Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1051

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
01/879086-18 en 01/860190-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de nieuwjaarsnacht heeft verdachte als bestuurder van een bestelbus, terwijl hij kort daarvoor minimaal zeven glazen bier had gedronken en terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard [art. 9-2 WvW], een ongeval veroorzaakt, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten [art. 7-1 WvW]. Nadat verdachte zijn weg had vervolg heeft hij wederom een aanrijding veroorzaakt door met veel te hoge snelheid door een woonerf te rijden waar mensen vuurwerk aan het afsteken waren. Daarbij heeft verdachte een slachtoffer aangereden en ook nu heeft verdachte plaats van het ongeval verlaten [art. 6 WvW - roekeloosheid en 7-1 WvW]. Op de telefoon en tablet van verdachte is voorts kinderpornografisch materiaal aangetroffen [art. 240b WvSr.].

Verdachte wordt hiervoor veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden en vijf jaar ontzegging van de rijbevoegdheid. De bestelbus waarin hij reed wordt verbeurdverklaard, zijn telefoon en tablet worden onttrokken aan het verkeer. De vordering van beide benadeelde partijen worden toegewezen tot bedragen van € 700,-- en € 11.599,20 waarvan €10.000,-- immateriële schadevergoeding omvat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch,

Team strafrecht

Parketnummers: 01/879086-18 en 01/860190-18 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 26 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 april 2018, 25 juni 2018, 18 september 2018, 7 december 2018 en 12 februari 2019.

Op de zitting van 18 september 2018 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/879086-18.

De zaak met parketnummer 01/879086-18 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 maart 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 juni 2018 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Feit 1: hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Oss op/aan de [straatnaam 1] ,

op of omstreeks 01 januari 2018

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

aan een ander (te weten [slachtoffer 1] )

letsel en/of schade was toegebracht;

Feit 2: Primair

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Oss

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 2]

opzettelijk

van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

op de weg, [straatnaam 2] , met een door hem, verdachte, bestuurde bestelauto met hoge snelheid is ingereden op [slachtoffer 2] en/of met hoge snelheid met die bestelauto tegen en/of over [slachtoffer 2] heen is gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Oss, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, ( [straatnaam 2] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden

na het gebruik van alcoholhoudende drank,

en/of,

terwijl er zich in verband met de nieuwjaarsviering en het daarbij afsteken van vuurwerk personen op straat bevonden en/of op straat konden worden verwacht,

met hoge snelheid, althans een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid, in elk geval met een gezien de omstandigheden ter plaatse te hoge snelheid,

op een zich op die weg bevindende persoon, te weten [slachtoffer 2] ,

in te rijden en/of met hoge, althans aanzienlijke snelheid met die bestelauto tegen en/of over [slachtoffer 2] heen te rijden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] )

zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,

dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet,

en/of

terwijl het feit werd veroorzaakt of mede werd veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Feit 3: dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Oss op/aan de [straatnaam 2] ,

op of omstreeks 01 januari 2018

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

een ander (te weten [slachtoffer 2] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht,

in hulpeloze toestand werd achtergelaten,

en/althans terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten die [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht;

Feit 4: Primair

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Oss

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 3] en/of andere personen, zich bevindende op de weg, [straatnaam 3] ,

opzettelijk

van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

op de weg, [straatnaam 3] , met een door hem, verdachte, bestuurde bestelauto met hoge snelheid is ingereden op [slachtoffer 3] en/of die andere personen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Oss als bestuurder van een voertuig (bestelauto), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam 3] ,

terwijl er zich in verband met de nieuwjaarsviering en het daarbij afsteken van vuurwerk personen op straat bevonden en/of op straat konden worden verwacht,

met hoge snelheid, in elk geval met een gezien de omstandigheden ter plaatse te hoge snelheid,

op een of meer zich op die weg bevindende personen, te weten [slachtoffer 3] en/of andere personen, is ingereden, althans in de richting van die personen is gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Feit 5: hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Oss

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven,

op de weg, [straatnaam 1] en/of [straatnaam 2] en/of [straatnaam 3] , als bestuurder een motorrijtuig, (bestelauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/860190-18.

De zaak met parketnummer 01/860190-18 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 augustus 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 18 september 2018 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 10 januari 2018 te Driebergen-Rijsenburg, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

afbeeldingen, te weten foto's en/of films/video's en/of gegevensdragers, te weten een mobiele telefoon (merk Apple),

bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,

heeft verworven en/of in bezit heeft gehad

en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de vinger/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

( [bestandsnaam 1] )

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt,

waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een (erotisch getinte) houding

(op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's/films nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden,

(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

(bestandsna(a)m(en):

[bestandsnaam 2]

