Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1057

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
18_1960
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijslast overtreding

In de tussenuitspraak van 9 oktober 2018 heeft de rechtbank verweerder opgedragen aan te tonen dat de mest in de kelders van de stallen op adres afkomstig is van varkens gehouden door de rechtspersoon waar eiseres bestuurder-enig aandeelhouder van is. In de einduitspraak oordeelt de rechtbank dat verweerder hier niet in is geslaagd. Daarom vernietigt de rechtbank de last onder dwangsom en het bijbehorende invorderingsbesluit. . Ofschoon in het bestuursrecht een vrije bewijsleer geldt, zal verweerder aannemelijk moeten maken dat door een overtreder een overtreding is gepleegd, alvorens hij bevoegd is een last onder dwangsom of bestuursdwang op te leggen . Aan een invorderingsbesluit dient naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Het is wel erg vrij om de door verweerder bepleite bewijslastverdeling te construeren waarbij iemand moet aantonen dat hij of zij géén overtreding heeft gepleegd. De omstandigheden van dit geval, waaronder de door verweerder gestelde ondoorzichtige zakelijke samenwerking tussen de rechtspersoon en andere rechtspersonen in persoon of de natuurlijke personen betrokken bij persoon, geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder heeft hiervoor genoeg mogelijkheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 18/1960, SHE 18/1842

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 februari 2019 in de zaken tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren, verweerder

(gemachtigden: mr. F.A. Pommer, mr. B. Mutsaers en J. Maessen).

Procesverloop

In het besluit van 30 mei 2017 (primaire besluit I) heeft verweerder eiseres zes lasten onder dwangsom opgelegd in verband met meerdere overtredingen op het perceel [adres] te [woonplaats] . De zesde last houdt in dat eiseres binnen één week na de verzending van deze last onder dwangsom alle opgeslagen mest van de locatie [adres] dient te verwijderen en verwijderd te houden. Dit kan in ieder geval worden bereikt door de mest binnen de gestelde termijn af te (doen) voeren en een bewijs daarvan aan verweerder te verstrekken. Indien eiseres binnen de gestelde termijn van één week niet aan deze last voldoet, wordt een dwangsom van € 600.000,00 ineens verbeurd. Naast eiseres zijn aan twee andere natuurlijke personen en twee rechtspersonen in afzonderlijke besluiten dezelfde lasten onder dwangsom opgelegd.

In het besluit van 24 juli 2017 (primaire besluit II) heeft verweerder besloten tot invordering van door eiseres verbeurde dwangsommen, vanwege het niet beëindigen van de overtredingen binnen de begunstigingstermijnen. Verweerder vordert van eiseres een bedrag van in totaal € 665.000,00. Een bedrag van € 600.000,00 ziet op het verbeuren van de dwangsom inzake de zesde last in verband met de opslag van dierlijke mest. Ook ten aanzien van de twee andere natuurlijke personen en de twee rechtspersonen is verweerder tot invordering overgegaan in afzonderlijke invorderingsbesluiten.

Bij afzonderlijk besluit van 22 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de opgelegde lasten onder dwangsom en het daarmee samenhangende invorderingsbesluit deels gegrond verklaard, maar heeft eiseres nog wel als overtreder van het bepaalde in de zesde last aangemerkt en het bij haar in te vorderen bedrag vastgesteld op € 600.000,00. Bij afzonderlijke besluiten van 22 februari 2018 heeft verweerder de bezwaren van de twee andere natuurlijke personen en de twee rechtspersonen tegen de aan hen opgelegde lasten onder dwangsom en de invorderingsbesluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de aan haar gerichte bestreden besluiten evenals de twee andere natuurlijke personen en de twee rechtspersonen. Het beroep van eiseres is bij binnenkomst bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/785.

Het beroep tegen de last onder dwangsom van eiseres is vervolgens bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/1960. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/1842.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken van eiseres zijn behandeld op 9 oktober 2018. Op deze zitting zijn tevens de zaken behandeld van de twee andere natuurlijke personen en de twee rechtspersonen (zaaknummers SHE 18/1957 t/m 18/1961 en zaaknummers SHE 18/1839 t/m 18/1843). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank de zaken van eiseres gesplitst van de overige zaken. Vervolgens heeft de rechtbank in de zaken van eiseres onmiddellijk een tussenuitspraak gedaan.

Verweerder heeft op 13 december 2018 een aanvullende motivering ingediend. Eiseres heeft hier op gereageerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. Voor een overzicht van de feiten verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

1.2

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet heeft onderbouwd dat de mest die verweerder op 3 oktober 2016 heeft aangetroffen, afkomstig is van varkens van [bedrijf] B.V. die op de locatie zijn gehouden tot eind 2015, begin 2016.

