Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1290

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
01/993924-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Megazaak 26Milan. Acht verdachten. Inzet buitenlandse undercoveragenten. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie - gegrond op schending verbod op uitlokking verdachte en medeverdachte - verworpen. Medeplegen uitvoer, poging tot uitvoer en voorbereiding van uitvoer van cocaïne naar Engeland, alsmede vuurwapenbezit. Uitvoer als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet. Rol verdachte als rechterhand van hoofdverdachte van bovengemiddeld gewicht. Strafoplegging hoger dan eis. Aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van zeven jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/993324-17

Datum uitspraak: 8 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te Oudenbosch op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 december 2018, 5 februari 2019, 8 februari 2019, 13 februari 2019 en 22 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. C.E.J. Keeris en J.F. Le Fever [hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie] en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 maart 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 juni 2018 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op één of meer tijdstippen in de periode van 4 oktober 2017 tot en met 19 december 2017 te Zegge en/of Schijf en/of Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen als bedoeld in artikel 1 lid 5 Opiumwet van een partij van 50 kilogram, in elk geval één of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zichzelf of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en vervoermiddelen heeft voorhanden gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd is/zijn tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s):

- één of meermalen ontmoetingen/besprekingen gehad met de potentiële koper(s) over de hoeveelheid te leveren cocaïne en de prijs;

- éen of meermalen (telefonisch) contact onderhouden met de potentiële koper(s) over de voortgang;

- afspraken gemaakt over de locatie en de wijze van afleveren/overdracht van de partij cocaïne en het geld;

- een locatie geregeld waar de te leveren cocaïne naar toe moest worden gebracht;

- een locatie geregeld waar de af te leveren cocaïne door de potentiële kopers kon worden getest;

- met het oog op het tonen en/of testen door de potentiële kopers 2 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een materiaal bevattende cocaïne geregeld en/of vervoerd en/of voorhanden gehad;

- de potentiële koper(s) in de gelegenheid gesteld om de cocaïne te testen;

- informatie en instructies gegeven aan de perso(o)nen die mede betrokken waren bij de levering van cocaïne en/of over het in ontvangst nemen van het geld en/of over de wijze waarop dit zou moeten plaatsvinden;

- een geprepareerde auto (Volkwagen Multivan) geregeld en/of voorhanden gehad.

2. hij op één of meer tijdstippen op 20 december 2017 te Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,

- 5 pakketten met (in totaal) ongeveer 5,7 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een materiaal bevattende cocaïne, en/of - 5 pakketten met (in totaal) ongeveer 5,6 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3. hij op één of meer tijdstippen op 20 december 2017 te Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van zijn verdachte en/of één of meer ander(en) voorgenomen misdrijf om (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, van 20 pakketten elk (ongeveer) 1,1 kilogram (in elk geval één of meer een hoeveelhe(i)den) van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers hebbende verdachte en/of zijn mededader(s):

-in een hotelkamer van het [hotel] gezeten in afwachting van de komst en/of het tonen van het geld door de koper(s) voor de aankoop van de cocaïne;

-voornoemde hoeveelheid cocaïne opgehaald en/of laten ophalen en/of laten overbrengen naar de locatie aan [adres] te Den Haag alwaar deze door en/of namens de kopers zou worden getest;

-in afwachting gezeten van (een seintje/teken/telefoontje over) de betaling(en) voor de cocaïne waarna deze uitgeleverd en/of overgedragen zou worden aan de kopers,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 20 december 2017 te Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, 20 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram (in elk geval één of meer hoeveelhe(i)den) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. hij op of omstreeks 20 december 2017 te Achtmaal, in een woning aan [adres] , tezamen en in vereniging met (een) anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad:

- een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen merk Cz, type Duo, kaliber 6.35 mm, en/of

- munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een patroonhouder met 2 patronen van het merk Sellier & Bellot, en/of

- een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp (taser/stroomstootwapen) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht.

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging onder feit 4 begaan, ontbreken onder het derde gedachtestreepje na de woorden “een wapen van categorie II onder 5°” de woorden “van de Wet Wapens en Munitie”. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld.

Voor zover in de tenlastelegging andere taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Primair heeft de verdediging daartoe, samengevat, betoogd dat het verbod om een persoon te brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht (hierna ook wel kortweg te noemen: het verbod tot uitlokking) ten aanzien van verdachte is geschonden. Subsidiair is, samengevat, betoogd dat dit verbod ten aanzien van een andere verdachte, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), is geschonden en dat dit ook in de zaak van verdachte tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou dienen te leiden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, samengevat, betoogd dat van schending van het verbod tot uitlokking zowel ten aanzien van verdachte als van [medeverdachte 1] geen sprake is geweest, zodat het verweer dient te worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

Beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek, waaronder begrepen normschendingen bij de opsporing. Indien sprake is van een dergelijk - niet voor herstel vatbaar - vormverzuim, maar de rechtsgevolgen ervan niet uit de wet blijken, dan zal de rechter moeten beoordelen of aan dat verzuim een rechtsgevolg verbonden moet worden en zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de schending en het door de schending veroorzaakte nadeel, waaronder te begrijpen de eventuele schade die verdachte in zijn verdediging heeft opgelopen. Hierbij moet worden aangetekend dat geen sprake is van een voor de toepassing van artikel 359a Sv in aanmerking te nemen nadeel indien de verdachte niet getroffen is in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Verder is van belang vast te stellen dat schending van vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek niet in alle gevallen tot voordeel van verdachte moet leiden; de rechter kan volstaan met de feitelijke constatering dat vormvoorschriften zijn verzuimd. Indien de rechter meent dat daarmee echter niet kan worden volstaan, dan heeft hij de mogelijkheid om aan het vormverzuim een van de drie in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen te verbinden: strafvermindering, bewijsuitsluiting dan wel niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Het belang van verdachte dat het strafbare feit niet wordt ontdekt vormt rechtens geen beschermenswaardig belang, zodat de overtreding van een vormvoorschrift dat verdachte in dat belang raakt in beginsel zonder gevolg zal kunnen blijven.

Ten aanzien van het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verdient het navolgende aantekening.

Niet-ontvankelijkverklaring komt, als een aan schending van een vormvoorschrift in het voorbereidend onderzoek te verbinden rechtsgevolg, in slechts zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde. Dit kan aan de orde zijn in geval sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan. Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien - ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden - sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.

De rechtbank zal - om recht te doen aan het gevoel van verdachte dat onjuist jegens hem is gehandeld - in deze zaak in het midden laten of de door de verdediging in dit kader aangevoerde gronden voldoen aan de eisen die volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533) worden gesteld om op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te kunnen bewerkstelligen. Indien en voor zover de aangevoerde gronden niet aan deze eisen voldoen, heeft de beoordeling van deze gronden een ambtshalve karakter.

Verantwoording in dossier
De rechtbank zal vervolgens bespreken welke informatie uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting tot uitgangspunt wordt genomen bij de beoordeling van de gevoerde ontvankelijkheidsverweren.

In het strafdossier bevinden zich diverse stukken waarin de inzet van meerdere personen in de openbare dienst van een vreemde staat, hierna ook wel te noemen: undercoveragenten of UC’s, in het kader van het strafrechtelijk onderzoek 26Milan en de daarmee behaalde resultaten wordt verantwoord.

