Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1362

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
C/01/332148 / HA ZA 18-202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident relatieve onbevoegdheid art. 110 Rv. Drie gedaagden vorderen in een eerste incidentele conclusie dat de rechtbank zich o.g.v. een arbitragebeding onbevoegd wordt verklaard. Die vordering wordt toegewezen t.a.v. 2 gedaagden, waaronder de gedaagde waarop de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant was gebaseerd. De resterende gedaagde neemt daarna een tweede incidentele conclusie, waarin hij vordert dat de rechtbank zich relatief onbevoegd verklaart. Mag een gedaagde incidentele conclusies achter elkaar nemen of bestaat de verplichting alle excepties tegelijk aan te voeren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/332148 / HA ZA 18-202

Vonnis in incident van 13 maart 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UGO INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M. Kupperman te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna UGo en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis in het eerste onbevoegdheidsincident van 21 november 2018

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 110 Rv jo artikel 99 Rv van [gedaagde] (het tweede onbevoegdheidsincident)

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 110 Rv jo artikel 99 Rv van UGo.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

De dagvaarding in de hoofdzaak is uitgebracht tegen [gedaagde] en zijn medegedaagden de vennootschap onder firma [naam vof] v.o.f. (hierna [naam vof] ) en [naam vennoot] (hierna [naam vennoot] ). Deze drie gedaagden zullen samen [gedaagden hoofdzaak] worden genoemd.

2.2.

[gedaagden hoofdzaak] heeft in het eerste onbevoegdheidsincident gevorderd dat de rechtbank zich op grond van een arbitragebeding onbevoegd verklaart om kennis te nemen van alle vorderingen van UGo tegen [gedaagden hoofdzaak] . Bij vonnis in dat eerste onbevoegdheidsincident van 21 november 2018 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van alle vorderingen tegen [naam vof] en [naam vennoot] en van de vorderingen die zijn ingesteld tegen [gedaagde] als vennoot van [naam vof] . De rechtbank oordeelde dat aan [gedaagde] als bestuurder van UGo geen beroep toe kwam op het arbitragebeding.

2.3.

In dit tweede onbevoegdheidsincident vordert [gedaagde] dat de rechtbank Oost-Brabant zich onbevoegd verklaart en de zaak tegen [gedaagde] verwijst naar de rechtbank Midden-Nederland. [gedaagde] voert daarvoor aan dat UGo in de dagvaarding de bevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant alleen heeft ontleend aan de woonplaats van [naam vennoot] , die als medegedaagde is weggevallen. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij twee bevoegdheidsincidenten achter elkaar mag instellen, omdat de wet geen sanctie verbindt aan de bepaling in artikel 208 lid 3 Rv dat incidenten zo veel mogelijk gelijktijdig moeten worden ingesteld. [gedaagde] meent dat een sanctie in dit geval onredelijk zou zijn, omdat [gedaagde] bij het instellen van het eerste onbevoegdheidsincident niet heeft gedacht aan de mogelijkheid dat de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren jegens [naam vennoot] maar niet (volledig) jegens [gedaagde] .

2.4.

UGo meent dat [gedaagde] zich niet meer op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank kan beroepen, ten eerste omdat de rechtbank zich al relatief bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het geschil tussen UGo en [gedaagde] , ten tweede omdat de tweede incidentele conclusie in strijd is met de goede procesorde, en ten derde omdat het alsnog onbevoegd verklaren van de rechtbank Oost-Brabant zou zorgen voor procesrechtelijke perikelen die niet te overzien zijn. UGo wijst erop dat [gedaagde] in zijn eerste incidentele conclusie wel degelijk rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de rechtbank zich slechts gedeeltelijk onbevoegd zou verklaren. UGo verzoekt de rechtbank om gevolgen te verbinden aan deze schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv door [gedaagde] . UGo meent dat het recht van [gedaagde] tot indiening van de exceptie van relatieve onbevoegdheid is vervallen op grond van artikel 128 lid 3 Rv en dat op grond van die bepaling ook het recht van [gedaagde] op het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak is vervallen.

2.5.

De rechtbank verwerpt het standpunt van UGo dat de rechtbank zich in het vonnis van 21 november 2018 al relatief bevoegd heeft verklaard. UGo baseert dat standpunt op de stelling dat de onbevoegdheid op grond van een arbitragebeding in de zin van artikel 1022 Rv betrekking heeft op de relatieve bevoegdheid van de rechter omdat deze bepaling in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is opgenomen en niet in de Wet op de rechterlijke organisatie. Of het gaat om absolute of relatieve onbevoegdheid, wordt echter niet bepaald door de plaats in de wet maar door de aard van de onbevoegdheid. Onbevoegdheid op grond van een arbitragebeding betreft de absolute onbevoegdheid van de gewone rechter.