en/of

[bestandsnaam 3] ).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich, conform het overgelegde op schrift gestelde requisitoir, ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/879086-18 op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 primair, 3, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie aangevoerd dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] . Er bestond een aanmerkelijk kans dat er een aanrijding veroorzaakt zou worden door de gedragingen van verdachte waardoor een ander zou komen te overlijden en verdachte heeft bewust aanvaard dat dit gevolg zou kunnen intreden. In dit verband is gewezen op de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat verdachte teveel alcohol had gedronken, zijn gemoedstoestand voor en tijdens de aanrijding, de snelheid waarmee verdachte heeft gereden alsmede de specifieke feitelijke situatie ter plaatse. Verdachte dient vrijgesproken te worden van de onder 4 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, nu uit de verklaringen van de getuigen niet kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 3] . Het is namelijk niet duidelijk of [slachtoffer 3] moest wegspringen of -sprinten of dat hij nog gewoon van de rijbaan kon lopen toen verdachte met hoge snelheid op hem af kwam gereden. Het onder 4 subsidiair ten laste gelegde feit, het veroorzaken van gevaar op de weg, kan gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen worden. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01/860190-18.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich, conform zijn pleitnota, ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 1, 3 en 5, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01/879086-18, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 2 primair en 4 primair ten laste gelegde pogingen tot doodslag. De raadsman heeft - zakelijk samengevat - betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , nu uit de specifieke omstandigheden van het geval niet kan worden afgeleid dat verdachte de kans dat de twee slachtoffers zouden komen te overlijden als gevolg van zijn rijgedrag, bewust heeft aanvaard. Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit kan wel wettig en overtuigend bewezen worden, nu er door de schuld van verdachte een verkeersgeval is veroorzaakt, waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Er is sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) in de gradatie zeer onvoorzichtig en/of onoplettend. Niet bewezen kan worden dat verdachte bewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen. Verdachte dient dan ook partieel vrijgesproken te worden van de strafverzwarende schuldgradatie roekeloosheid. Verdachte heeft ten aanzien van feit 4 opgemerkt dat hij er niet zeker van is of hij de desbetreffende nacht over de [straatnaam 3] te Oss heeft gereden. Hij was in paniek als gevolg van de twee verkeersongevallen die hij eerder die avond had veroorzaakt en de route over de [straatnaam 3] zou volgens hem een onlogische zijn om zo snel mogelijk naar huis te rijden. Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/860190-18 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Er is weliswaar kinderporno aangetroffen op de telefoon die verdachte in gebruik had, maar van opzet is geen sprake nu verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van dit beeldmateriaal op deze gegevensdrager. In dat verband heeft raadsman er ook op gewezen dat de telefoon niet is aangetroffen in het chalet van verdachte, maar bij vrienden van hem.

Het oordeel van de rechtbank.

T.a.v. de zaak met parketnummer 01/879086-18

T.a.v. feit 1, feit 3 en feit 5

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van de hierna genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder feit 1, feit 3 en feit 5 ten laste gelegde feiten.

T.a.v. feit 2 primair

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , zoals ten laste gelegd onder feit 2 primair. Daartoe is vereist dat er bij verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer.

(Voorwaardelijk) opzet

De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte de intentie heeft gehad om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt immers niet op te maken dat verdachte doelgericht op [slachtoffer 2] is ingereden of haar doelbewust heeft aangereden.

Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er een slachtoffer zou komen te overlijden als gevolg van zijn gedragingen.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die er (lichtvaardig) van is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, en dus schuld heeft aan het ongeval, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Bij de beoordeling van de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Aanmerkelijke kans

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat verdachte tijdens de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2018, kort na 00.00 uur, onder invloed van alcohol, zonder over een rijbewijs voor categorie B te beschikken, in zijn auto is gaan rijden, terwijl hij de maximum toegestane snelheid van 30 kilometer per uur in ernstige mate overschreed, er vuurwerk werd afgestoken en zich mensen op de stoep langs de straat bevonden. Verdachte heeft gezien dat die mensen zich op de stoep bevonden en uit de filmbeelden die ter zitting zijn bekeken is te zien dat er vuurwerk werd afgestoken. Verdachte heeft pas kort voor de aanrijding gezien dat het [slachtoffer 2] (ondanks het feit dat zij lichte kleding aanhad) zich op de rijbaan bevond. Verdachte is met een aanzienlijke snelheid tegen [slachtoffer 2] aangereden waarna zij op de motorkap is beland. Verdachte is niet gestopt maar door gereden en vervolgens, nadat zij van de motorkap af gevallen was, over haar heen gereden.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat alleen personen die in het bezit zijn van een geldig rijbewijs bevoegd zijn motorvoertuigen te besturen. Dit heeft te maken met het feit dat het risico op een verkeersongeval aanzienlijk toeneemt wanneer een persoon een motorvoertuig bestuurt die daartoe niet bevoegd is. De rechtbank overweegt dat het tevens een feit van algemene bekendheid is dat door het gebruik van alcohol het reactievermogen afneemt, de waarneming slechter wordt en het derhalve moeilijker wordt om te rijden. Het risico op een ongeval neemt door het gebruik van alcohol dan ook aanzienlijk toe. Gelet op de soort weg waarop verdachte reed (te weten in een 30 kilometer zone), in aanmerking genomen dat het de nacht van de jaarwisseling betrof waardoor er veel mensen op straat verwacht konden worden die met elkaar het nieuwe jaar inluiden en op straat vuurwerk afsteken, het donker was en er sprake was van slecht zicht op de weg door de flitsen en de rook van het vuurwerk, en ook uitgaande van een situatie waarin verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, overweegt de rechtbank dat er sprake was van een reëel risico dat een verkeersongeval zou plaatsvinden met een dodelijke afloop.

Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat er een aanmerkelijke kans bestond dat verdachte, door zich - onder de gegeven omstandigheden - op deze manier te gedragen, iemand zou aanrijden waardoor deze vervolgens zou komen te overlijden (of zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht).

