Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1836

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-04-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
01/860106-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1. Oplichting

2. Van het plegen van witwassen een gewoonte maken

3, eerste cumulatief/alternatief: Valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd

3, twee cumulatief/alternatief: Opzettelijk gebruik maken van een vals en/of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

4. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 WvSr, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Vordering van benadeelde partij toegewezen toe € 328.571,29 subsidiair 365 dagen hechtenis. Overige deel bp niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860106-17

Datum uitspraak: 05 april 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1961] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 december 2017, 30 april 2018 en 21 en 22 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 november 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 december 2016 te Helmond en/of en/of te Echt en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of het aanwenden van listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de [benadeelde partij] , althans medewerkers van de [benadeelde partij] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van geld/geldbedragen voor een totaal van ongeveer 361.885 euro (10.922 euro [bedrijf 5] en/of 39.393 euro [bedrijf 1] en/of 12.277 euro [bedrijf 2] en/of 28.075 euro [bedrijf 3] en/of 50.914 euro [bedrijf 4] en/of 7799 euro [bedrijf 6] en/of 118.715 euro [bedrijf 7] en/of 104.677 euro [bedrijf 12] ), althans tot meerdere geldbedragen, in elk geval (telkens) tot enig(e) goed(eren),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- bij verschillende leveranciers (te weten [bedrijf 5] en/of [bedrijf 2] [bedrijf 9] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 10] (handelsnaam [bedrijf 10] en/of [bedrijf 11] [bedrijf 4] BV en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 12] en/of [bedrijf 7] ) goederen en/of diensten -voor privé-doeleinden- besteld en/of gekocht en/of aangeschaft en/of

- (daarbij in voorkomende gevallen) mondeling of schriftelijk aan deze leverancier(s) aangegeven dat deze goederen bestemd zijn voor de [benadeelde partij] en/of

- (vervolgens) mondeling of schriftelijk aan deze leverancier(s) aangegeven welke productomschrijving op de factu(u)r(en) van deze leveranciers dient/dienen te worden vermeld en/of

- (tevens) mondeling of schriftelijk aan deze leverancier(s) aangegeven aan wie deze factu(u)r(en) dient/dienen te worden geadresseerd/gericht en/of

- (in voorkomende gevallen) tegen de leverancier(s) gezegd dat hij,verdachte, werkzaamheden heeft verricht en/of een aandeel heeft in deze adressant van de factu(u)r(en) en/of

- (vervolgens) aan deze adressanten zijnde zogenaamde tussenpersonen ( [bedrijf 13] te Helmond en/of [bedrijf 14] te Eindhoven en/of [bedrijf 15] te Helmond en/of [bedrijf 16] te Tilburg) (een) opdrachtbevestiging(en) en/of (een) inkooporder(s)/bon(nen), althans (een) schriftelijke opdracht(en) als ware deze van de [benadeelde partij] , verstrekt en/of

- daarbij/daarop aangegeven welk bedrag en welke productomschrijving deze tussenperso(o)n(en) op de factu(u)r(en) aan de [benadeelde partij] dient/dienen te vermelden en/of

- tegen deze tussenperso(o)n(en) gezegd dat de leverancier(s) geen inkooprelatie met de gemeente heeft/hebben en daarom de facturering via deze tussenperso(o)n(en) dient te lopen en/of

- (vervolgens) in zijn verdachte's functie als [functie] de op deze wijze bij de [benadeelde partij] binnen gekomen facturen van de tussenperso(o)n(en) voor akkoord afgetekend en/of laten aftekenen, althans gezorgd dat de uitbetaling (door de [benadeelde partij] ) op deze facturen plaatsvond en/of

- (betreffende de aankoop van meerdere, althans een personenauto('s) merk Volvo bij [bedrijf 7] ) meermalen, althans eenmaal facturen bij meerdere tussenpersonen ( [bedrijf 14] , [bedrijf 16] en [bedrijf 15] ) ingediend met daarop het (bedrijfs)logo van de onderneming [onderneming] , althans voorzien van een (bedrijfs)logo dat moest doorgaan voor het (bedrijfs)logo van onderneming [onderneming] en/of op die factu(u)r(en) het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] (zijnde het bankrekeningnummer van [bedrijf 7] ) en/of het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] (zijnde het bankrekeningnummer van hem, verdachte), vermeld als ware dit het bankrekeningnummer van [onderneming] en/of als productomschrijving op die factu(u)r(en) (telkens) vermeld -zakelijk weergegeven- 'Geleverde materialen incl. montage tbv project Helmond', althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) aan deze tussenpersonen aangegeven dat zij deze factu(u)r(en) dienen uit te betalen en/of de/het betaalde bedrag(en) door kunnen factureren aan de [benadeelde partij] ,

waardoor voornoemd(e) [benadeelde partij] , althans medewerkers van de [benadeelde partij] , (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2. hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 15 maart 2017 te Echt, gemeente Echt-Susteren, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij,verdachte, en/of zijn mededader(s);

van meerdere, althans een voorwerp(en) te weten:

- meerdere (dames)kledingstukken (waaronder kleding van het/de merk(en) MOQ en/of Otto dame en/of ML Collections en/of Ribhoff en/of Patricia Pepe en/of Lui Jo) en/of een aantal (dames)schoenen (waaronder schoenen van het/de merk(en) Natan en/of Panara en/of Alexandra Voltan) en/of - diverse voorwerpen ter decoratie van de woning en/of tuin (waaronder potten en/of vazen (merk Mcceramics) en/of

- meerdere huishoudelijke artikelen (waaronder twee Dyson design ventilatoren en/of 2 airco units en/of een Espresso koffiezetapparaat (merk Miele) en/of een inbouw-magnetronoven (merk Etna)) en/of - meerdere stuks witgoed (waaronder een afwasautomaat (merk Miele) en/of een stofzuiger (merk Miele) en/of een koelkast (merk AEG)) en/of

- diverse audio-apparatuur (van het merk Sonos) en/of een LED Tv (merk Sony) en/of een Philips hifi systeem en/of

- twee, althans één (opgeknapte) fiets(en) van het merk Van Rossum en/of fietskleding (merk Assos) en/of - tuinplanten en/of een zwembad en/of een aangelegde tuin en/of tuinmaterialen en/of

- meerdere, althans een personenauto('s), te weten een Volvo V40, met kenteken [kenteken 1] , en/of een Volvo XC60, met kenteken [kenteken 2] en/of een Volvo XC90, met kenteken [kenteken 3]

gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dat die/dat voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 13 december 2016 in de [benadeelde partij] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk meerdere, althans een factu(u)r(en) gericht aan