2.1

Als meest verstrekkende argument heeft verweerder naar voren gebracht dat namens [bedrijf] B.V. in geen van de diverse gevoerde bestuursrechtelijke procedures is aangetoond dat op het perceel [adres] géén varkens van [bedrijf] B.V. zijn gehouden. Volgens verweerder had het op de weg gelegen van [bedrijf] B.V. (verweerder bedoelt volgens de rechtbank eigenlijk eiseres) om aan te tonen dat er géén varkens zijn gehouden op het perceel [adres] . Verweerder merkt hierbij op dat alle betrokken rechtspersonen en natuurlijke personen binnen de gehele [naam] , waartoe ook [bedrijf] behoorde, doelbewust hebben getracht een zo ondoorzichtig mogelijke zakelijke samenwerking tot stand te brengen. Gelet op de vrije bewijsleer in het bestuursrecht zou het aan eiseres zijn om tegenbewijs te leveren van de stelling dat op het perceel [adres] varkens zijn gehouden door [bedrijf] B.V. Verweerder werpt in dit verband eiseres tegen dat zij geen verweer heeft gevoerd op de brief van 26 september 2014 met passages uit het Bibob advies van 13 februari 2014.

2.2

Eiseres merkt in dit verband op dat zij in het verleden nooit aanleiding heeft gezien te reageren op stukken van eiseres, maar dat zij wel tijdig bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld tegen de primaire besluiten I en II respectievelijk de bestreden besluiten en dat het haar vrijstaat om deze stelling in beroep in te nemen. Eiseres brengt ten overvloede nog voergeldovereenkomsten in het geding tussen [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en stelt dat dit de enige voergeldovereenkomsten zijn met betrekking tot de exploitatie op het perceel [adres] .

2.3

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat varkens van [bedrijf] B.V. zijn gehouden op [adres] . De rechtbank stelt voorop dat, voor zover verweerder het niet eens is met de bewijsopdracht in de tussenuitspraak, verweerder dit in een eventueel hoger beroep kan aanvoeren. De rechtbank ziet in het betoog van verweerder geen aanleiding terug te komen op de tussenuitspraak. Wel zal de rechtbank het oordeel in de tussenuitspraak nader motiveren. Ofschoon in het bestuursrecht een vrije bewijsleer geldt, zal verweerder, gelet op het zorgvuldigheids-beginsel en het motiveringsbeginsel aannemelijk moeten maken dat door een overtreder een overtreding is gepleegd, alvorens hij bevoegd is een last onder dwangsom of bestuursdwang op te leggen. Aan een invorderingsbesluit dient naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen (zie onder meer de uitspraak van Afdeling van 13 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8183). Het is wel erg vrij om een bewijslastverdeling te construeren waarbij iemand moet aantonen dat hij of zij géén overtreding heeft gepleegd. De omstandigheden van dit geval, waaronder de door verweerder gestelde ondoorzichtige zakelijke samenwerking tussen [bedrijf] B.V. en de andere rechtspersonen in de [naam] of de natuurlijke personen betrokken bij de [naam] , geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij is het nog steeds aan verweerder om aannemelijk te maken dat de overtreding is gepleegd en dat de mest in de mestkelders afkomstig is van varkens gehouden door of in eigendom van [bedrijf] B.V. Verweerder heeft hiertoe mogelijkheden. De door verweerder gestelde ondoorzichtige zakelijke samenwerking ontslaat eiseres of [bedrijf] B.V. niet van de plicht om varkens te identificeren en te registreren, alsmede de verblijfsplaats van deze varkens te registreren op een dierlocatie met een uniek bedrijfsnummer ingevolge artikel 28 en verder van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Gelet op de in artikel 32 van deze regeling opgenomen meldplicht is het niet onmogelijk voor verweerder te achterhalen of varkens van [bedrijf] B.V. zijn gehouden op de [adres] Dat heeft verweerder echter niet gedaan. Eiseres kan niet worden tegengeworpen dat zij géén meldingen heeft overgelegd, nu [bedrijf] B.V. failliet is.