De rechtbank wijst in de eerste plaats op het bevel pseudokoop en/of dienstverlening van 4 oktober 2017 en het bevel infiltratie van 5 oktober 20171, het bevel infiltratie van 24 november 2017, aangevuld op 5 december 20172, alsmede de aan die bevelen voorafgegane Europese onderzoeksbevelen, telkens gegeven door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Limburg te Hasselt, van respectievelijk 3 oktober 2017, 8 november 2017 en 30 november 20173.

In de tweede plaats wijst de rechtbank op de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten aangeduid met de codenaam [infiltrant 1] en [infiltrant 2] , die belast waren met de begeleiding van de UC’s4. In de genoemde processen-verbaal zijn voor een deel de bevindingen van de in het onderzoek 26Milan ingezette UC’s met de codenamen [infiltrant 3] , [infiltrant 4] , [infiltrant 5] , [infiltrant 6] , [infiltrant 7] en [infiltrant 8] opgenomen. Daarnaast zijn er ‘losse’ verslagen van meerdere UC’s beschikbaar.5 Tot slot wijst de rechtbank voor wat betreft het politiedossier op de, telkens positieve, adviezen over de inzetbaarheid van de hiervoor aangeduide UC’s6.

Van de in de Engelse taal opgestelde verslagen van de UC’s bevinden zich telkens vertalingen naar het Nederlands van een beëdigd vertaler in het dossier. De rechtbank zal bij de beoordeling uitgaan van de inhoud van deze vertalingen. De rechtbank heeft voorts onderkend dat van de inzetten op 19 december 2017 en 20 december 2017 kort na afloop van de inzet door [infiltrant 2] ook samenvattende processen-verbaal zijn opgemaakt7. Gelet op het samenvattende karakter ervan, terwijl van de inzet op deze twee dagen daarna ook uitgewerkte verslagen beschikbaar zijn, zal de rechtbank de inhoud van deze samenvattende processen-verbaal niet gebruiken bij de beantwoording van enige door de rechtbank in deze strafzaak te beantwoorden vraag.

Buiten de inhoud van het door de politie opgemaakte dossier wijst de rechtbank er tot slot op dat alle hiervoor aangeduide UC’s alsook de begeleiders [infiltrant 1] en [infiltrant 2] bij de rechter-commissaris zijn gehoord, waarvoor de verdediging van verdachte telkens is uitgenodigd en waarbij de verdediging ook telkens acte de présence heeft gegeven. De door de rechter-commissaris van deze verhoren opgemaakte processen-verbaal worden door de rechtbank bij de beoordeling betrokken. Enkele van deze processen-verbaal zijn nadien kennelijk in het Engels vertaald ten behoeve van de Engelstalige UC’s. Deze vertalingen en eventuele reacties daarop van de desbetreffende UC kunnen niet afdoen aan de inhoud van de desbetreffende processen-verbaal van de rechter-commissaris en zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten.

De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat naar haar oordeel de verklaringen van de UC’s die de rechtbank bij de beoordeling tot uitgangspunt neemt betrouwbaar zijn te achten. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, zoals te doen gebruikelijk, sprake is van een zakelijke weergave van hun bevindingen. Dat de UC’s daarbij zelf de relevantie bepalen is ook gebruikelijk, daar het hun eigen waarnemingen en ondervindingen betreft. Van belang hierbij is dat sprake is van professionele, daartoe opgeleide opsporingsambtenaren. De rechtbank is voorts van oordeel dat - voor wat betreft de dagen waarop meerdere UC’s zijn ingezet - de verklaringen van de UC’s op hoofdlijnen overeenkomen en dat afwijkingen op detailniveau juist laten zien dat sprake is van een eigen weergave van bevindingen. De verslagen vinden bovendien op onderdelen steun in de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd.

Schending verbod op uitlokking ten aanzien van verdachte
Bij de beoordeling van deze grond gaat de rechtbank op basis van de verklaringen van de UC’s uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij een ontmoeting op 4 oktober 2017 te Zegge tussen [medeverdachte 1] , [handlanger 1] en UC [infiltrant 3] is gesproken over de levering van een partij van 50 kilo cocaïne. Ten behoeve van de verdere bespreking van deze (mogelijke) levering vindt op 6 december 2017 in Zegge een tweede ontmoeting plaats. Daarbij zijn in eerste instantie aanwezig [medeverdachte 1] , [handlanger 1] , [handlanger 2] , alsmede de UC’s [infiltrant 3] , [infiltrant 4] en [infiltrant 5] . Tijdens deze ontmoeting wordt de levering van een partij van 50 kilo cocaïne tegen een prijs van € 26.000,- per kilo overeengekomen. Nadat over de hoeveelheid en prijs overeenstemming is bereikt, wordt door de aanwezigen verder gepraat over onder meer de plaats van levering. Dan voegt zich een persoon bij het gezelschap die later verdachte blijkt te zijn. Hij komt aan tafel zitten. [infiltrant 5] vraagt of dat wel OK is. [medeverdachte 1] en [handlanger 2] zeggen vervolgens allebei dat er gerust verder kan worden gepraat in het bijzijn van verdachte. Vervolgens wordt er nog gesproken over onder meer de wijze van betaling en de vraag wie er verantwoordelijk is als de (eerste) tien kilo wordt tegengehouden. Uit niets blijkt dat door de UC’s bij deze ontmoeting rechtstreeks met verdachte is gesproken of dat zij zich anderszins tot hem hebben gericht. Bij de volgende ontmoeting, op 14 december 2017, is verdachte ook, dit maal van aanvang af aan, aanwezig. Verdachte zegt bij die ontmoeting dat de blokken cocaïne afkomstig zijn van twee mannen uit Den Haag en één uit Rotterdam, dat één van die mensen maandag bij verdachte komt, dat verdachte daarna weer wil afspreken in het café om alles verder te bespreken, dat hij voorstelt om een hotel in de buurt van Rotterdam te kiezen en dat deze kerel ook over een plaats beschikt waar het spul kan worden getest. Uit niets volgt dat verdachte tot deze uitspraken is bewogen door toedoen van de alstoen aanwezige UC [infiltrant 3] , of dat deze UC zich totdat verdachte deze uitspraken doet op enige wijze tot verdachte heeft gericht. Ook bij de volgende drie ontmoetingen, waaronder de dag dat de transactie zal plaatsvinden, is verdachte overigens telkens aanwezig en is hij betrokken bij wat er wordt besproken over de levering van cocaïne. Voorts volgt uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting op 5 november 2018 - en bovendien ook uit de verklaring van [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 5 november 2018, waarvan het proces-verbaal op verzoek van de verdediging in het dossier van verdachte is gevoegd - dat het verdachte al vanaf 6 december 2017 duidelijk was dat werd gesproken over de levering van cocaïne.

Uit het voorgaande volgt dat de desbetreffende UC of UC’s zowel tijdens genoemde ontmoeting op 6 december 2017 als tijdens de ontmoeting op 14 december 2017 tot het moment dat verdachte de hiervoor genoemde uitspraken doet zich niet op enigerlei wijze hebben gericht tot verdachte. Daarnaast is niet gesteld en ook anderszins niet aannemelijk geworden dat verdachte, nadat hij op 14 december 2017 de bedoelde uitspraken heeft gedaan, zich op enig moment weer heeft gedistantieerd of heeft willen distantiëren van de beoogde levering van cocaïne.

