Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1044

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
C/01/339748 / FA RK 18-5222-2
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot voornaamswijziging afgewezen.

Stelling dat Nederlandse voornamen niet kunnen worden opgenomen in een Marokkaans paspoort niet onderbouwd, daargelaten dat dit geen reden voor wijziging zou zijn.

Stellingen dat minderjarige last heeft van zijn voornamen niet onderbouwd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 4
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/339748 / FA RK 18-5222-2

Uitspraak : 21 februari 2019

Beschikking betreffende voornaamswijziging in de zaak van:

[verzoeker] en

[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen verzoekers,

advocaat voorheen: mr. J. el Hannouche

De procedure

Deze beschikking wordt gegeven in vervolg op de beschikking van deze rechtbank van

7 december 2018, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij voornoemde beschikking heeft de rechtbank verzoekers in de gelegenheid gesteld om een schriftelijk bewijsstuk in te dienen betreffende de vereisten die het Marokkaanse consulaat stelt aan inschrijving van personen.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van het F9-formulier ingediend door mr. El Hannouche d.d. 15 januari 2019.

Mr. El Hannouche heeft de rechtbank namens verzoekers bericht dat het Marokkaanse consulaat geweigerd heeft een verklaring af te geven betreffende de vereisten die het stelt aan inschrijving van personen.

Bij F2-formulier van 11 februari 2019 heeft mr. El Hannouche zich als advocaat aan de zaak onttrokken.

De verdere beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor toewijzing van het verzoek is blijkens vaste jurisprudentie vereist dat de verzochte voornaamswijziging in het belang van de minderjarige is. Daartoe dient het persoonlijk belang van de minderjarige te worden afgewogen tegen het algemeen belang dat het rechtsverkeer heeft bij een zo hoog mogelijke mate van consistentie. De rechtbank stelt daarbij voorop dat in beginsel een ieder zijn voornamen heeft en behoudt die hem bij geboorte zijn gegeven en in de akte van geboorte zijn opgenomen. Dat neemt niet weg dat wegens zwaarwichtige redenen aanleiding kan bestaan om op verzoek te gelasten de voornamen te wijzigen. Beoordeeld dient daarom te worden of aan de zijde van de minderjarige van dergelijke zwaarwichtige redenen sprake is. De vraag wanneer sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang, wordt in de wet en de wetsgeschiedenis niet beantwoord. Daarvoor dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Omdat voornamen een middel zijn om personen binnen hun familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren, vallen zij onder het begrip privéleven en familie- of gezinsleven, zoals bedoel in artikel 8 EVRM. Het door dit artikel beschermde belang brengt mee dat inmenging van enig openbaar gezag niet is toegestaan. Niet iedere regulering houdt evenwel ook een inmenging in. Een weigering om een voornaam te wijzigen kan niet zonder meer als ongeoorloofde inmenging worden aangemerkt. Daarvoor zal steeds moeten worden onderzocht of sprake is van een evenwichtige belangenafweging (“fair balance”) tussen enerzijds de belangen van het individu en anderzijds de belangen van de staat, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de staat/de rechter een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt.

Of de weigering om een voornaam te wijzigen, een ongerechtvaardigde inmenging oplevert, hangt af van de mate van ongemak en overlast die de betrokkene, in dit geval een minderjarige, hiervan ondervindt. Daarbij dienen alle feiten en omstandigheden te worden meegewogen, waaronder de vraag of het voor betrokkene feitelijk toch mogelijk is de gewenste voornaam te voeren.

De minderjarige is negen jaar oud en staat in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven met de voornamen [X en Y] . Naast de Nederlandse heeft [X] ook de Marokkaanse nationaliteit. De vader heeft een Islamitische achtergrond, de moeder een christelijke.

Ten tijde van de aangifte van de geboorte van de minderjarige hadden verzoekers de intentie om – gezien de achtergrond van de moeder - de minderjarige christelijk te dopen.

De moeder heeft zich inmiddels echter bekeerd tot het Islamitische geloof. Zij voeden de minderjarige Islamitisch op.

Verzoekers stuiten thans op het probleem dat zij de voornamen van [X] niet geregistreerd krijgen bij het Marokkaanse consulaat, omdat:

- de naam [X] niet als zodanig in het Arabisch kan worden gespeld, omdat de Marokkaanse overheid streeft naar consistente transcriptie van Arabische namen naar het Frans;

- de naam [X] geassocieerd wordt met de joods/christelijke naam [Z] , welke om die reden niet zou worden geaccepteerd en;

- er onwenselijke naams-inconsistentie ontstaat wanneer in zijn Marokkaanse paspoort de (kennelijk wel) geaccepteerde naam [W] zou komen te staan en in zijn Nederlandse de namen [X en Y] ;

Voorts wensen verzoekers dat de voornaam [Y] komt te vervallen, omdat:

- uitgangspunt in het islamitisch namenrecht is dat een persoon slechts één voornaam heeft (eventueel gevolgd door een agnatische genealiogische namenreeks) en;

- de voornaam [Y] geassocieerd wordt met islamitische terroristen.

De huidige voornamen [X en Y] brengen de minderjarige en derden in verwarring. Daarnaast heeft de minderjarige ook last van zijn huidige voornamen.

Verzoekers hebben hun stelling, dat de voornamen, die de minderjarige bij zijn geboorte naar Nederlands recht heeft verkregen, niet één op één kunnen worden opgenomen in een af te geven Marokkaans paspoort, op geen enkele wijze met stukken onderbouwd, ook niet nadat zij daartoe alsnog in de gelegenheid zijn gesteld. Dit geldt zowel voor de vraag of:

- de naam [X] én;

- in combinatie met de tweede voornaam [Y]

kan worden geregistreerd.

De stellingen dat:

- de tweede voornaam van de minderjarige [Y] - overigens de voornaam van zijn vader - geassocieerd wordt met islamitische terroristen;

- de minderjarige last heeft van zijn voornamen en;

- vergelijkbare verzoeken wel zijn toegewezen;

zijn niet, althans onvoldoende overtuigend met stukken onderbouwd.

Voor zover al zou zijn komen vast te staan dat verzoekers de huidige voornamen [X en Y] niet geregistreerd zouden krijgen bij Marokkaanse overheidsinstanties, overweegt de rechtbank voorts dat het niet aangaat dat de Nederlandse rechter een voornaam wijzigt louter en alleen omdat een buitenlandse instantie de naar Nederlands recht gekozen voornamen(reeks) niet zou accepteren. Dit zou er op neerkomen dat langs indirecte weg alsnog buitenlands recht van invloed is op de beslissing die de Nederlandse rechter naar Nederlands recht dient te nemen.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het algemeen belang van het rechtsverkeer bij naamconsistentie in dit geval zwaarder dient te wegen dan het door verzoekers gestelde belang van de minderjarige.

De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. V.R. de Meyere, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 21 februari 2019.

Conc: EvdH

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.