Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1659

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
C/01/333009 / HA ZA 18-259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vervoersrecht, overeenkomst tot transport van duiven naar China. De duiven zijn in China niet door de douane gekomen. Klachtplicht: opdrachtgever heeft tijdig geklaagd. Vertegenwoordiging: opdrachtnemer heeft in eigen naam gehandeld. De overeenkomst tussen partijen betreft een vervoersovereenkomst, niet een expeditie-overeenkomst. Stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/333009 / HA ZA 18-259

Vonnis van 27 maart 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.M.M. Rooijen te Weert,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. Schippers te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 juni 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 november 2018

  • -

    de conclusie na comparitie van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft gehandeld onder de naam Pigeonvillage.nl.

2.2.

Tussen Global Pigeon Group Ltd (hierna: GPG) als ‘Party I’ en Shenzen Shengyefanrong Industrial Co. Ltd. (hierna; Shenzen) als ‘Party II’ is in augustus 2015 een ‘Cooperation Agreement pigeon export’ gesloten (hierna: de samenwerkingsovereenkomst). Deze overeenkomst, die ook door [gedaagde] is ondertekend, houdt onder meer het volgende in : ‘Party II is commissioned bij Party I tot undertake the import of pigeons from Europe to China. (…) Party II responsible for customs clearing, quarantine clearing and China inland transport matters to the Quarantine destination of Part II. (…) Party I will outsource the services resulting from this contract to a Netherlands-based company called PigeonVillage.nl.’

2.3.

[eiser] heeft [gedaagde] opdrachten gegeven voor het vervoer van 43, 35 en 6, zijnde in totaal 84 duiven naar China.

2.4.

[gedaagde] heeft deze duiven, elk voorzien van een ringnummer, bij [eiser] opgehaald en deze in quarantaine gebracht bij Clear Customs BVBA (hierna: Clear Customs), een douanetussenpersoon, te België.

2.5.

Rhenus Fresh B.V. heeft bij opdrachtbevestigingen van 7 december 2015 aan Pigeonvillage.nl de opdracht van Pigeonvillage.nl bevestigd tot het doen vervoeren van de luchtvrachtverzending bestaande in 272 levende duiven. Onder deze duiven bevonden zich duiven van [eiser] en duiven van [naam duivenhouder 1] (hierna: [naam duivenhouder 1] ) en/of [naam duivenhouder 2] (hierna: [naam duivenhouder 2] ) .

2.6.

In de Air Waybill van het transport van deze 272 duiven staat als ‘shipper’ vermeld ‘Pigeonvillage.nl c/o Clearcustoms’. Shenzen staat als ‘consignee’ vermeld en Rhenus Fresh als ‘Issuing Carrier’s Agent’. Verder zijn in de Air Waybill Brussel als luchthaven van vertrek en Guangzhou in China als luchthaven van aankomst genoemd. Tevens staat in de Air Waybill het verzoek om bij aankomst direct contact op te nemen met [naam medewerker Shenzen] namens Shenzen. De Air Waybill is door Rhenus Fresh ondertekend ‘as agent for above shipper’ en ‘as agent for carrier China Southern Airlines’.

2.7.

Aan de Air Way Bill is een ‘Veterinair certificaat betreffende voor uitvoer naar China bestemde duiven’ gehecht. In dat certificaat is, kort weergegeven, verklaard dat de duiven vrij zijn van symptomen van infectieuze en besmettelijke ziekten. Aan het certificaat is een overzicht van de ringnummers van de betreffende duiven gehecht.

2.8.

Op 14 november 2015 heeft [gedaagde] aan Clear Customs opdracht gegeven voor het verzenden van 272 duiven.

2.9.

De duiven zijn op 15 december 2015 per vliegtuig met China Southern Airlines naar China vervoerd.

2.10.

[eiser] heeft voor het vervoer van 43, 35 en 6 duiven aan [gedaagde] bedragen van respectievelijk € 5.375,00, € 5.125,00 en 750,00 contant voldaan. Aanvullend heeft [eiser] per duif nog een bedrag van € 10,00, zijnde in totaal € 840,00, contant aan [gedaagde] voldaan. [gedaagde] heeft aan [eiser] geen facturen verstrekt.

