Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1288

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
01/993335-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Megazaak 26Milan. Acht verdachten. Vrijspraak uitvoer. Medeplegen o.a. vervoer van in totaal bijna 30 kilo cocaïne, alsmede voorbereiding verkoop cocaïne en vuurwapenbezit. Rol verdachte als vaste chauffeur van benedengemiddeld gewicht. Aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/993335-17

Datum uitspraak: 8 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te 's-Gravenhage op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 december 2018, 5 februari 2019, 8 februari 2019, 13 februari 2019 en 22 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. C.E.J. Keeris en J.F. Le Fever [hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie] en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 maart 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 juni 2018 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op één of meer tijdstippen in de periode van 4 oktober 2017 tot en met 19 december 2017 te Zegge en/of Schijf en/of Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen als bedoeld in artikel 1 lid 5 Opiumwet van een partij van 50 kilogram, in elk geval één of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zichzelf of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en vervoermiddelen heeft voorhanden gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd is/zijn tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s):

- één of meermalen ontmoetingen/besprekingen gehad met de potentiële koper(s) over de hoeveelheid te leveren cocaïne en de prijs;

- éen of meermalen (telefonisch) contact onderhouden met de potentiële koper(s) over de voortgang;

- afspraken gemaakt over de locatie en de wijze van afleveren/overdracht van de partij cocaïne en het geld;

- een locatie geregeld waar de te leveren cocaïne naar toe moest worden gebracht;

- een locatie geregeld waar de af te leveren cocaïne door de potentiële kopers kon worden getest;

- met het oog op het tonen en/of testen door de potentiële kopers 2 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een materiaal bevattende cocaïne geregeld en/of vervoerd en/of voorhanden gehad;

- de potentiële koper(s) in de gelegenheid gesteld om de cocaïne te testen;

- informatie en instructies gegeven aan de perso(o)nen die mede betrokken waren bij de levering van cocaïne en/of over het in ontvangst nemen van het geld en/of over de wijze waarop dit zou moeten plaatsvinden;

- een geprepareerde auto (Volkwagen Multivan) geregeld en/of voorhanden gehad.

2. hij op één of meer tijdstippen op 20 december 2017 te Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,

- 5 pakketten met (in totaal) ongeveer 5,7 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een materiaal bevattende cocaïne, en/of - 5 pakketten met (in totaal) ongeveer 5,6 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3. hij op één of meer tijdstippen op 20 december 2017 te Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van zijn verdachte en/of één of meer ander(en) voorgenomen misdrijf om (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, van 20 pakketten elk (ongeveer) 1,1 kilogram (in elk geval één of meer een hoeveelhe(i)den) van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers hebbende verdachte en/of zijn mededader(s):

-in een hotelkamer van het [hotel] gezeten in afwachting van de komst en/of het tonen van het geld door de koper(s) voor de aankoop van de cocaïne;

-voornoemde hoeveelheid cocaïne opgehaald en/of laten ophalen en/of laten overbrengen naar de locatie aan [adres 1] alwaar deze door en/of namens de kopers zou worden getest;

-in afwachting gezeten van (een seintje/teken/telefoontje over) de betaling(en) voor de cocaïne waarna deze uitgeleverd en/of overgedragen zou worden aan de kopers,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 20 december 2017 te Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, 20 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram (in elk geval één of meer hoeveelhe(i)den) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. hij op of omstreeks 20 december 2017 te Den Haag, in een woning aan [adres 2] , tezamen en in vereniging met (een) anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad:

- een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen, revolver merk Smith & Wesson, kaliber .38, en/of

- munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten 5 patronen kaliber .38 en/of

- munitie van categorie II en/of III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een magazijn/patroonhouder met 8 kogelpatronen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het bewijs.

Inleiding.

Op 9 november 2016 is onder leiding van de officieren van justitie van het Landelijk Parket het opsporingsonderzoek 26Milan gestart. Aanleiding hiervoor was de bij justitie gerezen verdenking dat [medeverdachte 1] zich bezig hield met de handel in harddrugs. Deze verdenking was gestoeld op informatie die de opsporingsautoriteiten bekomen hadden uit verschillende bronnen, waaronder:

  • -

    informatie uit het strafrechtelijk onderzoek Explorer (gericht op een ander dan verdachte) inhoudende dat [medeverdachte 1] in de periode van maart tot november 2014 meermalen is gezien in/bij een loods in [plaatsnaam] die als criminele ontmoetingsplaats diende;

  • -

    informatie uit het strafrechtelijk onderzoek Crockett (gericht op de zoon van [medeverdachte 1] ) inhoudende dat in augustus 2016 in de woning van [medeverdachte 1] chemicaliën en hardware ten behoeve van de productie van synthetische drugs, vuurwapens, munitie, softdrugs en PGP-telefoons is aangetroffen en;

  • -

    verschillende TCI-informatie in oktober en november 2016 met de strekking dat [medeverdachte 1] zich bezig hield met de handel in verdovende middelen.

