Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1029

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
01/865057-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte neemt hamer mee naar gesprek met vader over het bestaan van een halfzus terwijl escalatie mogelijk is. Vrijspraak poging moord/doodslag, veroordeling voor poging zware mishandeling. Motivering omtrent selectie en waardering van het bewijs: rechtbank gaat uit van verklaring van verdachte bij gebreke van voldoende steun voor scenario van aangever. Culpa in causa staat hier aan mogelijkheid tot geslaagd beroep op noodweer niet in de weg. Toch volgt verwerping van het beroep op noodweer(exces) wegens disproportionaliteit van de verdediging. Hevige gemoedsbeweging niet aannemelijk geworden.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met bijzondere voorwaarden (o.m. een verplichte behandeling bij een Forensische Polikliniek).

Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865057-18

Datum uitspraak: 22 februari 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 juli 2018, 7 september 2018, 30 november 2018 en 8 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 juni 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 februari 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2018 te Veldhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met kracht met een (klauw)hamer, althans een hard en/of zwaar en/of scherp en/of puntig voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of met kracht met die (klauw)hamer/dat voorwerp meermalen, althans eenmaal, heeft uitgehaald en/of geslagen in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 april 2018 te Veldhoven,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze [slachtoffer] ,

met kracht met een (klauw)hamer, althans een hard en/of zwaar en/of scherp en/of puntig voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of met kracht met die (klauw)hamer/dat voorwerp meermalen, althans eenmaal, heeft uitgehaald en/of geslagen in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren, in die zin dat sprake is van een poging tot doodslag. Hij heeft aangevoerd dat aan de lezing van verdachte geen geloof moet worden gehecht en dat de verklaring van aangever tot uitgangspunt moet worden genomen. De officier van justitie acht de voorbedachte rade niet bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. De raadsman heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht het volgende van belang.

Op 19 april 2018 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van poging tot moord of doodslag of zware mishandeling gepleegd door zijn zoon [verdachte] (hierna: verdachte). Aangever heeft bij die gelegenheid verklaard dat verdachte op 18 april 2018 naar zijn woning kwam te [geboorteplaats] , dat verdachte op enig moment naar de woonkamer liep, iets uit zijn tas pakte en met het voorwerp in zijn hand in zijn richting liep. Aangever heeft verklaard dat hij zag dat het een hamer was, dat verdachte de hamer omhoog hield, met een dreigende houding naar hem toe liep, uithaalde met de hamer, deze naar zijn hoofd bewoog en dat hij voelde dat de hamer op zijn hoofd kwam. Aangever heeft verder verklaard dat het een klauwhamer betreft, dat hij hevige pijn voelde, dat hij meteen heel veel bloed zag en dat het bloed over zijn gezicht liep. Aangever heeft verklaard dat de hoofdwond in het ziekenhuis is geplakt.

Op 12 mei 2018 heeft aangever een nadere verklaring afgelegd. Aangever heeft toen verklaard dat verdachte er een paar dagen voor 18 april 2018 achter was gekomen dat hij nog een zusje heeft in Ghana, dat verdachte naar hem toe was gekomen om daarover te praten, maar dat verdachte boos was. Aangever heeft verder verklaard dat verdachte op 18 april 2018 weer naar hem toe was gekomen om daarover te praten, dat geen sprake was van ruzie, dat hij niemand heeft vastgepakt, dat verdachte in één keer met de hamer op hem af kwam en van voren recht op zijn hoofd sloeg. Aangever heeft verklaard dat verdachte nadien water over zijn hoofd heeft gegooid en hem een handdoek heeft gegeven.

Verdachte heeft over de aanloop naar de confrontatie verklaard dat hij naar de woning van zijn vader is gegaan om hem te spreken over het bestaan van een zusje en dat hij er rekening mee hield dat het tot een confrontatie zou komen, omdat hij in het verleden door zijn vader werd mishandeld en dat zijn vader eerder agressiviteit had getoond toen verdachte over zijn zusje wilde praten. Verdachte heeft verder verklaard dat in zijn tas een hamer zat om de zadelpen van zijn fiets mee vast te zetten, dat hij de tas met de hamer bij zich had toen hij naar zijn vader toeging en dat hij de hamer bewust niet uit de tas had gehaald omdat hij die hamer achter de hand wilde hebben om zijn vader te kunnen laten schrikken voor het geval dat het gesprek uit de hand zou lopen.

