Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1262

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
18_499
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:643, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder beslist na een beroep niet tijdig op het bezwaar van verzoeker. De gemachtigde trekt daarna het beroep in en verzoekt om een proceskostenvergoeding (art. 8:75a Awb). Een bezwaar dat is ingediend tegen een aanslag die niet is opgelegd aan verzoeker, niet tijdig is gemaakt of dat (ook) overigens niet voldoet aan bepaalde vormvereisten, ontslaat verweerder er niet van om tijdig op het bezwaar te beslissen. Geen proceskostenvergoeding omdat geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De gemachtigde en verzoeker zijn gehuwd, zonder huwelijkse voorwaarden, en zijn woonachtig op hetzelfde adres. De rechtsbijstand is daarmee verleend in een zaak die gaat over een aan de echtgenoten gezamenlijk toebehorend pand. De verleende rechtsbijstand gaat de normale hulp tussen echtelieden niet te boven. Bovendien is de gemachtigde mede-eigenaar van dat pand, en kan hij niet worden aangemerkt als een derde in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-03-2019
FutD 2019-0847
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/499

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. drs. [naam] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L. Boone).

Procesverloop

Verzoeker heeft op 24 februari 2018 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar van 15 juli 2017 tegen een aanslag gemeentelijke belastingen van 31 januari 2017, met aanslagnummer [nummer] .

Verweerder heeft op 27 februari 2019 een verweerschrift ingezonden en daarbij de aanslag van 31 januari 2017 overgelegd, die is opgelegd aan een ander dan verzoeker. Verweerder heeft daarbij een beroep gedaan op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 6 april 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van de genoemde aanslag gerechtvaardigd is.

Verzoeker heeft bij brief van 12 april 2018 de rechtbank geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De aanslag is vervolgens geretourneerd aan verweerder.

Bij uitspraak van 23 april 2018 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder alsnog op het bezwaar van verzoeker beslist. Het bezwaar van verzoeker is daarbij niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoeker heeft het beroep ingetrokken. Daarbij heeft hij de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten van het beroep.

De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek.

Zowel verweerder als verzoeker hebben nadere reacties toegezonden.


Een door verzoeker op 20 januari 2019 ingediend wrakingsverzoek is afgewezen bij beschikking van de wrakingskamer van deze rechtbank van 11 februari 2019.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Verzoeker is – zonder bericht – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Gebleken is dat de gemachtigde van verzoeker door de griffier bij aangetekende brief van 16 januari 2019, verzonden naar het adres [adres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd is om bij de zitting van 14 februari 2019 aanwezig te zijn. Omdat de gemachtigde, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet ter zitting is verschenen, heeft de griffier onderzocht of de aangetekende brief de gemachtigde heeft bereikt. De genoemde brief is niet ter griffie terugontvangen en uit de informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 18 januari 2019 om 16.45 uur is opgehaald op een Post-NL locatie.

Overwegingen

Feiten
Op 15 juli 2017 heeft verzoeker tegen een niet aan hem opgelegde aanslag gemeentelijke belastingen ( [nummer] ) bezwaar gemaakt. De aanslag is niet overgelegd bij het bezwaarschrift.

Bij brief van 30 december 2017, door verweerder ontvangen op 3 januari 2018, heeft de gemachtigde van verzoeker een ingebrekestelling aan verweerder gestuurd.


Per e-mail van 4 januari 2018 heeft verweerder de gemachtigde van verzoeker gevraagd naar de naam van zijn cliënt en om welke soort belasting het gaat. Per e-mail van 22 januari 2018 heeft verweerder verzocht om te reageren op zijn e-mail van 4 januari 2018.
Hierna is de procedure gevolgd zoals vermeld in het procesverloop.

Geschil en beoordeling

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten in bestuursrechtelijke gedingen is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

2. Nu verzoeker het beroep heeft ingetrokken komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van zijn inhoudelijke beroepsgronden. Hierna volgt een beoordeling van de argumenten van verweerder die zien op de vraag of verzoeker aanspraak kan maken op een vergoeding van de proceskosten door verweerder.

3.
Verweerder is van mening dat de handelwijze van de gemachtigde in deze zaak neigt naar misbruik van procesrecht. Daarbij acht verweerder van belang dat de gemachtigde, die bekend is met belastingprocedures als de onderhavige, ervan op de hoogte moet zijn dat verzoeker geen belanghebbende is bij de niet aan hem opgelegde aanslag. Niettemin heeft hij ervoor gekozen om bezwaar te maken namens verzoeker, met vermoedelijk als enig doel zand in de ambtelijke molens te strooien.

4. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Hoewel niet voorbij wordt gezien aan de door verweerder genoemde omstandigheden, heeft de gemachtigde in dit geval het standpunt ingenomen dat verzoeker belanghebbende is geworden bij de hiervoor genoemde aanslag. Zo heeft hij in zijn brief van 7 februari 2019, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 14 december 2018 (18/2632: De rechtbank begrijpt:17/2632), aangevoerd dat verzoeker een pand van de vorige eigenaar heeft gekocht en daarna geconfronteerd werd met aan hem in rekening gebrachte kosten als gevolg van de betreffende aanslag. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank niet uit van misbruik van (proces)recht.

5. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend, namelijk op 30 december 2017. Verzoeker kon dus geen rechtsgeldig beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Volgens verweerder is daarom met het nemen van het reële besluit niet aan het bezwaar tegemoetkomen en dient een veroordeling in de proceskosten achterwege te blijven.

6.
Hoewel een bestuursorgaan niet bij voorbaat in gebreke gesteld kan worden, is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een premature ingebrekestelling. Op grond van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet kon verweerder in deze zaak tot en met 31 december 2017 tijdig beslissen op bezwaar. In de artikelsgewijze toelichting is bij artikel 4:17, derde lid, van de Awb opgenomen dat de aanvrager het bestuursorgaan in gebreke kan stellen zodra hij redelijkerwijs kan menen dat het bestuursorgaan in gebreke is. In dit geval is de ingebrekestelling door verweerder ontvangen op 3 januari 2018. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 januari 2013, is er geen grond om ter beantwoording van de vraag of een ingebrekestelling prematuur is, niet van de ontvangstdatum daarvan uit te gaan (zie ECLI:NL:RVS:2013:BY9944). Uitgaande van 3 januari 2018 is er geen sprake van een premature ingebrekestelling. Dit betekent dat verzoeker beroep kon instellen tegen het niet tijdig beslissen en dat verweerder met het nemen van een reëel besluit in zoverre tegemoet is gekomen aan verzoeker.

7.
Dat volgens verweerder sprake is van een bezwaar dat is ingediend tegen een aanslag die niet is opgelegd aan verzoeker, van een niet tijdig bezwaar of van een bezwaar dat (ook) overigens niet voldoet aan bepaalde vormvereisten, ontslaat verweerder er niet van om tijdig op het bezwaar te beslissen.
8. Verweerder heeft voorts aangevoerd dat de gemachtigde en verzoeker een gezamenlijke huishouding voeren en dat om die reden geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

9. Over de vraag of sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, wordt het volgende overwogen.

10. De gemachtigde en verzoeker zijn gehuwd, zonder huwelijkse voorwaarden, en zijn woonachtig op [adres] . Zij zijn eigenaar geworden van het door de gemachtigde in zijn brief van 7 februari 2019 bedoelde pand aan de [adres] . Daarop heeft de zich niet meer in het dossier bevindende aanslag kennelijk betrekking. Dit blijkt uit de door de gemachtigde in zijn brief van 7 februari 2019 genoemde uitspraak van deze rechtbank van 14 december 2018 (17/2632, geregistreerd onder ECLI:NL:RBOBR:2018:6073). Ook volgt hun woonadres uit de op 14 februari 2019 door deze rechtbank behandelde beroepszaak van verzoeker, geregistreerd onder nummer SHE 18/423. Gelet op het een en ander gaat de rechtbank ervan uit dat de rechtsbijstand is verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van belanghebbende. In beginsel dient dan te worden aangenomen dat de rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend (zie bijvoorbeeld het arrest van de HR van 6 juni 2014 en de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 10 mei 2017, ECLI:NL:HR:2014:1313 resp. ECLI:NL:GHDHA:2017:1343). Alsdan rust op belanghebbende de last te bewijzen dat de rechtshulp niettemin op zakelijke basis is verleend. Voor zover de gemachtigde van verzoeker zou menen, zoals in zaak 18/423, dat de rechtsbijstand is verleend door een besloten vennootschap en dat hij ter zake een factuur van een besloten vennootschap aan verzoeker zou sturen, wordt het volgende overwogen. Het versturen van een factuur voor door gemachtigde aan zijn echtgenoot verleende rechtsbijstand door een vennootschap, acht de rechtbank onvoldoende om op grond daarvan te oordelen dat de rechtsbijstand niet door de ene aan de andere echtgenoot is verleend. Rechtsbijstand wordt namelijk verleend door een natuurlijke persoon. Dat die natuurlijke persoon verbonden is aan een rechtspersoon, maakt dat niet anders. Gelet voorts op de omstandigheid dat de rechtsbijstand is verleend in een zaak die gaat over een aan de echtgenoten gezamenlijk toebehorend pand, gaat de verleende rechtsbijstand de normale hulp tussen echtelieden niet te boven en is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake.

11. Bovendien is geen sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wegens het volgende. Het tegen het niet tijdig beslissen gerichte beroepschrift is door de gemachtigde van verzoeker ingediend. Uit de door de gemachtigde genoemde uitspraak van 14 december 2018 van deze rechtbank volgt dat hij en verzoeker ieder voor de helft eigenaar zijn geworden van het betreffende pand aan de [adres] , waarop de aanslag dus kennelijk ziet. Nu de gemachtigde mede-eigenaar is van dat pand, kan hij niet worden aangemerkt als een derde in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Verzoeker heeft dus geen recht op vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

12. Over het griffierecht overweegt de rechtbank het volgende. Indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan de indiener van het beroepschrift, dient het betaalde griffierecht ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb te worden vergoed door het desbetreffende bestuursorgaan. Verzoeker kan zich derhalve met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht tot verweerder wenden.

13. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.S. Requisizione, voorzitter, en mr. F.M. Rijnbeek en mr. G.J. van Leijenhorst, leden, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.