De verdediging heeft in dit verband nog gesteld (punt 12 van de pleitnota) dat de desbetreffende UC’s op 6 december 2017 verdachte op afstand hadden dienen te houden, omdat verdachte op dat moment zelf niet had gevraagd om deelname aan een gesprek over cocaïne. De verdediging heeft daarbij echter niet vermeld wat de concrete juridische grondslag voor deze stelling is. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze stelling geen steun in het recht. Op de desbetreffende UC’s rustte naar het oordeel van de rechtbank daarom niet een rechtsplicht om verdachte op afstand te houden in de door de verdediging bedoelde zin.

De rechtbank concludeert op grond van hetgeen in de voorgaande drie alinea’s is overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat ten aanzien van verdachte het verbod op uitlokking is geschonden. Dat verdachte, voordat hij op 6 december 2017 aan tafel kwam zitten bij [medeverdachte 1] , [handlanger 1] , [handlanger 2] en [infiltrant 3] , geen opzet had op het deelnemen aan de transactie in cocaïne - wat van de aannemelijkheid van die stelling verder ook zij - maakt dit oordeel niet anders. Daarvoor is de hiervoor vastgestelde passiviteit van de UC’s in de richting van verdachte op 6 december 2017 en in (ten minste) het eerste deel van de ontmoeting op 14 december 2017 reeds een dragende omstandigheid.

Overigens is - anders dan de verdediging lijkt te menen - ook niet vereist dat verdachte voorafgaand aan de eerste ontmoeting met de UC’s reeds opzet had op het deelnemen aan de alstoen besproken transactie, maar is naar het oordeel van de rechtbank een algemeen streven, ook wel een generiek opzet genoemd, voldoende8. Dat bij verdachte een dergelijk algemeen streven aanwezig was blijkt uit de vastgestelde feiten zoals hiervoor vermeld.

Schending verbod op uitlokking ten aanzien van [medeverdachte 1]
Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. In het hoofdproces-verbaal in zaaksdossier 1 is een en ander gerelateerd over de start van het onderzoek 26Milan9. Het onderzoek is op 9 november 2016 gestart en richt zich op [medeverdachte 1] in verband met overtreding van de Opiumwet. De aanleiding voor het onderzoek berust op drie pijlers. Ten eerste zijn er bij een doorzoeking in augustus 2016 in het huis waar [medeverdachte 1] woonachtig was onder andere goederen voor de productie van synthetische drugs, softdrugs en documenten betreffende de productie van hard- en softdrugs aangetroffen. De tweede pijler wordt gevormd door een proces-verbaal van de teamchef van het Team Criminele Inlichtingen bij de eenheid Rotterdam van 25 oktober 2016, waarin als betrouwbaar beoordeelde informatie is opgenomen van (onder meer) de strekking dat [medeverdachte 1] xtc-pillen produceert en exporteert en handelt in cocaïne. De derde pijler wordt gevormd door informatie uit het onderzoek Explorer, waaruit onder meer is gebleken dat [medeverdachte 1] meerdere malen de in dat onderzoek centraal staande loods in [plaatsnaam] heeft bezocht en dat er door andere verdachten in dat onderzoek over [medeverdachte 1] in relatie tot drugs is gesproken.

Uit de hiervoor weergegeven informatie over de start van het onderzoek volgt dat tegen [medeverdachte 1] al vóór de eerste ontmoeting van hem met een UC, [infiltrant 3] , op 4 oktober 2017 een verdenking bestond van, kortweg, de productie en de nationale en internationale handel in softdrugs en harddrugs. Daar komt nog bij dat [medeverdachte 1] blijkens zijn strafblad bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 12 maart 2002 ter zake van 13 feiten, waaronder meerdere feiten betreffende de Opiumwet, is veroordeeld tot elf jaar gevangenisstraf. Deze feiten en omstandigheden, bijeengenomen, leiden de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van [medeverdachte 1] voorafgaand aan deze eerste ontmoeting met een UC reeds objectieve vermoedens bestonden dat hij betrokken was bij criminele activiteiten of dat hij was gepredispositioneerd om een strafbaar feit te plegen, zoals bedoeld in de rechtspraak van het EHRM, zie bijvoorbeeld het [arrest]

Uit de verklaringen van UC [infiltrant 3] valt voorts het volgende af te leiden. [infiltrant 3] is in contact gekomen met [handlanger 1] , met als opdracht om zicht te krijgen op zijn activiteiten. In de contacten tussen [infiltrant 3] en [handlanger 1] is op enig moment ter sprake gekomen de levering van een grotere hoeveelheid cocaïne. [handlanger 1] heeft vervolgens [medeverdachte 1] benaderd om deel te nemen aan de levering van deze hoeveelheid, meer concreet 50 kilo. [infiltrant 3] wist vóór de ontmoeting met [medeverdachte 1] op 4 oktober 2017 enkel dat [handlanger 1] een [persoon] had benaderd voor de levering, maar wist verder niet wie dit was. Pas op 4 oktober 2017 raakte [infiltrant 3] bekend met de persoon van [medeverdachte 1] . Alstoen had [medeverdachte 1] zich echter, op vragen van [handlanger 1] , reeds bereid verklaard om deel te nemen aan de levering van 50 kilo cocaïne. Tijdens de ontmoeting op 4 oktober 2017 neemt [medeverdachte 1] vervolgens actief deel aan de bespreking die gaat over de hoeveelheid en de kwaliteit van de te leveren cocaïne, over de te betalen prijs en de wijze van levering. Ook na de mededeling dat de cocaïne bestemd is voor ‘de andere kant’, waarvan [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 5 februari 2019 heeft aangegeven dat daar normaliter Engeland mee wordt bedoeld, heeft [medeverdachte 1] de bespreking voortgezet.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande, in het bijzonder de verklaringen van UC [infiltrant 3] , niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 1] is gebracht tot het plegen of beramen van andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Reeds hierom dient het verweer, dat wegens schending van het verbod op uitlokking ten aanzien van [medeverdachte 1] het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, te falen.

Subsidiair overweegt de rechtbank dat ook indien ten aanzien van [medeverdachte 1] het verbod op uitlokking zou zijn geschonden, dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte zou dienen te leiden. In dit verband is van belang de vraag of verdachte door de beweerdelijke schending van het verbod op uitlokking wordt getroffen in een belang dat deze norm beoogt te beschermen, ook wel aangeduid als de Schutznorm.

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de desbetreffende norm, het verbod op uitlokking, beschermde belang een maatschappelijk belang is, zodat schending ervan een flagrante strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert. Schending van deze norm treft volgens de verdediging ook direct verdachte. Voor zover de verdediging hiermee heeft willen betogen dat de Schutznorm in geval van schending van het verbod op uitlokking in het geheel niet van toepassing is, de bij pleidooi gekozen formulering wijst in die richting, faalt dit betoog. Naar het oordeel van de rechtbank is het door het verbod op uitlokking beschermde belang enkel het belang van de persoon die al dan niet is uitgelokt, in dit verband derhalve [medeverdachte 1] .

Voor zover de verdediging voorts heeft betoogd dat in dit geval ten aanzien van verdachte de Schutznorm dient te worden gerelativeerd, overweegt de rechtbank dat de door de verdediging ter onderbouwing van dit betoog genoemde argumenten - die naast de zojuist genoemde argumenten er samengevat op neerkomen dat alleen door de inzet van de UC’s verdachte in het onderzoek in beeld is gekomen en dat de geschonden norm een fundamenteel karakter heeft - de rechtbank niet kunnen overtuigen. Het betoog faalt dan ook.

