Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1669

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
19_335
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afdoening aantal WOB zaken in verband met Eurocircuit Valkenswaard

De rechtbank doet een aantal uitspraken over het Eurocircuit in Valkenswaard. Dit betreffen vier uitspraken over de weigering van de gemeente Valkenswaard van verzoeken om informatie te openbaren.

In de zaak SHE 18/3201 had de rechtbank in een eerdere uitspraak (ecli:nl:RBOBR:2018:5222) de gemeente Valkenswaard al opgedragen om informatie openbaar temaken. De gemeente heeft dat volgens de rechtbank nog steeds niet volledig gedaan. De gemeente moet dit nu doen binnen twee weken op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 2.500,- voor elke week dat de termijn wordt overschreden.

Ook in de zaak SHE 19/335 moet de gemeente de gevraagde informatie openbaar maken op straffe van een dwangsom.

In de zaken SHE 19/336 en SHE 19/408 heeft verweerder de gevraagde informatie uiteindelijk verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/335

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2019 in de zaak tussen

de vereniging Groen en Heem Valkenswaard e.o., te Valkenswaard,

eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard, verweerder

(gemachtigden: H.J.M. Marcus en M.C.L. Walta).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Partijen hebben ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarna verweerder het bezwaarschrift heeft doorgezonden naar de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft hierop een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2019, gelijktijdig met de behandeling van zaken SHE 18/1540, SHE 18/3201, SHE 19/333, SHE 19/336 en SHE 19/408. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij brief van 22 oktober 2018 heeft eiseres op grond van de Wob verzocht om digitale toezending van documenten over het ontwerpbestemmingsplan Eurocircuit, de PlanMER en de omgevingsvergunning OV 18222 vanwege tijdelijk afwijkend gebruik van gronden voor één dag (Dakar Pre-proloog), gelegen op en rond het perceel aan de Victoriedijk 6 in Valkenswaard. Eiseres heeft daarbij aangegeven dat het haar specifiek gaat om:

1.1.

de gehanteerde uitgangspunten met bijbehorende toelichting en onderbouwing van de in het rekenprogramma AERIUS ingevoerde gegevens behorende bij het ontwerpbestemmingsplan, de PlanMER en de omgevingsvergunning;

1.2.

de luchtkwaliteitsberekening met GeoMilieu 4.01., waarnaar wordt verwezen in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de omgevingsvergunning.

2. Verweerder heeft het verzoek van eiseres bij het bestreden besluit afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

3.1.

Verweerder stelt dat eiseres geen belanghebbende is in deze procedure. Volgens verweerder heeft eiseres de laatste tijd te weinig feitelijke werkzaamheden ontplooid. Eiseres richt zich uitsluitend op procedures rond het Eurocircuit.

3.2.

De rechtbank ziet niet in waarom eiseres geen belanghebbende zou zijn. Zij is immers degene die het verzoek bij verweerder heeft ingediend en ook degene tot wie het bestreden besluit is gericht. Of feitelijke werkzaamheden zijn verricht, is niet relevant. De rechtbank merkt eiseres dan ook als belanghebbende aan.

4.1.

Verweerder stelt dat eiseres geen procesbelang heeft bij haar beroep, omdat zij de gevraagde stukken al heeft ontvangen.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat partijen ter zitting hebben bevestigd dat eiseres de gevraagde informatie nog niet heeft ontvangen. Eiseres heeft dan ook procesbelang bij haar beroep tegen het bestreden besluit.

5.1.

Eiseres voert aan dat verweerder haar zonder deugdelijke onderbouwing ten onrechte beschuldigt van misbruik van recht en dat verweerder ten onrechte voorbijgaat aan artikel 3, eerste, derde en vijfde lid, van de Wob. Volgens eiseres ziet haar verzoek op openbaarmaking voor een ieder en is artikel 7:18, vierde lid, van de Awb hier niet van toepassing.

5.2.

Verweerder stelt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege misbruik van recht. Verweerder brengt hiertoe naar voren dat het belang van eiseres bij kennisneming van de gevraagde informatie redelijkerwijs slechts kan zijn gelegen in het aanvechten van besluiten van verweerder over het Eurocircuit en dus niet in het voor een ieder openbaar worden van de gevraagde informatie. Eiseres heeft zienswijzen ingediend tegen het (voor)ontwerpbestemmingsplan Eurocircuit en bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning voor de Dakar Pre-proloog. De artikelen 7:4, vierde lid, en 7:18, vierde lid, van de Awb zijn dan de aangewezen weg om de gevraagde informatie op te vragen.

5.3.

Artikel 7:4, vierde lid, van de Awb geeft aan belanghebbenden het recht om in een bezwaarprocedure afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken te verkrijgen. Artikel 7:18, vierde lid, van de Awb bevat een soortgelijke bepaling bij administratief beroep. Artikel 3:11, derde lid, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening bevat een vergelijkbare regeling in het kader van zienswijzen tegen een ontwerpbestemmingsplan.

