Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1293

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
18_1797
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending van de inlichtingenplicht. Bestreden besluit in strijd met 3:46 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1797

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel, verweerder

(gemachtigde: N.M. van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Participatiewet (Pw) een boete opgelegd ter hoogte van € 22.556,- wegens schending van de inlichtingenplicht.

Bij besluit van 26 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit van 18 januari 2018 herroepen en beslist dat de boete wordt gematigd tot 50% van het benadelingsbedrag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontving vanaf 10 juni 2013 tot en met 31 december 2014 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Vervolgens ontving hij vanaf 22 juni 2015 tot en met 21 maart 2017 een (aanvullende) bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van anonieme meldingen heeft verweerder bijzonder onderzoek verricht naar eisers recht op een uitkering gedurende deze periodes. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft verweerder eisers recht op uitkering over genoemde periodes ingetrokken. Hieraan is ten grondslag gelegd dat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn gezamenlijke huishouding, zijn werkzaamheden als thuiskapper, zijn optredens als [artiestennaam] , zijn op geld waardeerbare werkzaamheden bij snackbar [snackbar] en zijn vakanties in mei en december 2016. In bezwaar heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd, met dien verstande dat er onvoldoende bewijs is om aan te tonen dat eiser een kapsalon aan huis heeft (gehad). Vervolgens heeft deze rechtbank bij uitspraak van 7 juni 2018 het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Deze procedure loopt nog.

2. Verweerder heeft zich in bezwaar op het standpunt gesteld dat aan eiser een boete van

€ 11.278,- moet worden opgelegd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de rechtbank in de uitspraak van 7 juni 2018 heeft geoordeeld dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Aangezien niet is gebleken van opzet of grove schuld, moet worden uitgegaan van gewone verwijtbaarheid en moet de omvang van de boete worden vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Van verminderde verwijtbaarheid is geen sprake, aldus verweerder.

3. Eiser kan zich hier niet mee verenigen. Hij erkent dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden, maar stelt dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Hij voert aan dat hij zich er niet bewust van was dat hij een gezamenlijke huishouding voerde welke hij moest melden bij verweerder. Verder voert hij aan dat hij met zijn werkzaamheden geen inkomsten heeft ontvangen die meer bedroegen dan het bijstandsniveau, zodat hij zich niet realiseerde dat hij deze werkzaamheden moest melden. Verweerder heeft het boetebedrag ten onrechte niet vastgesteld op 25% van het benadelingsbedrag, aldus eiser.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 7 juni 2018 overwogen dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde in de perioden van 10 juni 2013 tot en met 31 december 2014 en van 22 juni 2015 tot en met 20 maart 2017. Eiser heeft dit niet gemeld. De rechtbank was gelet daarop van oordeel dat verweerder voor de herziening van het recht op bijstand en de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de perioden van 10 juni 2013 tot en met 31 december 2014 en van 22 juni 2015 tot en met 20 maart 2017 zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 7 juni 2018 was verweerder daarom gehouden om eisers bijstandsuitkering te herzien.

6. Uit wat onder 5. is overwogen volgt dat in rechte is komen vast te staan dat eiser over de te beoordelen periode geen recht op bijstand heeft. Maar dit brengt niet mee dat de schending van de inlichtingenplicht ook met betrekking tot de opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven is (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

21 juli 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:2451). Daarover dient bij betwisting, evenals over de feiten, een zelfstandig oordeel te worden gegeven. Dit uitgangspunt bij de waardering van het bewijsmateriaal bij een opgelegde boete kan met zich meebrengen dat de bestuursrechter bepaalde feiten, die bij beantwoording van de vraag of sprake is van schending van de inlichtingenverplichting als vaststaand hebben te gelden, in het kader van de toetsing van een met de schending van de inlichtingenverplichting direct samenhangende bestuurlijke boete, niet als vaststaand mag aannemen, omdat het bewijsmateriaal daarvoor niet overtuigend genoeg is.

7. Artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bevat de waarborg dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld - een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een vervolging - voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze waarborg brengt mee dat verweerder feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet bewijzen dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting bijstand tot het benadelingsbedrag onverschuldigd is betaald. In geval van twijfel dient aan de uitkeringsontvanger het voordeel van de twijfel te worden gegund. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324 (r.o. 4.8.3), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3446 (r.o. 3.2) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2068 (r.o. 4.5). De bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde is dus zwaarder dan die bij de toepassing van de verplichting tot beëindiging, herziening en intrekking op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en van de verplichting tot terugvordering van deswege ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bijstand. Met andere woorden, bij een boeteoplegging dient verweerder aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 18a van de Pw. In dit geval zal verweerder dus moeten aantonen dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Anders dan bij het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering is dus niet voldoende dat slechts aannemelijk is gemaakt dat eiser die werkzaamheden heeft verricht en de gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

8. De rechtbank overweegt dat verweerder de oplegging van de boete in primo heeft gebaseerd op de Rapportage bezien Boete van 28 december 2017. In deze rapportage wordt opgemerkt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan verweerder te melden dat hij op geld waardeerbare activiteiten verrichtte en dat hij een gezamenlijke huishouding voerde. Vervolgens concludeert verweerder dat deze schending volledig aan eiser te verwijten is, omdat hij in iedere toekenningsbeschikking en bij de controles steeds is gewezen op de op hem rustende inlichtingenverplichting. Vervolgens constateert de rechtbank dat in het advies van de bezwaarcommissie van 12 juni 2018 wordt overwogen dat de schending van de inlichtingenplicht bestaat uit het niet melden van werkzaamheden bij [snackbar] te Hamont-Achel en optredens als [artiestennaam] . De schending door het niet melden van de gezamenlijke huishouding wordt in het advies in het geheel niet aan de orde gesteld. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de onderbouwing van de schending van de inlichtingenplicht blijkt uit het dossier dat aan het intrekkings- en terugvorderingsbesluit ten grondslag ligt en de uitspraak van de rechtbank van 7 juni 2018 waarin het hiertegen gerichte beroep ongegrond is verklaard.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de hiervoor genoemde onderbouwing niet voldaan aan de plicht om in het kader van de boetoplegging aan te tonen dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. De enkele verwijzing naar de besluitvorming – met onderliggende motivering – betreffende de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering is daarvoor onvoldoende. Immers, in dat kader heeft verweerder slechts op basis van een rechtsvermoeden aannemelijk gemaakt dat van een schending sprake was. Zonder een aanvullende motivering is deze onderbouwing onvoldoende om ten grondslag te leggen aan het opleggen van een bestraffende sanctie. Van verweerder wordt verwacht dat een zelfstandige afweging wordt gemaakt en – zoals gezegd – wordt aangetoond dat de inlichtingenplicht is geschonden. Nu deze afweging niet zichtbaar is gemaakt door verweerder, ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is dus gegrond. In het kader van de finale beslechting zal de rechtbank zelf voorzien en bepalen dat het primaire besluit herroepen zal worden. Verweerder heeft eiser ten onrechte een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank bepaalt voorts dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank gaat er daarbij wel vanuit dat de proceskosten in bezwaar inmiddels zijn vergoed.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit (met uitzondering van hetgeen bepaald is over de vergoeding van de proceskosten in bezwaar);

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.P.A. Burghoorn, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.W. Emmen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.