ook op dit onderdeel in strijd met het beeldkwaliteitsplan en dus in strijd met het bestemmingsplan.

4.6

Eisers 3 hebben ook nog aangevoerd dat de procedure in paragraaf 1.5 van het beeldkwaliteitsplan niet is gevoerd. Deze procedure verplicht tot een stedenbouwkundige en architectonische toets van een conceptbouwplan door een kwaliteitsteam voorafgaand aan het indienen van de formele aanvraag omgevingsvergunning. De rechtbank is van oordeel dat deze procedure geen juridische basis heeft de Wro of de Wabo. Verweerder dient in zoverre het beeldkwaliteitsplan buiten beschouwing te laten. Voor zover het beeldkwaliteitsplan zou verplichten tot het volgen van deze procedure voorafgaand aan het indienen van een formele aanvraag voor een omgevingsvergunning, is het beeldkwaliteitsplan in strijd met de Wro en de Wabo.

4.7

Meerdere eisers wijzen naar het stedenbouwkundig plan (pagina 4 van het Beeldkwaliteitsplan) en merken op dat er niet 5 vrijstaande woningen worden gebouwd maar dat het bouwplan voorziet in twee blokken van vijf aaneen gebouwde woningen. Het beeldkwaliteitsplan zou ook verplichten tot meer diversiteit in de wijk. In hoofdstuk 2 van het beeldkwaliteitsplan staat over het stedenbouwkundige plan niet vermeld dat er vrijstaande woningen moeten komen op de aangegeven plaatsen. In hoofdstuk 3 van het beeldkwaliteitsplan vindt een uitwerking plaats en worden stedenbouwkundige criteria gegeven. Over woningtypologie is slechts vermeld dat er een afwisseling moet zijn tussen beslotenheid en transparantie in de bebouwingsstructuur (de door eisers bedoelde diversiteit). De rechtbank vindt het beeldkwaliteitsplan op deze onderdelen onvoldoende concreet om aan te toetsen, laat staan hieruit af te leiden dat er maar 5 vrijstaande woningen mogen worden gebouwd. Er wordt geen bepaald woningtype op een bepaalde plaats voorgeschreven in het beeldkwaliteitsplan, enkel een meer open structuur dan aaneengesloten (rijtjes)huizen.

De rechtbank concludeert dat het bouwplan op twee onderdelen in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft dit niet onderkend bij het nemen van het bestreden besluit. Verweerder is afgeweken van het beeldkwaliteitsplan op genoemde onderdelen in het primaire besluit. Dat zal de rechtbank aan het einde van de uitspraak bespreken.

5.1

Eisers 1 hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat de bestemmingsplanvoorschriften geen verwijzing bevatten naar de in de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen wegprofiel.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de situering van de woningen de bestemming ‘Verkeer’ zoals opgenomen in artikel 7 van de planregels, niet frustreert.

5.2

De tien woningen zijn geheel geprojecteerd op gronden met de bestemming ‘Wonen’. In deze planregel is geen verwijzing opgenomen naar het in de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen wegprofiel. Deze verwijzing is wel opgenomen in artikel 7 van de planregels maar er wordt niet gebouwd op de bestemming ‘verkeer’. De rechtbank ziet niet in waarom het bouwplan in strijd zou zijn met het wegprofiel in het bestemmingsplan. Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Eiser 3 heeft ook aangevoerd dat uit artikel 8.3.7 van de planvoorschriften blijkt dat verweerder nadere eisen kan stellen aan de situering en afmeting van de bebouwing waaruit blijkt dat het beeldkwaliteitsplan een nadere invulling is van de in dit artikel genoemde bevoegdheid.

6.2

Verweerder heeft gesteld dat hij op grond van artikel 8.3.7. van het bestemmingsplan nadere eisen kan stellen met betrekking tot de situering en afmeting van de in artikel 8.2.1 en 8.3.1. van het bestemmingsplan genoemde bebouwing. Omdat het bouwplan voldoet aan de bouwregels van artikel 8.3.1 van het bestemmingsplan en zich geen van de in artikel 8.3.7. genoemde omstandigheden voordoen, heeft verweerder geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid en heeft verweerder hier ook geen aanleiding voor gezien.