2.6.

Het verweer dat de rechtbank onbevoegd is op grond van een arbitragebeding en het verweer dat de rechtbank relatief onbevoegd is, zijn allebei excepties. Op grond van artikel 128 lid 3 Rv moet de gedaagde alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren brengen, op straffe van verval van de niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale is geantwoord, van het recht om dat alsnog te doen. Beide excepties moeten volgens de artikelen 1022 Rv en 110 Rv vóór alle weren ingeroepen worden. Ze mogen daarom worden opgevoerd in een incidentele conclusie die genomen wordt vóór de conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Artikel 128 lid 3 Rv verplicht de gedaagde niet om in dat geval alle excepties gelijktijdig aan te voeren. De regel van artikel 128 lid 3 Rv strekt er alleen toe te voorkomen dat excepties worden opgeworpen nadat voor antwoord is geconcludeerd en inhoudelijk over het geschil is gedebatteerd (arrest Hoge Raad 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1104). Zolang de conclusie van antwoord in de hoofdzaak niet is genomen, verhindert artikel 128 lid 3 Rv daarom niet dat de gedaagde zich achter elkaar op verschillende excepties beroept. In artikel 208 lid 3 Rv is bepaald dat incidentele vorderingen zoveel mogelijk tegelijk worden ingesteld. Uit de parlementaire geschiedenis van dat artikel blijkt dat schending van deze regel niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar hoogstens tot een veroordeling in de kosten van een tweede en volgende incidentele vordering, als nodeloos gemaakt. De mogelijkheid om twee excepties achter elkaar in te roepen, wordt daarom alleen beperkt door de algemene regels van een goede procesorde. Het is bijvoorbeeld in strijd met een goede procesorde als een gedaagde steeds weer nieuwe kansloze excepties opvoert met het enkele doel de procedure te vertragen.

2.7.

De rechtbank is van oordeel dat de nieuwe incidentele vordering van [gedaagde] niet in strijd is met de goede procesorde. Het gaat niet om een kansloze exceptie. Pas na het incidentele vonnis van 21 november 2018 stond vast dat de rechtbank zich onbevoegd achtte om kennis te nemen van de vorderingen tegen [naam vennoot] en zich wel bevoegd achtte voor een deel van de vorderingen tegen [gedaagde] . Op zich had [gedaagde] op een dergelijk oordeel vooruit kunnen lopen door zich in zijn eerste incidentele conclusie al subsidiair op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant te beroepen. De omstandigheid dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan maar eerst het oordeel van de rechtbank over het beroep op het arbitragebeding heeft afgewacht, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat [gedaagde] in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld en daarmee zijn recht op het inroepen van de nieuwe exceptie heeft verspeeld. Die omstandigheid kan daarom alleen een rol spelen bij de beslissing over de kosten van het tweede incident.

2.8.

De rechtbank verwerpt ook het standpunt van UGo dat het alsnog onbevoegd verklaren van de rechtbank Oost-Brabant zou zorgen voor procesrechtelijke perikelen die niet te overzien zijn. UGo vraagt zich af of een relatief onbevoegde rechtbank Oost-Brabant wel bevoegd was om over het arbitragebeding te oordelen. UGo hoeft zich daarover geen zorgen te maken. Dit tweede incident betreft alleen de relatieve bevoegdheid voor de vorderingen tegen [gedaagde] als bestuurder waarvoor in het vonnis van 21 november 2018 de gewone rechter bevoegd is geacht. Het heeft geen gevolgen voor de bevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant om in dat vonnis te beslissen over de absolute bevoegdheid van de gewone rechter. De rechter mag immers niet ambtshalve zijn relatieve bevoegdheid beoordelen.

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.

2.10.

In de omstandigheid dat [gedaagde] deze tweede incidentele vordering al in haar eerste incidentele conclusie subsidiair had kunnen instellen, ziet de rechtbank reden om [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit tweede incident.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de resterende vordering in de hoofdzaak tegen [gedaagde] als bestuurder van UGo,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit incident, tot op heden aan de zijde van UGo begroot op € 543,,

in de hoofdzaak

3.3.

verwijst de zaak tegen [gedaagde] als bestuurder van UGo in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Midden-Nederland.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.