Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1298

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
C/01/335196 / HA ZA 18-397
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Incident. Bevoegdheid. EEX-Verordening. In de hoofdzaak speelt de vraag of sprake is van een inbreuk op het auteursrecht van Philips op type scheerapparaat door onder andere Lidl Stiftung, een Duitse rechtspersoon. Philips beroept zich voor de bevoegdheid van de rechtbank onder meer op artikel 7 lid 2 EEX-Vo. De scheerapparaten werden in heel Nederland te koop aangeboden en verkocht via winkels en webwinkel, dus ook in het gebied van de rechtbank Oost-Brabant. Philips heeft haar stelling dat het schadebrengende feit zich mede in het gebied van de rechtbank Oost-Brabant heeft voorgedaan voldoende onderbouwd. Betwisting door Lidl Stiftung komt erop neer dat zij iedere betrokkenheid bij het op de markt brengen van de scheerapparaten ontkend. Dat is een verweer dat in de hoofdzaak aan de orde zal komen, in het kader van de bevoegdheidsvraag komt de rechtbank aan dat verweer nu niet toe. Dat voor de beoordeling van de bevoegdheidsvraag uitsluitend mag worden gekeken naar de stellingen in de dagvaarding is niet juist. Niets verzet zich ertegen dat in het debat over de bevoegdheidskwestie een nadere toelichting wordt gegeven op de stellingen in de dagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/335196 / HA ZA 18-397

Vonnis in incident van 13 maart 2019

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHILIPS CONSUMER LIFESTYLE B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk,

tegen

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

LIDL NEDERLAND GMBH,

gevestigd te Neckarsulm, Bondsrepubliek Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

LIDL STIFTUNG & CO KG,

kantoorhoudende te Breda,

gevestigd te Neckarsulm, Bondsrepubliek Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

3. de rechtspersoon naar vreemd recht

HOYER HANDEL GMBH,

gevestigd te Hamburg, Bondsrepubliek Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.F.J. Haak te Amsterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als volgt:

  • -

    Koninklijke Philips N.V. en Philips Consumer Lifestyle B.V. gezamenlijk: Philips

  • -

    Lidl Nederland GmbH: Lidl Nederland

  • -

    Lidl Stiftung & Co KG: Lidl Stiftung

  • -

    Hoyer Handel GmbH: Hoyer

  • -

    Lidl Nederland, Lidl Stiftung en Hoyer gezamenlijk: Lidl

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Philips,

  • -

    de incidentele conclusie houdende beroep op onbevoegdheid, tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord, met producties, van Lidl,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van Philips,

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Philips,

  • -

    het proceskostenoverzicht 1019h Rv van 14 januari 2019 van Lidl,

  • -

    de aanvullende kostenstaat van 24 januari 2019 van Philips,

  • -

    de ter gelegenheid van het op 28 januari 2019 gehouden pleidooi door partijen overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

De vordering van Philips in de hoofdzaak strekt ertoe dat er een eind wordt gemaakt aan de inbreuk op het auteursrecht van Philips op de Philips Shaver door Lidl, met veroordeling van Lidl tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Philips legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat Lidl door het aanbieden en verhandelen in Nederland van een bepaald type scheerapparaat van het merk ‘Silvercrest’ inbreuk maakt op het auteursrecht van Philips op de Philips Shaver type RQ320. Philips lijdt daardoor schade.

2.2.

In het incident vorderen Lidl Stiftung en Hoyer dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij leggen daaraan ten grondslag dat de rechtbank Oost-Brabant geen internationale rechtsmacht heeft om van de vorderingen tegen Lidl Stiftung en Hoyer kennis te nemen. Philips voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.3.

In dit geval is sprake van een burgerlijke- of handelszaak in de zin van artikel 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo II). Verder hebben Lidl Stiftung en Hoyer woonplaats op het grondgebied van een lidstaat (zie artt. 4 en 5 EEX-Vo II) en zijn de vorderingen ingesteld na 10 januari 2015 (art. 66 lid 1 EEX-Vo II). Dat betekent dat de EEX-Vo II van toepassing is voor wat betreft de vraag naar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

Lidl Nederland

2.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank op grond van artikel 4 EEX-Vo II jo. artikel 102 Rv bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Lidl Nederland.

Lidl Stiftung

2.5.

Philips baseert de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen tegen Lidl Stiftung primair op artikel 4 EEX-Vo II. In dat artikel is de hoofdregel neergelegd dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat. Volgens Philips heeft Lidl Stiftung woonplaats in Nederland, omdat zij is ingeschreven in het Nederlandse handelsregister en een vestiging heeft in Breda, van waaruit de in deze zaak relevante expeditie- en cargadoorsdiensten worden verricht.

