Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:181

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
18_1646
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, vast dat het door verweerder als ‘zero tolerance’-beleid ten aanzien van het gebruik van alcohol voorafgaand aan het werk aangeduide beleid niet op schrift is gesteld. De rechtbank overweegt dat niet duidelijk is geworden wat de precieze inhoud en reikwijdte van het beleid is. Eiser wist weliswaar dat verweerder een dergelijk beleid heeft, maar niet wat het exact inhield. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat eisers handelen op 31 augustus 2017 in strijd was met dat beleid. Verweerder heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat eiser zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1646

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.M.M. Teklenburg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. L.S. van Loon).

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser op grond van artikel 8:13 van het CAR/EAR met ingang van 20 oktober 2017 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd.

De commissie voor bezwaarschriften heeft verweerder op 5 april 2018 geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. Verweerder heeft dat advies niet overgenomen.

Bij besluit, verzonden op 7 juni 2018, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] , leidinggevende, en door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Verweerder heeft eiser met ingang van 15 november 2014 aangesteld bij wijze van proef in tijdelijke dienst als ICT beheerder II (salarisschaal 9), bij de sector Informatisering & Beheer op de afdeling ICT infra. Bij besluit van 1 oktober 2015 is eiser aangesteld in vaste dienst. Bij besluit van 30 november 2016 heeft verweerder eiser een ontwikkeltraject aangeboden om te kunnen doorgroeien naar de functie van ICT beheerder I. Op 2 oktober 2017 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt dat eiser wegens plichtsverzuim zal worden ontslagen. Eiser heeft op 9 oktober 2017 zijn zienswijze ingediend. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals opgenomen onder het procesverloop.

  2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door op 31 augustus 2017 alcohol te gebruiken buiten diensttijd, waardoor hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden, later die dag, nog onder invloed van alcohol was. Het drinken van acht glazen bier op 31 augustus 2017 heeft verweerder aangemerkt als bovenmatig. Volgens verweerder was eiser in grote lijnen op de hoogte van het ‘zero tolerance’-beleid ten aanzien van alcoholgebruik voor en tijdens het werk. Alcoholgebruik in privétijd is niet toegestaan als kort daarna werkzaamheden moeten worden verricht, zeker als het werkzaamheden in het digitale systeem van verweerder betreft. Het werk van ICT beheerder is verantwoordelijk werk. Fouten maken kan grote gevolgen hebben voor de ICT-infrastructuur en daarmee grote schade veroorzaken.

Volgens verweerder is het ‘zero tolerance’-beleid aan alle medewerkers van de afdeling ICT infra kenbaar gemaakt. Eiser is op de bijeenkomst geweest waar dit beleid is besproken en hij was een gewaarschuwd man, nu hij op het gebruik van alcohol voorafgaand aan het werk reeds eerder, bij brief van 19 april 2017, is aangesproken en erop is gewezen dat bij herhaling sprake zal zijn van disciplinaire maatregelen. Die brief bevat een samenvatting van gesprekken die met eiser op 28 maart 2017 en 12 april 2017 zijn gevoerd naar aanleiding van het feit dat eiser op 23 maart 2017 voorafgaand aan zijn werk alcohol had gedronken. Het betrof twee biertjes tijdens een diner met collega’s, waarna eiser, evenals de betreffende collega’s, in de avonduren nog moest overwerken. Tijdens een bijeenkomst van de afdeling in maart 2017 heeft eiser voor het gebruik van alcohol (voorafgaand aan werkzaamheden) zijn excuses aangeboden aan zijn collega’s.

Ter zitting van de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt in die zin genuanceerd dat hij niet (langer) stelt dat eiser tijdens het verrichten van werkzaamheden op 31 augustus 2017 nog onder invloed van alcohol was. Verweerder verwijt eiser wel dat hij het risico heeft genomen dat hij onder invloed van alcohol zou zijn toen hij op 31 augustus 2017 werkzaamheden ging verrichten en dat hij daarmee heeft gehandeld in strijd met de waarschuwing van 19 april 2017. Verweerder is van mening dat dit verwijt op zichzelf reeds het strafontslag kan dragen. Daarnaast verwijt verweerder eiser nog dat hij verlof niet heeft geregistreerd en dat hij zich in de groepsapp van het werk op onbehoorlijke wijze heeft uitgelaten.