- [bedrijf 13] te Helmond,

- [bedrijf 14] te Eindhoven,

- [bedrijf 15] te Helmond en/of

- [bedrijf 16] te Tilburg,

zijnde (een) geschrift(en) dat/die (telkens) bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, althans (telkens) heeft vervalst, hebbende hij,verdachte, en/of zijn mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - die factu(u)r(en) voorzien van het (bedrijfs)logo van de onderneming [onderneming] gevestigd te Schimmert, althans voorzien van een (bedrijfs)logo dat moest doorgaan voor het (bedrijfs)logo van onderneming [onderneming] voornoemd en/of - op die factu(u)r(en) vermeld het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] (zijnde het bankrekeningnummer van [bedrijf 7] ), welk bankrekeningnummer moest doorgaan voor het bankrekeningnummer van de onderneming [onderneming] voornoemd en/of - op die factu(u)r(en) vermeld het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] (zijnde het bankrekeningnummer van hem, verdachte), welk bankrekeningnummer moest doorgaan voor het bankrekeningnummer van de onderneming [onderneming] voornoemd en/of - op die factu(u)r(en) (telkens) bij 'beschrijving' vermeld -zakelijk weergegeven-: 'Geleverde materialen incl. montage tbv project Helmond', althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking,

(telkens) met het oogmerk om voormelde factu(u)r(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

art. 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 december 2016 in de [benadeelde partij] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

meerdere, althans een valse of vervalste factu(u)r(en) gericht aan

- [bedrijf 13] te Helmond,

- [bedrijf 14] te Eindhoven,

- [bedrijf 15] te Helmond en/of

- [bedrijf 16] te Tilburg,

-(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- deze facturen ter betaling heeft overgelegd/gegeven/gestuurd aan genoemde tussenpersonen (aan [bedrijf 13] te Helmond en/of [bedrijf 14] te Eindhoven en/of [bedrijf 15] te Helmond en/of [bedrijf 16] te Tilburg) en/of

- aldus bewerkstelligd dat de door/bij verdachte en/of zijn mededader(s) aangeschafte en/of in gebruik zijnde personenauto('s) werd(en) afbetaald en/of

- de [benadeelde partij] deze betalingen(vervolgens) heeft vergoed aan genoemde tussenperso(o)n(en)

waarbij die (opzettelijke) valsheid en/of vervalsing (telkens) heeft/hebben (zakelijk weergegeven) bestaan uit

- het vermelde logo van onderneming [onderneming] als ware dit een factuur van [onderneming] en/of - het vermelde bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 3] (zijnde het bankrekeningnummer van [bedrijf 7] ) als ware dit het bankrekeningnummer van [onderneming] en/of

- het vermelde bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 4] (zijnde het bankrekeningnummer van hem, verdachte) als ware dit het bankrekeningnummer van [onderneming] ;

art. 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 13 december 2016 te Helmond en/of te Echt en/of te Roosteren en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (tot een totaalbedrag van euro 6.489,57 of daaromtrent, althans meerdere geldbedrag(en)), in elk geval (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval (telkens) toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten (het onbevoegd gebruik van) een [bedrijfspas] van het externe cateringbedrijf [bedrijf 17] ;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie (t.a.v. feit 1 t/m 4).

Het standpunt van de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging dan wel wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de tussenpersonen, hoewel zij een aanzienlijke opslag hebben gehanteerd op de door hen in rekening gebrachte bedragen aan de [benadeelde partij] , niet strafrechtelijk zijn vervolgd, terwijl verdachte wel strafrechtelijk is vervolgd.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vooropgesteld dat slechts ingeval van zeer ernstige schendingen van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging dan wel het gelijkheidsbeginsel ruimte bestaat voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Volgens de officier van justitie is in deze zaak geen sprake van een schending van die beginselen. Verdachte is de initiatiefnemer voor de ten laste gelegde oplichting geweest, terwijl de andere betrokkenen in deze zaak wezenlijk andere rollen hebben vervuld. Verdachte is niet in zijn belangen geschaad doordat de tussenpersonen en andere betrokkene in deze zaak niet strafrechtelijk zijn vervolgd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij een beoordeling van een beroep op schending van beginselen van een behoorlijke procesorde dient het volgende voorop te worden gesteld.

In artikel 167, eerste lid, Sv is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Dit geldt ook ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging oftewel het verbod van willekeur.

De raadsvrouw baseert het verweer in de kern op de omstandigheid dat de tussenpersonen die de aan hen toegezonden inkoopfacturen met een aanzienlijke opslag hebben doorgefactureerd aan de [benadeelde partij] , niet zijn vervolgd. Die omstandigheid brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich mee dat geen redelijk handeldend lid van het openbaar ministerie tot vervolging van verdachte had kunnen besluiten, noch dat verdachte door die vervolging ongelijk is behandeld. Nog daargelaten of de strafrechtelijke betrokkenheid van de tussenpersonen in de onderhavige zaak bewijsbaar is, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid kunnen oordelen dat de rol van verdachte bij het ten laste gelegde wezenlijk anders is dan de rol van andere betrokkenen in dit onderzoek. Daarbij heeft het openbaar ministerie in redelijkheid kunnen betrekken dat verdachte – anders dan de tussenpersonen – een belangrijke positie bekleedde bij de [benadeelde partij] en dat de verdenking is ontstaan dat verdachte de grondlegger was van de factureringsroute en in materieel opzicht het meest heeft geprofiteerd.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. De officier van justitie kan in zijn vervolging ter zake feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ontvangen worden.

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van vervolging.

Bewijs (t.a.v. feit 1).

Inleiding.

Verdachte werkte in de periode van 2006 tot en met 10 september 2016 als [functie] bij de [benadeelde partij] . In deze functie was hij bevoegd om namens de [benadeelde partij] bestellingen te plaatsen bij externe leveranciers en om als budgethouder facturen betaalbaar te stellen. In november 2016 ontving de [benadeelde partij] diverse meldingen van medewerkers van de afdeling Interne Dienst over mogelijk frauduleus handelen door verdachte. Op 23 december 2016 is namens de [benadeelde partij] aangifte gedaan van onder meer oplichting. Op 20 februari 2017 is namens de [benadeelde partij] aanvullend aangifte gedaan, naar aanleiding van het interne onderzoek naar de fraude door PwC en I-Tek B.V.

