Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1071

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
18_1334
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Legessanctie als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro van toepassing? Uit de letterlijke tekst van artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro volgt dat de totstandkoming van de actualiseringsplicht van voor de inwerkingtreding van de Wro vastgestelde bestemmingsplannen wordt gekoppeld aan het tijdstip dat deze plannen onherroepelijk zijn geworden. Lacune in de wet, nu artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro geen voorziening treft voor gevallen als het onderhavige, waarin het bestemmingsplan wel tussen 1 juli 2003 en 1 juli 2008 is vastgesteld, maar niet vóór 1 juli 2008 onherroepelijk is geworden. Een redelijke uitleg van artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro in samenhang met de parlementaire geschiedenis brengt met zich dat in dit geval actualisering van het bestemmingsplan moet plaatsvinden binnen 10 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Nu op de datum van de aanvraag van eiseres de verplichting tot actualisering nog niet gold kan geen sprake zijn van een legessanctie. Gelet op het voorgaande is de aanslag terecht en juist vastgesteld en opgelegd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-10-2019
FutD 2019-2805
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1334

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2019 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.W. van Nijendaal),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Boxtel, verweerder

(gemachtigden M.G.M. Schwering en C.W.M. Kanters).

Procesverloop

Bij aanslag (met nummer: [nummer] ) van 2 februari 2018 (hierna: de aanslag) heeft verweerder van eiseres leges geheven ten bedrage van € 11.731,50.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 april 2018 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2018. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 13 juli 2017 heeft eiseres een reguliere omgevingsvergunning aangevraagd voor de nieuwbouw van winkelruimte (ten behoeve van [naam] B.V.) op de locatie [adres] . Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Bij de opgelegde aanslag heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij een bedrag van € 11.731,50 aan leges verschuldigd is voor het in behandeling nemen van de aanvraag met nummer [nummer] . Het daartegen gerichte bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard.

Geschil en beoordeling

1. Niet in geschil is dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan en dat - voor zover verweerder bevoegd zou zijn leges te heffen -, deze bevoegdheid is gebaseerd op de voor verweerders gemeente geldende Legesverordening 2017 en de daarbij behorende tarieventabel en dat verweerder de hoogte van de leges op de juiste wijze en naar een juist bedrag heeft vastgesteld. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de aanslag moet worden vernietigd omdat de legessanctie als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is.

2. De aanvraag van eiseres van 13 juli 2017 betreft een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een supermarkt op de locatie [adres] . Op deze locatie is van toepassing het bestemmingsplan ‘Centrum Boxtel’.

Het ontwerpbestemmingsplan ‘Centrum Boxtel’ is op 9 februari 2007 ter inzage gelegd.

Het bestemmingsplan ‘Centrum Boxtel’ is op 28 juni 2007 vastgesteld onder de (toenmalige) Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en onherroepelijk geworden met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH3960). Vanaf 1 juli 2008 is als opvolger van de WRO de Wro in werking getreden. Het overgangsrecht ter zake is vastgelegd in de Invoeringswet Wro.

In dit geval is het bestemmingsplan vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Wro en onherroepelijk geworden na de inwerkingtreding van de Wro.

3. Op grond van het bepaalde in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro vervalt de bevoegdheid tot invordering (en op grond van rechtspraak ook tot heffing) van leges, indien de gemeenteraad niet binnen 10 jaar na de datum van vaststelling van het bestemmingsplan het bestemmingsplan opnieuw heeft vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit heeft genomen.

Dit wordt aangeduid met de legessanctie.

4. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro hier niet van toepassing is. De overgangsregeling van artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro geldt hier niet, omdat deze uitsluitend regelt dat de legessanctie van toepassing is op bestemmingsplannen die vóór 1 juli 2008 onherroepelijk zijn geworden. Nu het betreffende bestemmingsplan na 1 juli 2008 onherroepelijk is geworden, blijft volgens verweerder de WRO – die niet voorziet in een legessanctie – onverkort van toepassing. Er is geen overgangsregeling die de legessanctie in dat geval alsnog van toepassing verklaart.

Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet van toepassing is omdat een redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro met zich brengt dat het onderhavige bestemmingsplan binnen 10 jaar na het onherroepelijk worden ervan moet worden herzien. In het onderhavige geval betekent dit dat actualisering van het bestemmingsplan moet plaatsvinden vóór 25 februari 2019. De termijn van 10 jaar is in het geval van eiseres nog niet verstreken.

