Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1052

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
18_3293
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft vier omgevingsvergunningen voor de kap van in totaal 29 bomen en de herplant van 20 nieuwe bomen in of nabij het Burgemeester van Zwietenpark te ’s-Hertogenbosch. Verzoekers hebben te laat bezwaar gemaakt tegen de eerste drie verleende vergunningen. Verzoekers zijn geen belanghebbenden bij de vierde vergunning omdat geen sprake is van gevolgen van enige betekenis voor hun woon- en leefsituatie. Een gevoel van betrokkenheid en zorg voor het park is onvoldoende om verzoekers als belanghebbenden aan te merken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en gelet daarop wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 18/3293 en SHE 19/169

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 februari 2019 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , te [woonplaats] ,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Gerritsen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de afdeling Stadsbeheer/Projectmanagement en Voorbereiding van de gemeente

’s-Hertogenbosch, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluiten van 29 januari 20187, 6 februari 2018, 4 april 2018 en 18 juni 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan derde-partij omgevingsvergunningen verleend voor de kap van in totaal 29 bomen (en de herplant van 20 nieuwe bomen) in of nabij het Burgemeester Van Zwietenpark te ’s-Hertogenbosch.

Verzoekers [naam] en [naam] hebben bij brief van 16 juli 2018 tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt bij verweerder. Op 23 juli 2018 is mede namens de familie [naam] een aanvulling ingediend.

Op 24 december 2018 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/3293.

Bij besluit van 10 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen het bestreden besluit hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 19/169.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2019. Verzoeker [naam] is verschenen, vergezeld door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Verzoekers [naam] en [naam] zijn woonachtig aan de [adres 1] . De familie [naam] woont aan de [adres 2] . De aanvrager voor de omgevingsvergunningen voor de kap van in totaal 29 bomen in het Burgemeester Van Zwietenpark is de afdeling Stadsbeheer/Projectmanagement en Voorbereiding van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Er zijn in totaal vier omgevingsvergunningen aangevraagd en verleend.

3. Vier eerdere verzoeken om voorlopige voorzieningen van verzoekers (SHE 18/2154, SHE 18/2155, SHE 18/2156 en SHE 18/2157) zijn bij uitspraak van 27 september 2018 afgewezen omdat vergunninghouder had aangegeven geen gebruik te zullen maken van de omgevingsvergunning tot op de bezwaren is beslist. Het daarna ingediende verzoek (SHE 18/3293) is met toepassing van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb geacht mede gericht te zijn tegen het besluit op bezwaar.

4. Verzoekers hebben bezwaar tegen het kappen van de bomen en vinden dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Zij stellen dat sprake is van eenzijdige communicatie, dat de besluiten onzorgvuldig zijn genomen en mogelijk in strijd zijn met bestaande wet- en regelgeving. Ook zijn ten onrechte niet alle alternatieve oplossingsrichtingen onderzocht en overwogen. Ondanks diverse brieven van verzoekers is er vanuit de bezwaarcommissie geen enkele communicatie geweest. Verzoekers stellen ten onrechte niet te zijn gehoord door de bezwaarcommissie. Verzoekers geven aan samen met andere bewoners van de wijk zeer bezorgd te zijn over de toekomst van het Burgemeester Van Zwietenpark. Verzoekers vinden het niet van deze tijd om gezonde bomen te kappen ten behoeve van een fietspad dat verlegd kan worden.

5. Verweerder stelt hierover dat aan de inhoud van de zaak niet wordt toegekomen omdat het bezwaar tegen de eerste drie besluiten te laat is ingediend en omdat verzoekers geen belanghebbende zijn bij het vierde besluit. In totaal heeft verweerder de bezwaren van zeven bewoners kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en van een bewoner deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels ongegrond. Omdat het bezwaar van verzoekers kennelijk niet-ontvankelijk was, zijn zij niet gehoord.

6. Bij de beoordeling stelt de voorzieningenrechter voorop dat ter bescherming van de rechtszekerheid de termijnen voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift van openbare orde zijn en daarvan niet kan worden afgeweken. De termijn bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb) en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6:8, eerste lid, van de Awb). Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door uitreiking of toezending aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Indien het besluit betrekking heeft op een omgevingsvergunning doet het bevoegd gezag ingevolge artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) tegelijkertijd met de bekendmaking of zo spoedig mogelijk daarna mededeling van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze.

Het eerste besluit dateert van 29 januari 2018. Deze vergunning ziet op het kappen van vier bomen nabij Bouvigne 27. De verlening van deze vergunning is gepubliceerd in het Gemeenteblad van 2 februari 2018. Het tweede besluit dateert van 6 februari 2018. Deze vergunning ziet op het kappen van twaalf bomen nabij [adres 1] . De verlening van deze vergunning is gepubliceerd in het Gemeenteblad van 23 februari 2018. Het derde besluit dateert van 4 april 2018. Deze vergunning ziet op het kappen van negen bomen nabij het fietspad aan [adres 1] . De verlening van deze vergunning is gepubliceerd in het Gemeenteblad van 13 april 2018. Het vierde besluit dateert van 18 juni 2018. Deze vergunning ziet op het kappen van vier bomen nabij [adres 1] .

7. De vier besluiten zijn op respectievelijk 29 januari, 6 februari, 4 april en 18 juni 2018 aan vergunninghouder verzonden. De bezwaartermijnen liepen respectievelijk tot en met 12 maart, 20 maart, 16 mei en 30 juli 2018. Het door verzoekers ingediende bezwaar dateert van 16 juli 2018. Voor wat betreft de eerste drie vergunningen is het bezwaar derhalve ruimschoots buiten de termijn ingediend.