Bewustheid

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte wist dat hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Hij wist ook dat hij teveel alcohol had gedronken en hij wist welke negatieve effecten alcohol heeft en kan hebben op zijn rijgedrag. Verdachte is hier immers al eerder voor veroordeeld door de strafrechter. Bovendien was verdachte bekend in Oss, had hij vaker over de [straatnaam 2] gereden en kende hij de situatie ter plaatse. Ook was hij zich ervan bewust dat het nieuwjaarsnacht was, kort na 00:00 uur, en heeft hij gezien dat er mensen op straat waren en dat er vuurwerk werd afgestoken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich bewust was, althans had moeten zijn, dat de aanmerkelijke kans bestond dat iemand zich op de rijweg zou bevinden en bij een aanrijding met de door hem gereden snelheid zou komen te overlijden.

Geen bewuste aanvaarding

Wat de rechtbank evenwel niet bewezen acht is dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook willens en wetens heeft aanvaard. Verdachte heeft immers verklaard dat hij op de [straatnaam 2] mensen langs de rijweg op de stoep heeft zien staan, maar dat hij niet heeft gezien dat zich ook een persoon op de rijweg bevond. Het [slachtoffer 2] stond voorovergebogen vuurwerk op te ruimen en verdachte merkte haar pas op het allerlaatste moment op en toen was verdachte niet meer in staat zijn voertuig tot stilstand te brengen, waarop hij na de aanrijding besloot door te rijden.

Conclusie: vrijspraak
Nu niet vast is komen te staan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] bewust heeft aanvaard, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

T.a.v. feit 2 subsidiair

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen wel volgt dat de feitelijke gedragingen van verdachte, door de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval, waardoor aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , lichamelijk letsel is toegebracht. Dit letsel kan, naar algemeen spraakgebruik, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Mede gelet op het verweer van de verdediging, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld van welke mate van schuld in de zin van artikel 6 WVW er in de onderhavige situatie sprake is.

Schuld

Zoals hiervoor bij de bespreking van het onder 2 primair ten laste gelegde reeds is opgemerkt, is schuld iets anders dan opzet. Bij de beoordeling van de schuldvraag doet het niet terzake of de verkeersdeelnemer de bedoeling heeft gehad het verkeersongeval te veroorzaken, maar dient de vraag beantwoord te worden of er sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Schuld kan bestaan in verschillende gradaties, te weten: roekeloos, zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag. Roekeloosheid is de zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm die blijkens artikel 175, tweede lid, onder b, WVW een strafverhogende werking heeft.

Van roekeloosheid is slechts sprake indien op grond van de feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij door de verdachte welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Anders gezegd: van roekeloosheid is sprake als door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging(en) van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.1

Redengevende feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is van roekeloosheid, heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Het gedrag van verdachte moet allereerst worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht om bewust - dus niet onder onaanvaardbare invloed van middelen - en alert aan het verkeer deel te nemen en zich daarbij te houden aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid. Verdachte heeft dat niet gedaan.

Daarnaast dient opgemerkt te worden dat verdachte helemaal niet bevoegd was motorrijtuigen te besturen, aangezien zijn rijbewijs reeds in 2007 ongeldig was verklaard. Hoewel verdachte dit wist, heeft hij zich daar niets van aangetrokken en is hij in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2018 gewoon als bestuurder achter het stuur van zijn auto gekropen. Dit deed hij nadat hij teveel alcohol had gedronken. Hoewel het exacte alcoholgehalte niet is vastgesteld met een adem- of bloedonderzoek, en dus niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, WVW, blijkt uit de eigen verklaring van verdachte (getuigen spreken zelfs over een hogere alcoholinname) dat hij in ieder geval vier flesjes bier van 30 cl op had bij zijn [vriend] en dat hij vervolgens op het straatfeest ook nog een bekertje bier heeft gedronken. Opgeteld zijn dit tenminste zeven glazen bier. In dit verband merkt de rechtbank op dat het een feit van algemene bekendheid is dat reeds na consumptie van twee glazen bier het vermogen om een voertuig goed te kunnen besturen en tijdig te reageren zodanig vermindert en dat de wetgever rijden met een voertuig op de openbare weg onder invloed van meer alcohol strafbaar heeft gesteld. Gelet op de hoeveelheid bier die verdachte reeds had gedronken, had verdachte zijn auto moeten laten staan in plaats van er mee te gaan rijden. Blijkens het strafblad van verdachte is hij in het verleden meer dan eens veroordeeld door de strafrechter wegens het rijden onder invloed van alcohol. Hoewel verdachte dus wist dat het rijden onder invloed van alcohol niet is toegestaan en wist welke negatieve effecten alcohol op zijn waarnemings- en reactievermogen kan hebben, is hij toch gaan rijden. Dat de door verdachte genuttigde alcohol ook daadwerkelijk van negatieve invloed is geweest op zijn reactie- en waarnemingsvermogen, blijkt uit de aanrijding die verdachte eerst op de [straatnaam 1] te Oss veroorzaakte en de verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd. Volgens verdachte heeft hij niet opgelet en heeft hij de auto die voor het rode verkeerslicht stond te wachten alsmede het verkeerslicht zelf, geheel over het hoofd gezien. Gelet op de toestand waarin verdachte verkeerde, had hij ervoor moeten kiezen zijn auto aan de kant te zetten en niet meer verder te rijden om verdere ongelukken te voorkomen. Dat heeft hij niet gedaan.