Aan verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij de [benadeelde partij] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 december 2016 heeft bewogen tot afgifte van diverse geldbedragen. Volgens de tenlastelegging heeft verdachte dat gedaan door voor privégebruik goederen en diensten af te nemen bij diverse leveranciers en de bijbehorende facturen met valse omschrijvingen via (andere) vaste tussenpersonen van de [benadeelde partij] , aan de [benadeelde partij] te laten (door)factureren.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft zowel via directe als indirecte leveranciers van de [benadeelde partij] goederen en diensten aan de [benadeelde partij] in rekening gebracht die in werkelijkheid niet aan de [benadeelde partij] zijn geleverd. Verdachte heeft de facturering in de meeste gevallen laten verlopen via een extra schijf, namelijk via de vaste tussenpersonen van de gemeente. De gemeente heeft uiteindelijk vrijwel al die facturen betaald. Het oogmerk van verdachte was erop gericht zichzelf en zijn toenmalige partner medeverdachte [medeverdachte] voor aanzienlijke bedragen te bevoordelen. Ook heeft verdachte opzettelijk diverse oplichtingsmiddelen aangewend. Verdachte heeft leveranciers ertoe gebracht de geleverde goederen en diensten niet aan hem, maar aan vaste tussenpersonen van de [benadeelde partij] te factureren en de productomschrijvingen op de facturen zo te laten luiden, dat de facturen leken te passen bij het gebruikelijke producten- en dienstenverkeer tussen de [benadeelde partij] en haar vaste tussenpersonen en in hun administraties. Ook schreef verdachte valse opdrachtbevestigingen en inkoopbonnen uit en vervalste hij handtekeningen van zijn echtgenote. Verdachte accordeerde de door de tussenpersonen aan de gemeente doorgestuurde facturen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft bepleit dat niet alle in de ten laste gelegde bedragen overeenkomen met de informatie uit het dossier. Volgens de raadsvrouw zou de juiste optelsom leiden tot een totaalbedrag van € 326.191,00 waarvoor verdachte strafrechtelijk aansprakelijk wordt gehouden door het openbaar ministerie. Verdachte erkent in totaal een bedrag van € 204.251,00 aan goederen en diensten indirect door de [benadeelde partij] te hebben laten betalen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bij welke leveranciers en voor welke bedragen hij goederen en diensten op kosten van de gemeente heeft afgenomen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsbijlage.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bewijsoverwegingen.

Modus operandi.

In navolging van de in de tenlastelegging gehanteerde terminologie duidt de rechtbank de directe leveranciers van de [benadeelde partij] aan met de term ‘tussenpersoon’ en de indirecte leveranciers van de [benadeelde partij] met de term ‘leverancier’.

Uit het dossier blijkt dat verdachte zowel via tussenpersonen ( [bedrijf 16] , [bedrijf 17] , [bedrijf 14] ., [bedrijf 15] , [bedrijf 13] als via leveranciers ( [bedrijf 1] , [onderneming] , [bedrijf 6] , [bedrijf 5] , [bedrijf 12] , [bedrijf 2] en [bedrijf 11] [bedrijf 4] ) facturen aan de [benadeelde partij] in rekening heeft gebracht voor door hem bestelde goederen en diensten die in werkelijkheid niet aan de [benadeelde partij] zijn geleverd.

Van een groot deel van deze facturen, te weten een totaalbedrag van € 322.081,72, is gebleken dat zij door de [benadeelde partij] aan de tussenpersonen zijn betaald.

De bedragen in de tenlastelegging.

De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie in de tenlastelegging uitgaat van de bedragen die door de leveranciers in rekening zijn gebracht bij de tussenpersonen. Gelet op haar gebondenheid aan de grondslag van de tenlastelegging gaat de rechtbank bij het beoordelen van het onderhavige feit uit van de door het openbaar ministerie gekozen benadering en niet van de bedragen die door de tussenpersonen zijn gefactureerd aan de [benadeelde partij] .

Oplichting.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels bij de [benadeelde partij] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen, waardoor de [benadeelde partij] is bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 322.081,72. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van oplichting. De rechtbank baseert dit op de volgende feiten en omstandigheden.

Door verdachte is een vaste werkwijze gehanteerd om de goederen of diensten die hij bij diverse leveranciers bestelde, via tussenpersonen van de [benadeelde partij] te laten doorfactureren aan de [benadeelde partij] .

Verdachte heeft tegenover de leveranciers ( [bedrijf 1] , [onderneming] , [bedrijf 6] , [bedrijf 5] , [bedrijf 12] , [bedrijf 2] en [bedrijf 11] [bedrijf 4] ) verzwegen dat hij voor de [benadeelde partij] werkte en tegen één leverancier ( [bedrijf 5] ) heeft verdachte gezegd dat zijn bedrijf handelde in bedrijfs- en veiligheidskleding en dat hij een zakelijk belang had in [bedrijf 13] , zijnde een van de tussenpersonen. Diverse leveranciers hebben verklaard dat zij door toedoen van verdachte in de veronderstelling verkeerden dat hij bij [bedrijf 13] , [bedrijf 16] , [bedrijf 14] , of [bedrijf 15] werkte. Verdachte gaf een aantal leveranciers mondeling opdracht om de door hem aangedragen algemene productomschrijvingen op de facturen te zetten. Bij een aantal andere leveranciers stuurde verdachte vooraf schriftelijk een bericht of opdrachtbevestiging met daarop een algemene productomschrijving.

Verdachte heeft aan de tussenpersonen ( [bedrijf 16] , [bedrijf 17] , [bedrijf 14] , [bedrijf 15] , [bedrijf 13] opdrachtbevestigingen of inkooporders verstrekt met daarop het aan de [benadeelde partij] door te factureren bedrag en de algemene productomschrijving die door de tussenpersonen op de facturen moesten worden vermeld.

Ook heeft verdachte tegen een aantal tussenpersonen ( [bedrijf 14] . en [bedrijf 16] ) gezegd dat de facturering aan de [benadeelde partij] via die tussenpersonen moest verlopen omdat er bij de [benadeelde partij] geen budget was voor de bij de leveranciers bestelde goederen en diensten of omdat die leveranciers niet waren opgenomen in de administratie van de [benadeelde partij] .

De hoogte van de in de tenlastelegging vermelde bedragen.

[bedrijf 5] en [bedrijf 2] .

De rechtbank acht ten aanzien van de leveranciers [bedrijf 5] en [bedrijf 2] bewezen dat verdachte de [benadeelde partij] via de tussenpersonen [bedrijf 13] en [bedrijf 14] heeft bewogen tot afgifte van de in de tenlastelegging genoemde bedragen.

[bedrijf 1] .