5. Volgens eiseres is de legessanctie wel van toepassing en geeft verweerder een onjuiste uitleg aan het overgangsrecht van artikel 9.1.4 van de Invoeringswet Wro. Verweerder gaat er volgens eiseres ten onrechte vanuit dat de legessanctie niet van toepassing kan zijn als artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro van toepassing is. Volgens eiseres volgt dit echter niet uit de tekst van artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro; dit bepaalt slechts dat de WRO van toepassing blijft op bestemmingsplannen die ter inzage zijn gelegd vóór 1 juli 2008. Een redelijke uitleg van artikel 9.1.4 van de Invoeringswet Wro brengt voorts met zich dat de legessanctie uit de Wro van toepassing wordt op het moment dat het bestemmingsplan moet worden geactualiseerd op grond van de Wro. Eiseres heeft aangegeven dat ten tijde van de aanvraag meer dan 10 jaar zijn verstreken sinds het bestemmingsplan, op 28 juni 2007, werd vastgesteld. Verweerder had op grond van deze bepaling tot uiterlijk 28 juni 2017 de gelegenheid het bestemmingsplan te actualiseren. Eiseres verwijst voor dit standpunt naar de parlementaire geschiedenis, Kamerstukken II 2006-2007, 30 938, 8, p.24. Volgens eiseres had verweerder na moeten gaan of ten tijde van de aanvraag van eiseres de actualiseringstermijn van 10 jaar van het bestemmingsplan was verstreken. Nu dat niet is gebeurd is het besluit onvolledig dan wel onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast is er geen grond voor legesheffing, aangezien de 10-jaarstermijn in het geval van eiseres is verstreken.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro (zoals dit luidde van 15 juli 2009 tot 1 juli 2018) bepaalt dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing blijft ten aanzien van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd (met dien verstande dat na dat tijdstip niet meer een verzoek als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de WRO kan worden ingediend).

8. Artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro (zoals dit luidde van 15 juli 2009 tot 1 juli 2018) bepaalt (voor zover hier van belang) dat voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt dat ten minste vijf jaar voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro onherroepelijk is geworden en waarvoor vóór dit tijdstip geen vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de WRO, binnen vijf jaar na dat tijdstip een bestemmingsplan wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt dat minder dan vijf jaar voor genoemd tijdstip onherroepelijk is geworden, wordt binnen 10 jaar na de datum van het onherroepelijk worden van dat plan een nieuw bestemmingsplan vastgesteld overeenkomstig artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Indien niet aan de verplichting bedoeld in de eerste of tweede volzin wordt voldaan, is na afloop van bedoelde termijn artikel 3.1, vierde lid, van de Wro (de legessanctie) van toepassing.

9. In de Kamerstukken II, vergaderjaar 2006-2007, 30 938, nr. 8, pagina 24 en 25 is het volgende vermeld:

”Uit reacties uit de gemeentelijke bestemmingsplanpraktijk is gebleken dat de redactie van artikel 9.1.4, tweede lid, in relatie tot het vierde lid, tot misverstand aanleiding kan geven. Om dit te voorkomen is het tweede lid van artikel 9.1.4 verduidelijkt. Het oude recht blijft van toepassing op oude WRO-plannen of op een voor het tijdstip van inwerkingtreding van het

nieuwe ruimtelijke ordeningsstelsel ter inzage gelegd ontwerp hiervoor. Er is dus geen sprake van een «vervallen» van die plannen. Slechts na het tijdstip van inwerkingtreding zal het niet meer mogelijk zijn om vrijstelling te verzoeken van de verplichting het plan na tenminste tien jaar te herzien. Op dergelijke onder vigeur van de WRO al in procedure gebrachte

bestemmingsplannen blijft het oude recht van toepassing. Dit geldt zowel voor de totstandkomingsprocedure als voor de inhoud. Het oude recht betekent dus ook: nog geen legessanctie op een dergelijk WRO-plan, zolang niet een actualiseringsplicht geldt. Pas wanneer de verplichting tot vaststelling van een bestemmingsplan ingevolge het nieuwe stelsel

ontstaat treedt die sanctie in. De actualiseringsplicht voor plannen ouder dan 5 jaar treedt ingevolge het vierde lid van artikel 9.1.4 in vijf jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel. Zo geldt ook voor die gebieden binnen de bebouwde kom waarvoor nog geen bestemmingsplan onder vigeur van de WRO of een daarmee gelijkgestelde planologische maatregel gold een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe Wro. Op dat moment zal ook de sanctieregeling in werking treden. Dit is niet met zoveel woorden in de wet vastgelegd, maar zal tot uitdrukking komen in het inwerkingtredingsbesluit, dat immers een fasering van de inwerkingtreding mogelijk maakt.”