Verdachte is na de aanrijding op de [straatnaam 1] in Oss naar eigen zeggen in paniek geraakt en is er met hoge snelheid vandoor gegaan. Hoewel zijn [vriend] , die als bijrijder in de auto zat, verdachte nog waarschuwde en hem maande rustig aan te doen, heeft verdachte hier niet naar geluisterd. De [straatnaam 2] is een vrij smalle weg, met fietsstroken en parkeerplaatsen aan beide kanten van de weg. Er zijn woningen, winkels en horecabedrijven op relatief korte afstand aan de weg gesitueerd. Deze situatie dwingt tot het voorzichtig en rustig rijden op de weg. Er geldt ter plaatse dan ook een wettelijk vastgestelde maximumsnelheid van 30 kilometer per uur en er bevinden zich duidelijke verkeersdrempels in de weg. Deze maatregelen dienen ter bescherming van kwetsbare verkeersdeelnemer zoals fietsers en voetgangers. Het dossier geeft er blijk van dat verdachte eerder over de [straatnaam 2] heeft gereden en de situatie ter plaatse kende. Desondanks heeft hij de maximum vastgestelde snelheid in ernstige mate overschreden. Hij reed met minimaal de dubbele snelheid, te weten een snelheid van minimaal 60 kilometer per uur, over deze weg. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een ernstige verkeersovertreding op aangezien hierdoor de bestuurde bestelbus een langere remweg nodig heeft en de bestuurder minder goed kan anticiperen op gebeurtenissen in het verkeer. Verdachte heeft ook nagelaten te remmen voor een verkeersdrempel voordat hij [slachtoffer 2] aanreed. Door al deze gedragingen is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzondere gevaarzetting.

Daar komt bij dat de nacht waarin het ongeval plaatsvond, de nacht van de jaarwisseling betrof. Verdachte reed kort na middernacht, omstreeks 00:30 uur, over de [straatnaam 2] . Het is algemeen bekend dat mensen in de nieuwjaarsnacht, kort na middernacht, naar buiten gaan om met elkaar het nieuwe jaar in te luiden en vuurwerk af te steken. Er konden aldus mensen op straat verwacht worden en dan niet alleen op de stoep, maar juist ook op de rijweg. Het is een feit van algemene bekendheid dat vuurwerk vaak op de rijbaan wordt afgestoken, zodat men daarna op de stoep op veilige afstand van het aangestoken vuurwerk dit vuurwerk kan bekijken en bewonderen. Daar komt bij dat het nieuwe jaar door veel mensen wordt ingeluid met alcoholhoudende drank, waardoor men er op bedacht dient te zijn dat het waarnemings- en reactievermogen van deze personen verminderd kan zijn. Zij zullen ook niet bedacht zijn op auto’s die met veel te hoge snelheid over de weg rijden. Daarnaast vindt het afsteken van vuurwerk plaats in het donker. Het is algemeen bekend dat vuurwerk flitsen en rook veroorzaakt, waardoor het zicht op de weg belemmerd kan worden. Al deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat bestuurders van motorvoertuigen gedurende de nieuwjaarsnacht extra voorzichtigheid dienen te betrachten om ongevallen te voorkomen.

Ook op de [straatnaam 2] in Oss werd vuurwerk afgestoken. Aldaar bevonden zich mensen op straat. Door de rook die afkomstig was van het vuurwerk was er slecht zicht op de weg. Hoewel verdachte wist dat het de nacht van de jaarwisseling was en zich bewust was van de aanwezigheid van de mensen op straat en het vuurwerk dat werd afgestoken, heeft hij nagelaten zijn rijgedrag, dat sowieso al bijzonder onverantwoord was, aan te passen aan de gegeven omstandigheden en de situatie ter plaatse. Verdachte heeft nagelaten de extra voorzichtigheid te betrachten die onder de onderhavige omstandigheden geboden was.

Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat de gedragingen van verdachte als buitengewoon onvoorzichtig aangemerkt kunnen worden. Voorts overweegt de rechtbank dat het voorgaande er blijk van geeft dat verdachte zich bewust was, althans had moeten zijn, van de onaanvaardbare risico’s die zijn onvoorzichtige gedrag teweeg bracht.

Conclusie: roekeloosheid

De rechtbank is van oordeel dat verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven heeft geroepen. Er was immers sprake van een reëel risico dat verdachte als gevolg van zijn buitengewoon onvoorzichtige gedragingen iemand zou aanrijden waardoor een ander zou komen te overlijden of waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Hoewel de nadelige gevolgen duidelijk voorzienbaar waren en verdachte zich ook bewust was, althans had moeten zijn, van de onaanvaardbare risico’s die zijn gedrag met zich meebracht, heeft verdachte niet, althans te lichtvaardig, nagedacht over de mogelijkheid dat deze gevolgen ook daadwerkelijk zouden intreden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van roekeloos rijgedrag waarbij welbewust en met zeer ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen, zodat sprake is van de zwaarste en strafverhogende vorm van schuld in de zin van artikel 6 en 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit, met daarbij schuld in de gradatie roekeloosheid, wettig en overtuigend bewezen.

Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het feit mede werd veroorzaakt doordat verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden. Dit is een strafverhogende omstandigheid op grond van artikel 175, derde lid, WVW.

De rechtbank acht, zoals hiervoor ook overwogen, niet wettig en overtuigend bewezen de overige ex artikel 175, derde lid, WVW ten laste gelegde strafverhogende omstandigheden, te weten: dat verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken.

De (bewijs)verweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee verworpen.