Ten aanzien van leverancier [bedrijf 1] heeft verdachte erkend dat vier facturen die door [bedrijf 1] aan [bedrijf 13] zijn gefactureerd, tot een totaalbedrag van € 8.800,00, betrekking hebben op privéaankopen. Het gaat dan om de facturen, waarbij tevens een lijstje is gevoegd waarop de voornaam van zijn toenmalige echtgenote staat. Het betreft met andere woorden, facturen betreffende privéaankopen waar verdachte niet onderuit kan. Verdachte heeft ontkend dat de overige tien facturen die [bedrijf 1] aan [bedrijf 13] heeft gefactureerd ook betrekking hebben op privéaankopen. De rechtbank acht dat niet geloofwaardig. De omschrijvingen op de overige tien facturen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 13] komen namelijk overeen met de omschrijvingen op de vier facturen waarvoor verdachte thans wel verantwoordelijkheid neemt. Die tien facturen komen chronologisch vóór de vier erkende facturen, hetgeen zou betekenen dat de verkoopster van [bedrijf 1] destijds zelf op het idee is gekomen om kledingaankopen van willekeurige klanten te omschrijven als “Levering representatieve goederen t.b.v. locatie Helmond”. Dat acht de rechtbank onaannemelijk.

[bedrijf 1] heeft tevens vijf facturen met de omschrijving “Levering representatieve goederen t.b.v. locatie Helmond” naar [bedrijf 14] gestuurd. Verdachte heeft verklaard dat hij daar geen opdracht toe heeft gegeven. Dat acht de rechtbank evenmin geloofwaardig. Het gaat immers wederom om exact dezelfde omschrijving. Bovendien is [bedrijf 14] een tussenpersoon van de [benadeelde partij] , die door verdachte vaker is gebruikt als vehikel voor het facturen van privéaankopen aan de gemeente. Dat de verkoopster van [bedrijf 1] zelf op het idee is gekomen om aan [bedrijf 14] te factureren, acht de rechtbank onaannemelijk.

De facturen van [bedrijf 1] zijn door [bedrijf 13] en [bedrijf 14] betaald en doorbelast aan de [benadeelde partij] . De [benadeelde partij] is daardoor bewogen tot betaling van

€ 39.393,00.

[bedrijf 3] .

Ten aanzien van leverancier [bedrijf 3] leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat ten minste een deel van het ten laste gelegde bedrag betrekking heeft op privégoederen die aan verdachte zijn geleverd. Zo is de opdrachtbevestiging achter de factuur nr. 2016.0507 vergelijkbaar met andere opdrachtbevestigingen die verdachte voor privéaankopen schreef. Verdachte heeft daarin een algemene omschrijving gedicteerd die op de factuur moest worden gezet. Daarnaast heeft verdachte zelf goederen afgehaald, terwijl [bedrijf 3] bestellingen van de gemeente normaliter op locatie afleverde.

De rechtbank acht niet onaannemelijk dat een deel van het ten laste gelegde bedrag wél betrekking heeft op goederen die aan de [benadeelde partij] zijn geleverd, zodat de rechtbank het bedrag in de bewezenverklaring niet zal specificeren.

[bedrijf 4] .Ten aanzien van de leverancier [bedrijf 4] heeft verdachte ter terechtzitting erkend dat hij € 21.920,00 heeft besteed voor privéaankopen, namelijk voor twee airco units, twee Dyson ventilatoren, een Nikonlens en een Miele espressoapparaat.

Verdachte heeft verklaard dat hij de eveneens gefactureerde Sonos geluidsboxen en de Liebherr inbouwkoelkast niet voor hem privé heeft aangeschaft. Verdachte heeft verklaard dat hij de geluidsboxen en de inbouwkoelkast die in de woning in [woonplaats] zijn aangetroffen, op met eigen middelen aangeschaft bij [betrokkene 1] in Echt. Verdachte heeft ter onderbouwing de factuur van één Sonos geluidsbox overgelegd.

De rechtbank acht de ontkennende verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Vaststaat dat verdachte in naam van de gemeente bij [bedrijf 4] verschillende Sonos geluidsboxen en andere Sonos-producten heeft aangeschaft. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat Sonos producten nergens binnen de [benadeelde partij] worden gebruikt. Bovendien heeft de factuur van [betrokkene 1] slechts betrekking op één Sonos geluidsbox, terwijl in de woning in [woonplaats] drie Sonos geluidsboxen zijn aangetroffen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat (een gedeelte van) het resterende tenlastegelegde bedrag wel ten goede is gekomen aan de [benadeelde partij] .

Derhalve acht de rechtbank bewezen dat de [benadeelde partij] door verdachte is bewogen tot afgifte van in totaal € 50.914,00 in verband met privéaankopen van verdachte bij [bedrijf 4] .

[bedrijf 6] .

Ten aanzien van [bedrijf 6] heeft verdachte ter terechtzitting erkend dat hij de twee facturen die door [bedrijf 6] aan [bedrijf 13] zijn gefactureerd ter waarde van € 2.799,00 privé heeft besteed onder het mom van sponsoring.

Verdachte heeft ontkend dat hij getuige [bedrijf 6] heeft gevraagd de twee andere facturen, waarvan € 5.000,00 zou zijn besteed aan fietsreparatiekosten en waarvan € 1.000,00 als winkeltegoed bleef staan (en later is verbruikt), bij [bedrijf 14] B.V. in rekening te brengen.

Getuige [bedrijf 6] heeft daarentegen verklaard dat verdachte hem heeft gevraagd twee facturen aan [bedrijf 14] te sturen voor een totaalbedrag van € 6.000,00.

Gelet op de werkwijze van verdachte, waarbij [bedrijf 14] B.V. meermaals als tussenpersoon is gebruikt, en de omstandigheid dat niet valt in te zien waarom [bedrijf 6] uit zichzelf aan [bedrijf 14] zou factureren, gaat de rechtbank uit van de verklaring van [bedrijf 6] .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de [benadeelde partij] door de kunstgrepen en verdichtsels van verdachte is bewogen tot afgifte van € 7.799,00.

[bedrijf 7]

Ten aanzien van [bedrijf 7] geldt het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij [bedrijf 14] , [bedrijf 15] en [bedrijf 16] facturen heeft laten betalen als ware het facturen van leverancier [onderneming] voor producten/diensten ten behoeve van de [benadeelde partij] . Verdachte heeft erkend dat dit valse/vervalste facturen waren en dat hij op die facturen het rekeningnummer van [bedrijf 7] had vermeld. [bedrijf 14] , [bedrijf 15] en [bedrijf 16] hebben daardoor de facto in totaal € 107.878,53 betaald aan het [bedrijf 7] ter financiering van de Volvo XC90 en de Volvo V40 van verdachte en zijn toenmalige echtgenote. Anders dan de verdediging stelt, is de door [bedrijf 14] onbetaald gelaten factuur niet meegeteld in dat bedrag. [bedrijf 14] , [bedrijf 15] en [bedrijf 16] hebben de betaalde facturen doorgefactureerd aan de [benadeelde partij] en betaald gekregen, zoals beoogd door verdachte.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de [benadeelde partij] door de kunstgrepen en verdichtsels van verdachte is bewogen tot afgifte van € 107.878,53.