2.11.

Bij de douane in China zijn problemen ontstaan met betrekking tot de invoer van de duiven. Er was sprake van een invoerweigering.

2.12.

[naam duivenhouder 1] en [naam duivenhouder 2] hebben hun vordering op [gedaagde] overgedragen aan [eiser] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – ontbinding van de tussen [eiser] en [gedaagde] en tussen [naam duivenhouder 1] en/of [naam duivenhouder 2] en [gedaagde] gesloten overeenkomsten en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van in totaal € 57.510,00 en schadevergoeding op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft ter comparitie de grondslag van zijn vordering aangevuld/ gewijzigd. [gedaagde] heeft bij conclusie na comparitie tegen die aanvulling/wijziging bezwaar gemaakt, stellende dat de procedure door deze aanvulling/wijziging onnodige vertraging oploopt. Het bezwaar van [gedaagde] wordt verworpen. [gedaagde] heeft bij conclusie na comparitie inhoudelijk gereageerd op de aangevulde/gewijzigde grondslag en deze aanvulling/wijziging brengt geen onredelijke vertraging van het geding met zich. De rechtbank zal recht doen op de aangevulde/gewijzigde grondslag.

4.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

4.2.1.

[eiser] heeft met [gedaagde] een overeenkomst gesloten tot transport van duiven naar China. Op [gedaagde] rustte, gelet op het bepaalde in artikel 8:21 BW, als hoofdvervoerder de verplichting om de duiven ter bestemming af te leveren in de staat waarin hij deze heeft ontvangen. De douaneformaliteiten zijn onderdeel van de vervoersovereenkomst.

De duiven zijn in China vernietigd door de Chinese autoriteiten. Daardoor is nakoming door [gedaagde] van de overeenkomst blijvend onmogelijk. [eiser] vordert ontbinding van die overeenkomst. Door die ontbinding ontstaat er een ongedaanmakingsverbintenis. [gedaagde] dient de betaalde vrachtprijs van € 11.340,00 aan [eiser] terug te betalen. Als direct gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] heeft [eiser] schade geleden. [gedaagde] dient die schade te vergoeden. Deze schade bestaat in schade ter hoogte van

€ 17.500,00 door het tenietgaan van de duif met ringnummer [ringnummer] en overige schade door het tenietgaan van duiven, gederfde winst en imago- en reputatieschade op te maken bij staat.

4.2.2.

[naam duivenhouder 1] heeft bij [naam duivenhouder 2] 57 duiven gekocht en aan [gedaagde] opdracht gegeven tot het vervoer van deze duiven naar China. Daarnaast heeft [naam duivenhouder 1] 51 duiven gekocht van [gedaagde] . [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam duivenhouder 2] zijn contractuele wederpartij is. Voor zover dit in rechte komt vast te staan, moet aangenomen worden dat [naam duivenhouder 2] dan gerechtigd is tot de vordering. Ook de duiven van [naam duivenhouder 1] zijn in China vernietigd door de Chinese autoriteiten. [naam duivenhouder 1] en [naam duivenhouder 2] hebben formeel de ontbinding van de gesloten koopovereenkomsten ingeroepen. Ook hier staan de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] en de blijvende onmogelijkheid tot nakoming vast. Door die ontbinding ontstaat er een ongedaanmakingsverbintenis. Voor het transport van de 57 duiven betaalde [naam duivenhouder 1]

€ 8.850,00 en voor de 51 duiven betaalde [naam duivenhouder 1] een koopprijs inclusief transportkosten van € 19.920,00. De schade die [naam duivenhouder 1] en [naam duivenhouder 2] hebben geleden dient te worden opgemaakt bij staat.

4.2.3.

Indien de schade is ontstaan na een voltooide aflevering, voor zover die niet omvat de correcte regeling van de douaneformaliteiten, was [gedaagde] ook gehouden tot naleving van de douaneformaliteiten als nevenverplichting, al dan niet ter uitvoering van de vervoerovereenkomst. Mocht geoordeeld worden dat de schade is ontstaan na beëindiging van de vervoersovereenkomst, dan geldt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld.

4.3.