T.a.v. feit 4 primair en subsidiair

Integraal vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 4 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan integraal behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

In de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2018 heeft er een incident plaatsgevonden op de [straatnaam 3] te Oss, waarbij door getuigen een bestelbus is waargenomen van het zelfde merk en type als de bestelbus die verdachte in gebruik had, te weten een Ford Transit Connect. De bestelbus zou - gelet op de situatie ter plaatse - op ongepaste wijze rond 01:00 uur over de [straatnaam 3] gereden hebben. Dat is kort nadat verdachte de ongevallen had veroorzaakt op de [straatnaam 1] (feit 1) en de [straatnaam 2] (feit 2 subsidiair) te Oss. Hoewel het qua tijd en plaats aannemelijk zou kunnen zijn dat verdachte aldaar heeft gereden, heeft geen van de getuigen specifieke kenmerken waargenomen waaruit afgeleid kan worden dat het daadwerkelijk de bestelbus van verdachte is geweest die aldaar gereden heeft. Er is geen kenteken waargenomen en er is ook geen schade gezien aan de betreffende bestelbus, terwijl de bestelbus van verdachte kort daarvoor fikse schade had opgelopen. Met name de versplinterde voorruit van de bestelbus van verdachte is hierbij een in het oog springend detail.

Dat de telefoon van verdachte omstreeks 01:00 uur een zendmast heeft aangestraald in de nabije omgeving van de [straatnaam 3] in Oss, biedt - gelet op de werking van de zendmasten in zijn algemeenheid - naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ondersteuning om aan te nemen dat verdachte zich op dat tijdstip daadwerkelijk op de [straatnaam 3] bevond.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is op te maken dat verdachte degene is geweest die in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2018 met zijn bestelbus over de [straatnaam 3] heeft gereden en zich aldaar heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op slachtoffer [slachtoffer 3] dan wel gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

T.a.v. de zaak met parketnummer 01/860190-18

Evenals de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in de periode van 1 januari 2017 tot en met 10 januari 2018 kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad.

De rechtbank passeert het (bewijs)verweer van de verdediging, inhoudende dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de afbeeldingen op de telefoon, nu de afbeeldingen zijn aangetroffen op de telefoon die verdachte gedurende de ten laste gelegde periode in gebruik had en deze afbeeldingen benaderbaar waren. Daar komt bij dat er niet alleen kinderpornografische afbeeldingen zijn aangetroffen op de telefoon van verdachte, maar ook verwijderde bestanden van kinderpornografische afbeeldingen op een tablet die verdachte in gebruik had. Voorts slaat de rechtbank in dit verband acht op de omstandigheid dat er erotisch getinte chatgesprekken zijn aangetroffen op de telefoon van verdachte, waarbij door de gebruiker van de telefoon de gebruikersnaam “biutrecht” werd gehanteerd, waarbij tevens melding wordt gemaakt van de naam “ [alias] ”. De rechtbank merkt in dit verband op dat de voornaam van verdachte [alias] is en dat hij woonachtig is in het [dorp] , [gemeente] , dat is gelegen in de nabije omgeving van [stad] .

De suggestie van de verdediging dat de telefoon ook bij een ander in gebruik zou zijn geweest is niet met feiten onderbouwd. De verdachte heeft dit niet verklaard (verdachte heeft bij de politie juist verklaard dat deze Iphone van hem is) en het verwijderen van een staatslot uit het hoesje is onvoldoende om de conclusie dat de persoon die dat deed de telefoon ook in gebruik had te rechtvaardigen.

De overige door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van dit feit merkt de rechtbank eveneens aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van voormelde bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/879086-18.

Feit 1: als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Oss op de [straatnaam 1] ,

op 01 januari 2018 voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander (te weten [slachtoffer 1] ) schade was toegebracht;

Feit 2: [Subsidiair]

op 01 januari 2018 te Oss, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, ( [straatnaam 2] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos te rijden,

na het gebruik van alcoholhoudende drank,

en,

terwijl er zich in verband met de nieuwjaarsviering en het daarbij afsteken van vuurwerk personen op straat bevonden en op straat konden worden verwacht,

met hoge snelheid en een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid,

tegen en over een zich op die weg bevindende persoon, te weten [slachtoffer 2] , te rijden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] )

zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

terwijl het feit mede werd veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

Feit 3: als degene door wiens gedraging (als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Oss op de [straatnaam 2] ,

op 01 januari 2018

voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander (te weten die [slachtoffer 2] ) letsel was toegebracht;

Feit 5: op 01 januari 2018 te Oss

terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven,

op de weg, [straatnaam 1] en [straatnaam 2] als bestuurder een motorrijtuig, (bestelauto), van die categorie heeft bestuurd.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01/860190-18.

in de periode van 1 januari 2017 tot en met 10 januari 2018 in Nederland, meermalen,

een gegevensdrager, te weten een mobiele telefoon (merk Apple),

bevattende afbeeldingen, te weten foto’s en films/video’s,

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken,

in bezit heeft gehad,

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de vinger/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

( [bestandsnaam 1] )

en

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt,

waarbij deze persoon poseert in een (erotisch getinte) houding

(op een wijze) die niet bij zijn leeftijd past

(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

(bestandsna(a)m(en):

[bestandsnaam 2]

en/of

[bestandsnaam 3] ).