[bedrijf 12]

Ten aanzien van [bedrijf 12] geldt dat verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat hij [bedrijf 12] in totaal € 42.538,00 heeft laten factureren aan [bedrijf 16] , [bedrijf 14] en [bedrijf 15] , alsof het ging om kosten die gemaakt waren voor groenvoorzieningen van de gemeente Hemond. Het ging echter om kosten voor de tuin van verdachte en zijn toenmalige echtgenote. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat het om een hoger bedrag ging en dat verdachte in totaal € 104.627,15 aan kosten voor zijn eigen tuin door [bedrijf 12] in rekening heeft laten brengen bij tussenpersonen van de [benadeelde partij] . Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de tussenpersonen de betaalde bedragen hebben doorgefactureerd aan de [benadeelde partij] en betaald hebben gekregen. Een uitzondering hierop is het door [betrokkene 2] betaalde bedrag van € 11.728,96. Dat bedrag trekt de rechtbank af van het totaal.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat de [benadeelde partij] door de kunstgrepen en verdichtsels van verdachte is bewogen tot afgifte van € 92.898,19.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit samen met een (of meer) ander(en) heeft gepleegd.

Bewijs (t.a.v. feit 2).

Inleiding.

Aan verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij zich, al dan niet samen met (een) ander(en), in de periode van 1 januari 2014 tot en met 15 maart 2017 heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door gebruik te maken van diverse voorwerpen, terwijl hij wist dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Daarbij wordt gedoeld op de voorwerpen die hij van leveranciers heeft betrokken.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de onder het zesde gedachtestreepje ten laste gelegde fietsen van het merk Van Rossum, omdat niet is gebleken dat de kosten van (het onderhoud en de reparaties van) juist deze fietsen ten laste van de [benadeelde partij] zijn gekomen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van dit feit bepleit. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort gezegd – aangevoerd dat ten aanzien van de goederen die op rekening zijn gekocht niet voldaan is aan het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ uit artikel 420bis Sr, omdat pas na verwerving van de goederen sprake is geweest van een voltooide oplichting.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverwegingen.

Voor een bewezenverklaring van (gewoonte)witwassen is vereist dat aan de verkrijging van de tenlastegelegde voorwerpen een gepleegd misdrijf is voorafgegaan. De verdediging heeft terecht aangevoerd dat het misdrijf ‘oplichting van de [benadeelde partij] ’ chronologisch volgt op de verkrijging en ingebruikname van de voorwerpen die verdachte aanschafte bij leveranciers. Met andere woorden de (meeste) voorwerpen zijn niet afkomstig uit het onder 1 ten laste gelegde misdrijf. Slechts de betalingen van de [benadeelde partij] aan tussenpersonen en enkele leveranciers, bewerkstelligd door de kunstgrepen en verdichtsels van verdachte, zijn uit dat misdrijf verkregen.

Een uitzondering daarop is de onder het zesde gedachtestreepje ten laste gelegde fietskleding van het merk Assos. Die fietskleding is aangeschaft nadat de [benadeelde partij] de bedragen die door [bedrijf 6] via de tussenpersonen [bedrijf 13] en [bedrijf 14] aan haar werden doorgefactureerd, had betaald. Immers is deze fietskleding is door verdachte aangeschaft uit het bij [bedrijf 6] opgebouwde winkeltegoed ter waarde van € 1.000,00.

Voor de andere voorwerpen die in causaal verband staan met de oplichting van de [benadeelde partij] , maar – gelet op de chronologie – daar niet uit afkomstig zijn, geldt het volgende.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de [benadeelde partij] heeft opgelicht, zoals hierna in de bewezenverklaring van feit 1 staat. Die bewezenverklaring omvat de werkwijze van verdachte, zoals die uit de bewijsmiddelen blijkt. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt die werkwijze van een opeenstapeling van oplichtingen. Verdachte heeft niet enkel de [benadeelde partij] , maar tevens de afzonderlijke leveranciers ( [bedrijf 5] , [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 4] , [bedrijf 6] , [bedrijf 7] en [bedrijf 12] ) opgelicht. Verdachte heeft de leveranciers telkens een aantal onwaarheden voorgehouden, teneinde de indruk te wekken dat hij de door hem bestelde goederen uit legitieme middelen zou (laten) voldoen, te bewerkstelligen dat de op rekening gekochte goederen aan hem werden meegegeven en hiermee de leveranciers te bewegen facturen aan (een van de vier) tussenpersonen ( [bedrijf 13] , [bedrijf 14] , [bedrijf 16] , [bedrijf 15] ) te sturen. Er is sprake geweest van een vastomlijnde werkwijze die steevast leidde tot de oplichting van de afzonderlijke leveranciers.

De rechtbank komt tot de conclusie dat, voor zover de oplichting van de afzonderlijke leveranciers als gronddelict wordt beschouwd, wel is voldaan aan het vereiste dat de tenlastegelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De verdachte heeft ten opzichte van de meeste leveranciers de valse hoedanigheid aangenomen van direct betrokkene/zzp-er bij een van de vier tussenpersonen. Hij heeft die illusie lange tijd in stand weten te houden bij de leveranciers, onder meer door te bewerkstelligen dat de tussenpersonen daadwerkelijk betaalden. Die tussenpersonen konden dat doen omdat verdachte de administratieve obstakels wegnam en de mogelijkheid van doorfacturering opende. Verdachte zorgde er immers voor dat de leveranciers passende omschrijvingen noteerden op de facturen.

Ten opzichte van [bedrijf 4] deed verdachte zich valselijk voor als inkoper namens de [benadeelde partij] , terwijl hij voorwerpen aanschafte voor privé.

De rechtbank wijst in het bijzonder op de volgende verklaringen.

Door getuige [getuige 2] ( [bedrijf 5] ) is verklaard dat verdachte heeft gezegd dat zijn bedrijf in bedrijfs- en veiligheidskleding handelde en dat de kleding op rekening van de zaak moest worden gezet. Kennelijk doelde verdachte daarmee op [bedrijf 13]

Door getuige [getuige 3] ( [bedrijf 1] ) is verklaard dat verdachte zei dat hij had gewerkt voor [bedrijf 13] en [bedrijf 14] en dat zij de facturen nooit zou hebben doorgestuurd aan die bedrijven als zij had geweten dat verdachte in werkelijkheid voor de gemeente werkte.

Door getuige [bedrijf 6] ( [bedrijf 6] ) is verteld dat hij twee facturen ad € 2.800,00 heeft aangeboden aan [bedrijf 13] , omdat verdachte hem had verteld dat hij nog geld tegoed had van [bedrijf 13] , omdat hij voor dit bedrijf had gewerkt.