[gedaagde] heeft tot zijn verweer onder meer het volgende aangevoerd.

4.3.1.

Volgens zijn eigen stellingen was [eiser] in december 2015 op de hoogte van het feit dat de overeenkomst met [gedaagde] niet deugdelijk door [gedaagde] kon worden nagekomen. [eiser] heeft pas op 18 oktober 2017 en daarmee niet binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW een beroep gedaan op niet deugdelijke nakoming van de gestelde overeenkomst door [gedaagde] . [eiser] kan daarom niet in zijn vordering worden ontvangen.

4.3.2.

[gedaagde] heeft met [naam duivenhouder 1] geen overeenkomst gesloten zodat [naam duivenhouder 1] van [gedaagde] niets heeft te vorderen. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt op grond waarvan een vordering van [naam duivenhouder 2] is ontstaan.

4.3.3.

[naam duivenhouder 2] heeft zich op 15 maart 2018 gemeld en dat is meer dan twee jaar na de gebeurtenissen in december 2015. Nu [naam duivenhouder 2] niet tijdig na ontdekking van het gebrek heeft geprotesteerd kan hij, en daarmee ook [eiser] , geen beroep meer doen op een gebrek in de prestatie.

4.3.4.

[gedaagde] houdt zich namens GPG bezig met het vervoeren van duiven naar China. Hij heeft GPG vertegenwoordigd en GPG aan de overeenkomst met [eiser] gebonden. [gedaagde] heeft namens GPG gehandeld. Er is geen overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand gekomen en evenmin tussen [gedaagde] en [naam duivenhouder 1] of [naam duivenhouder 2] .

4.3.5.

Als er wel een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser] en [gedaagde] dat ziet die op het voor verzending naar China in gereedheid brengen van de door [eiser] aangeleverde duiven. [gedaagde] zorgt er voor dat de duiven gereed zijn voor vervoer, hij vervoert de duiven niet zelf. De overeenkomst ziet niet op het transport en de export zelf. De werkzaamheden van [gedaagde] zijn voltooid als de duiven zijn afgeleverd bij de transporteur en de transporteur toestemming heeft om de duiven te vervoeren naar China. [gedaagde] heeft niets van doen met de daadwerkelijke invoer van duiven in China en de douaneformaliteiten daar.

4.3.6.

Het is [gedaagde] bekend dat er problemen zijn ontstaan bij de douane in China. [gedaagde] betwist dat de door hem op transport gestelde duiven zijn vernietigd.

4.3.7.

De verwijten die [eiser] aan [gedaagde] in het kader van het gestelde onrechtmatig handelen maakt, zijn onterecht.

4.3.8.

Betwist wordt dat [eiser] schade heeft geleden.

4.4.1.

[gedaagde] heeft weersproken dat hij met [naam duivenhouder 1] overeenkomsten tot vervoer van 57 en 51 duiven heeft gesloten. [gedaagde] heeft gesteld dat [naam duivenhouder 2] hem heeft gevraagd te zorgen voor vervoer van duiven naar China en dat hij daarvoor een contante betaling van

€ 8.058,00 heeft ontvangen. Volgens [gedaagde] heeft [naam duivenhouder 2] via hem 51 duiven gekocht van [naam duivenhouder 3] . [eiser] heeft tegenover het verweer van [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat er tussen [gedaagde] en [naam duivenhouder 1] sprake is van overeenkomsten met betrekking tot het vervoer van duiven. Omtrent de wijze waarop en omstandigheden waaronder dergelijke overeenkomsten tot stand zouden zijn gekomen, is door [eiser] niets gesteld. Van het bestaan van overeenkomsten tussen [gedaagde] en [naam duivenhouder 1] kan daarom niet worden uitgegaan. Voor zover de vorderingen van [eiser] zien op een door [naam duivenhouder 1] aan hem overgedragen vordering op [gedaagde] , zullen deze worden afgewezen.

4.4.2.

