Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1973

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-04-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
18_655
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Endotoxinen en volksgezondheid

De rechtbank is van oordeel dat de gemeente Laarbeek de omgevingsvergunning voor een uitbreiding van een varkensbedrijf gedeeltelijk kon weigeren vanwege de toename van de uitstoot van endotoxinen. Op basis van een advies van de StAB concludeert de rechtbank dat de grenswaarde voor de uitstoot voldoende is onderbouwd en dat verweerder gebruik mocht maken van de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid; Endotoxine toetsingskader 1.0. Verweerder heeft beoordelingsruimte bij het beslissen op een aanvraag omgevingsvergunning milieu. Deze beoordelingsruimte kan verweerder ook benutten om de risico’s van uitstoot van endotoxinen te betrekken, ook in het geval er nog geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over endotoxinen bestaan. Het gebruik van deze beoordelingsruimte kan ook leiden tot de gedeeltelijke weigering van de omgevingsvergunning. Het beroep van omwonenden tegen verlening van het resterende deel van de vergunning slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 18/655 en SHE 18/659

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2019 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser 1

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

[eisers] , te [woonplaats] , eisers 2

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek, verweerder

(gemachtigde: E.L.A. Kramer, F. Stouthart, J.M.A. Pauw en D. Bussers-Crielaars).

Eiser 1 en eisers 2 zijn belanghebbende bij elkaars beroep.

Procesverloop

In een besluit van 2 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van een agrarisch bedrijf voor het houden van vleesvarkens, aan de [adres] .

Eiser 1 en eisers 2 hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van eiser 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/655, dat van eisers 2 onder zaaknummer SHE 18/659.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2018. Eiser 1 is verschenen met zijn gemachtigde. Eisers 2 zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De zaken zijn destijds gelijktijdig behandeld met twee handhavingszaken die hebben geleid tot de uitspraken van deze rechtbank van 18 januari 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:238 en ECLI:NL:RBOBR:2019:239).

Het onderzoek is geschorst. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrecht (StAB) ingeschakeld. De StAB heeft op 21 januari 2019 advies uitgebracht. Eiser 1 heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek is ter zitting van 19 maart 2019 voortgezet. Eiser 1 is verschenen met zijn gemachtigde. Eisers 2 zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze uitspraak worden eerst de feiten op een rij gezet. Daarna worden de beroepsgronden van eiser 1 en eisers 2 behandeld.

Feiten

2.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser 1 heeft meerdere bedrijven waaronder het bedrijf aan de [adres] (de inrichting). Voor dit bedrijf is op 24 juni 2002 een omgevingsvergunning verleend voor het houden van 2.603 vleesvarkens in één stal. Eisers 2 wonen in de directe omgeving van de inrichting.

2.2

Eiser 1 heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitbreiden naar 3070 vleesvarkens, met een ander stalsysteem en voor het bouwen van een loods. In het ontwerpbesluit was verweerder van plan om deze aanvraag helemaal in te willigen. Eisers 2 hebben hiertegen zienswijzen naar voren gebracht.

3. In het bestreden besluit is eiser een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de werking van het bedrijf (het wijzigen van het stalsysteem) en het bouwen van de loods. Daarnaast is een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend voor het verrichten van activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten). De uitbreiding naar 3.070 dieren is echter geweigerd. Het betreft een revisievergunning (als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verder: Wabo).

De beroepsgronden van eisers 2

4. Het beroep van eisers 2 is uitsluitend gericht tegen de verlening van de omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting en voor het bouwen. Aan het beroepschrift zijn handtekeningen van andere omwonenden gehecht. Deze personen hebben echter geen zelfstandig beroep ingesteld. Eisers 2 hebben dit op de eerste zitting desgevraagd uitdrukkelijk bevestigd.