In een eerder stadium en afzonderlijk van het opsporingsonderzoek 26Milan werd door de opsporingsautoriteiten in België het opsporingsonderzoek Vivum/Kok gestart. Uit dit onderzoek kwam onder meer naar voren dat er aanwijzingen waren dat [medeverdachte 1] betrokken zou zijn bij een grootschalige handel in drugs (invoer en verdere verkoop), de productie van synthetische drugs en productie en verkoop van cannabis in België en Nederland. Hij zou hierbij gebruik maken van de diensten van onder meer de Belgische onderdaan [handlanger] . Door de Belgische autoriteiten werd een infiltratietraject ingezet om de criminele handel en wandel van [handlanger] in kaart te brengen. Dit undercovertraject in België heeft er toe geleid dat [handlanger] aan de Belgische undercoveragent op enig moment heeft voorgesteld om deze in contact te brengen met een Nederlander die bereid is om 50 kilo cocaïne aan die Belgische undercoveragent te leveren.

Omdat andere/lichtere opsporingsmiddelen gericht op het onderscheppen van relevante communicatie, zoals telefoontaps en dergelijke geen soelaas boden, werd door de officier van justitie - overigens na ontvangst van een daartoe strekkend Europees onderzoeksbevel van de Belgische autoriteiten - een bevel afgegeven tot een infiltratietraject en pseudokoop voor zover de Belgische undercoveragent zich op Nederlands grondgebied bevond.

Op 4 oktober 2017 is het in België ingezette infiltratietraject vervolgens voortgezet op Nederlands grondgebied en is de Belgische undercoveragent door [handlanger] voorgesteld aan [medeverdachte 1] . De levering van een partij cocaïne van 50 kilo aan die Belgische undercoveragent stond tijdens dit gesprek centraal. Bij de daaropvolgende ontmoetingen - die uiteindelijk tot een definitieve deal hebben geleid - zijn meerdere andere personen in beeld gekomen en is de verdenking gerezen dat naast [medeverdachte 1] ook verdachte alsmede [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] zich schuldig maakten aan strafbare feiten.

Het opsporingsonderzoek 26Milan leidde uiteindelijk tot de actiedag op 20 december 2017, waarbij meerdere verdachten zijn aangehouden, een groot aantal woningen en voertuigen van de verdachten zijn doorzocht en waarbij een grote hoeveelheid verdovende middelen, contante geldbedragen, drugsgerelateerde goederen, vuurwapens, munitie en stroomstootwapens zijn aangetroffen.

Onderzoek 26Milan heeft tot de verdenking geleid dat door de in dit onderzoek naar voren gekomen personen verschillende misdrijven zijn gepleegd. Het Openbaar Ministerie maakt de verdachte thans het verwijt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op de uitvoer althans de verkoop van 50 kilo cocaïne (feit 1);

  • -

    het medeplegen van de uitvoer althans de verkoop van ongeveer 11,3 kilo cocaïne (feit 2);

  • -

    het medeplegen van een poging tot uitvoer van ongeveer 22 kilo cocaïne (feit 3 primair) dan wel het medeplegen van het afleveren, verstrekken, vervoeren etc. van ongeveer 20 kilo cocaïne (feit 3 subsidiair);

  • -

    het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 4).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht - op de in het schriftelijke requisitoir uitgewerkte gronden - het aan verdachte onder feit 1, feit 2, feit 3 primair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte partieel behoort te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 1, 2 en 3 is tenlastegelegd. Het tenlastegelegde onder feit 4 kan bewezen worden geacht.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

Uitgangspunt van de rechtbank ten aanzien van de bevindingen van de undercoveragenten.

De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige opsporingsonderzoek veel gevoerde communicatie van, tussen en met de verdachten en veel feitelijke gegevens rondom de gesloten deal is neergelegd in de verslagen van de ingezette undercoveragenten van een vreemde staat; in casu België en Groot-Brittannië. Deze undercoveragenten zijn opsporingsambtenaren en hun verslagen zijn geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en hebben dezelfde bewijswaarde als gelijksoortige geschriften van Nederlandse opsporingsambtenaren. Zij zijn daarmee een wettig bewijsmiddel, zij het dat zij niet de bijzondere bewijskracht van artikel 344, tweede lid Sv hebben.