[eiser] heeft in reactie op het verweer van [gedaagde] dat [naam duivenhouder 2] zijn contractuele wederpartij is, gesteld dat, voor zover dit in rechte komt vast te staan, aangenomen moet worden dat [naam duivenhouder 2] dan gerechtigd is tot de vordering. Of en bij wat voor soort overeenkomst [naam duivenhouder 2] de contractuele wederpartij is van [gedaagde] zal in de eerste plaats moeten worden beoordeeld aan de hand van hetgeen [eiser] daarover heeft gesteld. [eiser] heeft in het geheel geen feiten en omstandigheden gesteld die zien op de totstandkoming van enige overeenkomst tussen [gedaagde] en [naam duivenhouder 2] en heeft daarmee niet aan zijn stelplicht voldaan. Voor zover de vorderingen van [eiser] zien op een door [naam duivenhouder 2] aan hem overgedragen vordering op [gedaagde] , zullen deze daarom worden afgewezen.

4.5.

[gedaagde] heeft zich bij zijn beroep op het bepaalde in artikel 6:89 BW bij conclusie van antwoord enkel beroepen op het tijdsverloop tussen het moment van de ontdekking door [eiser] van het gebrek waarop [eiser] zich beroept, december 2015, en het moment waarop bij [gedaagde] over dit gebrek is geprotesteerd, 18 oktober 2017.

Bij de beoordeling of tijdig is geklaagd, is niet alleen dit tijdsverloop van belang maar is ook van bijzonder belang of [gedaagde] als schuldenaar nadeel lijdt door dit tijdsverloop. Dit nadeel kan gelegen zijn in de benadeling van zijn bewijspositie, in een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken of in het gebrek aan duidelijkheid over zijn rechtspositie. Verder geldt dat als de schuldenaar niet in zijn belangen is geschaad door het late tijdstip waarop het protest is gedaan, er niet spoedig voldoende reden zal zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten. [gedaagde] heeft voor het eerst bij conclusie na comparitie aangevoerd dat hij in zijn belangen is geschaad door het late tijdstip waarop is geklaagd. Hetgeen [gedaagde] daartoe heeft aangevoerd, overtuigt niet. Volgens [gedaagde] zou hij zich hebben kunnen beroepen op de samenwerkingsovereenkomst als hij tijdig op het gebrek zou zijn aangesproken. Niet valt in te zien, en [gedaagde] heeft dat ook niet toegelicht, dat en waarom [gedaagde] thans geen beroep meer zou kunnen doen op die overeenkomst. [gedaagde] heeft in deze procedure bovendien een beroep op de samenwerkingsovereenkomst gedaan. [gedaagde] heeft gesteld dat hij, als een fout van hem tot vernietiging van de duiven zou hebben geleid, zo snel mogelijk in staat moet worden gesteld te redden wat er te redden valt. Volgens [gedaagde] kon hij na de klacht van 18 oktober 2017 niets meer doen. [gedaagde] heeft echter niet gesteld wat hij na de vernietiging van de duiven nog zou hebben gedaan en wat hij na de klacht niet meer kon doen. De overige door [gedaagde] genoemde omstandigheden zien niet op nadeel dat [gedaagde] zou hebben geleden door het tijdsverloop. Het beroep van [gedaagde] op het bepaalde in artikel 6:89 BW wordt daarom verworpen.

4.6.

Het verweer van [gedaagde] dat hij bij de totstandkoming van de overeenkomst met [eiser] heeft gehandeld als vertegenwoordiger van GPG en dat er aldus een overeenkomst tussen [eiser] en GPG tot stand is gekomen, slaagt evenmin. Het antwoord op de vraag of [gedaagde] voor zichzelf of namens GPG heeft gehandeld, hangt af van wat [eiser] en [gedaagde] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977. NJ 1977/521 - ‘Kribbebijter’). [gedaagde] heeft ter comparitie verklaard dat hij bij de telefonische totstandkoming van de overeenkomst aan [eiser] heeft medegedeeld dat hij de verzending van de duiven voor GPG deed. Verder heeft [gedaagde] verklaard dat in het telefoongesprek de samenwerkingsovereenkomst niet aan de orde is gekomen, zodat daarvan kan worden uitgegaan. Volgens [gedaagde] heeft hij een exemplaar van de samenwerkingsovereenkomst aan [eiser] gegeven toen hij de duiven bij [eiser] kwam op halen. [eiser] heeft weersproken dat [gedaagde] heeft gezegd dat hij namens GPG handelde en dat [gedaagde] hem bij het ophalen van de duiven een exemplaar van de samenwerkingsovereenkomst heeft gegeven. Gegeven deze betwisting is het door [gedaagde] gestelde niet komen vast te staan. Nu [gedaagde] zijn stellingen bovendien niet, althans niet voldoende gespecificeerd, te bewijzen heeft aangeboden zal er van worden uitgegaan dat [gedaagde] de wederpartij is van [eiser] .

