Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1006

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
17_2614
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

aanslagen toeristenbelasting voor 10 verschillende aan elkaar gelieerde eiser(e)s(sen) in verband met slaapgelegenheid bieden aan niet in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven arbeidskrachten op een champignonkwekerij. Er kan slechts één belastingplichtige zijn. Weliswaar is sprake van het houden van verblijf tegen vergoeding, maar er is geen sprake van een belastbaar feit conform de gemeentelijke Verordening toeristenbelasting. Beroepen gegrond. Aanslagen vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-04-2019
V-N Vandaag 2019/787
FutD 2019-1007
Belastingblad 2019/179 met annotatie van Redactie, A.W. Schep
V-N 2019/26.27.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 17/2614, 17/2673, 17/2674, 17/2675, 17/2676, 17/2677, 17/2678, 17/2679, 17/2680 en 17/2681

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2019 in de zaak tussen

[eiseressen]

, hierna aangeduid als eiser(e)s(sen) 2 tot en met 10,

(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Gemert-Bakel, verweerder

(gemachtigden: mr. E.G. Borghols, mr. L.J.E. Steyvers en drs. A.C.M. Felix-Vlemmings).

Procesverloop

Verweerder heeft op 31 december 2016 aan eiser(e)s(sen) 1 tot en met 10, ieder afzonderlijk en voor zich, aanslagen toeristenbelasting opgelegd voor het adres [adres] te [woonplaats] . Voor het belastingjaar 2013 betreft het € 27.125. Voor het belastingjaar 2014 gaat het ook om een bedrag van € 27.125.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 september 2017 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de bezwaren van eiser(e)s(sen) 1 tot en met 10 ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

Het beroep van eiseres 1 is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer

SHE 17/2614. De beroepen van eiser(e)s(sen) 2 tot en met 10 hebben een eigen zaaknummer gekregen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2018. De beroepen 17/2614, 17/2673, 17/2674, 17/2675, 17/2676, 17/2677, 17/2678, 17/2679, 17/2680 en 17/2681 zijn gevoegd behandeld. Eiser(e)s(sen) 1 tot en met 10 en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was aanwezig [naam] .

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend omdat het niet volledig is geweest.

Bij brief van 27 augustus 2018 heeft verweerder vragen van de rechtbank beantwoord.

Namens eiser(e)s(sen) is daarop gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres 1 is een dochtermaatschappij van

[bedrijf] B.V. Enig bestuurder is [naam] . Eiseres 1 exploiteert op het adres [adres] te [woonplaats] een champignonkwekerij. Voor de jaren 2013 en 2014 heeft zij de champignonoogst (op stam) verkocht aan [bedrijf] , te [vestigingsplaats] , Cyprus (hierna: [bedrijf] ). Volgens een koopovereenkomst van 3 mei 2013 zal [bedrijf] zelf zorg dragen voor de ‘inoogsting’ door middel van door haar in te schakelen derden, die daarbij gebruik mogen maken van de infrastructuur van eiseres 1, bestaande uit machines, materialen, transportmiddelen, energie, water, etc. In de verkoopovereenkomst is in artikel 5, onder c, het volgende bepaald: “De verkoper biedt de koper en/of de door de koper ingeschakelde derden gedurende de oogstperiode slaapgelegenheid aan.”

Geschil

1. In geschil is of verweerder terecht aanslagen toeristenbelasting over de jaren 2013 en 2014 heeft opgelegd aan eiser(s)es(sen) 1 tot en met 10. Hoewel het debat van partijen meer specifiek de vraag betreft of sprake is van het overnachten tegen een vergoeding, neemt dit niet weg dat de rechtbank in het kader van de vraag of de aanslagen terecht zijn opgelegd, dient na te gaan of verweerder bevoegd was die aanslagen op te leggen, waartoe vereist is dat het belastbare feit zich voordoet.

2. Niet in geschil is dat de in 2013 en 2014 voor de inoogsting ingeschakelde derden (arbeidskrachten) niet in de gemeentelijke basisadministratie waren ingeschreven en dat zij voor de duur van hun in die jaren verrichte werkzaamheden binnen de gemeente verblijf hebben gehouden.

Beoordeling door de rechtbank

3. Artikel 224, eerste lid, van de Gemeentewet zoals dit luidde in 2013.
“Ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven, kan een toeristenbelasting worden geheven.”

Vanaf 6 januari 2014 luidt de tekst als volgt.

“Ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, kan een toeristenbelasting worden geheven.”