De rechtbank heeft de inhoud van de verslagen van deze undercoveragenten onderling met elkaar vergeleken, voor zover zij gezamenlijk aanwezig zijn geweest bij ontmoetingen in het kader van de koop van de 50 kilo cocaïne. De rechtbank constateert dat de inhoud van die verslagen op hoofdlijnen overeenkomt, ook waar het de afspraken over de prijs en levering betreft. Afwijkingen op detailniveau laten juist zien dat sprake is van een eigen weergave van bevindingen door ieder van de undercoveragenten. De verslagen vinden bovendien steun in de processen-verbaal van het (bij sommige ontmoetingen) gelijktijdig ingezette observatieteam en tenslotte op onderdelen ook in de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om alle undercoveragenten ten overstaan van de rechter-commissaris te ondervragen over hun waarnemingen en ondervindingen tijdens hun inzet binnen het onderzoek 26Milan. Van deze gelegenheid heeft de verdediging ook telkens gebruik gemaakt. De rechter-commissaris heeft aan de undercoveragenten voorafgaand aan het verhoor beperkte anonimiteit verleend in de zin van artikel 190 lid 3 Sv omdat er een gegrond vermoeden bestond dat de undercoveragenten in verband met het afleggen van hun verklaring in de uitoefening van hun beroep zouden worden belemmerd. De undercoveragenten maakten immers deel uit van politiële infiltratieteams. Ten behoeve van de verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris zijn zij onherkenbaar geschminkt en via een videoverbinding gehoord terwijl zij waren gezeten in een kamer van het gerechtsgebouw die was gescheiden van de kamer waarin de rechter-commissaris en de verdediging was gezeten. In de processen-verbaal van verhoor zijn zij door de rechter-commissaris met een codenummer aangeduid. Deze wijze van verhoor is voldoende rechtstreeks en heeft geen afbreuk gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging. Verdachte heeft de juistheid van hetgeen in de verslagen van de undercoveragenten is gerelateerd overigens niet wezenlijk betwist.

De rechtbank zal voor het bewijs dan ook gebruik maken van de bevindingen van deze undercoveragenten en ziet geen aanleiding om bij de waardering van de bewijskracht hiermee met een grotere mate dan in zijn algemeenheid bij de weging en waardering van bewijsmiddelen behoedzaam om te gaan.

De bespreking van de door de verdediging opgeworpen verweren.

De raadsman van verdachte heeft op verschillende uiteenlopende gronden de partiele vrijspraak bepleit van hetgeen aan verdachte onder de feiten 1, 2, en 3 primair is ten laste gelegd.

In de kern genomen komen de verweren van de raadsman er op neer dat verdachte strafbare handelingen heeft verricht, maar dat deze handelingen geen voorbereidingshandelingen gericht op de uitvoer van de verdovende middelen waren en evenmin handelingen gericht op de poging dan wel de voltooide uitvoer van de verdovende middelen. Bij verdachte ontbrak wetenschap van de bestemming van de door hem aangevoerde verdovende middelen en dus ook het opzet op de uitvoer daarvan. Bovendien kan niet gesproken worden van een voor het medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten van de aan hem ten laste gelegde feiten.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat verdachte pas in de laatste fase van het opsporingsonderzoek in beeld is gekomen en wel op 19 en 20 december 2017. Op deze dagen heeft verdachte meerdere malen blokken cocaïne aangevoerd naar de testwoning en op 20 december 2017 heeft verdachte het geld van deze drugstransactie afgevoerd naar de leverancier van de verdovende middelen. Het procesdossier biedt geen aanwijzingen dat verdachte voorafgaand aan voornoemde data op enigerlei wijze een rol heeft gehad bij de totstandkoming van de deal die met de undercoveragenten is gesloten. Verdachte is, anders dan zes van zijn medeverdachten, niet bij de eerdere besprekingen aanwezig geweest, alwaar de prijs voor de overeengekomen partij is bepaald en voorstellen werden gedaan voor wat betreft de wijze waarop en de locatie van de levering. De rol die verdachte in dit geheel heeft gehad is naar het oordeel van de rechtbank beperkt (maar niet onbelangrijk) geweest tot die van (vaste) chauffeur.

De rechtbank is in de zaken van de medeverdachten tot de conclusie gekomen dat zij wetenschap hadden van de buitenlandse bestemming van de aan de undercoveragenten geleverde partij cocaïne. Zij hebben daartoe ook voorbereidingshandelingen verricht. Dit is in het geval van verdachte evenwel anders. Uit het procesdossier is de rechtbank van geen feiten of omstandigheden gebleken op basis waarvan gesteld kan worden dat verdachte wetenschap had dan wel had moeten hebben van de buitenlandse bestemming van de door hem op de verschillende dagen aangevoerde cocaïne. Nu niet is gebleken dat verdachte een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de drugsdeal, kan niet uit het enkele gegeven dat verdachte op voornoemde data in de testwoning aanwezig is geweest met Engelssprekende undercoveragenten zijn wetenschap van de buitenlandse bestemming worden afgeleid. De stelling van de officier van justitie dat verdachte in de testwoning moet hebben gehoord van de buitenlandse bestemming, omdat door [medeverdachte 4] hiernaar werd gevraagd en door [naam undercoveragent 1] hierop werd geantwoord, kan evenmin bijdragen tot het bewijs van die vereiste wetenschap. Uit het dossier volgt dat verdachte in de testwoning niet heeft deelgenomen aan gesprekken en onrustig heen en weer liep. Bovendien heeft [naam undercoveragent 2] - die nota bene belast is met de opsporing en in dat kader behoort waar te nemen - verklaard dat hij het gesprek dat [naam undercoveragent 1] voerde over de bestemming van de verdovende middelen met de medeverdachten niet heeft gehoord. De rechtbank komt bij deze stand van zaken dan ook tot het oordeel dat het bewijs dat verdachte wetenschap heeft gehad van de buitenlandse bestemming van de verdovende middelen, ontbreekt. Daarmee kan het opzet op die uitvoer niet worden bewezen.