4.7.1.

Volgens [eiser] was er sprake van een opdracht tot transport van duiven naar China uit hoofde waarvan op [gedaagde] de verplichting rustte om de duiven naar China te vervoeren en om de duiven daar door de douane te krijgen. [gedaagde] heeft daartegenover gesteld dat hij is aan te merken als expediteur en dat de overeenkomsten met [eiser] zien op de werkzaamheden die [gedaagde] verricht om het transport en de export naar China mogelijk te maken en niet op het transport en de export zelf. Volgens [gedaagde] heeft hij zijn werkzaamheden voltooid op het moment dat de duiven zijn afgeleverd bij de transporteur en de transporteur toestemming heeft om de duiven naar China te vervoeren.

4.7.2.

Zowel [eiser] als [gedaagde] heeft gesteld dat een overeenkomst tot stand is gekomen tot vervoer van de duiven van [eiser] zodat dit tussen partijen vast staat. Uitgangspunt bij beantwoording van de vraag of er sprake is van een vervoersovereenkomst of een expeditie-overeenkomst is dat indien een opdrachtnemer uitsluitend als expediteur wenst op te treden en niet als vervoerder - met alle gevolgen voor rechtspositie, aansprakelijkheid, termijnen etc. van dien - hij zich dan bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk als expediteur dient te presenteren aan zijn wederpartij, bij gebreke waarvan er in beginsel van moet worden uitgegaan dat een vervoersovereenkomst tot stand is gekomen. (onder meer Hof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2004, S&S 2005/23).

4.7.3.

Partijen hebben hun afspraken niet schriftelijk vastgelegd. Zij hebben bij dagvaarding en conclusie van antwoord weinig tot niets gesteld over hetgeen tussen hen over de aard en omvang van de opdracht is besproken. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] tegen [eiser] met zoveel woorden heeft gezegd dat hij niet als vervoerder maar als expediteur zou optreden. Evenmin is gesteld of gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] de duiven enkel op transport naar China hoefde te stellen. De verwijzing door [gedaagde] naar de samenwerkingsovereenkomst is in dit verband niet relevant omdat die overeenkomst, die pas later bij [eiser] bekend is geworden, buiten de vervoersovereenkomst tussen partijen staat.

Vast staat dat [gedaagde] de duiven bij [eiser] heeft opgehaald en dat er tussen partijen een all-in vergoeding is afgesproken waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen door [gedaagde] voor [eiser] te maken kosten en door [gedaagde] te ontvangen vergoeding voor zijn werkzaamheden. Bovendien is [gedaagde] als ‘shipper’, zijnde verzender, in de Air Waybill vermeld en is Shenzen vermeld als geadresseerde. De door [gedaagde] genoemde omstandigheid dat Clear Customs de duiven aflevert aan de vliegmaatschappij en dat de vliegmaatschappij en niet [gedaagde] zelf de duiven met het vliegtuig naar China vervoert, brengt niet mee dat [gedaagde] in de relatie tot [eiser] niet als vervoerder zou kunnen worden aangemerkt. [gedaagde] heeft bij conclusie na comparitie gesteld dat hij [eiser] duidelijk heeft gemaakt dat Shenzen verantwoordelijk is voor de douaneformaliteiten en dat de klanten van [eiser] de duiven na betaling van invoerrechten bij Shenzen moesten ophalen. Zelfs als dat al zo is, dan brengt dat nog niet mee dat [gedaagde] als expediteur in plaats van als vervoerder moet worden aangemerkt.