4. De artikelen 1, 2 en 3 van de Verordeningen toeristenbelasting 2013 en 2014 van de gemeente Gemert-Bakel (hierna tezamen: de Verordening) luiden – voor zover van belang – als volgt:

“Artikel 1 Begripsomschrijvingen:

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

c: niet-beroepsmatig verhuurde ruimten: woningen en andere verblijven, of gedeelten daarvan, niet-zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, welke niet in hoofdzaak bestemd zijn als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden, doch wel in bepaalde perioden van het jaar voor die doeleinden worden verhuurd dan wel te huur aangeboden;

(…).

Artikel 2 Belastbaar feit

Ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente in hotels, pensions, vakantieonderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet- beroepsmatig verhuurde ruimten en op vaste standplaatsen tegen vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene (…) in de gemeente (…) zijn opgenomen/ingeschreven, wordt onder de naam 'toeristenbelasting' een directe belasting geheven.

Artikel 3. Belastingplicht

Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen.

(…).”

Belastingplichtige

5. Alvorens in te gaan op de vraag of het belastbare feit zich in 2013 en 2014 heeft voorgedaan, overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres 1 is in de koopovereenkomst vermeld als degene die slaapgelegenheid zal aanbieden. In overeenstemming daarmee heeft zij slaapgelegenheid ter beschikking gesteld ten behoeve van de voor de inoogsting ingeschakelde arbeidskrachten. Vaststaat dat de andere eiser(e)s(sen) dat niet hebben gedaan. Al om die reden kunnen de aan de andere eiser(e)s(sen) opgelegde aanslagen niet in stand blijven en komt de uitspraak op bezwaar in zoverre al voor vernietiging in aanmerking. Dat verweerder, zoals hij heeft aangevoerd, aan de andere eiser(e)s(sen) aanslagen heeft opgelegd om zijn rechten niet te verspelen doet hieraan niet af.

Het aanbieden van slaapgelegenheid tegen enige vorm van vergoeding

6. Eiseres 1 stelt zich op het standpunt dat de slaapgelegenheid om niet is aangeboden. Zij is daarvoor geen vergoeding overeengekomen en heeft deze evenmin ontvangen. Zij heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 13 maart 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:871). De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt en overweegt daartoe het volgende.

7. De zaak van eiseres 1 is niet vergelijkbaar met de zaak waarin gerechtshof
’s-Hertogenbosch op 13 maart 2015 uitspraak heeft gedaan. In die zaak was namelijk niet in geschil dat om niet slaapgelegenheid werd aangeboden. In de zaak van eiseres 1 gaat de rechtsstrijd van partijen daarentegen over de vraag of slaapgelegenheid is geboden tegen enige vergoeding.

8. Verweerder heeft voorts terecht het standpunt ingenomen dat uit de hiervoor genoemde koopovereenkomst van 3 mei 2013 tussen eiseres 1 en [bedrijf] , volgt dat de koper aan de verkoper (eiseres 1) voor de oogst op stam een prijs van € 65.000 zal betalen. Tot de door verkoper te leveren tegenprestatie behoren niet alleen de aan koper verkochte oogst op stam, maar ook het verlenen van toegang tot het perceel, het toestaan van gebruik van de bestaande infrastructuur en het aanbieden van slaapgelegenheid. In dit geval is in artikel 5, onder c, van de koopovereenkomst onder “Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:” ook vermeld “de verkoper biedt de koper en/of de door de koper ingeschakelde derden gedurende de oogstperiode slaapgelegenheid aan.” Uit de letterlijke tekst van de overeenkomst volgt dus dat partijen zijn overeengekomen dat eiseres 1 de slaapgelegenheid aanbiedt aan de [bedrijf] en/of derden. Er zijn geen overtuigende aanknopingspunten voor een andere uitleg.