Hiermee is evenwel niet gezegd dat verdachte helemaal geen blaam treft. In ieder geval staat vast dat verdachte op twee verschillende dagen meerdere blokken cocaïne naar de testwoning heeft gebracht. Op 19 december 2017 waren dat twee blokken en op 20 december 2017 in elk geval 28 blokken. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de twee blokken die verdachte op 19 december 2017 naar de testwoning heeft gebracht diezelfde dag nog met hem zijn teruggegaan om ze vervolgens de volgende dag weer mee te nemen. Het kan even goed zijn dat die twee blokken van 19 december 2017 nimmer terug zijn gebracht en dat verdachte op 20 december 2017 op twee momenten in totaal 8 blokken en op het derde moment 20 blokken cocaïne naar de testwoning heeft aangevoerd.

De verdachte heeft bij zijn bijdrage aan het feitencomplex samengewerkt met zijn medeverdachten. Voor de vraag of deze samenwerking ook gekwalificeerd kan worden als medeplegen overweegt de rechtbank als volgt.

In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid vooral in dat sprake moet zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) bij het plegen van een delict. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van diverse gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Verder is voor een bewezenverklaring van medeplegen de lijfelijke aanwezigheid niet vereist. Kortom, het accent ligt bij medeplegen met name op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handeling heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezen, intellectuele en/of materiële, bijdrage aan het delict van verdachte van voldoende gewicht is.

Om te beoordelen of de verdachte inderdaad nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt in het kader van de ten laste gelegde feiten, zal de rechtbank eerst kort de verscheidene rollen en de daaruit vloeiende bijdrage schetsen die zij op grond van de bewijsmiddelen in het dossier aan de verdachten toedicht. De rechtbank bespreekt de verdachte en zijn medeverdachten in dezelfde volgorde als die waarin zij achtereenvolgens zijn gaan deelnemen aan ontmoetingen met de undercoveragenten.

[medeverdachte 1]

De rechtbank dicht aan de medeverdachte de rol van de bepalende makelaar toe die koper(s) en verkoper(s) van de cocaïne bij elkaar heeft gebracht. De rechtbank stelt vast dat voorafgaand aan de deal in totaal zes ontmoetingen hebben plaatsgevonden, waarbij de medeverdachte met name gedurende de eerste drie ontmoetingen een actieve rol heeft gehad. De medeverdachte heeft bij die ontmoetingen een deal gesloten met de undercoveragenten voor de levering van een partij cocaïne en afspraken gemaakt over de kwaliteit, de prijs, de wijze waarop en de locatie waar de levering zou plaatsvinden. De rechtbank stelt verder vast dat de medeverdachte na de derde ontmoeting een beduidend minder actieve rol in de deal is gaan spelen, maar dat dat het gevolg is geweest van het feit dat hij op dat moment partijen bij elkaar had gebracht en de uitvoering meer aan hen kon overlaten, waarbij hij de behartiging van zijn belangen in het bijzonder aan [medeverdachte 2] overliet. [medeverdachte 1] is aanwezig geweest bij het financiële deel van de transactie dat werd uitgevoerd in de hotelkamer (zesde ontmoeting) en heeft daar ook instructies gegeven. De medeverdachte is naar het oordeel van de rechtbank de spil in het geheel geweest, zodat het er voor gehouden dient te worden dat zonder de medeverdachte de deal niet was doorgegaan.

[medeverdachte 2]

De rechtbank ziet de medeverdachte als de rechterhand van [medeverdachte 1] , de persoon die door [medeverdachte 1] het meest wordt vertrouwd en al spoedig in de deal betrokken wordt om voor de zich aandienende kopers van cocaïne (direct of weer via anderen) leveranciers te benaderen. De medeverdachte is vanaf de tweede ontmoeting op 6 december 2017 in beeld gekomen en heeft - nadat [medeverdachte 1] de deal met de undercoveragenten had gesloten - de touwtjes in handen genomen. De rechtbank stelt vast dat het deze medeverdachte is geweest die de personen bij [medeverdachte 1] en de undercoveragenten heeft geïntroduceerd die (direct of weer via anderen) de cocaïne konden leveren. De medeverdachte heeft ook de contacten met die personen onderhouden. Ook heeft hij voorstellen heeft gedaan over de wijze waarop en de locatie waar de levering zou plaatsvinden. De medeverdachte is aanwezig geweest bij het financiële deel van de transactie dat werd uitgevoerd in de hotelkamer, heeft aanwezigen in de testwoning op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen in de hotelkamer met betrekking tot de deal en hen instructies gegeven en heeft samen met [medeverdachte 3] het geld van de drugstransactie weggebracht. Bij zijn aanhouding was [medeverdachte 2] in het bezit van € 20.000,--, zijnde een deel van het politiegeld dat voor de pseudokoop ter beschikking was gesteld.