Door getuige [bedrijf 7] ( [bedrijf 7] ) is verklaard dat verdachte heb heeft verteld dat hij uren maakte in betreffende bedrijven, waardoor via die bedrijven betalingen zouden worden verricht aan Volvo, om de openstaande bedragen voor die auto’s in te lossen.

Door getuige [getuige 4] ( [bedrijf 12] ) is verklaard dat de vraag om de facturen op naam van verschillende bedrijven te zetten bij zijn medewerkster binnenkwam en dat verdachte aanaf dat hij op de een of andere manier een belang in deze bedrijven had.

Getuige [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) heeft verklaard dat verdachte haar heeft verteld dat hij een belang had in enkele bedrijven en gevraagd heeft of ik de schoenen wilde factureren aan het bedrijf Safety Masters te Helmond.

Door getuige [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ) is verklaard dat verdachte opdrachtbonnen verstrekte vanuit de gemeente en dat hij de opdrachten bevestigde vanuit het gemeentelijke e-mailadres.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen tevens af dat verdachte daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van diverse voorwerpen, dan wel die voorwerpen heeft overgedragen. In het algemeen geldt dat verdachte heeft toegegeven dat hij diverse voorwerpen voor eigen gebruik heeft aangeschaft, dan wel om aan zijn vrouw te geven. De voorwerpen in de bewezenverklaarde voorwerpen, die door de leveranciers aan verdachte zijn geleverd, zijn in elk geval niet bij de [benadeelde partij] aangetroffen, zodat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die voorwerpen in gebruik heeft genomen dan wel heeft overgedragen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit samen met een (of meer) ander(en) heeft gepleegd, zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 15 maart 2017 heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Bewijs (t.a.v. feit 3, eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief).

Inleiding.

Aan verdachte wordt onder 3 – kort gezegd – verweten dat hij, al dan niet met (een) ander(en), facturen van [onderneming] heeft vervalst, althans valselijk heeft opgemaakt, door die facturen te voorzien van het bedrijfslogo van [onderneming] of een bedrijfslogo dat daarvoor moest doorgaan en op die facturen het bankrekeningnummer van [bedrijf 7] of zijn eigen SNS-bankrekeningnummer op te nemen, met de bedoeling om die facturen aan een aantal tussenpersonen ( [bedrijf 13] , [bedrijf 14] , [bedrijf 16] en/of [bedrijf 15] ) te sturen om te bewerkstelligen dat zij tot betaling op de vermelde bankrekeningen zouden overgaan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging acht dit feit eveneens wettig en overtuigend bewezen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen.

- De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 maart 2019;

- Een aantal geschriften, namelijk 12 facturen van [onderneming] met daarop het bankrekeningnummer van [bedrijf 7] ., zijnde [bankrekeningnummer 5] (p. 3 508, 3 511 t/m 3 518, p. 3 521 en p. 3 524 t/m 3 526);

- Een aantal geschriften, namelijk 2 facturen van [onderneming] met daarop het bankrekeningnummer van verdachte, zijnde [bankrekeningnummer 6] (p. 3 504 t/m 3 505).

De rechtbank volstaat, gelet op het bepaalde in artikel 359, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen nu verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit samen met een (of meer) ander(en) heeft gepleegd, zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Bewijs (t.a.v. feit 4).

Inleiding.

Aan verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij, al dan niet met (een) ander(en), door middel van de [bedrijfspas] van [bedrijf 17] , zijnde de cateraar van het bedrijfsrestaurant van de [benadeelde partij] , voor een totaalbedrag van € 6.489,57 aan goederen op rekening heeft gekocht voor privégebruik.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit van dit feit. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte de [bedrijfspas] slechts ten behoeve van de [benadeelde partij] heeft gebruikt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverwegingen.

Uit het dossier blijkt dat in de periode van mei 2014 tot en met september 2015

19 verzamelfacturen van [bedrijf 17] zijn opgemaakt met betrekking tot bij [bedrijf 18] op rekening gekochte goederen, en dat alle verzamelfacturen door de [benadeelde partij] zijn betaald. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat met de [bedrijfspas] goederen zijn besteld die niet in het bedrijfsrestaurant worden gebruikt, zoals vaatwastabletten en toiletpapier. Tevens heeft zij na controle van de pakbonnen vastgesteld dat alle goederen bij [bedrijf 18] in Helmond zijn afgehaald. Normaal gesproken werden door de [benadeelde partij] bestelde goederen afgeleverd bij de [benadeelde partij] .

Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat verdachte de [bedrijfspas] op naam van getuige [getuige 5] regelmatig heeft opgevraagd om mee te nemen.

Getuige [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte een keer per twee of drie maanden vanuit zijn werk thuis kwam met boodschappen van [bedrijf 18] en dat zij zelf geen [bedrijfspas] hadden.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 maart 2019 verklaard dat hij de [bedrijfspas] van [bedrijf 17] een aantal keer heeft gebruikt en dat hij met de [bedrijfspas] in de [bedrijf 18] is geweest.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte zich ten aanzien van [benadeelde partij] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 december 2016 heeft schuldig gemaakt aan diefstal met een valse sleutel. Hij heeft zich immers, met behulp van de [bedrijfspas] , geld dat aan een ander toebehoorde toegeëigend, zonder dat hij daartoe gerechtigd was en zonder dat hij daarvoor toestemming had.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit samen met een (of meer) ander(en) heeft gepleegd, zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 december 2016 te Helmond en/of Echt en/of elders in Nederland telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aanwenden van listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de [benadeelde partij] , telkens heeft bewogen tot afgifte van geld of geldbedragen voor een totaal van tenminste 322.081,72 euro (10.922 euro [bedrijf 5] en 30.358 euro [bedrijf 1] en 12.277 euro [bedrijf 2] een bedrag bij [bedrijf 3] en 50.914 euro [bedrijf 4] en 7.799 euro [bedrijf 6] en 107.677 euro [bedrijf 7] en 92.898,19 euro [bedrijf 12] ),

hebbende hij met voren omschreven oogmerk –zakelijk weergegeven- telkens valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- bij verschillende leveranciers te weten [bedrijf 5] [bedrijf 8] en [bedrijf 2] [bedrijf 9] en [bedrijf 2] en [bedrijf 10] (handelsnaam [bedrijf 10] ) en [bedrijf 11] [bedrijf 4] en [bedrijf 6] en [bedrijf 12] en [bedrijf 7] goederen en diensten voor privédoeleinden- besteld en gekocht en aangeschaft en

- daarbij in voorkomende gevallen mondeling of schriftelijk aan deze leveranciers aangegeven dat deze goederen bestemd zijn voor de [benadeelde partij] en/of

- vervolgens mondeling of schriftelijk aan deze leveranciers aangegeven welke productomschrijving op de facturen van deze leveranciers dienen te worden vermeld en