De rechtbank komt daarmee, subsidiair, tot het oordeel dat een eventuele schending van het verbod op uitlokking ten aanzien van [medeverdachte 1] geen gevolgen behoeft te hebben in de strafzaak van verdachte.

Conclusie
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat in het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van enig vormverzuim of van enige andere onrechtmatigheid. Daarmee kan van de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie geen sprake zijn. Het daartoe strekkende verweer wordt dan ook verworpen. Ook overigens zijn geen beletselen voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gebleken.

De redenen voor schorsing van de vervolging.
De rechtbank zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het bewijs.

Inleiding.

Op 9 november 2016 is onder leiding van de officieren van justitie van het Landelijk Parket het opsporingsonderzoek 26Milan gestart. Aanleiding hiervoor was de bij justitie gerezen verdenking dat [medeverdachte 1] zich bezig hield met de handel in harddrugs. Deze verdenking was gestoeld op informatie die de opsporingsautoriteiten bekomen hadden uit verschillende bronnen, waaronder:

  • -

    informatie uit het strafrechtelijk onderzoek Explorer (gericht op een ander dan verdachte) inhoudende dat [medeverdachte 1] in de periode van maart tot november 2014 meermalen is gezien in/bij een loods in [plaatsnaam] die als criminele ontmoetingsplaats diende;

  • -

    informatie uit het strafrechtelijk onderzoek Crockett (gericht op de zoon van [medeverdachte 1] ) inhoudende dat in augustus 2016 in de woning van [medeverdachte 1] chemicaliën en hardware ten behoeve van de productie van synthetische drugs, vuurwapens, munitie, softdrugs en PGP-telefoons is aangetroffen en;

  • -

    verschillende TCI-informatie in oktober en november 2016 met de strekking dat [medeverdachte 1] zich bezig hield met de handel in verdovende middelen.

In een eerder stadium en afzonderlijk van het opsporingsonderzoek 26Milan werd door de opsporingsautoriteiten in België het opsporingsonderzoek Vivum/Kok gestart. Uit dit onderzoek kwam onder meer naar voren dat er aanwijzingen waren dat [medeverdachte 1] betrokken zou zijn bij een grootschalige handel in drugs (invoer en verdere verkoop), de productie van synthetische drugs en productie en verkoop van cannabis in België en Nederland. Hij zou hierbij gebruik maken van de diensten van onder meer de Belgische onderdaan [handlanger 1] . Door de Belgische autoriteiten werd een infiltratietraject ingezet om de criminele handel en wandel van [handlanger 1] in kaart te brengen. Dit undercovertraject in België heeft er toe geleid dat [handlanger 1] aan de Belgische undercoveragent op enig moment heeft voorgesteld om deze in contact te brengen met een Nederlander die bereid is om 50 kilo cocaïne aan die Belgische undercoveragent te leveren.

Omdat andere/lichtere opsporingsmiddelen gericht op het onderscheppen van relevante communicatie, zoals telefoontaps en dergelijke geen soelaas boden, werd door de officier van justitie - overigens na ontvangst van een daartoe strekkend Europees onderzoeksbevel van de Belgische autoriteiten - een bevel afgegeven tot een infiltratietraject en pseudokoop voor zover de Belgische undercoveragent zich op Nederlands grondgebied bevond.

Op 4 oktober 2017 is het in België ingezette infiltratietraject vervolgens voortgezet op Nederlands grondgebied en is de Belgische undercoveragent door [handlanger 1] voorgesteld aan [medeverdachte 1] . De levering van een partij cocaïne van 50 kilo aan die Belgische undercoveragent stond tijdens dit gesprek centraal. Bij de daaropvolgende ontmoetingen - die uiteindelijk tot een definitieve deal hebben geleid - zijn meerdere andere personen in beeld gekomen en is de verdenking gerezen dat naast [medeverdachte 1] ook verdachte alsmede [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] zich schuldig maakten aan strafbare feiten.

Het opsporingsonderzoek 26Milan leidde uiteindelijk tot de actiedag op 20 december 2017, waarbij meerdere verdachten zijn aangehouden, een groot aantal woningen en voertuigen van de verdachten zijn doorzocht en waarbij een grote hoeveelheid verdovende middelen, contante geldbedragen, drugsgerelateerde goederen, vuurwapens, munitie en stroomstootwapens zijn aangetroffen.

Onderzoek 26Milan heeft tot de verdenking geleid dat door de in dit onderzoek naar voren gekomen personen verschillende misdrijven zijn gepleegd. Het Openbaar Ministerie maakt de verdachte thans het verwijt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op de uitvoer van 50 kilo cocaïne (feit 1);

  • -

    het medeplegen van uitvoer van ongeveer 11,3 kilo cocaïne (feit 2);

  • -

    het medeplegen van een poging tot uitvoer van ongeveer 22 kilo cocaïne (feit 3 primair) dan wel het medeplegen van het afleveren, verstrekken, vervoeren etc. van ongeveer 20 kilo cocaïne (feit 3 subsidiair);

  • -

    het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie en een stroomstootwapen (feit 4).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht – op de in het schriftelijke requisitoir uitgewerkte gronden – het aan verdachte onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair en feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien het ten laste gelegde onder feit 1 bepleit dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte reeds vóór 6 december 2017 betrokken is geweest bij het ten laste gelegde, zodat bij de bewezenverklaring van het ten laste gelegde de pleegperiode behoort te worden ingekort.

Voor wat betreft het ten laste gelegde onder feit 2 heeft de raadsman bepleit dat verdachte behoort te worden vrijgesproken van het medeplegen van de uitvoer van de cocaïne en dat slechts het medeplegen van de overdracht van de verdovende middelen bewezen geacht kan worden.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 3 heeft de raadsman bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken en dat van het subsidiair ten laste gelegde slechts het medeplegen van het aanwezig hebben van de verdovende middelen bewezen geacht kan worden.

Het ten laste gelegde onder feit 4 kan volgens de verdediging bewezen worden geacht.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

Uitgangspunt van de rechtbank ten aanzien van de bevindingen van de undercoveragenten.

De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige opsporingsonderzoek veel gevoerde communicatie van, tussen en met de verdachten en veel feitelijke gegevens rondom de gesloten deal is neergelegd in de verslagen van de ingezette undercoveragenten van een vreemde staat; in casu België en Groot-Brittannië. Deze undercoveragenten zijn opsporingsambtenaren en hun verslagen zijn geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub 3, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en hebben dezelfde bewijswaarde als gelijksoortige geschriften van Nederlandse opsporingsambtenaren. Zij zijn daarmee een wettig bewijsmiddel, zij het dat zij niet de bijzondere bewijskracht van artikel 344, tweede lid, Sv hebben.