[medeverdachte 3]

Deze medeverdachte is vanaf de vierde ontmoeting op 18 december 2017 in beeld gekomen. De rechtbank stelt vast dat ook hij voorstellen heeft gedaan over de wijze waarop en de locatie waar de levering zou plaatsvinden. De medeverdachte is tijdens de zesde ontmoeting aanwezig geweest bij het financiële deel van de transactie in de hotelkamer, heeft daarin duidelijk de leiding genomen en het geld voor de drugstransactie geteld en akkoord gegeven, waarna de levering pas heeft plaatsgevonden. Deze medeverdachte heeft samen met [medeverdachte 2] het geld van de drugstransactie weggebracht.

[medeverdachte 5]

Deze medeverdachte is eveneens vanaf de vierde ontmoeting op 18 december 2017 in beeld gekomen. De rechtbank stelt vast dat hij zich heeft uitgelaten over de bereidheid om de partij cocaïne te regelen en voorstellen heeft gedaan over de wijze waarop en de locatie waar de levering zou plaatsvinden. De medeverdachte heeft ook contact gehad met de leverancier(s) en heeft de undercoveragenten begeleid naar de testwoning. De medeverdachte is tijdens de zesde ontmoeting aanwezig geweest in de testwoning en heeft de partij cocaïne, na een signaal van de medeverdachten in de hotelkamer te hebben verkregen, meegegeven aan de undercoveragenten.

[medeverdachte 4]

Deze medeverdachte is eveneens vanaf de vierde ontmoeting op 18 december 2017 in beeld gekomen. De rechtbank stelt vast dat de medeverdachte bij de daaropvolgende ontmoetingen aanwezig is geweest en onder meer vragen heeft gesteld aan de undercoveragenten over de deal. De medeverdachte heeft, alvorens men naar twee locaties (hotelkamer en testwoning) vertrok om de transactie uit te voeren, aan de undercoveragenten gevraagd om eerst het geld van de deal te mogen zien. Daarna is de medeverdachte naar de testwoning gegaan en is hij aanwezig gebleven bij het testen en het overdragen van de cocaïne.

[medeverdachte 6]

Deze medeverdachte is vanaf de vijfde ontmoeting op 19 december 2017 in beeld gekomen. Hij heeft erin voorzien dat er een woning beschikbaar was waar de partij cocaïne kon worden getest en geleverd. De medeverdachte heeft de undercoveragenten toegang tot de woning verleend en de naar de woning gebrachte partij cocaïne aangenomen, geopend en heeft vervolgens de gelegenheid en (hulp)middelen geboden voor het testen ervan door de undercoveragenten. De medeverdachte heeft de undercoveragenten gevraagd welke soort cocaïne (Thor of Kroon) zij wilden hebben, de partij cocaïne (transport-klaar) ingepakt en de undercoveragenten gemaand om haast te maken. In een slaapkamer van de testwoning, op dat moment de verblijfplaats van deze medeverdachte, is bovendien € 7.500,-- aangetroffen, dat door deze medeverdachte daar was neergelegd. Deze € 7.500,- was een deel van het politiegeld dat voor de pseudokoop ter beschikking was gesteld.

Verdachte

De rechtbank dicht aan verdachte de rol van chauffeur toe. Verdachte is eveneens vanaf de vijfde ontmoeting op 19 december 2017 in beeld gekomen. De rechtbank stelt vast dat verdachte op verschillende momenten de blokken cocaïne heeft aangevoerd naar de testwoning en ook (een groot deel van) het geld van deze drugstransactie van daaruit heeft afgevoerd met een in zijn bezit zijnde voertuig dat daartoe speciaal was geprepareerd door middel van verborgen ruimtes.

[medeverdachte 7]

De rechtbank dicht aan deze medeverdachte de rol van leverancier toe. De medeverdachte is op de actiedag in beeld gekomen en heeft kortstondig contact gehad met [verdachte] . In de woning van de medeverdachte werd een grote hoeveelheid verdovende middelen en een grote som contante gelden aangetroffen, waaronder een geldbedrag van

€ 232.500,--, zijnde een (aanzienlijk) deel van het politiegeld dat voor de pseudokoop ter beschikking was gesteld.

De conclusie van de rechtbank.

De rechtbank komt op grond van de hiervoor omschreven rollen en de daaruit vloeiende bijdrage aan de ten laste gelegde feiten voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit in hun samenhang beschouwd tot de conclusie dat ten aanzien van verdachte en de hiervoor genoemde medeverdachten sprake was van een nauw en bewust samenwerkingsverband gericht op de handel in harddrugs dat voldoet aan de vereisten voor medeplegen.