Verdachte heeft over de daadwerkelijke confrontatie verklaard dat zijn vader op enig moment naar hem toe kwam, dat zijn vader hem bij zijn trui pakte en hem tegen de muur duwde. Verdachte heeft verder verklaard dat hij zijn vader van zich afduwde, dat hij de hamer uit de tas haalde, dat hij riep dat zijn vader van hem weg moest blijven en dat hij van links naar rechts, horizontaal en vlak, zwaaide met de hamer, een soort backhand. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn vader één keer heeft geslagen, boven op zijn hoofd, dat hij er heel erg van schrok, dat hij de hamer liet vallen en zijn vader heeft geholpen met water en een handdoek. Verdachte heeft verklaard dat hij niet hard met de hamer heeft gezwaaid, dat hij niet hard heeft willen slaan en dat hij niet helemaal meer beheerst was, maar ook niet alle controle kwijt was.

De rechtbank stelt vast dat enkel de aangever en verdachte een verklaring hebben afgelegd over hetgeen heeft plaatsgevonden in de woning. De broers van verdachte, waarvan overigens niet is gebleken dat zij zich op het moment van de confrontatie in de woning bevonden, hebben geen verklaring af willen leggen en er zijn evenmin andere getuigen die iets hebben gehoord of gezien. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de aangever en verdachte deels overeenstemmen, maar uiteenlopen voor wat betreft hetgeen plaatsvond direct voorafgaande aan het slaan met de hamer en de manier waarop met die hamer is geslagen.

De rechtbank stelt verder vast dat het dossier slechts summiere informatie bevat omtrent het letsel van de aangever. Op het aanvraagformulier medische informatie betreffende aangever heeft de arts W.D. Pijnenburg vermeld dat aangever op 18 april 2018 is onderzocht en dat een zwelling en een snijwond op de behaarde hoofdhuid is waargenomen. Er is niets vermeld over de grootte en diepte van de snijwond en de verwachte herstelduur. [verbalisant] heeft gerelateerd dat hij op 24 april 2018 van aangever een foto heeft ontvangen van een hoofd waarop een snede zichtbaar is. De rechtbank neemt op de foto een oppervlakkige wond waar iets uit het midden van het hoofd. Aangever heeft op 12 mei 2018 verklaard dat de wond inmiddels weer dicht is en dat hij er geen last meer van heeft.

De rechtbank heeft vervolgens, geconfronteerd met deze stand van zaken in het dossier, ambtshalve onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheid om een deskundige in termen van waarschijnlijkheid te laten rapporteren over de vraag of het letsel bij aangever beter bij het scenario van aangever past of beter bij het scenario van verdachte.

Door L.M. Spooren, forensisch arts, is naar aanleiding van de opdracht van de rechtbank een deskundigenrapport opgemaakt. Spooren heeft onderzocht in hoeverre het letsel past bij de hypothese van de aangever dat verdachte met de klauwhamer recht, van boven naar beneden, op het hoofd van de aangever sloeg dan wel bij de hypothese van verdachte dat hij met de hamer van links naar rechts, vlak en horizontaal, zwaaide, als een backhand en op het hoofd van de aangever sloeg. Spooren komt tot de conclusie dat de eerste hypothese iets waarschijnlijker is, waarbij de ordegrootte van de bewijskracht gering is (2-10).