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat - ter zake van de misdrijven zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01/879086-18 onder 1, 2 primair, 3, en 5 alsmede het misdrijf zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01/860190-18 - aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van de tijd die hij reeds heeft doorgebracht in voorarrest. Daarnaast dient ter zake van feit 2 primair aan verdachte opgelegd te worden een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaar. Ter zake van de overtreding zoals ten laste gelegd onder feit 4 subsidiair, dient volgens de officier van justitie aan verdachte twee weken hechtenis te worden opgelegd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Ter zake van de onder parketnummer onder 1, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging verzocht op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die in duur de door verdachte reeds doorgebrachte tijd in voorarrest niet zal overstijgen. Voor zover daarnaast het opleggen van een taakstraf en/of voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk wordt geacht, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verder houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verkeersdelicten

Hoewel het rijbewijs van verdachte al een aantal jaar ongeldig was verklaard en hij dus helemaal niet bevoegd was motorvoertuigen te besturen, is hij in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2018 toch als bestuurder achter het stuur van zijn auto gekropen. Dit heeft hij gedaan nadat hij een tenminste zeven glazen bier had gedronken, terwijl hij de negatieve werking hiervan op zijn rijgedrag kende of moest begrijpen. Verdachte reed kort na middernacht met zijn auto door Oss. Op de [straatnaam 1] zag hij een personenauto over het hoofd die voor het rode stoplicht stond te wachten. Verdachte is achterop die auto gereden, waardoor er schade aan de auto is ontstaan. Hoewel verdachte, gelet op de harde klap, wist dat hij schade had toegebracht aan de auto, is hij - zonder zich te bekommeren om de inzittende van die auto - er met hoge snelheid vandoor gegaan en heeft hij zijn identiteit niet kenbaar gemaakt. Hij reed vervolgens met een snelheid van minimaal 60 kilometer per uur over de [straatnaam 2] , terwijl aldaar een snelheid van maximaal 30 kilometer per uur is toegestaan. De vastgestelde maximumsnelheid werd dus in ernstige mate overschreden. Daar komt bij dat er, in verband met de jaarwisseling, mensen op straat waren en er vuurwerk werd afgestoken. Het was dus donker en het vuurwerk veroorzaakte flitsen en rook, waardoor het zicht op de weg slechter was dan normaal. Verdachte heeft nagelaten zijn rijgedrag op deze omstandigheden aan te passen en de extra voorzichtigheid te betrachten die onder de gegeven omstandigheden geboden was. Door het roekeloze rijgedrag van verdachte heeft er een tweede verkeersongeval plaatsgevonden. Op de [straatnaam 2] reed verdachte met aanzienlijke snelheid frontaal tegen een persoon aan. Deze persoon, mevrouw [slachtoffer 2] , kwam hierdoor op de motorkap van zijn auto terecht. Zij werd een aantal meters meegesleurd door de auto van verdachte en toen zij daarvan af viel is verdachte met zijn auto over haar heen gereden. Hierdoor heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Hoewel hij wist dat hij dit slachtoffer letsel had toegebracht, heeft verdachte ook ditmaal de plaats van het ongeval verlaten zonder zich om haar te bekommeren en zonder zijn identiteit kenbaar te maken. Verdachte heeft meerdere geldende verkeersregels aan zijn laars gelapt en roekeloos rijgedrag vertoond. Dit alles met zeer ernstige gevolgen. Verdachte heeft nagelaten zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de gepleegde feiten. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Zoals blijkt uit de toelichting van het slachtoffer op de ingediende vordering alsmede de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring, heeft het ongeval dat heeft plaatsgevonden op de [straatnaam 2] diepe en onherstelbare sporen nagelaten in het leven van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen, dat mogelijk blijvend van aard is. Zij is hiervoor al geruime tijd onder medische behandeling en zal dit waarschijnlijk ook nog lange tijd moeten zijn. Het slachtoffer heeft reeds diverse operaties ondergaan en er staan er nog enkele op de planning. Daarnaast ondervindt zij ook nog steeds psychische klachten als gevolg van het ongeluk. Dit heeft ook een groot effect op het dagelijks leven en het welzijn van haar twee jonge kinderen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het slachtoffer onherstelbaar leed heeft aangedaan.

Kijkend naar de persoon van verdachte weegt de rechtbank mee de omstandigheid dat uit het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 januari 2019 volgt verdachte in het verleden al eerder voor soortgelijke verkeersdelicten veroordeeld is. Verdachte heeft eerder een motorvoertuig bestuurd, terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en verdachte heeft vaker nagelaten zijn identiteit kenbaar te maken nadat er een verkeersongeval was veroorzaakt. Verdachte verkeerde tijdens het plegen van de onderhavige feiten ook onder invloed van alcohol, terwijl hij al verschillende keren is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol. De rechtbank vindt het dan ook onbegrijpelijk dat verdachte na de eerdere veroordelingen toch weer de fout in is gegaan.

De rechtbank heeft er oog voor dat er veel (sociale) media aandacht is geweest voor deze zaak, maar dit zal niet in strafmatigende zin worden meegenomen.

Bij het bepalen van de straf neemt de rechtbank als uitgangspunt de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij aan een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, met gebruik van alcohol en met een zeer hoge mate van schuld (feit 2 subsidiair). In dit oriëntatiepunt wordt een strafmaat voorgesteld van 8 maanden gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaar. Deze straf vindt de rechtbank in dit geval onvoldoende recht doen aan de ernst van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank wijst daarbij met name op de bewezenverklaarde strafverzwarende omstandigheden. Met name de roekeloosheid rechtvaardigt een beduidend hogere straf ter zake van het onderhavige feit. Bovendien dient in de uiteindelijke strafmaat ook nog tot uiting te komen dat verdachte zich daarnaast schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van het ongeval op de [straatnaam 1] (feit 1), het verlaten van de plaats van het ongeval op de [straatnaam 2] (feit 3) en het rijden zonder geldig rijbewijs (feit 5). Ter zake van dit laatste feit schrijven voornoemde oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor van twee weken.