10. In de Kamerstukken II, vergaderjaar 2007-2008, 30 218, nr. 24, pagina 15 en 16 onderdeel 23, is verder het volgende vermeld:

”Ingevolge het tweede lid van de artikelen 9.1.4 en 9.2.4 van het wetsvoorstel Invoeringswet Wro blijft het recht dat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het nieuwe ruimtelijke-ordeningsstelsel gold van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan dan wel een stadsvernieuwingsplan waarvan het ontwerp voor dat tijdstip ter inzage is gelegd, totdat de

10-jaarstermijn bedoeld in artikel 33 WRO is verstreken. Oogmerk van deze laatste zinsnede was dat na inwerkingtreding van het nieuwe stelsel geen vrijstelling van de 10-jaarlijkse herzieningsplicht in artikel 33 WRO meer kon worden verleend. Bij nota van wijziging is deze bedoeling verduidelijkt. De regeling houdt dus in dat die plannen na de inwerkingtreding

van de nieuwe wet hun rechtskracht behouden, ook al zijn zij ouder dan tien jaar. Zij kunnen alleen geen vrijstelling van de herzieningsplicht meer krijgen.

Ingevolge het vierde lid van artikel 9.1.4 moeten dergelijke plannen, als zij op het tijdstip van inwerkingtreding van het nieuwe r.o.-stelsel vijf jaar of ouder zijn, binnen vijf jaar na dat tijdstip volgens de nieuwe regels worden vastgesteld. Een ongewijzigd opnieuw vaststellen of verlengen kan niet. Alleen al de digitale wijze van uitvoering verzet zich hiertegen. Gebeurt de vaststelling conform de nieuwe regels niet of niet tijdig dan treedt de bepaling ingevolge het vierde lid van artikel 3.1 Wro in werking en vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van

rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.”

11. De rechtbank stelt vast dat uit de letterlijke tekst van artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro volgt dat de totstandkoming van de actualiseringsplicht van voor de inwerkingtreding van de Wro vastgestelde bestemmingsplannen wordt gekoppeld aan het tijdstip dat deze plannen onherroepelijk zijn geworden. Om die reden volgt zij het standpunt van eiseres, dat uitgaat van de datum van vaststelling van het bestemmingsplan niet. Uit de wetsgeschiedenis, zoals hiervoor vermeld, kan de rechtbank niet afleiden dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever was om aan te sluiten bij de datum van vaststelling van het bestemmingsplan in plaats van de datum van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

12. De rechtbank volgt partijen in hun gezamenlijke standpunt dat de betreffende bepaling geen voorziening treft voor gevallen als het onderhavige, waarin het bestemmingsplan wel tussen 1 juli 2003 en 1 juli 2008 is vastgesteld, maar niet vóór 1 juli 2008 onherroepelijk is geworden. Hier is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een lacune in de wet. De rechtbank volgt evenmin het primaire standpunt van verweerder dat de legessanctie voor dit geval niet van toepassing is. In dit verband merkt de rechtbank op dat uit de wetsgeschiedenis, zoals hiervoor vermeld, voldoende blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever dat alle bestemmingsplannen die tussen 1 juli 2003 en 1 juli 2008 zijn vastgesteld binnen 10 jaar worden geactualiseerd. De rechtbank volgt het subsidiaire standpunt van verweerder dat een redelijke uitleg van artikel 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro in samenhang met de hiervoor genoemde parlementaire geschiedenis met zich brengt dat in het onderhavige geval actualisering van het bestemmingsplan moet plaatsvinden binnen 10 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Verweerder heeft toegelicht dat in gevallen waarin een bestemmingsplan is vastgesteld na 1 juli 2003 en onherroepelijk is geworden vóór 1 juli 2008, het bestemmingsplan als gevolg van de betreffende overgangsbepaling moet worden geactualiseerd binnen 10 jaar na de datum waarop het onherroepelijk werd. Een bijvoorbeeld op 15 november 2006 vastgesteld en op 30 mei 2008 onherroepelijk geworden plan zou dan moeten zijn geactualiseerd vóór 30 mei 2018. Het onderhavige bestemmingsplan, vastgesteld op 28 juni 2007 - en dus veel jonger dan het plan uit het voorbeeld -, maar pas onherroepelijk geworden na 1 juli 2008, zou dan echter binnen 10 jaar na de vaststelling op 28 juni 2007 moeten zijn geactualiseerd. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat deze consequentie niet strookt met de bedoeling van de wetgever en dat een redelijke wetsuitleg ertoe leidt dat in dit geval voor het bepalen van de datum waarop het bestemmingsplan moet zijn geactualiseerd moet worden uitgegaan van de datum waarop het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat het bestemmingsplan vóór 25 februari 2019 moet zijn geactualiseerd.

13. Nu op de datum van de aanvraag van eiseres de verplichting tot actualisering nog niet gold kan geen sprake zijn van een legessanctie. Gelet op het voorgaande is de aanslag terecht en juist vastgesteld en opgelegd.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, voorzitter, en mr. G.H. de Heer-Schotman en mr. F.J.H.L. Makkinga, leden, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.