De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenrapport, gezien de geringe ordegrootte van de bewijskracht, niet in doorslaggevende mate steun kan bieden aan de verklaring van aangever. Anders gezegd: het deskundigenrapport is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende conclusief om het scenario van verdachte als onaannemelijk of ongeloofwaardig aan te merken. De lezing van verdachte kan daarom niet zonder meer terzijde worden gesteld. Zulks te minder, nu het dossier een belangrijke contra-indicatie bevat voor het door verdachte met kracht slaan met de hamer, te weten het zeer beperkte letsel bij aangever. De rechtbank is zich ervan bewust dat het feit dat uiteindelijk slechts beperkt letsel door het slachtoffer is opgelopen niet zonder meer tot de conclusie hoeft te leiden dat niet met kracht is geslagen, maar in deze zaak ontbreekt het aan elk ander reëel aanknopingspunt voor de rechtbank om iets over de kracht waarmee geslagen is buiten redelijke twijfel vast te stellen. Hetgeen door de verdachte is verklaard over de kracht waarmee hij geslagen heeft kan niet enkel vanwege de op dat punt andersluidende verklaring van aangever als onaannemelijk terzijde geschoven worden.

Om redenen gelegen in het vorenoverwogene zal de rechtbank, anders dan de officier van justitie, de verklaring van verdachte tot uitgangspunt nemen bij de verdere beoordeling van de vraag wat te zijnen laste kan worden bewezenverklaard en gekwalificeerd als ook bij de beoordeling van de hierna te beantwoorden vraag of sprake was van noodweer c.q. noodweerexces.

Uitgaande van de verklaring van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, om zijn vader van het leven te beroven. Het slaan met een hamer op het hoofd kan in voorkomende gevallen wel degelijk de aanmerkelijke kans opleveren dat iemand komt te overlijden, maar in onderhavige zaak, waarbij verdachte middels een horizontale en vlakke beweging, een backhand, met enige kracht heeft geslagen, waarbij slechts een geringe verwonding is ontstaan, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat op grond van algemene ervaringsregels sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft met enige kracht éénmaal met een min of meer zijwaartse beweging met een hamer zijn vader tegen het hoofd geslagen. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat iemand als gevolg van dergelijk geweld tegen het hoofd, zijnde een kwetsbaar lichaamsdeel met vitale levensfuncties waaronder het brein, zwaar lichamelijk letsel oploopt. Dat verdachte van die kans wist, staat genoegzaam vast. Desgevraagd heeft verdachte immers verklaard dat hij ook wel inziet dat de gevolgen voor zijn vader ernstiger geweest hadden kunnen zijn. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op en geschikt is voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook welbewust heeft aanvaard.

Van de tenlastegelegde voorbedachte rade zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. Zij heeft uit het voorhanden bewijs niet de overtuiging gekregen dat daarvan sprake is geweest.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(subsidiair)

op 18 april 2018 te [geboorteplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met kracht met een klauwhamer op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de

bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De strafbaarheid van het feit en van de verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte te ontslaan van rechtsvervolging, aangezien verdachte zou hebben gehandeld uit noodweer c.q. noodweerexces.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte geen geslaagd beroep op noodweer kan doen, omdat verdachte de hamer meegenomen heeft naar de woning van zijn vader met de kennelijke bedoeling deze te gebruiken (culpa in causa). De officier van justitie heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen ten aanzien van het beroep op noodweerexces.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, niet strafbaar.

Uitgaande van de hiervoor door de rechtbank op basis van de verklaring van verdachte vastgestelde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Ten aanzien van de door de officier van justitie aangevoerde culpa in causa overweegt de rechtbank dat gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg kunnen staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een wapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.

Nu dergelijke bijzondere omstandigheden onvoldoende aannemelijk zijn geworden is de rechtbank van oordeel dat het enkele door verdachte meebrengen van een hamer, ook ondanks het feit dat verdachte wellicht agressie van zijn vader verwachtte, een geslaagd beroep op noodweer niet in de weg staat.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of voldaan is aan de proportionaliteits- en subsidiariteitseis. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. In deze zaak richt de beoordeling zich vooral op de proportionaliteitseis.

Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij, als verdedigingsmiddel, niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.