De rechtbank voelt zich gesterkt in haar oordeel door de uitlatingen die de verschillende verdachten ten overstaan van de undercoveragenten hebben gedaan. In dat kader wijst de rechtbank op het navolgende:

- de uitlatingen van [medeverdachte 1] .

Tijdens een gesprek met een undercoveragent op 20 december 2017 heeft deze medeverdachte verklaard dat hij alleen [medeverdachte 2] kent en dat [medeverdachte 2] op zijn beurt de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zeer goed kent en dat de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] elkaar zeer goed kennen.

- de uitlatingen van [medeverdachte 2] .

Tijdens een gesprek met een undercoveragent op 18 december 2017 heeft de medeverdachte verklaard dat hij samenwerkt met [medeverdachte 1] en [handlanger] en dat hij in naam van [medeverdachte 1] handelt. Op 20 december 2017 heeft de medeverdachte verklaard dat hij niet werkt en zich enkel bezig houdt met duiven en deze zaken, waarbij de rechtbank met “deze zaken” de drugshandel aanneemt.

- de uitlatingen van [medeverdachte 5] .

Tijdens een gesprek met een undercoveragent op 18 december 2017 heeft de medeverdachte verklaard dat zij één team zijn en dat de blokken cocaïne rechtstreeks uit Zuid-Amerika komen. Op 19 december 2017 heeft hij verklaard dat hij [medeverdachte 6] al een langere tijd kent en dat zij al die tijd handel doen in deze zaken.

- de uitlatingen van [medeverdachte 6] .

Tijdens een gesprek met een undercoveragent op 19 december 2017 heeft de medeverdachte verklaard dat [verdachte] fulltime voor hen rijdt en zich verplaatst met een bestelwagen waar de drugs een perfecte verstopplaats hebben.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen komt zij tot de navolgende conclusie.

ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met zijn medeverdachten - kort gezegd -voorbereidingshandelingen heeft getroffen om een partij cocaïne te verkopen, afleveren en verstrekken zoals hierna te melden. Verdachte heeft op beide dagen verdovende middelen aangevoerd, is op cruciale momenten in de testwoning aanwezig geweest en heeft zich van die situatie niet gedistantieerd. Verdachtes aanwezigheid in de woning diende naar valt aan te nemen een doel. Nu het accent bij medeplegen op de samenwerking ligt en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, kan verdachte dan ook verantwoordelijk gehouden worden voor de door zijn medeverdachten verrichte handelingen. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor de uitvoer van de verdovende middelen, nu zijn wetenschap op de buitenlandse bestemming van de verdovende middelen en dus ook het opzet op de uitvoer ontbreekt. Van dat deel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.

ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met zijn medeverdachten acht pakketten cocaïne heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt, zoals hierna te melden. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de verdovende middelen heeft uitgevoerd, omdat zijn wetenschap op de buitenlandse bestemming van de verdovende middelen en dus ook het opzet op de uitvoer ontbreekt. Verdachte zal van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

ten aanzien van feit 3 primair:

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, omdat verdachtes wetenschap op de buitenlandse bestemming van de verdovende middelen en dus ook het opzet op de uitvoer ontbreekt. Verdachte zal van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

ten aanzien van feit 3 subsidiair:

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met zijn medeverdachten 20 pakketten cocaïne heeft afgeleverd en verstrekt, zoals hierna te melden.

ten aanzien van feit 4:

Door de verdediging zijn geen bewijsverweren gevoerd en verdachte heeft ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring afgelegd. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte een vuurwapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring.

Op grond van de bewijsmiddelen, zoals weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage - bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. in de periode van 4 oktober 2017 tot en met 19 december 2017 te Zegge en Schijf en Den Haag en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken van een partij van 50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zichzelf of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en vervoermiddelen voorhanden gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of één of meer van zijn mededaders:

- één of meermalen ontmoetingen/besprekingen gehad met de potentiële kopers over de hoeveelheid te leveren cocaïne en de prijs;

- éen of meermalen (telefonisch) contact onderhouden met de potentiële kopers over de voortgang; - afspraken gemaakt over de locatie en de wijze van afleveren/overdracht van de partij cocaïne en het geld;

- een locatie geregeld waar de te leveren cocaïne naar toe moest worden gebracht;

- een locatie geregeld waar de af te leveren cocaïne door de potentiële kopers kon worden getest;

- met het oog op het tonen en/of testen door de potentiële kopers 2 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne geregeld en/of vervoerd en/of voorhanden gehad;

- de potentiële kopers in de gelegenheid gesteld om de cocaïne te testen;

- informatie en instructies gegeven aan de personen die mede betrokken waren bij de levering van cocaïne en/of over het in ontvangst nemen van het geld en/of over de wijze waarop dit zou moeten plaatsvinden;

- een geprepareerde auto (Volkswagen Multivan) geregeld en/of voorhanden gehad.