2.6.

Op grond van artikel 63 lid 1 EEX-Vo II hebben voor de toepassing van deze verordening vennootschappen en rechtspersonen woonplaats op de plaats van (a) hun statutaire zetel, (b) hun hoofdbestuur, of (c) hun hoofdvestiging. Ten aanzien van Lidl Stiftung geldt dat haar statutaire zetel zich in Duitsland (Neckarsulm) bevindt. Philips heeft niet weersproken dat het hoofdbestuur van Lidl Stiftung zich ook in Neckarsulm, Duitsland bevindt. Resteert de vraag of de vestiging te Breda de hoofdvestiging van Lidl Stiftung is. Tussen partijen is niet in geschil dat de vestiging in Breda een distributiecentrum betreft. Volgens Lidl Stiftung is haar hoofdvestiging ook in Neckarsulm. Op het distributiecentrum in Breda zijn geen werknemers van Lidl Stiftung werkzaam, de werkzaamheden die daar worden verricht zijn geen handelingen van de hoofdvestiging van een onderneming en het postadres van het expeditiecentrum is ook in Neckarsulm. Dit alles is door Philips niet betwist. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het centrum van de bedrijfsactiviteiten van Lidl Stiftung zich in Breda bevindt. Deze plaats is derhalve niet als hoofdvestiging van Lidl Stiftung aan te merken. De rechtbank kan, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, ten aanzien van Lidl Stiftung derhalve geen bevoegdheid ontlenen aan artikel 4 lid 1 EEX-Vo II.

2.7.

Subsidiair stelt Philips dat de rechtbank op grond van artikel 7 aanhef en lid 2 EEX-Vo II internationale rechtsmacht heeft met betrekking tot de vorderingen tegen Lidl Stiftung. Met betrekking tot de vorderingen tegen Hoyer is dit de primaire grondslag van de bevoegdheid. In artikel 7 aanhef en lid 2 EEX-Vo II is bepaald dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad kan worden opgeroepen in een andere lidstaat voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Volgens Philips doet het schadebrengende feit – de openbaarmaking c.q. verhandeling van de Shavers – zich mede voor in heel Nederland, waaronder 's‑Hertogenbosch, althans dreigt het schadebrengende feit zich daar voor te doen.

2.8.

Lidl Stiftung en Hoyer voeren als verweer aan dat de internationale rechtsmacht van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II niet is toegekend aan iedere rechter van de lidstaat waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, maar alleen aan het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. In de dagvaarding is niet gesteld dat een verweten feit zich binnen het arrondissement van de rechtbank Oost-Brabant heeft voorgedaan of kan voordoen. Het is niet voldoende om te stellen dat een handeling in Nederland plaatsvindt en de Nederlandse rechter dus bevoegd is, waarna de relatieve competentie aan de hand van het interne recht kan worden bepaald, aldus Lidl Stiftung en Hoyer. Bovendien heeft Philips geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden vastgesteld dat Lidl Stiftung en Hoyer in Nederland onrechtmatig hebben gehandeld.

2.9.

Lidl Stiftung en Hoyer voeren aan dat Philips in de dagvaarding alleen globaal heeft gesteld dat Lidl Stiftung en Hoyer betrokken zijn bij vermeende inbreukhandelingen in Nederland en dat dat in de conclusie van antwoord in het incident is gewijzigd in “door heel Nederland, inclusief het arrondissement Oost-Brabant, locatie Den Bosch.” Volgens Lidl Stiftung en Hoyer is dat ontoelaatbaar omdat moet worden uitgegaan van de stellingen in de dagvaarding. De rechtbank volgt dit niet. Dit standpunt komt er in feite op neer dat het nemen van een conclusie van antwoord in een bevoegdheidsincident zinledig zou zijn, omdat bepalend is wat in de dagvaarding staat. Dat is niet juist. Niets verzet zich ertegen dat in het debat over de bevoegdheidskwestie een nadere toelichting wordt gegeven op de stellingen in de dagvaarding. Overigens is van nieuwe stellingen in dit geval geen sprake. Philips heeft in de dagvaarding al gesteld dat het schadebrengende feit zich mede in heel Nederland voordoet althans dreigt te doen, met inbegrip van ’s‑Hertogenbosch.

2.10.