Bezit van kinderporno

Naast bovengenoemde verkeersdelicten heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno. Het door de verdachte overtreden artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht is door de wetgever in de wet opgenomen om het seksueel misbruik van jeugdigen te bestrijden. Het in bezit hebben van kinderporno is bijzonder verwerpelijk omdat bij de vervaardiging hiervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die seksuele handelingen moeten verrichten ten behoeve van de kinderporno-industrie aanzienlijke psychische schade kunnen oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Door de verspreiding van het beeldmateriaal via internet wordt de schade voor deze jeugdigen vergroot, omdat de beelden niet eenvoudig zijn te verwijderen. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen de personen te straffen die kinderporno vervaardigen, maar ook degenen die de afbeeldingen downloaden en opslaan, zoals verdachte, omdat zij de vraag ernaar in stand houden.

Bij de bepaling van de straf hanteert de rechtbank als uitgangspunt de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor het bezitten van kinderporno. In dit oriëntatiepunt wordt een strafmaat voorgesteld van 6 maanden gevangenisstraf en een taakstraf van 240 uur.

De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit

Oplegging van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, aangevuld met en voorwaardelijk strafdeel dan wel een taakstraf, zoals voorgesteld door de verdediging, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde.

De rechtbank is van oordeel dat ter zake van de bewezenverklaarde feiten in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest. Daarnaast acht de rechtbank oplegging van de onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar passend en geboden ter zake van de bewezenverklaarde feiten in de zaak met parketnummer 01/879086-18.

De rechtbank legt hiermee een lagere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Dit is gelegen in het feit dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet tot een bewezenverklaring komt van de poging tot doodslag, zoals ten laste gelegd onder feit 2 primair, en de poging tot doodslag (dan wel het veroorzaken van gevaar op de weg,) zoals ten laste gelegd onder feit 4 primair .

De rechtbank is van oordeel is dat de straffen die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De voorlopige hechtenis.

De verdediging heeft ter terechtzitting verzocht de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op te heffen, onder verwijzing naar de bepleite vrijspraak, het gevoerde strafmaatverweer en het bepaalde in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de aan verdachte op te leggen straf ter zake van het bewezenverklaarde, wijst de rechtbank het verzoek af.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] integraal toe te wijzen. Het totaal toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij aan de verdachte de verplichting ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd dient te worden tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat het beoordelen van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, aangezien nog uitgezocht dient te worden of de verzekeraar reeds tot uitkering is overgegaan van het vastgestelde schadebedrag en of er in dat geval regres genomen kan worden door de verzekeraar. Indien er reeds tot uitbetaling is overgegaan, zou dat verdachte immers ontslaan van de civielrechtelijke verplichting tot vergoeding van de schade aan de benadeelde partij.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij op 8 oktober 2018 een vordering heeft ingediend ten behoeve van de vergoeding van de materiële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit.

De gevorderde materiële schadevergoeding bedraagt € 700,00 en ziet blijkens het aan de vordering gehechte expertiserapport op de dagwaarde van de auto van de benadeelde partij, die als gevolg van de aanrijding als ‘total loss’ beschouwd dient te worden.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de vordering een onevenredige belasting van het geding zou opleveren. De rechtbank overweegt dat in de vordering, op pagina 3, expliciet gevraagd wordt naar het bedrag aan schade dat reeds vergoed is. Er is door de benadeelde partij geen bedrag ingevuld onder het kopje ‘vergoede schade’ en het bedrag van € 700 is door de benadeelde partij opgegeven als het totaal van de schade die niet vergoed is. Het taxatierapport is ook niet opgesteld in opdracht van een schadeverzekeraar, maar in opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar van de benadeelde partij. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze opgave te twijfelen. De rechtbank gaat dan ook over tot beoordeling van de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd en acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.

De rechtbank zal bepalen dat het totaal toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het delict is gepleegd, zijnde 1 januari 2018, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het delict is gepleegd, zijnde 1 januari 2018, tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de herstelvordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] integraal toe te wijzen. Het totaal toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij aan de verdachte de verplichting ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd dient te worden tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de herstelvordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, aangezien verdachte bereid is de schade te vergoeden die hij heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij op 13 september 2018 een vordering heeft ingediend ten behoeve van de vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. Op 7 februari 2019 is er een herstelvordering ingediend. De rechtbank neemt de herstelvordering d.d. 7 februari 2019 bij de beoordeling van de schade als uitgangspunt.

De gevorderde materiële schadevergoeding bedraagt blijkens de herstelvordering € 1.599,20 en ziet op de volgende posten:

Algemene materiële schade ad € 50,00

Reiskosten medische behandeling ad € 1.066,08

Eigen risico ziektekostenverzekering ad € 385,00

Parkeerkosten medische behandeling ad € 88,75

Medicijnkosten ad € 9,37

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot materiële schadevergoeding voldoende is onderbouwd. De rechtbank acht de materiële schade ad € 1.599,20, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde strafbare feiten toegebrachte schade, dan ook geheel toewijsbaar.