4.7.4.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt vastgesteld dat [gedaagde] zich tegenover [eiser] niet duidelijk als expediteur heeft gepresenteerd. Er moet daarom van worden uitgegaan dat tussen [eiser] en [gedaagde] vervoersovereenkomsten tot stand zijn gekomen, waarbij [gedaagde] als vervoerder heeft te gelden.

4.8.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:21 BW is de vervoerder verplicht ten vervoer ontvangen zaken ter bestemming af te leveren in de staat waarin hij hen heeft ontvangen. In dit geval houdt dat in dat de duiven moesten worden afgeleverd bij de ontvanger Shenzen zodat de klanten van [eiser] de duiven daar konden ophalen. De stelling van [eiser] dat de duiven in China door de douaneautoriteiten zijn vernietigd komt er op neer dat zijn klanten de duiven niet bij Shenzen konden ophalen. [gedaagde] heeft weliswaar bij gebrek aan wetenschap betwist dat de duiven zijn vernietigd maar hij heeft niet betwist dat de duiven niet door de klanten van [eiser] bij Shenzen konden worden opgehaald. [gedaagde] heeft in dit verband enkel gesteld dat de duiven zijn afgeleverd bij de douane en dat hij niet weet wat er daarna met de duiven is gebeurd. Daarmee heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken dat de duiven niet bij Shenzen konden worden opgehaald waarmee vast staat dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de duiven op hun bestemming af te leveren in de staat waarin [gedaagde] deze heeft ontvangen. [gedaagde] is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichten uit hoofde van de met [eiser] gesloten vervoersovereenkomsten.

4.9.1.

De gevorderde ontbinding van de overeenkomsten tussen [eiser] en [gedaagde] zal worden toegewezen nu er sprake is van een tekortkoming van [gedaagde] .

4.9.2.

Als gevolg van de ontbinding ontstaat er voor [gedaagde] en [eiser] een verbintenis tot ongedaanmaking van reeds door hen ontvangen prestaties. Voor [gedaagde] houdt dat in dat hij gehouden is de door [eiser] betaalde transportkosten/vrachtprijs, zijnde onweersproken een bedrag van € 11.340,00, aan [eiser] terug te betalen. De daartoe strekkende vordering zal worden toegewezen. Tegen de hierover gevorderde rente is geen verweer gevoerd zodat die eveneens zal worden toegewezen.

4.9.3.

[eiser] heeft vergoeding van zijn schade gevorderd, bestaande in een bedrag van € 17.400,00 en verdere schade wegens het tenietgaan van de duiven, gederfde winst en imago- en reputatieschade, op te maken bij staat. Het bedrag van € 17.400,00 ziet op de waarde van de duif met ringnummer [ringnummer] . Ter onderbouwing van die waarde heeft [eiser] verwezen naar een taxatierapport van Herbots Imex van 19 februari 2018. Dit betreft een eenzijdig, in opdracht van [eiser] opgesteld rapport. [gedaagde] heeft de waarde van deze duif gemotiveerd weersproken, onder verwijzing naar zijn productie 1, stellende dat de duif door [eiser] aan [naam duivenhouder 4] is verkocht voor € 125,00. In aanmerking nemende dat het taxatierapport een eenzijdig, in opdracht van [eiser] opgesteld rapport betreft en gegeven deze gemotiveerde betwisting, kan er niet van worden uitgegaan dat [eiser] voor wat betreft de duif met ringnummer [ringnummer] , schade heeft geleden tot een bedrag van € 17.400,00. Nu de mogelijkheid dat [eiser] als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] schade heeft geleden aannemelijk is en de schade niet in deze procedure kan worden begroot, zal de vordering tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, worden toegewezen.

4.10.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen omdat [eiser] niet heeft gesteld dat hij deze kosten heeft gemaakt.

4.11.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden begroot op in totaal € 2.080,91, waarvan € 99,91 explootkosten, € 895,00 griffierecht en € 1.086,00 (2 punten tarief II à

€ 543,00 per punt) salaris advocaat (berekend over het toegewezen bedrag).

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

ontbindt de tussen [eiser] en [gedaagde] gesloten mondelinge overeenkomsten,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na vandaag aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 11.340,00 uit hoofde van transportkosten/vrachtprijs, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 9 april 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van schade nader op te maken bij staat,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op in totaal € 2.080,91, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.