Verweerder verwijst in dit verband verder nog naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2222). Dit betreft een zaak waar in ieder geval sprake was van een begin van bewijs van een overtreding, namelijk een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. In de onderhavige zaak is weliswaar sprake van een controlerapport waaruit blijkt dat er mest in de mestkelders zit, maar uit het controlerapport komt niet naar voren van welke varkens deze mest is. Voor een omkering van de bewijslast, zoals eiseres dat leest in de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 november 2018 (ECLI:NL:RBGEL: 2018:4889) is evenmin aanleiding. De rechtbank is niet bekend met een verplichting van [bedrijf] B.V. om een administratie bij te houden van plaatsen waar haar varkens niet zijn gehouden. Zij hoeven slechts te melden waar varkens wel worden gehouden, waar ze vandaan komen en waar ze naar toe gaan. Eiseres kan niet worden tegengeworpen dat zij niet alle meldingen van alle door [bedrijf] B.V. gehouden varkens overlegt, nu verweerder daar ook over kan beschikken of zich daartoe had kunnen wenden tot de curator in het faillissement en de bewijslast bij hem ligt.

3.1

Verweerder heeft verder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1218) en de conclusie van de Afdeling daarin dat verweerder mocht uitgaan van de conclusie van het Landelijk bureau Bibob dat sprake is van een onoverzichtelijke organisatiestructuur van natuurlijke en rechtspersonen. Verweerder verwijst ook naar het onderliggende Bibob-advies van 13 februari 2014.

3.2

Eiseres heeft hierover opgemerkt dat deze uitspraak gaat over [bedrijf] B.V. en [bedrijf] B.V. maar niet over [bedrijf] B.V. of eiseres en dat [bedrijf] B.V. noch eiseres betrokken zijn geweest bij de uitspraak die heeft geleid tot de bovengenoemde uitspraak. Eiseres heeft verder gesteld dat in het Bibob-advies van 13 februari 2014 niet staat dat [bedrijf] B.V. daadwerkelijk eind 2015, begin 2016 varkens heeft gehouden op basis van een voergeldovereenkomst op het perceel [adres] .

3.3

In het door verweerder overgelegde Bibob-advies staan eiseres en [bedrijf] B.V. genoemd. Op pagina 7 staat dat Bureau Bibob informatie over beide heeft opgevraagd maar dat over deze (rechts)personen geen relevante informatie naar voren is gekomen. Op pagina 38 van het advies staat dat onder andere [bedrijf] B.V. varkensmesterijen exploiteert, dat daarvoor varkensstallen worden gehuurd van [bedrijf] aan de [adres] in [woonplaats] en [bedrijf] aan de [adres] in [woonplaats] en dat er eigen varkenstallen zijn maar dat de verbalisant daarover verder niets bekend is. Op dezelfde pagina staat ook een tabel waarbij [bedrijf] B.V. staat aangegeven, alsmede eiseres als enig aandeelhouder van de B.V. die alle aandelen van [bedrijf] B.V. heeft en dat eiseres is gehuwd met [naam] . Op pagina 172 van het advies is het volgende (letterlijk) vermeld: ”Uit brieven d.d. 9 en 19 december 2013 van de Belastingdienst aan het Bureau komt naar voren dat [bedrijf] BV (en “Beheer en beleggingsmij [bedrijf] BV”) varkensstallen huren van [bedrijf] BV (locatie [adres] te [woonplaats] en [bedrijf] BV (locatie [adres] te [woonplaats] . De Belastingdienst beschikt niet over huurovereenkomsten dienaangaande maar geeft wel aan dat in de jaarrekeningen tot en met het jaar 2008 staat vermeld dat [bedrijf] BV, voergelden betaalt aan [bedrijf] B.V. en [bedrijf] B.V.”.

3.4

De rechtbank trekt niet in twijfel dat eiseres is getrouwd met [naam] . Daargelaten of hiermee ook is aangetoond dat [bedrijf] B.V. deel uitmaakt van de onoverzichtelijke [naam] , is de rechtbank van oordeel dat uit het Bibob advies niet blijkt dat door [bedrijf] B.V. varkens zijn gehouden op de [adres] . De verbalisant van Bureau Bibob heeft aangegeven dat hem daarover verder niets bekend is. Ook uit de brieven van de Belastingdienst blijkt slechts een vermoeden dat [bedrijf] B.V. varkensstallen aan de [adres] heeft gehuurd, maar dit vermoeden wordt niet onderbouwd. Wat betreft de verwevenheid tussen eiseres en/of [bedrijf] B.V. en de [naam] verwijst de rechtbank naar de vorige rechtsoverwegingen. Verweerder zal aannemelijk moeten maken dat de overtreding is gepleegd en dat de mest in de mestkelders afkomstig is van varkens gehouden door of in eigendom van [bedrijf] B.V.