9. Eiseres 1 heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet zij, maar [bedrijf] aan de voor de oogst ingeschakelde derden/arbeidskrachten gelegenheid tot verblijf heeft geboden en dat niet zij, maar [bedrijf] belastingplichtig is. De rechtbank volgt eiseres 1 niet in dit standpunt. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Uit de eerdergenoemde koopovereenkomst volgt dat de verkoper (eiseres 1) de slaapgelegenheid aanbiedt aan [bedrijf] of aan derden. Dat er voor de oogst ingeschakelde derden/arbeidskrachten nachtverblijf hebben gehouden op het adres [adres] , waar eiseres 1 is gevestigd, is niet in geschil. Eiseres 1 heeft voorts in een “legalisatie-aanvraag” vermeld dat deze (mede) wordt gevraagd voor het huisvesten van tijdelijke werknemers. Op de zitting heeft [naam] bovendien verklaard dat de deuren van het pand aan de [adres] in [woonplaats] altijd open waren en dat hij goed wil zijn voor de mensen die de champignons oogsten. De omstandigheid dat [bedrijf] de vergoeding voor het houden van nachtverblijf door de voor de oogst ingeschakelde arbeidskrachten aan eiseres 1 verschuldigd is en betaalt, brengt niet mee dat [bedrijf] degene is die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet en artikel 3, lid 1, van de Verordening. Dat [bedrijf] de slaapgelegenheid feitelijk heeft aangeboden en de in het arrest van 17 juni 2016 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:1201) genoemde bijkomende diensten heeft verleend, is weliswaar gesteld door eiseres 1, maar door haar niet aannemelijk gemaakt. De enkele verklaring ter zitting dat ene [naam] de contactpersoon van [bedrijf] was, is daartoe onvoldoende.

10. De conclusie is dus dat sprake is van het houden van verblijf tegen vergoeding en dat eiseres 1, indien dit houden van verblijf tegen vergoeding dient te worden aangemerkt als een belastbaar feit in de zin van artikel 2 van de Verordening, ter zake van dat feit belastingplichtig is.

Belastbaar feit

11. In antwoord op vragen van de rechtbank heeft verweerder zich in zijn brief van 27 augustus 2018 primair op het standpunt gesteld dat de accommodatie waarin de voor het oogsten ingeschakelde arbeidskrachten in 2013 en 2014 verblijf hebben gehouden, dient te worden aangemerkt als een niet-beroepsmatig verhuurde ruimte in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel c, van de Verordening, omdat de onderneming van eiseres 1 een champignonkwekerij is en eiseres 1 dus niet haar beroep maakt van de verhuur van ruimten aan derden. Dit standpunt volgt de rechtbank niet. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De slaapgelegenheid wordt aangeboden in het kader van de door eiseres 1 gedreven onderneming, bestaande uit de exploitatie van een champignonkwekerij. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat de vergoeding voor het bieden van slaapgelegenheid deel uitmaakt van de door eiseres 1 bedongen verkooprijs van de oogst op stam. Voorts heeft zij in de aanvraag tot legalisatie en de daarbij behorende modulebladen de vraag of het gaat om bedrijfsmatig of in het kader van verzorging verschaffen van nachtverblijf aan meer dan 10 personen bevestigend beantwoord. In de feiten is geen aanknopingspunt te vinden voor verweerders opvatting dat de slaapgelegenheid wordt aangeboden in het kader van een andere, los van de onderneming van eiseres 1 staande, werkzaamheid, zoals het verzorgen van de in de aan eiseres 1 ter beschikking staande ruimten verblijf houdende personen.

12. Ook verweerders argument dat het verblijf van de arbeidskrachten aangemerkt moet worden als vakantie of recreatie voor zover de werktijd niet precies aansluit op de verblijftijd, faalt. Het gaat hier om het bieden van verblijf aan arbeidskrachten. Het gaat niet om vakantiegangers of recreanten. Nog daargelaten dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt welk deel van de tijd die de arbeidskrachten hebben verbleven in de betreffende ruimten, volgens hem is besteed aan vakantie of recreatie.

13. Verweerder stelt voorts dat het houden van verblijf door de arbeidskrachten in de aan eiseres 1 ter beschikking staande ruimten dient te worden aangemerkt als het houden van verblijf met overnachten in een pension. Daartoe voert verweerder aan dat volgens de vergunning sprake is van slapen en een aantal voorzieningen zoals wasruimte, kantine, was- en kleedruimte, keuken, die het mogelijk maken dat de arbeidskrachten voor hun maaltijden en bedlinnenverzorging geheel terecht kunnen bij eiseres 1, dan wel bij iemand die daarvoor is ingehuurd. Verweerder wijst erop dat eiseres 1 geen enkel inzicht heeft geboden in de voorzieningen die zijn aangebracht voor de arbeidskrachten die vaak maanden in de betreffende ruimten verblijven en evenmin in de diensten die aan de arbeidskrachten gedurende hun verblijf worden verleend. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

14. Nu het begrip ‘pension ’in artikel 224 van de Gemeentewet niet wordt gebruikt en in de Verordening geen definitie van dit begrip wordt gegeven, dient er de betekenis aan te worden gegeven die er in het spraakgebruik aan toekomt. De rechtbank gaat hierna uit van de omschrijving van het begrip “pension” in de begrippenlijst van het Centraal Bureau voor de Statistiek, die naar haar oordeel een adequate verwoording van de betekenis van het begrip in het spraakgebruik is:

“Een accommodatie met slaapplaatsen voor logiesverstrekking in overwegend een- en tweepersoonskamers, waar afzonderlijke maaltijden, kleine etenswaren en dranken kunnen worden verstrekt aan gasten maar niet aan passanten.