De rechtbank heeft de inhoud van de verslagen van deze undercoveragenten onderling met elkaar vergeleken, voor zover zij gezamenlijk aanwezig zijn geweest bij ontmoetingen in het kader van de koop van de 50 kilo cocaïne. De rechtbank constateert dat de inhoud van die verslagen op hoofdlijnen overeenkomt, ook waar het de afspraken over de prijs en levering betreft. Afwijkingen op detailniveau laten juist zien dat sprake is van een eigen weergave van bevindingen door ieder van de undercoveragenten. De verslagen vinden bovendien steun in de processen-verbaal van het (bij sommige ontmoetingen) gelijktijdig ingezette observatieteam en tenslotte op onderdelen ook in de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om alle undercoveragenten ten overstaan van de rechter-commissaris te ondervragen over hun waarnemingen en ondervindingen tijdens hun inzet binnen het onderzoek 26Milan. Van deze gelegenheid heeft de verdediging ook telkens gebruik gemaakt. De rechter-commissaris heeft aan de undercoveragenten voorafgaand aan het verhoor beperkte anonimiteit verleend in de zin van artikel 190, derde lid, Sv omdat er een gegrond vermoeden bestond dat de undercoveragenten in verband met het afleggen van hun verklaring in de uitoefening van hun beroep zouden worden belemmerd. De undercoveragenten maakten immers deel uit van politiële infiltratieteams. Ten behoeve van de verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris zijn zij onherkenbaar geschminkt en via een videoverbinding gehoord terwijl zij waren gezeten in een kamer van het gerechtsgebouw die was gescheiden van de kamer waarin de rechter-commissaris en de verdediging was gezeten. In de processen-verbaal van verhoor zijn zij door de rechter-commissaris met een codenummer aangeduid. Deze wijze van verhoor is voldoende rechtstreeks en heeft geen afbreuk gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging. Verdachte heeft de juistheid van hetgeen in de verslagen van de undercoveragenten is gerelateerd overigens niet wezenlijk betwist.

De rechtbank zal voor het bewijs dan ook gebruik maken van de bevindingen van deze undercoveragenten en ziet geen aanleiding om bij de waardering van de bewijskracht hiermee met een grotere mate dan in zijn algemeenheid bij de weging en waardering van bewijsmiddelen behoedzaam om te gaan.

De bespreking van de door de verdediging opgeworpen verweren.

De door de verdediging bepleitte vrijspraak ten aanzien van het medeplegen van de uitvoer van de ten laste gelegde cocaïne (feit 2) en de poging daartoe (feit 3 primair) berust op de stelling dat:

1. verdachte geen concrete handelingen heeft verricht die gericht waren op een begin van

uitvoering van de uitvoer van de verdovende middelen;

2. bij verdachte de impliciete of expliciete wil op de uitvoer ontbrak;

3. nu de partij verdovende middelen in Nederland aan undercoveragenten is geleverd en aldus vaststaat dat de verdovende middelen niet buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht noch zouden worden gebracht, er geen sprake kan zijn van een voltooide uitvoer (feit 2) en derhalve sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging tot uitvoer (feit 3 primair).

ad 1 en 2:

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte - nadat [medeverdachte 1] de deal met de undercoveragenten had gesloten - de touwtjes in handen heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat het verdachte is geweest die de personen bij [medeverdachte 1] en de undercoveragenten heeft geïntroduceerd die (direct of weer via anderen) de cocaïne konden leveren. Verdachte heeft ook de contacten met die personen onderhouden. Ook heeft hij voorstellen gedaan over de wijze waarop en de locatie waar de levering zou plaatsvinden. Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder ook de door verdachte zelf gestelde intensiteit van de contacten met [medeverdachte 1] over de deal en de bij laatstgenoemde aanwezige wetenschap over de buitenlandse bestemming, volgt ook dat bij verdachte wetenschap aanwezig wordt geacht dat de verdovende middelen naar Engeland uitgevoerd zouden worden. De verdachte is aanwezig geweest bij het financiële deel van de transactie dat werd uitgevoerd in de hotelkamer, heeft aanwezigen in de testwoning op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen in de hotelkamer met betrekking tot de deal en heeft hen instructies gegeven. Op de actiedag is een aanvang genomen met de levering van de overeengekomen partij cocaïne. Een deel daarvan, ongeveer 11,3 kg cocaïne, is toen ook daadwerkelijk aan de undercoveragenten geleverd. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 2] het geld van de drugstransactie weggebracht en bij zijn aanhouding was verdachte bovendien in het bezit van € 20.000,--, zijnde een deel van het politiegeld dat voor de pseudokoop ter beschikking was gesteld.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat verdachte wel degelijk concrete handelingen heeft verricht die gericht waren op de uitvoer van de verdovende middelen en dat zijn opzet daar ook op gericht was, zodat het verweer wordt verworpen.

ad 3:

Gelet op de definitie van het begrip “buiten het grondgebied brengen” die in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet wordt gegeven, vallen onder “uitvoer” ook de handelingen “met bestemming naar het buitenland ten vervoer aanbieden” van de verdovende middelen.

Verdachte heeft - gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld en overwogen -handelingen gepleegd die erop gericht waren om de verdovende middelen buiten Nederland te brengen, hetgeen voldoende is voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van “buiten het grondgebied brengen” van de verdovende middelen is het opzet daarop bij de verdachte als verkoper. Het feit dat de verdovende middelen aan undercoveragenten is geleverd en niet daadwerkelijk buiten het Nederlands grondgebied zijn gebracht noch gebracht zouden worden, staat niet in de weg aan een bewezenverklaring. De rechtbank ziet zich in dit oordeel onder meer gesteund door het vonnis van deze rechtbank van 12 juli 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:3708.

Om dezelfde reden faalt het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van de absoluut ondeugdelijke poging tot uitvoer.

Naar het oordeel van de rechtbank vinden de overige door de verdediging gevoerde verweren reeds zijn weerlegging in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zodat ook deze geen nadere bespreking behoeven.

Medeplegen

De rechtbank overweegt over de vraag of bij de tenlastegelegde feiten telkens sprake is geweest van medeplegen ambtshalve als volgt. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid vooral in dat sprake moet zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) bij het plegen van een delict. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van diverse gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Verder is voor een bewezenverklaring van medeplegen de lijfelijke aanwezigheid niet vereist. Kortom, het accent ligt bij medeplegen met name op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handeling heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezen, intellectuele en/of materiële, bijdrage aan het delict van verdachte van voldoende gewicht is.

Om te beoordelen of de verdachte inderdaad nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt in het kader van de ten laste gelegde feiten, zal de rechtbank eerst kort de verscheidene rollen en de daaruit vloeiende bijdrage schetsen die zij op grond van de bewijsmiddelen in het dossier aan de verdachten toedicht. De rechtbank bespreekt de verdachte en zijn medeverdachten in dezelfde volgorde als die waarin zij achtereenvolgens zijn gaan deelnemen aan ontmoetingen met de undercoveragenten.

[medeverdachte 1]

De rechtbank dicht aan de medeverdachte de rol van de bepalende makelaar toe die koper(s) en verkoper(s) van de cocaïne bij elkaar heeft gebracht. De rechtbank stelt vast dat voorafgaand aan de deal in totaal zes ontmoetingen hebben plaatsgevonden, waarbij de medeverdachte met name gedurende de eerste drie ontmoetingen een actieve rol heeft gehad. De medeverdachte heeft bij die ontmoetingen een deal gesloten met de undercoveragenten voor de levering van een partij cocaïne en afspraken gemaakt over de kwaliteit, de prijs, de wijze waarop en de locatie waar de levering zou plaatsvinden. De rechtbank stelt verder vast dat de medeverdachte na de derde ontmoeting een beduidend minder actieve rol in de deal is gaan spelen, maar dat dat het gevolg is geweest van het feit dat hij op dat moment partijen bij elkaar had gebracht en de uitvoering meer aan hen kon overlaten, waarbij hij de behartiging van zijn belangen in het bijzonder aan verdachte overliet. [medeverdachte 1] is aanwezig geweest bij het financiële deel van de transactie dat werd uitgevoerd in de hotelkamer (zesde ontmoeting) en heeft daar ook instructies gegeven. De medeverdachte is naar het oordeel van de rechtbank de spil in het geheel geweest, zodat het er voor gehouden dient te worden dat zonder de medeverdachte de deal niet was doorgegaan.