5.1

Eisers 2 merken op dat de geurbelasting na vergunningverlening op de woning [adres] nog steeds hoger is dan is toegelaten op basis van de wettelijke normen. De geurbelasting op de woning [adres] is zelfs hoger dan 20 Oue/m³ en dat is volgens eisers 2 de grens voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.2

Verweerder heeft aangevoerd dat de inrichting voor een aantal geurgevoelige objecten niet voldoet aan de normen voor geurbelasting uit artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en artikel 3 van de Verordening geurhinder en veehouderij van 13 maart 2008. In dit geval is echter op basis van de Wgv sprake van een bestaande overbelaste situatie. Omdat vergunninghouder geur reducerende maatregelen neemt wordt voldaan aan artikel 3, vierde lid, van de Wgv en kan de gevraagde omgevingsvergunning niet op grond van de Wgv worden geweigerd.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag met aanpassingen kan worden ingewilligd met toepassing van artikel 3, vierde lid van de Wgv. Op basis van dit artikel kan de vermindering van geurbelasting die wordt bereikt door nieuwe technische maatregelen voor de helft worden ingezet voor het uitbreiden van het bedrijf. Eisers 2 hebben niet aannemelijk gemaakt dat de invoergegevens voor de geurberekening niet kloppen. Bovendien vindt in het bestreden besluit geen uitbreiding van het bedrijf plaats. Eisers 2 hebben dus eigenlijk alleen maar voordeel bij het bestreden besluit. Dit besluit verplicht eiser 1 tot het treffen van de aangevraagde technische maatregelen en dus tot het verminderen van de bestaande geurbelasting zonder dat eiser 1 hier extra dieren mag gaan houden. Eisers 2 stellen nog dat 20 Oue/m3 de grens is voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit is echter een grens die wordt aangehouden in artikel 7 van de Verordening ruimte Noord-Brabant voor de achtergrondbelasting (de gezamenlijke geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving). Verweerder heeft daarnaast in het bestreden besluit overwogen dat door de maatregelen die eiser 1 moet gaan nemen, de cumulatieve geurhinder afneemt. Eisers hebben dit niet bestreden. Een norm van 20 Oue/m3 voorgrondbelasting staat niet in de Wgv of de op basis van de Wgv vastgestelde gemeentelijke geurverordening. Eisers 2 hebben niet aannemelijk gemaakt dat de geurnorm in de Wgv of de gemeentelijke geurverordening te hoog is. Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Eisers 2 willen als voorschrift in de vergunning opgenomen hebben dat er geen varkens worden geladen gedurende de avond, nacht en feestdagen. Dit stond wel in de oude vergunning. Zij vrezen dat de geluidsvoorschriften in de nachtperiode worden overtreden en dat de overheid niet komt controleren of aan de voorschriften wordt voldaan.

6.2

In het bestreden besluit heeft verweerder géén normen opgenomen voor het laden en lossen van varkens. Het laden en lossen van varkens is een activiteit die moet voldoen aan de grenswaarden voor de representatieve bedrijfssituatie (in vergunningsvoorschrift 5.3.1 tot en met 5.3.3). Voor de woning [adres] stemmen de grenswaarden overeen met de waarden voor het ‘landelijk gebied’ in het Geluidbeleid gemeente Laarbeek uit 2010 (het Geluidbeleid). Voor de woning [adres] stemmen de grenswaarden overeen met de waarden voor het ‘agrarisch gebied’. Verweerder heeft zich verder gebaseerd op het akoestische rapport bij de aanvraag.

6.3

Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit een zekere beoordelingsruimte bij het stellen van voorschriften voor de bescherming van de omgeving. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen aansluiten bij de streefwaarden in het Geluidbeleid. Als wordt voldaan aan deze (overigens gebruikelijke) streefwaarden, is de omgeving van de inrichting voldoende beschermd tegen geluidhinder. De omstandigheid dat in de oude milieuvergunning kennelijk een verbod stond om op aangegeven momenten varkens te verladen, maakt dit niet anders. Ook een verbod om in het weekend varkens te verladen vloeit niet voort uit het Geluidbeleid of de Wet geluidhinder. Eisers 2 hebben niet bestreden dat de woning [adres] in landelijk gebied ligt en woning [adres] in agrarisch gebied (als bedoeld in het Geluidbeleid). Eisers 2 vrezen dat de normen niet worden nageleefd en vinden dat de werkelijke geluidsbelasting van het bedrijf had moeten worden gemeten en niet had moeten worden berekend. De geluidsbelasting van het bedrijf is echter ook afhankelijk van het bouwen van de loods (die zowel geluid weerkaatst naar de woning [adres] als geluid tegenhoudt. Bovendien moet eiser 1 binnen 3 maanden na het inwerkingtreden van het bestreden besluit aantonen dat aan de geluidsvoorschriften in het bestreden besluit kan worden voldaan. Verweerder kan hierop handhaven. Dit maakt het bestreden besluit echter niet onrechtmatig. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank wijst eisers 2 er nog op dat het verladen van varkens in de avondperiode niet is aangevraagd. Als dat gebeurt, dan handelt eiser 1 in strijd met artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo.

