Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1248

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
18_1304
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IVA-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de (volledige) arbeidsongeschiktheid van betrokkene niet duurzaam is. Verweerder moet opnieuw op het bezwaar beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1304

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2019 in de zaak tussen

CSU Personeel BV, te Uden, eiseres

(gemachtigde: H.E. Wonnink),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.M. Diebels).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat de aan
[naam] (hierna: werkneemster) toekomende WGA-loonaanvullingsuitkering krachtens de Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA), ongewijzigd wordt voortgezet.

Bij besluit van 16 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vervolgens nog een aanvullend beroepschrift respectievelijk een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Voor eiseres was aanwezig [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De werkneemster was werkzaam als kamermeisje voor 18,72 uur per week. Met ingang van 26 maart 2008 heeft zij zich ziek gemeld wegens klachten aan haar gewrichten. Bij besluit van 14 april 2010 heeft verweerder vastgesteld dat werkneemster met ingang van 15 april 2010 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij is vastgesteld dat werkneemster 100% arbeidsongeschikt is. Per 15 mei 2012 is de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering.

2. Bij brief van 14 september 2017 heeft eiseres als eigenrisicodraagster verzocht om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van haar (ex)werkneemster.

3. Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de werkneemster weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar dat geen sprake is van een situatie van duurzame arbeidsongeschiktheid met aanspraak op een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA).

4. Niet in geschil is dat de werkneemster volledig arbeidsongeschikt is. In geschil is alleen de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

7. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

8. De verzekeringsarts heeft in haar rapport van 23 oktober 2017 vermeld dat volgens het verzekeringsgeneeskundige protocol of nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap, de aandoening (fibromyalgie) van werkneemster behandelbaar is. Bij adequaat herstelgedrag zoals oefeningen, een revalidatieprogramma of gesprekken met een psycholoog zou er een gunstige prognose zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) heeft blijkens haar rapport van 4 april 2018 deze visie bevestigd en overwogen dat verbetering van de belastbaarheid van werkneemster kan worden verwacht als zij een multidisciplinair revalidatietraject gaat volgen. De werkneemster zou daarna belastbaar zijn zonder een beperking in de duurbelasting.

9. In het rapport van 5 juli 2018, overgelegd in beroep, heeft de verzekeringsarts B&B overwogen dat er voor fibromyalgie een scala aan behandelmogelijkheden bestaat en dat werkneemster afgezien van fysiotherapie geen behandeltraject heeft gevolgd. Voorts heeft deze verzekeringsarts opgemerkt dat er voor werkneemster geen contra-indicaties zijn om de behandelingen – als in de bijlage genoemd – te volgen. De verzekeringsarts B&B gaat ervan uit dat de behandelingen van invloed zijn op de fysieke belastbaarheid (dynamische handelingen en statische houdingen). In haar rapport van 18 januari 2019 heeft de verzekeringsarts B&B nader uitgewerkt waarom er geen contra-indicaties zijn voor behandeling.

10. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat de rapporten voldoende zijn toegespitst op de werkneemster. Naar aanleiding van de meermaals gestelde vraag van de rechtbank om dit standpunt te motiveren, heeft de gemachtigde van verweerder geantwoord dat nu de naam van de werkneemster is vermeld in de rapporten van de verzekeringsartsen, mag worden aangenomen dat wat daarin is overwogen ook is toegespitst op haar specifieke situatie. Verder heeft de gemachtigde van verweerder erop gewezen dat het algemeen bekend is dat bij fibromyalgie blijvend moet worden geoefend en dat ‘rust roest’.

11. Namens eiseres is er ter zitting op gewezen dat werkneemster in het verleden is behandeld door een revalidatiearts. Die heeft in een brief van 30 maart 20091 vermeld dat werkneemster in het kader van het chronisch pijnprogramma in een diagnostische fase gezien zal worden door de psycholoog, ergotherapeut, fysiotherapeut en maatschappelijk werk om te inventariseren welke onderhoudende factoren een rol spelen en of deze kunnen worden beïnvloed in een multidisciplinaire behandeling. Volgens de gemachtigde van eiseres kan uit de gedingstukken volgen dat werkneemster dit multidisciplinaire revalidatietraject ook daadwerkelijk heeft gevolgd. Zo is uit een consult van 23 juli 20092 op te maken dat werkneemster door een fysiotherapeut en ergotherapeut wordt behandeld en door een revalidatiearts wordt gezien, maar dat de klachten zijn verergerd. Op 5 november 20093 blijkt werkneemster ook onder behandeling te zijn bij een psychiater.

12. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts B&B in haar rapporten onvoldoende op de specifieke situatie van werkneemster is ingegaan. Daartoe het volgende.

13. De verzekeringsarts B&B heeft met haar rapport van 5 juli 2018 een groot aantal stukken met algemene informatie over fibromyalgie en behandelmogelijkheden overgelegd. Ten aanzien van deze algemene informatie geldt dat in het geheel niet duidelijk is gemaakt wat daaruit voor deze werkneemster specifiek zou moeten worden opgemaakt. Reeds daarom kunnen de bijlagen bij het rapport van 5 juli 2018 niet bijdragen aan een toereikende motivering van het oordeel over de duurzaamheid.

14. Voor de rapporten van de verzekeringsarts B&B geldt naar het oordeel van de rechtbank dat het feit dat de naam van werkneemster in de rapporten staat, vanzelfsprekend niet kan meebrengen dat is voldaan aan de eisen zoals geformuleerd in overweging 7. De rechtbank is verder van oordeel dat de verzekeringsarts B&B in feite alleen heeft vastgesteld dat een revalidatietraject een gangbare behandeling is voor fibromyalgie, zonder in te gaan op de vraag of werkneemster met haar ziekte en behandelgeschiedenis een geschikte kandidaat is voor behandeling. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

15. De veronderstelling van de verzekeringsarts B&B in het rapport van 5 juli 2018 dat werkneemster geen behandeling heeft gevolgd, is onjuist. Werkneemster heeft namelijk niet alleen fysiotherapie gevolgd maar ook de hierboven genoemde behandelingen, die duiden op een multidisciplinair traject onder begeleiding van een revalidatiearts. Ook het huisartsjournaal wijst daarop.4 Gelet op alle aanwijzingen daarvoor in het dossier, had van de verzekeringsarts B&B verwacht mogen worden dit zij dit zorgvuldig was nagegaan. Hoewel aan verweerder kan worden toegegeven dat werkneemster wellicht niet specifiek is behandeld voor fibromyalgie, heeft zij diverse behandelingen gevolgd voor haar klachten die uiteindelijk zijn gediagnosticeerd als fibromyalgie, terwijl uit de rechtspraak volgt dat een diagnose niet doorslaggevend is. Verder blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts dat werkneemster tot en met 2016 onder controle van een reumatoloog is geweest. Nu uit de rapporten van de verzekeringsartsen niet kan worden opgemaakt dat deze specifieke omstandigheden bij de oordeelsvorming zijn betrokken, is het bestreden besluit niet aan de maat.

16. Voorts had de verzekeringsarts B&B, nu in het verleden hoogstwaarschijnlijk een multidisciplinair revalidatietraject is gevolgd, behoren te motiveren of, en zo ja, waarom een dergelijke behandeling ongeveer negen jaar later weer zinvol zou zijn. Dat geldt temeer nu in verschillende gedingstukken is vermeld dat werkneemster moet leren leven5 met haar aandoening. Verweerder had daarbij zonodig informatie kunnen opvragen bij de reumatoloog, waarbij werkneemster recent onder behandeling is geweest.

17. Evenmin is voldoende onderbouwd om welke redenen en binnen welke periode de urenbeperking niet meer nodig zal zijn. Ook is onvoldoende duidelijk hoe en op welke termijn de behandeling van invloed zal zijn op de beperkingen voor dynamische handelingen en statische houdingen.

18. Er is dus niet voldaan aan de in rechtspraak neergelegde eis zoals weergegeven in overweging 7.

19. Omdat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd is het besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Nu de verzekeringsarts B&B aanzienlijk meer onderzoek dient te verrichten acht de rechtbank een zogenoemde bestuurlijke lus waarbij de rechtbank in feite wacht op een nadere motivering, in dit geval niet aangewezen.

20. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze worden begroot op in totaal € 1024 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt uitgegaan van één punt voor het beroepsschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 512 per punt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1024;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 333 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.S. Requisizione, voorzitter, en mr. I. Boekhorst en mr. A.C. Palmboom, leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Gedingstuk M.15.6, brief revalidatiearts en revalidatiearts i.o.

2 Gedingstuk M.7.4, medisch dossier historie

3 Gedingstuk M. 7.8, medisch dossier historie

4 Gedingstuk 14.1, huisartsjournaal

5 Gedingstuk 7.8, medisch dossier historie