Verdachte

De rechtbank ziet verdachte als de rechterhand van [medeverdachte 1] , de persoon die door [medeverdachte 1] het meest wordt vertrouwd en al spoedig in de deal betrokken wordt om voor de zich aandienende kopers van cocaïne (direct of weer via anderen) leveranciers te benaderen. Verdachte is vanaf de tweede ontmoeting op 6 december 2017 in beeld gekomen en heeft - nadat [medeverdachte 1] de deal met de undercoveragenten had gesloten - de touwtjes in handen genomen. De rechtbank stelt vast dat het verdachte is geweest die de personen bij [medeverdachte 1] en de undercoveragenten heeft geïntroduceerd die (direct of weer via anderen) de cocaïne konden leveren. Verdachte heeft ook de contacten met die personen onderhouden. Ook heeft hij voorstellen gedaan over de wijze waarop en de locatie waar de levering zou plaatsvinden. Verdachte is aanwezig geweest bij het financiële deel van de transactie dat werd uitgevoerd in de hotelkamer, heeft aanwezigen in de testwoning op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen in de hotelkamer met betrekking tot de deal en hen instructies gegeven en heeft samen met [medeverdachte 2] het geld van de drugstransactie weggebracht. Bij zijn aanhouding was verdachte in het bezit van € 20.000,--, zijnde een deel van het politiegeld dat voor de pseudokoop ter beschikking was gesteld.

[medeverdachte 2]

Deze medeverdachte is vanaf de vierde ontmoeting op 18 december 2017 in beeld gekomen. De rechtbank stelt vast dat ook hij voorstellen heeft gedaan over de wijze waarop en de locatie waar de levering zou plaatsvinden. De medeverdachte is tijdens de zesde ontmoeting aanwezig geweest bij het financiële deel van de transactie in de hotelkamer, heeft daarin duidelijk de leiding genomen en het geld voor de drugstransactie geteld en akkoord gegeven, waarna de levering pas heeft plaatsgevonden. Deze medeverdachte heeft samen met verdachte het geld van de drugstransactie weggebracht.

[medeverdachte 4]

Deze medeverdachte is eveneens vanaf de vierde ontmoeting op 18 december 2017 in beeld gekomen. De rechtbank stelt vast dat hij zich heeft uitgelaten over de bereidheid om de partij cocaïne te regelen en voorstellen heeft gedaan over de wijze waarop en de locatie waar de levering zou plaatsvinden. De medeverdachte heeft ook contact gehad met de leverancier(s) en heeft de undercoveragenten begeleid naar de testwoning. De medeverdachte is tijdens de zesde ontmoeting aanwezig geweest in de testwoning en heeft de partij cocaïne, na een signaal van de medeverdachten in de hotelkamer te hebben verkregen, meegegeven aan de undercoveragenten.

[medeverdachte 3]

Deze medeverdachte is eveneens vanaf de vierde ontmoeting op 18 december 2017 in beeld gekomen. De rechtbank stelt vast dat de medeverdachte bij de daaropvolgende ontmoetingen aanwezig is geweest en onder meer vragen heeft gesteld aan de undercoveragenten over de deal. De medeverdachte heeft, alvorens men naar twee locaties (hotelkamer en testwoning) vertrok om de transactie uit te voeren, aan de undercoveragenten gevraagd om eerst het geld van de deal te mogen zien. Daarna is de medeverdachte naar de testwoning gegaan en is hij aanwezig gebleven bij het testen en het overdragen van de cocaïne.

[medeverdachte 6]

Deze medeverdachte is vanaf de vijfde ontmoeting op 19 december 2017 in beeld gekomen. Hij heeft erin voorzien dat er een woning beschikbaar was waar de partij cocaïne kon worden getest en geleverd. De medeverdachte heeft de undercoveragenten toegang tot de woning verleend en de naar de woning gebrachte partij cocaïne aangenomen, geopend en heeft vervolgens de gelegenheid en (hulp)middelen geboden voor het testen ervan door de undercoveragenten. De medeverdachte heeft de undercoveragenten gevraagd welke soort cocaïne (Thor of Kroon) zij wilden hebben, de partij cocaïne (transport-klaar) ingepakt en de undercoveragenten gemaand om haast te maken. In een slaapkamer van de testwoning, op dat moment de verblijfplaats van medeverdachte, is bovendien € 7.500,-- aangetroffen, dat door medeverdachte daar was neergelegd. Deze € 7.500,-- was een deel van het politiegeld dat voor de pseudokoop ter beschikking was gesteld.

[medeverdachte 5]

De rechtbank dicht aan deze medeverdachte de rol van chauffeur toe. De medeverdachte is eveneens vanaf de vijfde ontmoeting op 19 december 2017 in beeld gekomen. De rechtbank stelt vast dat de medeverdachte op verschillende momenten de blokken cocaïne heeft aangevoerd naar de testwoning en ook (een groot deel van) het geld van deze drugstransactie van daaruit heeft afgevoerd met een in zijn bezit zijnde voertuig dat daartoe speciaal was geprepareerd door middel van verborgen ruimtes.

[medeverdachte 7]

De rechtbank dicht aan deze medeverdachte de rol van leverancier toe. De medeverdachte is op de actiedag in beeld gekomen en heeft kortstondig contact gehad met [medeverdachte 5] . In de woning van de medeverdachte werd een grote hoeveelheid verdovende middelen en een grote som contante gelden aangetroffen, waaronder een geldbedrag van

€ 232.500,--, zijnde een (aanzienlijk) deel van het politiegeld dat voor de pseudokoop ter beschikking was gesteld.

De conclusie van de rechtbank.

De rechtbank komt op grond van de hiervoor omschreven rollen en de daaruit vloeiende bijdrage aan de ten laste gelegde feiten voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit in hun samenhang beschouwd tot de conclusie dat ten aanzien van verdachte en de hiervoor genoemde medeverdachten sprake was van een nauw en bewust samenwerkingsverband gericht op de handel in harddrugs dat voldoet aan de vereisten voor medeplegen.

De rechtbank voelt zich gesterkt in haar oordeel door de uitlatingen die de verschillende verdachten ten overstaan van de undercoveragenten hebben gedaan. In dat kader wijst de rechtbank op het navolgende:

- de uitlatingen van [medeverdachte 1] .

Tijdens een gesprek met een undercoveragent op 20 december 2017 heeft deze medeverdachte verklaard dat hij alleen verdachte kent en dat verdachte op zijn beurt de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zeer goed kent en dat (mede)verdachte(n) [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] elkaar zeer goed kennen.

- de uitlatingen van verdachte.

Tijdens een gesprek met een undercoveragent op 18 december 2017 heeft verdachte verklaard dat hij samenwerkt met [medeverdachte 1] en [handlanger 1] en dat hij in naam van [medeverdachte 1] handelt. Op 20 december 2017 heeft verdachte verklaard dat hij niet werkt en zich enkel bezig houdt met duiven en deze zaken, waarbij de rechtbank met “deze zaken” de drugshandel aanneemt.