De rechtbank is van oordeel dat aan deze eisen niet is voldaan. De rechtbank stelt voorop dat niet meer kan worden vastgesteld dan dat aangever de verdachte bij zijn trui vastpakte en tegen de muur aanduwde. Van slaan of andere soortgelijke aanvallende gedragingen van aangever is op dat moment niet gebleken. Nadat verdachte zijn vader succesvol van zich had verwijderd door hem van zich af te duwen, ontstond er tijd en ruimte voor verdachte om anders te handelen dan de hamer ter hand te nemen en daarmee in de richting van zijn vader te zwaaien. Immers, van meer dan het door aangever opnieuw op verdachte afkomen is op dat moment niet gebleken. Gelet op de gedragingen van aangever stond op dat moment het slaan met een hamer niet in een redelijke verhouding tot de aanranding. Het feit dat verdachte had te vrezen voor verdere agressie van zijn vader, dat zijn vader met opgeheven arm op hem af kwam en dreigde te gaan slaan, rechtvaardigde evenmin het ter hand nemen van de hamer. In dat verband hecht de rechtbank veel waarde aan de verklaring van verdachte dat zijn vader voordien, met uitzondering van een disciplinaire straf in verdachtes jongere jaren middels het slaan met een riem, nooit eerder met een wapen of voorwerp geweld tegen hem heeft gebruikt en dat voor verdachte nimmer eerder de noodzaak heeft bestaan om agressie van zijn vader met een wapen tegen te gaan. Eerdere confrontaties bestonden ‘slechts’ uit duwen, trekken en verbaal geweld en dus uit niet veel minder dan de onderhavige confrontatie. Redenen waarom verdachte de onderhavige confrontatie niet tot een goed einde had kunnen brengen zonder gebruik te maken van een wapen op de wijze zoals verdachte dat gedaan heeft, ziet de rechtbank niet.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweer niet kan slagen.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.

Op grond van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging. De rechtbank heeft daarbij vooral gelet op de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting dat hij niet helemaal meer beheerst was, maar ook niet alle controle kwijt was en gelet op het kordate handelen van verdachte zowel voor als na het incident, onder meer door zijn vader te helpen met water en een handdoek. Nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, verwerpt de rechtbank het verweer.

De rechtbank is van oordeel dat ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. De rechtbank concludeert dat het bewezen verklaarde het in de uitspraak vermelde strafbare feit oplevert en dat verdachte strafbaar is voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte ten aanzien van poging tot doodslag op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis in strafverzwarende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat het door verdachte meenemen van de hamer een planmatig karakter had. In strafmatigende zin heeft de officier van justitie rekening gehouden met het omtrent verdachte opgemaakte psychologische rapport en de omstandigheid dat geen sprake is geweest van een grove geweldsuiting gelet op het geringe letsel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn vader met een hamer tegen het hoofd geslagen en daarmee een groot gevaar voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. Het is niet aan verdachte maar louter aan geluk te danken dat het uiteindelijk bij relatief beperkt letsel is gebleven.

De rechtbank hecht enerzijds in voor verdachte nadelige zin waarde aan het gewelddadige karakter van het bewezenverklaarde, dat is gepleegd in de eigen woning van aangever. Anderzijds sluit de rechtbank de ogen ook niet voor het feit dat verdachte het geweld niet heeft geïnitieerd, maar daartoe – de grenzen van de verdediging weliswaar te buiten

gaand – is overgegaan nadat hij door aangever was aangevallen.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens zijn strafblad eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld, maar in strafmatigende zin weer met het feit dat de verhoudingen tussen verdachte en zijn vader een voorzichtig begin richting verbetering laten zien.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin verder rekening met het omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte psychologische rapport opgemaakt door drs. M.J.H. Legra, klinisch psycholoog, d.d. 21 juli 2018. Uit dit rapport volgt dat het door verdachte gepleegde strafbare feit in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend. Dit rapport houdt verder onder meer in:

Bij betrokkene is sprake van een periodiek explosieve stoornis, een persisterende complexe rouwstoornis, een stoornis in cannabisgebruik en persoonlijkheidsproblematiek in de vorm van afweren van agressie en andere pijnlijke gevoelens, antisociale en narcistische trekken. Genoemde problematiek was ook aanwezig tijdens het ten laste gelegde. Betrokkene heeft zijn leven lang een zeer moeizame relatie met zijn vader. Hij heeft nooit een band met hem gehad en kon niet met hem praten. Zijn vader benaderde hem vooral negatief. Vanuit zijn afweermechanisme om boosheid niet direct te beleven, stapelt de woede naar vader zich van binnen op, maar vindt geen uitweg. Het blowen maakt nog verder dat deze gevoelens weggestopt blijven. Betrokkene was overmatig aan zijn moeder gehecht, waardoor haar overlijden als een ingrijpend (hechtings)trauma kan worden beschouwd. Vanuit zijn patroon om pijnlijke emoties uit de belevingswereld te houden komt betrokkene niet tot een adequate rouwverwerking, maar stapelt alles zich van binnen op. Door de triggering dat vader een vrouw en dochter elders had kwam dit op explosieve wijze naar buiten. Ten gevolge van de antisociale en narcistische problematiek (niet willen conformeren aan gangbare regels, gebrekkige zelfsturing en het gevoel recht te hebben op een antwoord) kon deze agressieve lading onvoldoende geremd worden. De persisterende complexe rouwstoornis ten aanzien van het overlijden van moeder zorgde dat er nog meer woede getriggerd werd omdat het bedrog ook haar betrof. Het afweren van agressie en andere pijnlijke emoties, de persisterende rouwstoornis, het cannabisgebruik en de narcistische en antisociale persoonlijkheidstrekken verhogen het risico op een recidive, voornamelijk op agressie naar vader en in mindere mate naar broer. De intacte gewetensfunctie, de cognitieve vermogens, het vermogen tot empathie, de zorgzaamheid en het vermogen tot het behouden van werk verlagen het risico op een recidive. Om het risico op recidive terug te dringen is het vooral van belang dat betrokkene leert zijn emoties niet af te weren of te ontkennen, maar ze te beleven en op adequate wijze te laten afvloeien. Hierdoor zal het risico op stapeling van woede en pijn afnemen en daarmee het risico op een explosie van agressie bij triggering. Betrokkene zal hierbij het blowen moeten opgeven, omdat dit juist een verder wegsussen van gevoelens in de hand werkt. De gestagneerde rouw over het verlies van moeder zal opnieuw op gang gebracht moeten worden, zodat ook hier geen pijnlijke emoties in de binnenwereld van betrokkene blijven die het risico op recidive vergroten. Daarnaast zullen de zelfsturende vaardigheden van betrokkene vergroot moeten worden, waarbij het belangrijk is om in te zoomen op de aanloop tot en het moment zelf van de agressieve ontregeling, zodat betrokkene leert wat de signalen zijn en zichzelf tijdig kan gaan leren remmen. Gezien de bereidheid van betrokkene om zich te committeren aan een behandeling, het lage risico op geweldsdelicten buiten de gezinssituatie en gezien het feit dat betrokkene nog niet eerder een behandeling heeft gehad lijkt een ambulante psychotherapeutische behandeling binnen een reguliere GGZ-instelling het best passend. Het is hierbij wenselijk dat betrokkene geen direct contact mag hebben met zijn vader en broer, maar dat dit eventueel begeleid kan worden binnen een systeemtherapeutische interventie. Geadviseerd wordt om bovenstaande als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van dit rapport verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook rekening gehouden met het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 27 augustus 2018. De reclassering adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling bij Forensische Polikliniek De Omslag te Eindhoven of een soortgelijke zorgverlener en een contactverbod met het slachtoffer.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voorts heeft de rechtbank gelet op hetgeen in gevallen min of meer vergelijkbaar met de onderhavige aan straf is opgelegd.

Het uitgangspunt voor de strafoplegging bij een poging tot zware mishandeling met een wapen is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten 3 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt en de rechtbank van oordeel is dat de door de rechtbank op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 302.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

subsidiairpoging tot zware mishandeling Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich binnen twee dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114 in Eindhoven en zich daarna gedurende een door die reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

- zich laat behandelen door Forensische Polikliniek De Omslag in Eindhoven of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start direct na het ingaan van de proeftijd. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- op geen enkele wijze direct contact heeft of zoekt met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod. Indien betrokkene en [slachtoffer] willen toewerken aan contactherstel, dan is contact toegestaan in het bijzijn van de reclassering en/of GGZ-professional(s).

Reclassering Nederland, Regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. T. Dompeling en mr. T.J. Roest-Crollius, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 22 februari 2019.

mr. T.J. Roest-Crollius is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.