7.1

Eisers wijzen er op dat de nieuw te bouwen schuur wordt gebouwd op vervuilde grond. De fundering zal verwijderd moeten worden. Vanuit milieuoverwegingen kan dit niet genegeerd worden.

7.2

De rechtbank merkt dit aan als een beroepsgrond tegen het besluitonderdeel over het vergunnen van de verandering van het bedrijf. In de zienswijzen is hier slechts een vraag over gesteld. Voor zover eisers 2 zich zorgen maken over de afvoer van oude funderingsresten, wijst de rechtbank hen er op dat in het bestreden besluit reeds is aangegeven dat het verwijderen van sloopafval moet geschieden in overeenstemming met het Bouwbesluit 2012 na een voorafgaande melding. Die was overigens al gedaan. Verweerder kan na deze melding nadere verplichtingen opleggen. De rechtbank ziet niet in hoe het bouwen en gebruiken van de loods (waarmee de werking van de inrichting wordt veranderd) gevolgen zou kunnen hebben voor de bodem zelf, ook al zou de grond onder de oude schuur zijn vervuild. Eiser 1 zal overigens moeten voldoen aan de Wet bodembescherming. De rechtbank ziet geen reden om aan de omgevingsvergunning voor het veranderen van de werking van de inrichting nog meer voorschriften voor bodembescherming te verbinden dan verweerder al heeft gedaan. Afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit milieubeheer vraagt dat ook niet. Deze beroepsgrond faalt.

8.1

Volgens eisers 2 bevat het bestreden besluit veel fouten. Er zijn verschillende tekeningen, er is in de beantwoording van de zienswijzen gezegd dat er een luchtwasser zou zijn en dat het aantal varkens wordt uitgebreid en de huisnummers op de tekeningen kloppen niet.

8.2

Verweerder heeft erop gewezen dat de inrichtingstekening en de bouwtekeningen verschillende keren zijn gewijzigd. Er zijn wel fouten gemaakt met de verwijzing naar een niet aangevraagde luchtwasser en naar huisnummers.

8.3

Op de laatst gewijzigde inrichtingstekening staan inderdaad niet de juiste huisnummers. Verweerder heeft erkend dat in de zienswijzen per ongeluk een verwijzing naar een luchtwasser is opgenomen die niet is aangevraagd of vergund. Dit blijkt overigens klip en klaar uit de overwegingen van het bestreden besluit zelf. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt ook dat verweerder van de juiste situatie is uitgegaan en het juiste beeld heeft van de omgeving. Verweerder is de woning op [adres] niet vergeten. De rechtbank heeft met partijen de uiteindelijke inrichtingstekening op de eerste zitting bestudeerd. Er zijn verschillen tussen de bouwtekeningen en de inrichtingstekening maar dat wordt veroorzaakt doordat niet voor alle silo’s een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist. Op de uiteindelijke inrichtingstekening (laatst gewijzigd op 28 april 2015) staan alle silo’s aangegeven alsmede de nieuwe schuur (werktuigenberging). Dit strookt met de laatst gewijzigde bouwtekeningen voor de loods en de stal van 21 november 2016. De laatst gewijzigde tekeningen maken deel uit van het bestreden besluit. Verweerder heeft dit op zitting duidelijk uitgelegd en dit is door eisers 2 niet weersproken. Deze beroepsgrond faalt.