- tevens mondeling of schriftelijk aan deze leveranciers aangegeven aan wie deze facturen dienen te worden geadresseerd/gericht en

- in voorkomende gevallen tegen de leveranciers gezegd dat hij, verdachte, werkzaamheden heeft verricht en/of een aandeel heeft in deze geadresseerde van de facturen en

- vervolgens aan deze geadresseerde zijnde zogenaamde tussenpersonen [bedrijf 13] te Helmond en [bedrijf 14] te Eindhoven en [bedrijf 15] te Helmond en [bedrijf 16] te Tilburg opdrachtbevestigingen en inkoopborders/inkoopbonnen, althans schriftelijke opdrachten als ware deze van [benadeelde partij] , verstrekt en

- daarop aangegeven welk bedrag en welke productomschrijving deze tussenpersonen op de facturen aan [benadeelde partij] dienen te vermelden en

- tegen deze tussenpersonen gezegd dat de leveranciers geen inkooprelatie met de gemeente hebben en daarom de facturering via deze tussenpersonen dient te lopen en

- vervolgens in zijn functie als [functie] de op deze wijze bij de [benadeelde partij] binnen gekomen facturen van de tussenpersonen voor akkoord afgetekend en laten aftekenen, althans gezegd dat de uitbetaling door de [benadeelde partij] op deze facturen plaatsvond en

- betreffende de aankoop van meerdere personenauto’s merk Volvo bij [bedrijf 7] meermalen facturen bij meerdere tussenpersonen ( [bedrijf 14] B.V., [bedrijf 16] en [bedrijf 15] ) ingediend met daarop het bedrijfslogo van de onderneming [onderneming] , althans voorzien van een bedrijfslogo dat moest doorgaan voor het bedrijfslogo van onderneming [onderneming] of op die facturen het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] zijnde het bankrekeningnummer van [bedrijf 7] of het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] zijn het bankrekeningnummer van hem, verdachte, vermeld als ware dit het bankrekeningnummer van [onderneming] en als productomschrijving op die facturen telkens vermeld –zakelijk weergegeven- ‘Geleverde materialen incl. montage tbv project Helmond’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- vervolgens aan deze tussenpersonen aangegeven dat zij deze facturen dienen uit te betalen en de betaalde bedragen door kunnen factureren aan de [benadeelde partij] ,

waardoor [benadeelde partij] , telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

2.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 15 maart 2017 te Echt, gemeente Echt-Susteren, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, van meerdere voorwerpen te weten:

- meerdere (dames)kledingstukken (waaronder kleding van het/de merk(en) MOQ en/of Otto d’ Ame en/of ML Collections en/of een aantal (dames)schoenen (waaronder schoenen van de merken Natan en Panara en

- diverse voorwerpen ter decoratie van de woning en/of tuin, waaronder vazen van het merk MccCeramics en

- meerdere huishoudelijke artikelen waaronder twee Dyson design ventilatoren en 2 airco units en een Espresso koffiezetapparaat (merk Miele) en een inbouw-magnetronoven (merk Etna) en

- meerdere stuks witgoed (waaronder een afwasautomaat van het merk Miele) en een stofzuiger van het merk Miele en een koelkast (merk AEG) en

- diverse audioapparatuur van het merk Sonos en een LED Tv (merk Sony) en een Philips Hi-fi systeem en

- fietskleding (merk Assos) en

- tuinplanten en een zwembad en een aangelegde tuin en tuinmaterialen en

- meerdere personenauto’s, te weten een Volvo V40, met kenteken [kenteken 1] en een Volvo XC90, met kenteken [kenteken 3] .

gebruik gemaakt, terwijl hij verdachte telkens wist dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.

3.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 december 2016 in de [benadeelde partij] en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk meerdere facturen gericht aan

- [bedrijf 13] te Helmond,

- [bedrijf 14] te Eindhoven,

- [bedrijf 15] te Helmond en

- [bedrijf 16] te Tilburg,

zijnde geschriften die telkens bestemd zijn om tot het bewijs enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, althans telkens heeft vervalst, hebben hij, verdachte toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid

- die facturen voorzien van het bedrijfslogo van de onderneming [onderneming] gevestigd te Schimmert, althans voorzien van een bedrijfslogo dat moest doorgaan voor het bedrijfslogo van onderneming [onderneming] voornoemd en/of

- op die facturen vermeld het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] zijnde het bankrekeningnummer van [bedrijf 7] , welk bankrekeningnummer moest doorgaan voor het bankrekeningnummer van de onderneming [onderneming] voornoemd en/of

- op die facturen vermeld het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] zijnde het bankrekeningnummer van [bedrijf 7] , welk bankrekeningnummer moest doorgaan voor het bankrekeningnummer van de onderneming [onderneming] voornoemd en/of

- op die facturen vermeld het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] zijnde het bankrekeningnummer van hem, verdachte, welke bankrekeningnummer moest doorgaan voor het bankrekeningnummer van de onderneming [onderneming] voornoemd en/of

- op die facturen telkens bij ‘beschrijving’ vermeld -zakelijk weergegeven-: ‘Geleverde materialen incl. montage tbv project Helmond’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

telkens met het oogmerk om voormelde facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken

en

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 december 2016 in de [benadeelde partij] en elders in Nederland, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

meerdere valse of vervalste facturen gericht aan

- [bedrijf 13] te Helmond,

- [bedrijf 14] te Eindhoven,

- [bedrijf 15] te Helmond en/of

- [bedrijf 16] te Tilburg,

-elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat hij, verdachte,

- deze facturen ter betaling heeft overgelegd/gegeven/gestuurd aan genoemde tussenpersonen (aan [bedrijf 13] te Helmond en/of [bedrijf 14] te Eindhoven en/of [bedrijf 15] te Helmond en/of [bedrijf 16] te Tilburg) en/of

- aldus bewerkstelligd dat de door verdachte aangeschafte en in gebruik zijnde personenauto's werden afbetaald en

- de [benadeelde partij] deze betalingen vervolgens heeft vergoed aan genoemde tussenpersonen

waarbij die opzettelijke valsheid en/of vervalsing telkens heeft bestaan uit

- het vermelde logo van onderneming [onderneming] als ware dit een factuur van [onderneming] en/of - het vermelde bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 3] (zijnde het bankrekeningnummer van [bedrijf 7] ) als ware dit het bankrekeningnummer van [onderneming] en/of

- het vermelde bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 4] (zijnde het bankrekeningnummer van hem, verdachte) als ware dit het bankrekeningnummer van [onderneming] ;

4.