6.3

De rechtbank overweegt dat het stellen van nadere eisen een bevoegdheid is en geen verplichting. Verweerder heeft geen gebruik hoeven gemaakt van deze bevoegdheid. Verweerder hoefde dit ook niet te doen vanwege het beeldkwaliteitsplan omdat het beeldkwaliteitsplan zelf al een planregel is. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Deze beroepsgrond faalt.

7.1

Tot slot hebben eisers 1 aangevoerd dat de bouw van twee rijen van vijf woningen met twee bouwlagen en een kap, die hoger zijn en dichter bij hun huizen komen dan in het beeldkwaliteitsplan is voorzien, leidt tot verlies aan zonlicht en privacy op hun perceel respectievelijk in hun woning.

7.2

Verweerder heeft hieromtrent gesteld dat deze factoren aan de orde komen bij een belangenafweging. Hier is echter sprake van een gebonden beschikking en daarom zijn deze gronden geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10 van de Wabo..

7.3

Gelet op hetgeen hierboven is geoordeeld, is het bouwplan wel in strijd met artikel 2.1, eerste lid onder a, van de Wabo en heeft verweerder in het bestreden besluit de door eisers 1 aangevoerde belangen onvoldoende betrokken in de heroverweging. Deze beroepsgrond slaagt.

8.1

Eisers 2 hebben verder aangevoerd dat niet aan de parkeernormen wordt voldaan. Er worden maar 10 van de 18 benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Verweerder heeft ten onrechte ontheffing verleend omdat er voldoende parkeercapaciteit in de wijk aanwezig is. De in de bezwaarfase opgestelde second opinion van adviesbureau Buiten-Ruimte is niet objectief en klopt niet omdat het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de wijk niet juist in kaart is gebracht. Ook is de parkeerbehoefte op basis van het beeldkwaliteitsplan niet juist vastgesteld en klopt de parkeerbehoefte op basis van de Nota parkeernormen 2013 niet. Dit alles resulteert volgens eisers in een totaal tekort aan parkeerplaatsen in de wijk van 36,2 parkeerplaatsen.

8.2

Verweerder heeft na het bestreden besluit nogmaals advies ingewonnen. Onder verwijzing naar het aanvullende advies van bureau Buitenruimte van 12 november 2018 is verweerder van mening dat wel aan de parkeernormen wordt voldaan. Na realisatie van de 10 woningen en het na het realiseren van twee extra parkeerplaatsen door het efficiënter inrichten van de openbare ruimte is er een overschot van 1,5 parkeerplaatsen in deelgebied 12 waar de woningen zullen worden gerealiseerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit getoetst aan de gemeentelijke bouwverordening.

8.3

Verweerder is niet gehouden een onafhankelijk advies over parkeren ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit. De enkele omstandigheid dat medewerkers van Buitenruimte zijn gedetacheerd bij de gemeente, wil volgens de rechtbank niet zeggen dat verweerder het advies van Buitenruimte niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

8.4

De rechtbank zal eerst onderzoeken aan welke parkeernormen in het bestreden besluit had moeten worden getoetst. Het beeldkwaliteitsplan bevat namelijk ook een parkeernorm.

Op basis van artikel XXIII, onder c, van de Reparatiewet BZK 2014 is het vijfde lid van artikel 8 van de Woningwet komen te vervallen. Dit artikel voorzag in de mogelijkheid om in de gemeentelijke bouwverordening voorschriften van stedenbouwkundige aard, zoals parkeernormen, op te nemen. Ingevolge artikel 133, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit is toegevoegd ingevolge artikel XXIII, onder h, van de Reparatiewet BZK 2014, blijft, voor gebieden waar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro van toepassing is, artikel 8, vijfde lid, zoals dat laatstelijk luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing tot het tijdstip van wijziging van het bestemmingsplan voor het gebied, doch uiterlijk tot 1 juli 2018.

In dit geval is het geldende bestemmingsplan vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 en nadien niet gewijzigd. Daarom was ten tijde van het bestreden besluit de bouwverordening van toepassing. Na 1 juli 2018 zijn overigens de parkeernormen van het beeldkwaliteitsplan van toepassing.