9. De rechtbank concludeert dat het beroep van eisers 2 ongegrond is.

De beroepsgronden van eiser 1

10.1

Eiser 1 heeft zijn beroepsgronden aangevoerd in een brief van 14 maart 2018 en een brief van 11 oktober 2018. In laatstgenoemde brief stelt eiser 1 dat verweerder moet motiveren waarom hij de Notitie handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxinekader 1.0 (verder: de Notitie) hanteert omdat het hier volgens eiser 1 niet gaat om de meest recente algemeen aanvaarde inzichten. Tijdens de eerste zitting heeft eiser 1 desgevraagd aangegeven dat hij betwist dat de Notitie klopt.
10.2 Verweerder vindt dat deze nieuwe stelling zodanig laat wordt aangevoerd dat dit in strijd is met een goede procesorde.

10.3

De rechtbank is van oordeel dat het eiser 1 op 11 oktober 2018 nog vrijstond om beroepsgronden aan te vullen of nieuwe beroepsgronden aan te voeren. Verweerder had zich hierop kunnen voorbereiden. De rechtbank merkt hierbij wel op dat de brief van 11 oktober 2018 is doorgezonden naar verweerder en niet naar de Omgevingsdienst. Een mogelijke miscommunicatie tussen de rechtbank, verweerder en de Omgevingsdienst kan eiser echter niet worden tegengeworpen, ook al kan de rechtbank zich wel voorstellen dat de gemachtigde van verweerder tijdens de eerste zitting werd overvallen. Ofschoon het niet letterlijk in de brief van 11 oktober 2018 staat, leidt de rechtbank uit de brief van 11 oktober 2018 wel af dat eiser 1 het niet eens is met de Notitie. Dit heeft eiser 1 ter zitting verduidelijkt. Als hier al een aanvulling van beroepsgronden in moet worden gezien, acht de rechtbank dit niet in strijd met een goede procesorde. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat na de eerste zitting de zaak is aangehouden en dat de StAB is ingeschakeld. Verweerder heeft voldoende tijd gehad om te reageren op de brief van 11 oktober 2018 en het advies van de StAB.

11.1

Eiser 1 heeft aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft verwezen naar de Notitie die pas is opgesteld na de aanvraag en het ontwerpbesluit. Ook vindt eiser 1 dat verweerder een nieuw ontwerpbesluit ter inzage had moeten leggen zodat hij de mogelijkheid zou hebben gehad om de aanvraag te wijzigen of in te trekken. Volgens eiser 1 wordt door het bestreden besluit de grondslag van de aanvraag verlaten en is het een verkapte weigering.

11.2

Voor zover eiser 1 met de verwijzing naar de gevolgde procedure betoogt dat verweerder niet mag verwijzen naar stukken, rapporten of notities van na de aanvraag, slaagt dit betoog niet. Verweerder moet met de kennis op de datum van het bestreden besluit beslissen of de gevraagde omgevingsvergunning kan worden verleend met toetsing aan artikel 2.14 van de Wabo. Verweerder mag hierbij kennis gebruiken van na de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Eiser heeft de mogelijkheid verweerder te bewegen tot snellere besluitvorming.

11.3

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet een tweede ontwerpbesluit ter inzage hoefde te leggen. Het is inherent aan de uitgebreide voorbereidingsprocedure dat een definitief besluit anders kan luiden dan het ontwerpbesluit. Dat kan onder meer het geval zijn op basis van de ingediende zienswijzen. Veel mensen hebben zienswijzen ingediend waarin zij aangeven te vrezen voor gezondheidsproblemen. Eiser 1 had hierin aanleiding kunnen zien om de aanvraag aan te passen. Bovendien is eiser 1 het niet eens met de Notitie, dus de rechtbank vraagt zich af of eiser 1 geholpen zou zijn met een tweede terinzagelegging van een ontwerpbesluit.
Weliswaar betreft het bestreden besluit een revisievergunning, het is nog niet onherroepelijk zodat eiser 1 nog steeds rechten kan ontlenen aan de eerdere milieuvergunning. Het staat eiser 1 dus nog vrij om af te zien van zijn plannen, als hij dat zou willen. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de uitbreiding van het aantal dieren wordt geweigerd, niet wil zeggen dat het gehele besluit moet worden gezien als een verkapte weigering. De loods wordt wel vergund, evenals de voorgestelde technische maatregelen aan de bestaande stal. Dat eiser 1 in zijn ogen hiermee niets opschiet, doet niet af aan het feit dat de geurbelasting hierdoor afneemt (en de omgeving er dus wel baat bij heeft). Deze beroepsgronden slagen niet.