3. Eiser voert aan dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft bovendien, in het licht van het door hem gestelde ‘zero tolerance’-beleid, niet consequent gehandeld door eiser niet al op 23 maart 2017 te ontslaan. Eiser maakt hieruit op dat het beleid niet zo strikt wordt toegepast als verweerder wil doen voorkomen. In het beroepschrift heeft eiser gesteld dat hij het beleid van verweerder dat ziet op het gebruik van alcohol voorafgaand aan het werk, niet kent.

Ter zitting van de rechtbank heeft eiser dit standpunt in die zin genuanceerd dat hij de precieze inhoud en reikwijdte van het door verweerder als ‘zero tolerance’-beleid aangeduide beleid, niet kent. Eiser betwist tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden op 31 augustus 2017 nog onder invloed van alcohol te zijn geweest. Eiser stelt op 31 augustus 2017 de hele dag verlof te hebben gehad. In de ochtend heeft eiser zijn werkplek nog bezocht om zaken af te maken en over te dragen in verband met zijn vakantie in de periode van 31 augustus 2017 tot en met 24 september 2017. In de middag heeft eiser, van 13.00 uur tot ongeveer 18.00 uur, een afscheidsreceptie van een collega bezocht en in die periode acht glazen bier gedronken. Om 22.00 uur heeft eiser voor zijn werk, vanaf thuis, nog een connectiviteitstest uitgevoerd.

Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het daarbij slechts testen door het van buitenaf benaderen van de gemeentelijke website betrof en niet, zoals verweerder lijkt te stellen, het uitvoeren van werkzaamheden in het digitale systeem van verweerder. Nog daargelaten dat eiser niet precies wist wat het beleid van verweerder inhield, kan daarom niet worden gezegd dat sprake was van de daarin neergelegde gevaarzetting voor wat betreft de ICT-infrastructuur van de gemeente. Van plichtsverzuim is volgens eiser geen sprake.

4. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak (uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997 en 26 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:298) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedraging heeft begaan. Verder dient er sprake te zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en (de ernst van) het geconstateerde plichtsverzuim.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder het aan eiser gemaakte verwijt ter zitting in die zin heeft genuanceerd dat eiser niet langer wordt verweten dat hij op 31 augustus 2017 onder invloed van alcohol aan het werk was. Wel verwijt verweerder eiser dat hij op die dag het risico heeft genomen dat hij nog onder invloed van alcohol zou zijn, toen hij in de avond werkzaamheden ging verrichten en daarmee in strijd heeft gehandeld met het ‘zero tolerance’-beleid van verweerder.

6. De rechtbank stelt, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, vast dat het door verweerder als ‘zero tolerance’-beleid aangeduide beleid niet op schrift is gesteld. De rechtbank overweegt dat niet duidelijk is geworden wat de precieze inhoud en reikwijdte van het beleid is. Eiser wist weliswaar dat verweerder een dergelijk beleid heeft, maar niet wat het exact inhield. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat eisers handelen op 31 augustus 2017 in strijd was met dat beleid. Verweerder heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat eiser zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

7. Partijen zijn het, zoals zij ter zitting hebben bevestigd, erover eens dat de overige verwijten die verweerder eiser heeft gemaakt – het niet registreren van verlof en het zich op onbehoorlijke wijze uitlaten in de groepsapp van het werk – het aan eiser verleende strafontslag niet kunnen dragen.

8. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij inmiddels een andere baan heeft en daarom niet terug wil naar zijn baan bij verweerder. Wel wil hij van verweerder nog schadevergoeding vorderen. Gelet daarop zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het (aanvullend) beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 512, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het griffierecht ten bedrage van € 170 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, voorzitter, en mr. C.F.E. van Olden-Smit en mr. F.M.S. Requisizione, leden, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.