op tijdstippen in de periode van 01 januari 2014 tot en met 13 december 2016 te Helmond en/of elders in Nederland, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld tot een totaalbedrag van euro 6.489,57 of daaromtrent, toebehorende aan en ander dan aan verdachte, waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een [bedrijfspas] van het externe cateringbedrijf [bedrijf 17] ;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de duur van een eventueel aan verdachte op te leggen gevangenisstraf dient te worden beperkt tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, het plegen van gewoontewitwassen, het valselijk opmaken van facturen en het gebruiken daarvan ter financiering van meerdere personenauto’s en diefstal door middel van een valse sleutel. Verdachte heeft bij leveranciers de indruk gewekt dat hij goederen of diensten ten behoeve van de [benadeelde partij] bestelde dan wel ten behoeve van bedrijven waar hij in werkelijkheid geen betrokkenheid bij had. Verdachte heeft de leveranciers opgedragen op de facturen algemene productomschrijvingen te vermelden en tegen de leveranciers gezegd dat zij deze facturen moesten doorfactureren aan tussenpersonen van de [benadeelde partij] . Verdachte hield de leveranciers onwaarheden voor teneinde hen te bewegen de door hen opgemaakte facturen aan de tussenpersonen te sturen. Verdachte verzocht de tussenpersonen de facturen van de leveranciers door te factureren aan [benadeelde partij] , omdat er bij de [benadeelde partij] geen budget zou zijn voor de bij de leveranciers bestelde goederen of diensten of omdat die leveranciers niet waren opgenomen in de administratie van de [benadeelde partij] . Verdachte verstrekte aan de tussenpersonen opdrachtbevestigingen of inkooporders met het door te factureren bedrag en de algemene productomschrijvingen die op de facturen aan de [benadeelde partij] moesten worden vermeld. Ook heeft verdachte de [bedrijfspas] van de bedrijfscateraar van de [benadeelde partij] misbruikt voor het doen van privé-uitgaven. Verdachte is op een zeer geraffineerde manier te werk gegaan en heeft zichzelf daarmee verrijkt.

Verdachte heeft bovendien zijn ambtelijke (vertrouwens)functie en hoge positie op ernstige wijze misbruikt. Hij heeft gemeenschapsgelden aangewend voor privé-uitgaven.

Gedurende de ten laste gelegde periode van ruim drie jaar heeft verdachte door zijn geraffineerde werkwijze de [benadeelde partij] , maar ook de betrokken leveranciers en tussenpersonen, op ernstige wijze misleid. Verdachte heeft de [benadeelde partij] in die tijd bewogen tot betaling van een geldbedrag van in totaal € 322.081,72 aan de diverse tussenpersonen.

Ook heeft verdachte de [benadeelde partij] benadeeld door de [bedrijf 18] -pas van de bedrijfscateraar te misbruiken voor het doen van privé-uitgaven voor een bedrag van in totaal € 6.489,57. Verdachte heeft [bedrijf 12] uit eigen financieel gewin gehandeld.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij uitsluitend zijn eigen geldelijk gewin voor ogen heeft gehad en kennelijk niet heeft stilgestaan bij de financiële schade en misleiding die door zijn handelen teweeg zijn gebracht.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor fraudedelicten en houdt bovendien in strafverzwarende zin rekening met de lange periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en gewoontewitwassen en met de omstandigheid dat hij de kennis en mogelijkheden die hij had als ambtenaar bij de gemeente misbruikt heeft om gemeenschapsgeld voor luxeproducten aan te wenden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte groot 6 maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 3 jaren, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 3] , namens [benadeelde partij] .

Inleiding.

De benadeelde partij heeft toewijzing van materiële schade gevorderd ter hoogte van een bedrag van € 449.680,00. Dit betreft het benadelingsbedrag zoals becijferd in het rapport van PWC/I-Tek B.V.

Tevens heeft de benadeelde partij in een primaire en subsidiaire variant toewijzing gevorderd van door PWC, I-Tek B.V. en AKD gemaakte kosten.

Primair heeft de benadeelde partij toewijzing gevorderd van een bedrag van € 314.451,14, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voornoemd bedrag bestaat uit de door PWC (€ 172.223,00) en I-Tek B.V. (€ 68.110,00) gemaakte kosten tot de oplevering van het onderzoeksrapport op 20 februari 2017 en daarna nog gemaakte kosten van 26 februari 2017 tot en met respectievelijk 26 en 11 juli 2017 en de door AKD vanaf 1 maart 2018 gemaakte kosten voor juridische bijstand (€ 64.335,97).

Subsidiair heeft de benadeelde partij toewijzing gevorderd van een bedrag van € 188.261,50 en het liquidatietarief, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voornoemd bedrag bestaat uit de door PWC gemaakte kosten tot 20 februari 2017 en nakomende kosten tot 26 februari 2017 (€ 126.551,50), de door I-Tek B.V. gemaakte kosten tot 20 februari 2017 (€ 56.550,00) en door AKD gemaakte kosten tot het indienen van de vordering benadeelde partij op 1 maart 2018 (€ 5.160,00), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van

€ 545.942,68. Voor wat betreft materiële schade acht de officier van justitie 75% van het daadwerkelijke benadelingsbedrag toewijsbaar (€ 262.392,43). Tevens acht de officier van justitie van de door PWC en I-Tek B.V. gemaakte kosten tot aan de oplevering van het onderzoeksrapport op 20 februari 2017 toewijsbaar tot een bedrag van € 183.101,50, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij integraal niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de onder 1 en 4 bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, te weten materiële schade door de rechtbank begroot op € 328.571,29 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening. Dit bedrag betreft het door de rechtbank onder feit 1 bewezenverklaarde bedrag.

De beoordeling van de rest van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Deze rechtbank zal de benadeelde partij om deze reden niet-ontvankelijk verklaren in de resterende delen van haar vordering.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

Wetboek van Strafrecht, art. 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 225, 310, 311, 326, 420bis, 420ter.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Bewezenverklaring.

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Strafbaarheid van het feit.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Oplichting.

T.a.v. feit 2:

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

T.a.v. feit 3, eerste cumulatief/alternatief:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 3, tweede cumulatief/alternatief:

Opzettelijk gebruik maken van een vals en/of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 4:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Strafbaarheid van verdachte.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging.

legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Vordering benadeelde partij.

T.a.v. feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 328.571,29 subsidiair 365 dagen vervangende hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 3] , namens [benadeelde partij] , van een bedrag van EUR 328.571,29, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen vervangende hechtenis. Het bedrag bestaat uit een door de rechtbank begroot bedrag van EUR 328.571,29 aan materiële schade. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag van de algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [betrokkene 3] , namens [benadeelde partij] van een bedrag van EUR 328.571,29 aan materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. R. van den Munckhof, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Klaar, griffier,

en is uitgesproken op 5 april 2019.

Mr. W.F. Koolen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.