De rechtbank zal bepalen dat het totaal toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de herstelvordering is ingediend, zijnde 7 februari 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

De gevorderde immateriële schade bedraagt € 12.500. Aangezien door verzekeraar Univé reeds een voorschot van € 2.500 is uitgekeerd, vordert de benadeelde partij thans nog een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 10.000. De immateriële schade bestaat blijkens de schriftelijke toelichting op de herstelvordering uit lichamelijk letsel en de psychische klachten die de benadeelde partij heeft ervaren en ervaart.

Naar het oordeel van de rechtbank is ook de immateriële schadevergoeding voldoende onderbouwd. Gelet op het leed dat de benadeelde partij is aangedaan alsmede op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegewezen voor soortgelijke feiten acht de rechtbank de gevorderde vergoeding toewijsbaar.

De rechtbank zal bepalen dat het totaal toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de delicten zijn gepleegd, zijnde 1 januari 2018, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 17,40. Dit bedrag bestaat thans uit de navolgende posten:

  • -

    Reiskosten gesprek officier van justitie ad € 8,70

  • -

    Reiskosten aanwezigheid rechtbank ad € 8,70

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het bedrag aan materiële schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de herstelvordering is ingediend, zijnde 7 februari 2019, en het bedrag aan immateriële schadevergoeding zal worden vermeerderd vanaf de datum waarop de delicten zijn gepleegd, zijnde 1 januari 2018, tot aan de dag der algehele voldoening

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de bestelbus, van het merk Ford, type Transit Connect, zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 7 januari 2019 behorend bij parketnummer 01/879086-18, op het standpunt gesteld dat deze verbeurd verklaard dient te worden. De telefoon van het merk Apple, type Iphone, en de tablet, van het merk Denver, zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 7 januari 2019 behorend bij parketnummer 01/860190-18 dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De computer van het merk Compaq kan terug gegeven worden aan de verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de inbeslaggenomen goederen, zoals vermeld op de beslaglijsten d.d. 7 januari 2019.

Het oordeel van de rechtbank.

Bestelbus

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp, te weten de bestelbus van het merk Ford, type Transit Connect, zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 7 januari 2019 behorend bij de zaak met parketnummer 01/879086-18, vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is met betrekking tot welke de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorde.

Telefoon en tablet

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de telefoon van het merk Apple, type Iphone, en de tablet van het merk Denver, zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 7 januari 2019 behorend bij de zaak met parketnummer 01/860190-18, aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven zijn aangetroffen en aan verdachte toebehoren, terwijl de telefoon een voorwerp betreft met betrekking tot welke het bewezenverklaarde feit is begaan en zowel de telefoon als de tablet vanwege de kinderpornografische afbeeldingen die hierop zijn aangetroffen, voorwerpen betreffen die kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Notebook

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp, te weten de computer van het merk Compaq, type notebook, zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 7 januari 2019 behorend bij de zaak met parketnummer 01/860190-18, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 60a, 240b.

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 7, 9, 175, 176, 179.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer 01/879086-18 onder feit 2 primair en feit 4 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

Verklaart de feiten zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01/879086-18 onder feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3 en feit 5 alsmede het feit zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01/860190-18 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/879086-18 feit 1:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

T.a.v. 01/879086-18 feit 2 subsidiair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden

T.a.v. 01/879086-18 feit 3:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

T.a.v. 01/879086-18 feit 5:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994

T.a.v. 01/860190-18:

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. parketnummer 01/879086-18 feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3, feit 5 en het feit onder parketnummer 01/860190-18:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

T.a.v. parketnummer 01/879086-18 feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3, feit 5:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 5 jaar

T.a.v. parketnummer 01/879086-18 feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3, feit 5:

Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten:

1. een bestelauto van het merk Ford, type Transit Connect

[goednummer G1575073]

T.a.v. parketnummer 01/860190-18:

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

1. een telefoontoestel van het merk Apple, type Iphone, kleur wit

[goednummer G1297404]

2. een tablet van het merk Denver, kleur zwart

[goednummer G1297022]

T.a.v. parketnummer 01/860190-18:

Teruggave inbeslaggenomen goederen

De rechtbank gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een computer van het merk Compaq, type notebook [goednummer G1297005], aan verdachte M. van Essen.

T.a.v. parketnummer 01/879086-18, feit 1:

Maatregel van schadevergoeding van 700,00 euro subsidiair 14 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van 700,00 euro (zegge: zevenhonderd euro) aan materiële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het delict is gepleegd, zijnde 1 januari 2018, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van 700,00 euro (zegge: zevenhonderd euro) aan materiële schadevergoeding.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het delict is gepleegd, zijnde 1 januari 2018, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. 01/879086-18, feit 2 subsidiair en feit 3:

Maatregel van schadevergoeding van 11.599,20 euro subsidiair 92 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van 11.599,20 euro (zegge: elfduizend vijfhonderdnegenennegentig euro en twintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 92 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van 10.000 euro aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van 1.599,20 euro aan materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het bedrag aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 1 januari 2018, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de herstelvordering is ingediend, te weten 7 februari 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag van 11.599,20 euro (zegge: elfduizend vijfhonderdnegenennegentig euro en twintig eurocent). Het bedrag bestaat uit een bedrag van 10.000 euro aan immateriële schadevergoeding en een bedrag van 1.599,20 euro aan materiële schadevergoeding.

Het bedrag aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, te weten 1 januari 2018, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de herstelvordering is ingediend, te weten 7 februari 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op een bedrag van 17,40 euro.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J.A. Donkersloot, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. A.C. Bosch, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. de Haas, griffier,

en is uitgesproken op 26 februari 2019.

1 Zie ook: HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:959