8. De eerste drie besluiten zijn op juiste wijze bekend gemaakt door toezending aan vergunninghouder. In het Gemeenteblad is hiervan steeds mededeling gedaan. Daarbij is duidelijk aangegeven wanneer de bezwaartermijn begint te lopen. Dat verweerder mocht volstaan met een mededeling van de besluiten op internet volgt uit de Verordening Elektronische kennisgeving 2016 van de gemeente ’s-Hertogenbosch, in werking getreden op 1 april 2016. Met de publicatie in het elektronisch Gemeenteblad (te vinden op http://zoek.officielebekendmakingen.nl) heeft verweerder op een geschikte wijze mededeling gedaan van de besluiten. Daarbij verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2421, rechtsoverwegingen 5.3, 5.4 en 5.5). Er is geen sprake van een verplichting om verzoekers persoonlijk op de hoogte stellen van deze besluiten.

9. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

10. Verzoekers voeren aan de publicatie in het Gemeenteblad in dit geval niet voldoende is. Het was verzoekers niet op het eerste gezicht duidelijk dat de straatnamen die in de publicatie zijn genoemd betrekking hebben op bomen in het Burgemeester Van Zwietenpark. Volgens verzoekers was er een ongelijkheid in informatievertrekking. Degenen die voor het kappen van de bomen zijn werden steeds in de officiële communicatie door de gemeente meegenomen, terwijl de tegenstanders in het ongewisse werden gelaten. Verzoekers voeren aan dat niet verwacht hoefde te worden dat de bomen gekapt zouden worden. Immers, de gemeente heeft eerder aangegeven een stuk grond niet te willen verkopen omdat de bomen beeldbepalend zijn. Verzoekers stellen dat het hele project in stukken is geknipt, waardoor het niet duidelijk was wat de totale omvang van het project was. Door het opknippen is burgers de kans ontnomen om tijdig tegen het plan bezwaar aan te tekenen.

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gebleken is van feiten of omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid zou moeten worden geoordeeld dat verzoekers niet in verzuim zijn geweest. De termijnoverschrijding is terecht door verweerder niet verschoonbaar geacht. In de publicatie in het Gemeenteblad is voldoende duidelijk waar de bomen zich bevinden. Van verzoekers mag worden verwacht dat zij, indien deze aanduiding hen onvoldoende houvast geeft, zelf de gemeente benaderen voor meer informatie. Verweerder heeft de indieners van de brieven waarin om de kap van de bomen is verzocht op de hoogte gehouden van de besluitvorming. Anders dan verzoekers kennelijk menen rustte op verweerder geen verplichting specifiek hen op de hoogte te houden van de besluitvorming. Het is aan de aanvrager om te bepalen hoe hij de aanvragen inricht. In dit geval heeft de aanvrager ervoor gekozen om vier aanvragen te doen. Verweerder dient vervolgens te beslissen op de aanvragen zoals deze zijn gedaan.

12. De rechtbank is van oordeel van verweerder het bezwaar tegen de eerste drie omgevingsvergunningen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu sprake is van niet verschoonbare termijnoverschrijdingen. Omdat voorshands duidelijk was dat het bezwaar niet-ontvankelijk was, zijn verzoekers terecht niet gehoord naar aanleiding van hun bezwaar.

13. Het bezwaar tegen de vierde omgevingsvergunning is wel tijdig gemaakt. Ten aanzien van deze omgevingsvergunning dient te worden beoordeeld of verzoekers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

14. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.

15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt omdat niet gebleken is dan zij (feitelijke) gevolgen van enige betekenis ondervinden door de vergunde activiteit, zijnde het kappen van vier bomen nabij [adres 1] . De afstand tussen de bomen en de woningen van verzoekers bedraagt ongeveer 300 m. Verzoekers hebben geen rechtstreeks zicht op de bomen. Tussen de woningen en de bomen bevinden bebouwing en een groot aantal bomen. Voor zover er al gevolgen zijn voor de woon- en leefsituatie van verzoekers, zijn deze volgens verweerder zo gering dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Verzoekers onderscheiden zich niet van ieder andere bewoner van de wijk of verkeersdeelnemer.

16. Verzoekers zijn van mening dat verweerder het belanghebbende-begrip te beperkt uitlegt. De cirkel van belanghebbenden is opzettelijk verkleind waardoor het zicht op de totale omvang ontbreekt. Verweerder kan niet beoordelen of verzoekers geen gevolgen van enige betekenis ondervinden, nu zij nooit zijn uitgenodigd hun belangen toe te lichten. De bomen bieden verzoekers bescherming tegen geluidhinder van de A59, fijnstof, CO2, zon en opwarming. De woningen van verzoekers maken deel uit van het stadspark en dat is volgens verzoekers de directe leefomgeving.

17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers niet als belanghebbenden in de zin bedoelde zin kunnen worden aangemerkt. De percelen van verzoekers grenzen niet direct aan het perceel waar de bomen staan die zullen worden gekapt. Evenmin bevinden deze zich in de onmiddellijke nabijheid van de te kappen bomen. Verzoekers hebben geen zicht op de te kappen bomen. Verzoekers wonen op ongeveer 300 meter afstand ervan. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit (hier: het kappen van bomen), in beginsel belanghebbende is bij een besluit dat betrekking heeft op die activiteit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. In dit geval is geen sprake van gevolgen van enige betekenis omdat de gevolgen van de activiteit voor de woon- en leefsituatie van verzoekers dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Een louter gevoel van betrokkenheid en zorg voor de inrichting van het Burgemeester Van Zwietenpark is geen reden iemand als belanghebbende aan te merken. Verweerder heeft terecht het bezwaar tegen de vierde omgevingsvergunning niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekers geen belanghebbenden zijn bij dat besluit.

18. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Omdat beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe zal om die reden worden afgewezen.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
22 februari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor zover bij deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.