Toelichting:

Een principieel verschil tussen een hotel en een pension is dat een hotel wel consumpties verstrekt aan passanten en een pension niet.”

15. [naam] heeft op de zitting van de rechtbank onweersproken verklaard dat het in het onderhavige geval gaat om een accommodatie met twee- tot vierpersoonskamers. In zoverre wijkt de accommodatie waarin eiseres 1 slaapgelegenheid aan de voor de oogst ingeschakelde arbeidskrachten biedt af van wat in het spraakgebruik onder een pension wordt verstaan. Gesteld noch gebleken is dat eiseres 1 aan de arbeidskrachten die verblijven in de haar ter beschikking staande ruimten maaltijden, kleine etenswaren of dranken verstrekt. Ook op dat punt wijkt de accommodatie waarin eiseres 1 slaapgelegenheid aan de voor de oogst ingeschakelde arbeidskrachten biedt af van wat in het spraakgebruik onder een pension wordt verstaan. De rechtbank acht daarnaast van belang dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat linnengoed wordt verstrekt en evenmin dat in de accommodatie waarin eiseres 1 slaapgelegenheid aan de voor de oogst ingeschakelde arbeidskrachten biedt, personeel aanwezig is dat zorgt voor het eten, drinken of het linnengoed. [naam] heeft alleen verklaard dat er iemand is die de werknemers naar binnen laat. Gelet op het een en ander is de rechtbank van oordeel dat van het houden van verblijf in een pension als bedoeld in artikel 2 van de Verordening geen sprake is.

16. Dat verweerder geen toegang heeft gekregen tot het bedrijf/terrein van eiseres 1 maakt dit niet anders. Verweerder had gebruik kunnen maken van de hem toekomende bevoegdheden. Verder heeft verweerders gemeente er nu eenmaal voor gekozen het belastbare feit in artikel 2 van de Verordening strenger te formuleren dan nodig volgens artikel 224 van de Gemeentewet. Er kan alleen belasting worden geheven als het belastbare feit zich voordoet, wat hier niet het geval is (zie de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 augustus 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO7535 en de conclusie van de AG bij de Hoge Raad van 9 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR6381 en het arrest van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2011:BR6381).

17. De conclusie is dan ook dat geen sprake is van een belastbaar feit, zodat geen grond bestaat eiseres 1 aan te merken als belastingplichtige.

18. De beroepen zijn gegrond. Dit betekent dat ook de aanslagen voor vernietiging in aanmerking komen.

Proceskosten

19. Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat, voor zover het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken op verzoek dienen te worden vergoed. De rechtbank stelt de vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs moesten worden gemaakt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage vast op in totaal € 381 wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er sprake is van één te vergoeden proceshandeling in bezwaar (indienen van één bezwaar-schrift in samenhangende zaken) en stelt de zwaarte van de zaak vast op gemiddeld waarbij het gaat om meer dan vier samenhangende zaken, wat correspondeert met wegingsfactor 1,5.

17. De rechtbank zal verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de proceskosten die eiser(e)s(sen) redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. De rechtbank stelt de vergoeding van die kosten op grond van het Bpb en de daarbij behorende bijlage vast op in totaal € 1.536 wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt één punt voor het indienen van één beroepsschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 512 per punt, toegekend. De wegingsfactor is 1,5 omdat het gaat om meer dan vier samenhangende zaken waarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde zwaarte. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder het door eiser(e)s(sen) betaalde griffierecht van in totaal € 333 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar van 13 september 2017;

- vernietigt de aan eiser(e)s(sen) 1 tot en met 10 opgelegde aanslagen toeristenbelasting over de jaren 2013 en 2014 van 31 december 2016;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser(e)s(sen) tot een bedrag van € 1.917;

- bepaalt dat verweerder aan eiser(e)s(sen) het betaalde griffierecht van € 333 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.S. Requisizione, voorzitter, en mr. C.F.E. van Olden-Smit en mr. G.J. van Leijenhorst, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. de Kruif, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.