5.4.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker daarbij geen belang te stellen. Het vijfde lid bepaalt dat een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

5.5.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat artikel 7:18, vierde lid, van de Awb hier niet van toepassing is, aangezien deze bepaling ziet op administratief beroep en tegen het (ontwerp)bestemmingsplan en de omgevingsvergunning geen administratief beroep openstaat.

5.6.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 10 mei 2018 gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen en eiseres hiertegen een zienswijze heeft ingediend. Het definitieve bestemmingsplan wordt naar verwachting in april 2019 in de gemeenteraad van Valkenswaard behandeld. De omgevingsvergunning voor de Dakar Pre-proloog is op 10 oktober 2018 verleend en heeft vanaf 18 oktober 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

5.7.

Het voorgaande brengt met zich dat eiseres op dit moment geen toegang heeft tot artikel 7:4, vierde lid, dan wel artikel 3:11, derde lid, van de Awb. Het (ontwerp)bestemmingsplan en de omgevingsvergunning liggen nu immers niet ter inzage. Artikel 3:11, derde lid, van de Awb voorziet niet in de mogelijkheid tot verstrekking van stukken vooruitlopend op de terinzagelegging van een bestemmingsplan. Verweerder heeft bovendien op de zitting niet kunnen bevestigen dat de gevraagde informatie met het definitieve bestemmingsplan ter inzage zal worden gelegd.

5.8.

De rechtbank ziet verder niet in dat eiseres misbruik maakt van de Wob, omdat zij de gevraagde informatie al eerder via artikel 7:4, vierde lid, dan wel via artikel 3:11, derde lid, van de Awb had moeten opvragen (voor zover zij dat niet heeft gedaan). De rechtbank stelt daarbij voorop dat het uitgangspunt van de Wob is dat overheidsinformatie openbaar is en dat een verzoeker geen belang behoeft te stellen bij zijn verzoek. De door verweerder genoemde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3729), 10 januari 2018 (onder andere ECLI:NL:RVS:2018:32) en 27 december 2017 (onder andere ECLI:NL:RVS:2017:3580) zijn hier verder niet van toepassing. In die uitspraken had verzoeker steeds uitsluitend een individueel belang bij kennisneming van de gevraagde informatie, namelijk het verkrijgen van informatie ten behoeve van het aanvechten van een tot hem gerichte beschikking (zijnde een planschadebesluit of een verkeersboete). De Afdeling was in die zaken dan ook van oordeel dat verzoeker de informatie had moeten opvragen in de voor hem openstaande rechtsbeschermingsprocedure inzake de tot hem gerichte beschikking. In dit geval strekt het verzoek van eiseres weliswaar (mede) tot het aanvechten van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning, maar dat laat onverlet dat het belang van eiseres bij kennisneming van de gevraagde informatie ziet op openbaarmaking voor een ieder. Eiseres komt immers op tegen besluiten die juist niet tot haar zijn gericht en waarbij niet alleen de collectieve belangen van eiseres zijn betrokken, maar ook algemene belangen en individuele belangen (zoals die van vergunninghouder en omwonenden). Anders dan in de hiervoor genoemde uitspraken, zijn artikel 7:4, vierde lid, dan wel artikel 3:11, derde lid, van de Awb dan niet de aangewezen weg om de gevraagde informatie te verkrijgen. Bovendien kon verweerder ter zitting niet duidelijk maken dat de door eiseres verzochte informatie daadwerkelijk ter inzage zou hebben gelegen of komt te liggen, zodat ook in zoverre de vergelijking met de door hem genoemde jurisprudentie niet op gaat. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens misbruik van recht. De beroepsgrond slaagt.

6.1.

Eiseres voert aan dat uit de uitspraken van de Afdeling van 17 mei 2017 over de Programmatische Aanpak Stikstof volgt dat verweerder de gevraagde informatie bij het (ontwerp)bestemmingsplan en de omgevingsvergunning ter inzage had moeten leggen.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank hoort deze beroepsgrond thuis in de bestemmingsplan- dan wel omgevingsvergunningprocedure. De beroepsgrond valt dus buiten de omvang van dit geding. De beroepsgrond faalt.

7.1.

De rechtbank concludeert dat verweerder het verzoek van eiseres ten onrechte niet als een Wob-verzoek in behandeling heeft genomen. Het beroep van eiseres is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal immers op grond van de Wob moeten beoordelen of de gevraagde informatie voor openbaarmaking in aanmerking komt. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het verzoek van eiseres te nemen en bekend te maken aan eiseres met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht deze termijn gerechtvaardigd gelet op de omvang van het Wob-verzoek. Voor iedere week dat deze termijn wordt overschreden, zal verweerder aan eiseres een dwangsom van € 2.500,- verbeuren. De rechtbank sluit hiermee aan bij de gestelde dwangsom in de uitspraak van heden in zaak SHE 18/3201.

7.2

De rechtbank draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank zal verweerder niet veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, omdat de gemachtigde van eiseres de gemaakte proceskosten al in zaak SHE 18/3201 vergoed krijgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eiseres en die bekend te maken aan eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom verbeurt van € 2.500,- voor elke week dat de hiervoor bepaalde termijn wordt overschreden;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. G. Aarts en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.