2. op 20 december 2017 te Den Haag en Rotterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt

- 4 pakketten met in totaal ongeveer 4,6 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne en - 4 pakketten met in totaal ongeveer 4,5 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3. subsidiair op 20 december 2017 te Den Haag en Rotterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt, 20 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. op 20 december 2017 te Den Haag, in een woning aan [adres 1] , voorhanden heeft gehad:

- een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen, revolver merk Smith & Wesson, kaliber .38, en

- munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten 5 patronen kaliber .38 en

- munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten 8 kogelpatronen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Voortgezette handeling.

Naar het oordeel van de rechtbank staan de onder feit 1, 2 en 3 subsidiair bewezenverklaarde feiten in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling. Alle feiten zijn het gevolg van hetzelfde (ongeoorloofde) wilsbesluit en bestaan uit gelijksoortige handelingen. Gelet op artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank derhalve voor deze bewezenverklaarde feiten één strafbepaling toepassen, namelijk die van feit 2.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor zover de rechtbank niet zou overgaan tot verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen geldbedragen, is voorts gevorderd om aan verdachte op te leggen een geldboete van een hoogte gelijk aan de hoogte van deze geldbedragen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft - voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van een of meer ten laste gelegde feiten - bepleit dat aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd dient te worden, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur die verdachte thans in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht eventueel in combinatie met een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan, kortweg, het afleveren en verstrekken van in totaal bijna 30 kilo cocaïne en het plegen van voorbereidingshandelingen voor de levering van 50 kilo cocaïne, in voortgezette handeling gepleegd.

Het is algemeen bekend dat harddrugs ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Grootschalige drugshandel werkt voorts ontwrichtend voor de maatschappij. Drugsdelicten liggen vaak aan de basis van gedragingen die thans worden aangeduid met de term ‘ondermijning’. Daaraan heeft verdachte zich niets gelegen laten liggen. Hij heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij of van anderen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank voor zover voorhanden aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten zoals neergelegd in het document “Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken”, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Ten aanzien van (ook) het afleveren/verstrekken van harddrugs maken de oriëntatiepunten een onderscheid tussen oriëntatiepunten voor ‘standaard’-gevallen en oriëntatiepunten in het geval sprake is van een organisatie. De rechtbank constateert dat het begrip organisatie in de oriëntatiepunten niet is gedefinieerd of omkaderd. Naar het oordeel van de rechtbank dient onder een organisatie in de hier bedoelde zin te worden verstaan een samenwerkingsverband van personen gericht op (ten minste) de uitvoering van de in een strafzaak tenlastegelegde grondfeiten, waarbinnen een zekere mate van rolverdeling tussen de deelnemende personen is te onderkennen. Niet vereist is dat sprake is van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht of dat anderszins sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid.

In de onderhavige strafzaak is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een organisatie in de hier bedoelde zin. Dat sprake is van het daarvoor benodigde samenwerkingsverband valt uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen af te leiden. De rechtbank zal daarom de oriëntatiepunten voor het afleveren/verstrekken van harddrugs waarbij sprake is van een organisatie tot uitgangspunt nemen.

De oriëntatiepunten voor het afleveren/verstrekken van harddrugs differentiëren voorts aan de hand van het gewicht van de drugs waarop het bewezenverklaarde betrekking heeft. In geval van het afleveren/verstrekken van 10 tot 20 kilo harddrugs luidt het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en twee maanden. In geval van het afleveren/verstrekken van meer dan 20 kilo harddrugs luidt het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van meer dan zes jaar. Voor voorbereiding bestaan voorts geen toegesneden oriëntatiepunten.

Verdachte heeft afgeleverd/verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van bijna 30 kilo cocaïne.

Al met al acht de rechtbank als uitgangspunt voor de ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde drugsgerelateerde feiten samen passend een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar.

Bij verdachte is verder het bezit van een revolver plus munitie bewezenverklaard. Voor het bezit van een revolver luidt het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, voor het bezit van munitie een geldboete.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er feiten of omstandigheden aanwezig zijn die maken dat er in het voordeel of in het nadeel van verdachte van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

De rechtbank acht de rol die verdachte bij de bewezenverklaarde feiten heeft gespeeld afgezet tegen de rol van de medeverdachten van een benedengemiddeld gewicht. Verdachte is enkel aanwezig en actief op de twee laatste dagen, wat wel de relatief belangrijkste dagen zijn, te weten de dagen waarop drugs zijn getest en de dag waarop de overeengekomen levering van 50 kilo zou plaatsvinden en gedeeltelijk ook heeft plaatsgevonden. De rol van verdachte kan daarbij worden aangeduid als vaste vervoerder van hoeveelheden van de drugs waarop de bewezenverklaarde feiten betrekking hebben.

De rechtbank heeft voorts op grond van het strafblad van verdachte geconstateerd dat verdachte in 2013 onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer een feit in de wapensfeer en in 2002 voor een feit betreffende softdrugs. Het strafrechtelijk verleden van verdachte geeft daarom grond om enigszins in het nadeel van verdachte van het genoemde uitgangspunt af te wijken.