De rechtbank verwerpt ook het verweer van Lidl Stiftung en Hoyer dat Philips geen concrete feiten en omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan kan worden vastgesteld dat Lidl Stiftung en Hoyer in Nederland onrechtmatig hebben gehandeld. Of zij onrechtmatig hebben gehandeld is een vraag die moet worden beantwoord in de hoofdzaak. Philips heeft in de dagvaarding in het kader van de bevoegdheid van de rechtbank voldoende gesteld over de betrokkenheid van Lidl Stiftung en Hoyer om vast te kunnen stellen of haar rechtsmacht toekomt. Volgens Philips houdt Lidl Stiftung zich bezig met expeditie- cargadoor-, bevrachting en andere tussenpersoon-diensten in het goederenverkeer en beheer en verwerking van goederen via externe dienstverleners. Lidl Stiftung is houdster van de Nederlandse Lidl website, waarop de actiefolder met de Shavers is gepubliceerd, en de Lidl webshop, waarin de Shavers zijn aangeboden. Lidl Stiftung is rechthebbende op de merken Silvercrest en Lidl waaronder de Shavers zijn aangeboden en op de markt (dreigen te) worden gebracht. Lidl Stiftung staat aan het hoofd van het Lidl-concern, houdt 100% van de aandelen in Lidl Nederland en is in staat om de feitelijke bedrijfsvoering van Lidl Nederland te bepalen. Hoyer is een internationale handelspartner van Lidl, die onder meer (onderdelen voor) de Shaver verhandelt. Hoyer’s naam staat vermeld op zowel de in Nederland geleverde Shavers, als op de verpakking daarvan. Ook wordt zij genoemd in de in het Nederlands opgestelde gebruiksaanwijzing, onder andere als leverancier. Verder geeft Hoyer garantie op de Shavers en kunnen accessoires bij Hoyer worden besteld.

2.11.

Lidl Stiftung en Hoyer hebben op alle hiervoor genoemde punten verweer gevoerd, wat er op neer komt dat zij elke betrokkenheid bij het verhandelen van de Shavers op de Nederlandse markt ontkennen. Dat betreft echter een verweer in de hoofdzaak, dat te zijner tijd zal worden beoordeeld. In het kader van de vraag naar de bevoegdheid komt de rechtbank aan die verweren nu niet toe.

2.12.

Vast staat dat de Shavers te koop zijn aangeboden via de Nederlandse Lidl-website. Lidl-winkels zijn verspreid over heel Nederland, een feit dat geïllustreerd wordt door de lijst met winkels die onderdeel uitmaakt van het uittreksel uit het Handelsregister van Lidl Nederland (productie 13a bij dagvaarding). Daarop staan ook winkels in het arrondissement Oost-Brabant. De stelling van Philips dat het gestelde schadebrengende feit zich in heel Nederland, met inbegrip van ’s‑Hertogenbosch, voordoet of dreigt voor te doen is daarmee voldoende onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij in dit geval op grond van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Lidl Stiftung en Hoyer.

2.13.

Lidl Stiftung en Hoyer hebben een beroep gedaan op het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2018 in een vrijwel identieke zaak, waarin die rechtbank geen bevoegdheid heeft aangenomen. De rechtbank Den Haag oordeelde dat er onvoldoende concrete feiten en omstandigheden waren aangevoerd op grond waarvan kon worden vastgesteld dat sprake was van onrechtmatig handelen van Lidl Stiftung, waarbij het schadebrengende feit als bedoeld in artikel 7 lid 2 EEX-Vo II zich in NL heeft voorgedaan. De rechtbank beoordeelde in die zaak dus ten gronde of sprake was van betrokkenheid van Lidl Stiftung bij de gestelde inbreuk op het auteursrecht van Philips om vervolgens terug te gaan naar de voorvraag naar de bevoegdheid. Daarin verschilt de zaak die door de rechtbank Den Haag is behandeld van de zaak die nu aan de orde is. In deze zaak is immers eerst een bevoegdheidsincident opgeworpen, waarin voor verweren ten gronde die kunnen leiden tot afwijzing van de vordering in de hoofdzaak geen plaats is.

2.14.

Gelet op het vorenstaande behoeft wat partijen hebben aangevoerd over het al dan niet bevoegd zijn van de rechtbank op grond van artikel 8 lid 1 EEX-Vo II geen bespreking.

2.15.

De incidentele vordering zal worden afgewezen. Met betrekking tot de proceskosten van het incident ziet de rechtbank geen grond om af te wijken van het in de ‘Indicatietarieven in IE-zaken’ neergelegde uitgangspunt dat de beslissing over de proceskosten in incidenten in beginsel wordt aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

houdt de beslissing over de kosten in het incident aan tot de eindbeslissing in de hoofdzaak,

in de hoofdzaak

3.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 maart 2019 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.