8.5

In het eerste advies van Buitenruimte van 8 maart 2018 is uitgegaan van in totaal 68,9 benodigde parkeerplaatsen in deelgebied 12 in openbaar gebied, inclusief de 6 parkeerplaatsen in openbaar gebied ten behoeve van het bouwplan. Er zijn 70,2 parkeerplaatsen beschikbaar in openbaar gebied. Uit het aanvullende advies van Buitenruimte van 12 november 2018 volgt dat de telling onjuist is geweest en dat er een tekort is aan benodigde parkeerplaatsen. Buitenruimte heeft enkele oplossingen aangedragen voor dit tekort.

8.6

De rechtbank leidt uit het aanvullende advies van Buitenruimte af dat verweerder het eerste advies niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het bestreden besluit. Zolang de door Buitenruimte in het aanvullende advies beschreven maatregelen niet zijn uitgevoerd, is niet zeker dat er voldoende parkeerplaatsen zijn na verlening van de ontheffing. De vrees voor parkeeroverlast in deelgebied 12 van eisers is dus vooralsnog terecht. Verweerder heeft dit onvoldoende onderkend. Daarom slaagt deze beroepsgrond.

9.1

Eisers 2 hebben verder nog aangevoerd dat niet is gebleken dat de welstandscommissie het bouwplan heeft getoetst aan het beeldkwaliteitsplan, dat de in het beeldkwaliteitsplan voorgeschreven wijze van regievoering heeft plaatsgevonden en dat niet vaststaat dat de voorgeschreven procedure voor bouwplannen in de Rijtse Vennen is nageleefd.

9.2

Verweerder heeft gesteld dat in de welstandsnota geen koppeling wordt gemaakt met het beeldkwaliteitsplan. Een beeldkwaliteitsplan krijgt alleen een juridische toetsingsstatus door een formele koppeling aan de welstandsnota. De welstandsnota kent 16 gebieden waarvoor gebiedsgerichte welstandseisen worden genoemd. Het bouwplan is getoetst aan categorie 12, thematische woningbouw.

9.3

Op bladzijde zes van de Welstandsnota 2016 staat het volgende: Zowel het bestemmingsplan als de welstandsnota regelt de kwaliteit van de gebouwde omgeving. In beide documenten zijn voorschriften opgenomen voor het oprichten van bouwwerken. (…) De welstandsbeoordeling van een bouwwerk vindt plaats op basis van de criteria van de welstandsnota en niet op basis van het beeldkwaliteitplan tenzij dat expliciet zo in de welstandsnota is bepaald.

9.4

De rechtbank overweegt dat de welstandsnota geen koppeling met het beeldkwaliteitsplan bevat. De enkele omstandigheid dat de welstandscommissie niet zou hebben getoetst aan het beeldkwaliteitsplan, wil niet zeggen dat de welstandscommissie in strijd met de welstandsnota heeft getoetst.

10.1

De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal nagaan of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen in stand te laten. In het primaire besluit is verweerder namelijk nog afgeweken van het beeldkwaliteitsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a sub 2, van de Wabo.

10.2

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de stedenbouwkundige motivering van het bestreden besluit. Dit is aanleiding geweest voor verweerder om een aanvullende stedenbouwkundige notitie in te brengen. Eisers hebben hierop gereageerd. De commissie bezwaarschriften van de gemeente Deurne heeft geadviseerd om het aanvullende stedenbouwkundige advies niet ten grondslag te leggen aan vergunningverlening omdat hierin volgens de commissie naar een doel toe is geredeneerd. De commissie vindt ook dat een deugdelijke belangenafweging ontbreekt. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd afgeweken van het advies van de commissie omdat verweerder inmiddels van mening was dat hij niet hoefde af te wijken van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat dit standpunt onjuist is. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet opportuun is om de rechtsgevolgen in stand te laten. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen en hierbij ook het advies van de commissie bezwaarschriften moeten betrekken.

11. De rechtbank ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en schorst het primaire besluit tot en met 6 weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,00 voor eisers 4 en 5 gezamenlijk, € 1.024,00 voor eisers 6 en € 1.024,00 voor eisers 7, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak;

  • -

    schorst het primaire besluit tot en met zes weken na bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 4 en 5 tot een bedrag van
€ 1536,00, de proceskosten van eisers 6 tot een bedrag van € 1.024,00 en de proceskosten van eisers 7 tot een bedrag van €1.024,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.