12.1

Eiser 1 is het zoals opgemerkt niet eens met de Notitie. Hij vindt dat verweerder de keuze voor het volgen van de Notitie moet motiveren. Eiser 1 verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2395 en van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:644). De Notitie geeft een advieswaarde voor de blootstelling aan endotoxinen. Eiser 1 vindt dat deze advieswaarde niet goed is onderbouwd en dat in de Notitie te weinig aandacht is besteed aan de afzonderlijke staltypes. Volgens eiser 1 had ook moeten worden gekeken naar andere factoren, zoals de hoogte van de emissiepunten op de stal en de uittreedsnelheid. Eiser 1 ziet geen meerwaarde in het hanteren van de Notitie naast het toetsingskader voor de fijnstofemissie, zeker nu hierin de emissie van endotoxine is gerelateerd aan de fijnstofemissie.

12.2

De Gezondheidsraad heeft in een rapport van 30 november 2012 (“gezondheidsrisico’s rond veehouderijen”) geadviseerd over endotoxinen. Hierin is een advieswaarde genoemd: de algemene bevolking zou aan een concentratie van 30 EU (endotoxine-units)/m³ kunnen worden blootgesteld zonder onaanvaardbare risico’s. In een vervolgadvies van de Gezondheidsraad van 14 februari 2018 is vermeld dat er geen gegevens beschikbaar zijn gekomen die nadere informatie bieden over de gezondheidsrisico’s van blootstelling aan endotoxinen, behoudens enkele rapportages. In 2016 is een rapport uitgebracht van de Wageningen University & Research (“Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering”). Erbrink Stacks Consult heeft op 5 september 2016 het rapport “Endotoxineconcentraties rond stallen: indicatieve modelberekeningen” uitgebracht. Dit rapport is in combinatie met het “Onderzoek Veehouderij en gezondheid omwonenden” (VGO-onderzoek) van het RIVM in een uitspraak van deze rechtbank van 30 mei 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:2920) genoemd als een indicatie dat sprake kan zijn van een risico voor de volksgezondheid als gevolg van de verspreiding van endotoxinen voor de in het onderzoek van Erbrink Stacks Consult genoemde diersoorten. De rechtbank heeft zich in die uitspraak en in latere uitspraken niet uitgelaten over de adviesgrenswaarde en de relatie tussen de emissie van fijn stof en de verspreiding van endotoxinen in het rapport van Erbrink.

12.3

Verweerder is inderdaad niet verplicht is om het toetsingskader uit de notitie te hanteren. Verweerder heeft echter wel beoordelingsruimte. Er is de rechtbank geen rechtspraak van de Afdeling bekend waarin wordt aangenomen, dat het ontbreken van een algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht de beoordelingsruimte van verweerder zodanig beperkt dat het verweerder niet vrijstaat de omgevingsvergunning te weigeren. Artikel 2.14, Wabo bepaalt, dat de omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting slechts kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. Als er geen maatregelen of voorschriften zijn om het milieu voldoende te beschermen tegen ongewenste milieugevolgen of deze milieugevolgen te voorkomen, kan verweerder de vergunning dus weigeren. Dit was ook al het geval onder artikel 8.11, tweede en derde lid van de voorheen geldende Wet milieubeheer (zie de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS: 2016:2457, rechtsoverweging 8) en dat is onder de Wabo niet anders.

13.1

Verweerder geeft door middel van de Notitie invulling aan zijn beoordelingsruimte bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor het veranderen of uitbreiden van veehouderijen. Dat mag verweerder doen zolang de Notitie niet onredelijk is. De Notitie is onder meer onredelijk als deze niet klopt.