- de uitlatingen van [medeverdachte 4] .

Tijdens een gesprek met een undercoveragent op 18 december 2017 heeft medeverdachte verklaard dat zij één team zijn en dat de blokken cocaïne rechtstreeks uit Zuid-Amerika komen. Op 19 december 2017 heeft medeverdachte verklaard dat hij [medeverdachte 6] al een langere tijd kent en dat zij al die tijd handel doen in deze zaken.

- de uitlatingen van [medeverdachte 6] .

Tijdens een gesprek met een undercoveragent op 19 december 2017 heeft de medeverdachte verklaard dat [medeverdachte 5] fulltime voor hen rijdt en zich verplaatst met een bestelwagen waar de drugs een perfecte verstopplaats hebben.

De rechtbank verwerpt aldus de verweren van de verdediging in alle omvang en komt tot de navolgende bewezenverklaring.

De bewezenverklaring.

Op grond van de bewijsmiddelen, zoals weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage - bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. in de periode van 4 oktober 2017 tot en met 19 december 2017 te Zegge en Schijf en Den Haag en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet van een partij van 50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zichzelf of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en vervoermiddelen heeft voorhanden gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of één of meer van zijn mededaders:

- één of meermalen ontmoetingen/besprekingen gehad met de potentiële kopers over de hoeveelheid te leveren cocaïne en de prijs;

- éen of meermalen (telefonisch) contact onderhouden met de potentiële kopers over de voortgang; - afspraken gemaakt over de locatie en de wijze van afleveren/overdracht van de partij cocaïne en het geld;

- een locatie geregeld waar de te leveren cocaïne naar toe moest worden gebracht;

- een locatie geregeld waar de af te leveren cocaïne door de potentiële kopers kon worden getest;

- met het oog op het tonen en/of testen door de potentiële kopers 2 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne geregeld en/of vervoerd en/of voorhanden gehad;

- de potentiële kopers in de gelegenheid gesteld om de cocaïne te testen;

- informatie en instructies gegeven aan de personen die mede betrokken waren bij de levering van cocaïne en/of over het in ontvangst nemen van het geld en/of over de wijze waarop dit zou moeten plaatsvinden;

- een geprepareerde auto (Volkswagen Multivan) geregeld en/of voorhanden gehad.

2. op 20 december 2017 te Den Haag en Rotterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,

- 5 pakketten met in totaal ongeveer 5,7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, en - 5 pakketten met in totaal ongeveer 5,6 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3. primair op 20 december 2017 te Den Haag en Rotterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en anderen voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 20 pakketten van elk ongeveer 1,1 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers hebbende verdachte en/of zijn mededaders:

- in een hotelkamer van het [hotel] gezeten in afwachting van de komst en/of het tonen van het geld door de koper(s) voor de aankoop van de cocaïne;

- voornoemde hoeveelheid cocaïne opgehaald en/of laten ophalen en/of laten overbrengen naar de locatie aan de [adres] te Den Haag alwaar deze door en/of namens de kopers zou worden getest;

- in afwachting gezeten van (een seintje/teken/telefoontje over) de betaling(en) voor de cocaïne waarna deze uitgeleverd en/of overgedragen zou worden aan de kopers,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.

op 20 december 2017 te Achtmaal, in een woning aan [adres] , voorhanden heeft gehad:

- een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen merk Cz, type Duo, kaliber 6.35 mm, en

- munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een patroonhouder met 2 patronen van het merk Sellier & Bellot en

- een wapen van categorie II onder 5° van de Wet Wapens en Munitie, te weten een voorwerp (taser/stroomstootwapen) waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Voortgezette handeling

Naar het oordeel van de rechtbank staan de onder feit 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde feiten in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling. Alle feiten zijn het gevolg van hetzelfde (ongeoorloofde) wilsbesluit en bestaan uit gelijksoortige handelingen. Gelet op artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank derhalve voor deze bewezenverklaarde feiten één strafbepaling toepassen, namelijk die van feit 2.

Oplegging van straf en bijkomende straf.

De eis van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte acht het gevorderde door de officier van justitie buitensporig hoog en heeft betoogd dat de rechtbank bij de strafbepaling in het bijzonder rekening dient te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan, kortweg, het medeplegen van de voorbereiding van de uitvoer van 50 kilo cocaïne, van de voltooide uitvoer van ongeveer 10 kilo cocaïne en de poging tot uitvoer van ongeveer 20 kilo cocaïne. Daarbij is sprake van een voortgezette handeling tussen de voorbereiding, de voltooide uitvoer en de poging tot uitvoer.

Het is algemeen bekend dat harddrugs ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Grootschalige drugshandel werkt voorts ontwrichtend voor de maatschappij. Drugsdelicten liggen vaak aan de basis van feiten die thans worden aangeduid met de term ‘ondermijning’. Daaraan heeft verdachte zich niets gelegen laten liggen. Hij heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij of van anderen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank voor zover voorhanden aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten zoals neergelegd in het document “Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken”, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Ten aanzien van (ook) de uitvoer van harddrugs maken de oriëntatiepunten een onderscheid tussen oriëntatiepunten voor ‘standaard’-gevallen en oriëntatiepunten in het geval sprake is van een organisatie. De rechtbank constateert dat het begrip organisatie in de oriëntatiepunten niet is gedefinieerd of omkaderd. Naar het oordeel van de rechtbank dient onder een organisatie in de hier bedoelde zin te worden verstaan een samenwerkingsverband van personen gericht op (ten minste) de uitvoering van de in een strafzaak ten laste gelegde grondfeiten, waarbinnen een zekere mate van rolverdeling tussen de deelnemende personen is te onderkennen. Niet vereist is dat sprake is van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht of dat anderszins sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid.

In de onderhavige strafzaak is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een organisatie in de hier bedoelde zin. Dat sprake is van het daarvoor benodigde samenwerkingsverband valt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen af te leiden. De rechtbank zal daarom de oriëntatiepunten voor de uitvoer van harddrugs waarbij sprake is van een organisatie tot uitgangspunt nemen.

De oriëntatiepunten voor uitvoer van harddrugs differentiëren voorts aan de hand van het gewicht van de drugs waarop het bewezenverklaarde betrekking heeft. In geval van de uitvoer van 10 tot 20 kilo harddrugs luidt het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van vijf tot zes jaar. In geval van de uitvoer van meer dan 20 kilo harddrugs luidt het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van meer dan zes jaar. Voor poging of voorbereiding bestaan voorts geen toegesneden oriëntatiepunten.

Enkel voor het onder 2 bewezenverklaarde, de voltooide uitvoer van ongeveer 10 kilo cocaïne, zou op grond van de oriëntatiepunten reeds een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar als uitgangspunt passend zijn. De bewezenverklaarde poging tot uitvoer betreft voorts een hoeveelheid drugs die ongeveer het dubbele daarvan is. Anderzijds is de rechtbank er niet blind voor dat wanneer de juridische schotten tussen de aparte bewezenverklaarde feiten worden weggedacht, in wezen sprake is van één transactie met betrekking tot 50 kilo cocaïne, welke transactie in gedeeltes is uitgevoerd, respectievelijk gepoogd is uit te voeren en waarvan de uitvoer is voorbereid. Dat de transactie niet geheel is voltooid, is overigens enkel te danken aan het handelend optreden van de politie.