Verdachte heeft verder, al in een vroeg stadium, beperkt openheid van zaken gegeven over de hem ten laste gelegde feiten. De rechtbank acht voorts aannemelijk, samengevat, dat verdachte een dochter heeft met serieuze psychische problemen waarvoor verdachte een belangrijke steunende factor is, dat hij zeer recent weer vader is geworden, alsmede dat hij zich aan de hem in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde voorwaarden heeft gehouden. Deze feiten en omstandigheden leggen echter - afgezet tegen de ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden - wat de rechtbank betreft maar beperkt gewicht in de schaal.

Alles afwegende en met name gewicht toekennend aan de benedengemiddelde rol die verdachte in vergelijking met zijn medeverdachten heeft gehad, zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Indien de rol van verdachte van gemiddeld gewicht zou zijn geacht, zou de op te leggen gevangenisstraf ten minste anderhalf jaar hoger zijn uitgevallen.

Voor oplegging aan verdachte van enige geldboete naast de aan hem op te leggen gevangenisstraf ziet de rechtbank geen grond.

De door de rechtbank opgelegde straf is lichter dan door de officier van justitie gevorderde, maar zwaarder dan de door de verdediging bepleite straf. De rechtbank is van oordeel dat de door haar opgelegde straf meer in overeenstemming is met de ernst van het bewezenverklaarde en de rol van verdachte daarbij.

Beslag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen goederen, te weten:

  • -

    een geldbedrag van € 9.000,-;

  • -

    een geldbedrag van € 200,-;

  • -

    een mobiele telefoon (iPhone).

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit dat de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen aan hem behoren te worden teruggegeven.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank leidt uit de inhoud van het procesdossier af dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte in de vrieslade van de koelkast en in een pan in het keukenblok een geldbedrag van respectievelijk € 9.000,- en € 200,- is aangetroffen en in beslag genomen. Daarnaast is onder verdachte een mobiele telefoon in beslag genomen.

De rechtbank overweegt dat het er alle schijn van heeft dat de onder verdachte in beslag genomen geldbedragen - mede gelet op de context van de onderhavige strafzaak alsook de hoeveelheid van en locatie waar deze geldbedragen zijn aangetroffen - door middel van (de onderhavige) strafbare feiten zijn verkregen. Dit vermoeden is echter onvoldoende om de verbeurdverklaring van deze goederen uit te spreken. Verdachte heeft immers na zijn aanhouding vrijwel direct verklaard dat dit geld betreft dat hij met zijn glazenwassersbedrijf heeft verdiend, welke stelling door de verdediging ter zitting is onderbouwd met stukken uit de financiële administratie van de onderneming van verdachte. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte een legale inkomstenbron had en dat om die reden zijn verklaring niet zonder meer als ongeloofwaardig terzijde geschoven kan worden. De rechtbank zal - nu er twijfel is gerezen of deze geldbedragen door middel van (de onderhavige ) strafbare feiten zijn verkregen - dan ook in het voordeel van verdachte beslissen en de teruggave gelasten van de onder hem in beslag genomen geldbedragen.

De rechtbank zal ook de teruggave gelasten van de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon, nu haar uit het procesdossier niet is gebleken dat verdachte met deze mobiele telefoon gesprekken heeft gevoerd met een of meer van zijn medeverdachten aangaande de thans bewezenverklaarde feiten, zodat niet gezegd kan worden dat de feiten met behulp van die mobiele telefoon zijn begaan of voorbereid.

Voorlopige hechtenis.

Door de verdediging is gewezen op de persoonlijke omstandigheden in de thuissituatie van verdachte en verzocht om de schorsing van de voorlopige hechtenis om die reden te laten voortduren.

De rechtbank is van oordeel dat - gezien de aard, ernst en omvang van de bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging - de persoonlijke omstandigheden die verdachte bij het voortduren van de schorsing heeft ondergeschikt zijn aan de strafvorderlijke belangen en het belang dat de samenleving heeft bij het hervatten van de voorlopige hechtenis zoals laatstgenoemde belangen thans, met het wijzen van dit vonnis, aanwezig zijn, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

  • -

    47, 56, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2, 10 en 10a van de Opiumwet;

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde onder feit 3 primair niet wettig en overtuigend en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1, feit 2, feit 3 subsidiair en feit 4 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en bevorderen, - een ander tracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit tracht te verschaffen en - vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod ten aanzien van feit 3 subsidiair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod feit 1, 2 en 3 subsidiair in voortgezette handeling gepleegd ten aanzien van 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4:

 een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank gelast de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, te weten:

  • -

    een geldbedrag van 9.000,- euro;

  • -

    een geldbedrag van 200,- euro;

  • -

    een mobiele telefoon (iPhone).

De rechtbank wijst het verzoek tot (hernieuwde) schorsing van de voorlopige hechtenis af.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. E.C.P.M. Valckx en mr. C.J. Sangers-de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 8 maart 2019.