13.2

De Notitie is gebaseerd op twee uitgangspunten.

 In de Notitie wordt de adviesgrenswaarde van 30 EU/m³ van de Gezondheidsraad overgenomen.

 De omvang van de uitstoot van endotoxinen wordt uitgedrukt op grond van de fijnstofemissie van het bedrijf. De fijnstofemissie wordt berekend op basis van de door de overheid vastgestelde emissiefactoren voor de desbetreffende diercategorie. Dit veronderstelt per diercategorie een verband tussen de fijnstofemissie en het totale endotoxinegehalte.

13.3

Toepassing van de Notitie op de aanvraag van eiser 1 leidt verweerder tot de volgende conclusies:

 De aanvraag voorziet in een toename van de fijnstofemissie van 398 kg naar 470 kg per jaar.

 In de vergunde situatie bedraagt de vereiste afstand om te voldoen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m³ 128 meter. In de aangevraagde situatie is dat 138 meter.

 In de vergunde situatie wordt bij vier gevoelige objecten de adviesgrenswaarde overschreden. Het dichtstbij gelegen gevoelige object ligt op een afstand van 71 meter van het dichtstbij gelegen emissiepunt van het bedrijf.

13.4

Eiser 1 heeft kritiek op beide uitgangspunten in de Notitie. Hij heeft de toepassing van de Notitie en de hierboven genoemde conclusies van verweerder echter niet bestreden.

13.5

De rechtbank heeft de StAB ingeschakeld om beide uitgangspunten van de Notitie te onderzoeken. De StAB geeft aan dat de advieswaarde van 30 EU/m³ is afgeleid uit een eerder door de Gezondheidsraad gegeven advieswaarde van 90 EU/m³ voor werknemers. Deze is gebaseerd op gericht onderzoek naar de effecten van blootstelling aan endotoxinen gedurende 8 uur gemiddeld tijdens een 8-urige werkdag, 40 uren per week gedurende 40 jaar. Een kortdurende overschrijding van die advieswaarde is toelaatbaar omdat die in de rest van de werkdag kan worden gecompenseerd. Omdat omwonenden of bepaalde groepen gevoeliger kunnen zijn dan werknemers voor blootstelling aan endotoxinen, is bij de doorvertaling van de advieswaarde voor werknemers naar een advieswaarde voor omwonenden een zogeheten ‘intraspecies onzekerheidsfactor’ toegepast van 3. Dat is volgens de StAB een gangbare factor. De StAB wijst op een kanttekening van de Gezondheidsraad dat de beschikbare kennis hier nog tekort schiet, mede omdat onduidelijk is hoe middeling van blootstelling over de tijd moet worden verdisconteerd. De StAB merkt wel op dat omwonenden 24 uur per dag worden blootgesteld en niet kunnen worden gecompenseerd bij overschrijdingen. In de algemene norm is geen correctiefactor voor afwijkende blootstellingsduur verwerkt.

13.6

Gelet op het StAB-advies is de rechtbank het niet eens met eiser 1 dat de adviesgrenswaarde uit de lucht komt vallen. De adviesgrenswaarde voor werknemers is grondig onderzocht in het rapport van de Gezondheidsraad van 15 juli 2010 “Health-based recommended occupational exposure limit”. De onduidelijkheid schuilt in het doorvertalen van deze adviesgrenswaarde voor werknemers naar een adviesgrenswaarde voor omwonenden. De rechtbank ziet in het advies van de StAB en de kritiek van eiser 1 op de adviesgrenswaarde geen aanwijzing dat deze doorvertaling leidt tot een te lage adviesgrenswaarde. Daarbij wijst de rechtbank erop dat een compensatieperiode ontbreekt voor omwonenden die 24 uur per dag gedurende alle dagen van het jaar zijn blootgesteld.