Al met al acht de rechtbank als uitgangspunt voor de ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde drugsgerelateerde feiten samen passend een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar.

Verdachte heeft verder meerdere wapens, een pistool en een stroomstootwapen, plus munitie in zijn bezit gehad. Voor het bezit van een pistool luidt het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voor zowel het bezit van een stroomstootwapen als het bezit van munitie houden de oriëntatiepunten een geldboete in. Alles bijeen acht de rechtbank voor het wapengerelateerde feit als uitgangspunt passend een gevangenisstraf voor een duur van tussen de drie en vier maanden.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er feiten of omstandigheden aanwezig zijn die maken dat er in het voordeel of in het nadeel van verdachte van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

De rechtbank acht de rol die verdachte bij de bewezenverklaarde feiten heeft gespeeld afgezet tegen de rol van de medeverdachten van een bovengemiddeld gewicht. Verdachte is na [medeverdachte 1] het langst bij de zaak betrokken, vanaf de tweede ontmoeting op 6 december 2017. Verdachte is, op de eerste dag na, aanwezig en actief geweest op alle dagen waarop de UC’s zijn ingezet, waaronder de twee relatief belangrijkste dagen, de dagen waarop drugs zijn getest en de dag waarop de overeengekomen levering van 50 kilo zou plaatsvinden en gedeeltelijk ook heeft plaatsgevonden. Verdachte speelde een centrale rol als schakel tussen [medeverdachte 1] als initiator en de overige medeverdachten. De rechtbank weegt de omvang van de rol van verdachte in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.

De rechtbank constateert dat het aangetroffen pistool was geladen. Ook acht de rechtbank aannemelijk, aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, dat het pistool in relatie staat tot de bewezenverklaarde en/of andere drugsfeiten. Deze feiten en omstandigheden weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft voorts op grond van het strafblad van verdachte geconstateerd dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en enkele malen voor andersoortige feiten, in de verkeerssfeer. Het strafrechtelijk verleden van verdachte is geen grond om in het nadeel van verdachte van het genoemd uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank acht voorts aannemelijk, samengevat, dat verdachte een dochter heeft met gedragsproblemen waarbij verdachte een aanmerkelijk deel van de zorg voor haar voor zijn rekening neemt, alsmede dat verdachte zich aan de hem in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde voorwaarden heeft gehouden. Deze feiten en omstandigheden leggen echter - afgezet tegen de ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden - wat de rechtbank betreft maar beperkt gewicht in de schaal.

De rechtbank deelt overigens - gelet op de aard en het lucratieve karakter van de bewezenverklaarde feiten en de door de UC’s gerelateerde uitlatingen van verdachte over betrokkenheid bij meer of andere feiten - niet de inschatting van de reclassering dat het risico op herhaling als laag moet worden ingeschat.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarvan is zes jaar en zes maanden toe te rekenen aan de drugsfeiten en zes maanden aan het wapenfeit.

De door de rechtbank opgelegde straf is zwaarder dan de door de officier van justitie gevorderde en de door de verdediging bepleite straf. De rechtbank is van oordeel dat de door haar opgelegde straf meer in overeenstemming is met de ernst van het bewezenverklaarde.

Beslag.Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot verbeurdverklaring van de volgende onder verdachte in beslag genomen goederen:

  • -

    een geldbedrag van € 20.000,-;

  • -

    een lege verpakking van een Blackberry telefoontoestel en

  • -

    een briefje met aantekeningen.

De officier van justitie heeft voorts de teruggave gevorderd aan verdachte van de volgende onder hem in beslag genomen goederen:

  • -

    een geldbedrag van € 155,90 en

  • -

    een videorecorder met netadapter.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank leidt uit de inhoud van het procesdossier af dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte een briefje is aangetroffen met de naam en het telefoonnummer van een van zijn medeverdachten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het briefje aan verdachte toebehoorde en dat met behulp daarvan het feit is begaan of voorbereid, zodat het briefje met aantekeningen vatbaar is voor verbeurdverklaring. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van € 20.000,-- vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat is komen vast te staan dat dit geldbedrag geheel door middel van de strafbare feiten is verkregen. De rechtbank zal de officier van justitie dan ook volgen in haar vordering en voornoemde voorwerpen aldus verbeurd verklaren.

De rechtbank zal voorts de teruggave gelasten van de lege verpakking van een Blackberry telefoontoestel, het geldbedrag van € 155,90 en de videorecorder, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat deze voorwerpen direct of indirect enig verband houden met de ten laste van verdachte bewezenverklaarde feiten en om die reden het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Voorlopige hechtenis.

Door de verdediging is gewezen op de persoonlijke omstandigheden in de thuissituatie van verdachte en verzocht om de schorsing van de voorlopige hechtenis om die reden te laten voortduren tot in ieder geval augustus 2019.

De rechtbank is van oordeel dat - gezien de aard, ernst en omvang van de bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging - de persoonlijke omstandigheden die verdachte bij het voortduren van de schorsing heeft ondergeschikt zijn aan de strafvorderlijke belangen en het belang dat de samenleving heeft bij het hervatten van de voorlopige hechtenis zoals laatstgenoemde belangen thans, met het wijzen van dit vonnis, aanwezig zijn, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

  • -

    33, 33a, 45, 47, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2, 10 en 10a van de Opiumwet;

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1, feit 2, feit 3 primair en feit 4 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en bevorderen, - een ander tracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit tracht te verschaffen en - vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit ten aanzien van feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod ten aanzien van feit 3 primair: medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod feit 1, 2 en 3 primair in voortgezette handeling gepleegd ten aanzien van feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en bijkomende straf.

ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3 primair en feit 4:

 een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten:

o een geldbedrag van 20.000,- euro;

o een briefje met aantekeningen.

De rechtbank gelast de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, te weten:

  • -

    een geldbedrag van 155,- euro en 90 eurocent;

  • -

    een lege verpakking van een Blackberry telefoontoestel;

  • -

    een videorecorder met een netadapter.

De rechtbank wijst het verzoek tot (hernieuwde) schorsing van de voorlopige hechtenis af.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. C.J. Sangers-de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 8 maart 2019.

1 Zaakdossier 1, p. 77-80.

2 Zaakdossier 1, p. 81-83.

3 Algemeen dossier, respectievelijk p. 20-33, p. 49-61 en p. 70-82.

4 Zaakdossier 1, p. 9-16 (overzichtsproces-verbaal), p. 4-6 (inzet 4 oktober 2017), p. 147-150 (inzet 6 december 2017), p. 154-159 (inzet 14 december 2017), p. 164-166 (inzet 18 december 2017), p. 17-19 (inzet 19 december 2017), p. 24-27, 32-34, 40-41, 55-56, 69-72 en 73-76 (inzet 20 december 2017).

5 Zaakdossier 1, p. 20-23 met vertaling op p. 124-128, p. 28-32 met vertaling op p. 133-135, p. 35-37 met vertaling op p. 140-142, p. 120-123 met vertaling op p. 116-119, alsmede een bundel losse verslagen van de UC met codenaam [infiltrant 3] en een verslag “Finale fase-ploeg testers” van de UC met codenaam [infiltrant 6] .

6 Zaakdossier 1, p. 109-114.

7 Zaakdossier 1, p. 168-171 en p. 173-176.

8 Vergelijk de noot van mr. G.J.M. Corstens bij het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8256.

9 Zaakdossier 1, tweede pagina na de inhoudsopgave.