4.1

Verweerder heeft ook verwezen naar de faillissementsverslagen van [bedrijf] B.V. en [bedrijf] B.V. en hier een aantal passages aangehaald ter onderbouwing van de verwevenheid tussen eiseres en [bedrijf] B.V. en de [naam] . Hierbij wordt onder meer verwezen naar een lopende procedure over een last onder dwangsom die is opgelegd aan [bedrijf] B.V. wegens het zonder omgevingsvergunning exploiteren van een inrichting aan de [adres] te [woonplaats] . Dit heeft betrekking op een last onder dwangsom van 21 april 2015 aan [bedrijf] B.V. (pagina 4 van het faillissementsverslag van 23 oktober 2017). Overigens staat ook in het verslag dat verweerder kennelijk heeft afgezien van invordering van dwangsommen.

4.2

Eiseres heeft in reactie hierop erkend dat [bedrijf] B.V. een vleesvarkensbedrijf exploiteert en in dit verband biggen van [bedrijf] opmestte maar heeft betwist dat dit gebeurde aan de [adres] . Eiseres geeft ook aan dat [bedrijf] B.V. er voor heeft gekozen om verder niet al te veel kosten te spenderen aan de dwangsomprocedure.

4.3

De rechtbank is niet bekend met een eerdere last onder dwangsom van 21 april 2015 opgelegd aan [bedrijf] B.V. voor het illegaal houden van varkens aan de [adres] . De onderliggende stukken maken geen deel uit van de gedingstukken in deze procedure en verweerder heeft deze stukken ook niet overgelegd na de tussenuitspraak. Daar kan de rechtbank dus niets mee. Overigens volgt uit de betreffende last onder dwangsom nog niet dat de in oktober 2016 aangetroffen mest afkomstig is van varkens van [bedrijf] B.V. die zouden zijn gehouden op de [adres] tot eind 2015, begin 2016.

De rechtbank is wel bekend met een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres in verband met het houden van varkens en niet afvoeren van mest. Dit heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 2 november 2017 (SHE 17/1482) die is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:333). Voor zover de rechtbank bekend zag de last onder dwangsom echter niet op het houden van varkens door [bedrijf] B.V. Dat is wel van belang omdat in de primaire besluiten en in het bestreden besluit eiseres in haar hoedanigheid van leidinggevende van [bedrijf] B.V. is aangeschreven. Uit de betreffende procedure kan de rechtbank dus evenmin afleiden dat door [bedrijf] B.V. tot eind 2015, begin 2016 op de [adres] varkens zijn gehouden.

4.4

De rechtbank ziet in de faillissementsverslagen verder wel een mogelijke verwevenheid tussen [bedrijf] B.V. en de [naam] , maar ziet geen begin van bewijs van het door de B.V. houden van varkens op de [adres] tot eind 2015, begin 2016. In dit verband benadrukt de rechtbank dat uit de faillissementsverslagen juist blijkt dat de [naam] meer locaties had waar varkens werden gehouden. Ook al is mogelijk sprake van een verwevenheid tussen [bedrijf] B.V. en de [naam] , dat wil niet automatisch zeggen dat varkens van [bedrijf] B.V. op alle locaties, dus ook aan de [adres] zijn gehouden.

5.1

Verweerder verwijst ook naar de bevindingen ten aanzien van de locatie aan de [adres] te [woonplaats] en wijst er op dat [naam] zich bij die locatie heeft voorgedaan als directeur van [bedrijf] B.V. Hieruit blijkt volgens verweerder een verwevenheid tussen de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] B.V., [bedrijf] B.V. eiseres en [naam] ook op het perceel [adres] .

5.2

Eiseres erkent dat op de [adres] te [woonplaats] sprake was van een zekere mate van samenwerking maar stelt dat deze locatie een andere locatie is dan de [adres] . Eiseres betwist dat [naam] zich zou hebben voorgedaan als directeur van [bedrijf] B.V. De gebeurtenissen aan de [adres] speelden bovendien in 2014

5.3

De rechtbank is van oordeel dat aan de gang van zaken rond de locatie [adres] in 2014 niet kan worden afgeleid dat [bedrijf] B.V. ook varkens heeft gehouden aan de [adres]

6. De rechtbank concludeert dat verweerder er niet in is geslaagd voldoende te onderbouwen dat de mest die verweerder heeft aangetroffen op 3 oktober 2016 afkomstig is van varkens die door [bedrijf] B.V. tot eind 2015, begin 2016 op het perceel [adres] heeft gehouden. De mogelijke verwevenheid tussen [bedrijf] B.V. en de [naam] is daarvoor onvoldoende, gelet op hetgeen hierboven is overwogen.

7. Uit de tussenuitspraak volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de primaire besluiten I en II te herroepen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 512,00 en een wegingsfactor 1). In de bestreden besluiten heeft eiseres reeds een vergoeding van proceskosten gekregen voor de in de bezwaarfase verleende beroepsmatige rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    herroept primaire besluiten I en II;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.536,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J.D. Streefkerk en mr. H.M.J.G. Neelis, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.