13.7

De StAB geeft aan dat endotoxinen zitten in alle fracties van het stof van veehouderijen. Dus zowel in het ultrafijnstof, in het fijn stof als in de grovere stofdeeltjes. In het rapport van de Wageningen University & Research uit 2016 is het endotoxinegehalte in het stalstof, de endotoxineconcentraties in de stallucht en de endotoxine-emissies gemeten. Hierbij is steeds onderscheid gemaakt in de verdeling van endotoxinen over de verschillende fracties stof. Uit het rapport blijkt dat het endotoxine gehalte hoger is in de grovere stofdeeltjes, dan in het fijn stof. Dat betekent dat, als alleen zou worden uitgegaan van de fijnstofemissie, de emissie van endotoxinen zou worden onderschat. De verdeling van het stalstof met het bijbehorende endotoxine gehalte in verschillende fracties is ingebouwd in het verspreidingsmodel. Hierbij is gerekend met één type stalsysteem. Vervolgens is de fijnstofemissie voor bepaalde diersoorten omgerekend naar de totale emissie van in te ademen stalstof. Deze omrekening is gebaseerd op meetgegevens uit een publicatie uit 2015 (“emissions of particulate matter from animal houses in the Netherlands” in Atmospheric Environment 111:202-212). De StAB concludeert dat de verspreidingsmodelberekeningen het product zijn van de stofemissie en het endotoxinegehalte. Er is een herleidbare koppeling tussen de van overheidswege vastgestelde fijnstofemissiefactoren en de emissies van endotoxinen in het inhaleerbare stof dat uit veestallen vrijkomt. De afstandsgrafieken in de Notitie zijn direct afgeleid van de berekeningen met het verspreidingsmodel. Daarom kan volgens de StAB de berekende fijnstofemissie van een veehouderij dienen als representatieve bronsterkte voor de uitstoot van endotoxinen.

13.8

De rechtbank merkt op dat de rijksoverheid de fijnstofemissiefactoren op 15 maart 2018 bekend heeft gemaakt en dat hierbij onderscheid is gemaakt naar de staltypes in de Regeling ammoniak en veehouderij. De rechtbank relativeert daarom de kritiek van eiser dat geen rekening wordt gehouden met staltypen. Dat gebeurt namelijk wel door de koppeling die wordt gemaakt met de emissie van fijn stof. Deze koppeling vindt de StAB goed en is door eiser onvoldoende bestreden. In zoverre klopt de Notitie nog steeds.

13.9

Dan resteert de vraag of rekening moet worden gehouden met andere factoren zoals uittreedsnelheid en de hoogte van het emissiepunt. Dat gebeurt niet bij toepassing van de Notitie, omdat de Notitie is gebaseerd op de koppeling met de fijnstofemissie en niet op de koppeling met de fijnstofimmissie. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de Notitie de aanzet vormt voor verder onderzoek en vooral voor een verdere verfijning naar een nieuw verspreidingsmodel zoals V-Stacks waar de door eiser genoemde factoren wel een rol kunnen spelen. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding voor het oordeel dat het gebruik van de Notitie tot onredelijke uitkomsten kan leiden. In de eerste plaats heeft eiser niet onderbouwd dat het rekenen met een hogere uittreedsnelheid of hoger emissiepunt dan de standaardwaarden van een bepaald staltype leidt tot wezenlijk andere uitkomsten. De rechtbank sluit echter niet op voorhand uit dat dit wel zou kunnen. Verweerder heeft ook aangegeven dat de Notitie een foutmarge bevat van 20%. Maar ook als deze foutmarge geheel in het voordeel van eiser zou worden uitgelegd, dan nog zou sprake zijn van een ruime overschrijding van de adviesgrenswaarde. Onder deze omstandigheden mocht verweerder zijn beoordelingsruimte benutten door de Notitie te gebruiken. Gelet op de forse overschrijding, mocht verweerder in dit geval de omgevingsvergunning weigeren.

14. Het beroep van eiser 1 faalt.

15. De beroepen van eiser 1 en eisers 2 zijn ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de proceskosten. Beslissing

De rechtbank verklaart beide beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. C.T.C. Wijsman en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 12 april 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Artikel 2.14 van de Wabo

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:

a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:

1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;

2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;

3°. de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;

4°. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;

5°. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;

6°. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;

b. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:

1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;

2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;

3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;

c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:

1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;

2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;

(…)

3 Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Artikel 1, tweede lid onder a Wet milieubeheer

In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen;