Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:1003

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
01/997597-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontnemingsmaatregel EUR 1.683.559 in verband met veroordeling voor witwassen (ECLI:NL:RBOBR:2018:2088)’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer ontneming: 01/997597-15 Datum uitspraak: 13 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [1979] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam 1] .

Onderzoek van de zaak:

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 725.500,-- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Procesverloop.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 en 17 april 2018 en 15 januari 2019.

Op 11 januari 2018 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 725.500,--.

Op 16 april 2018 heeft de rechtbank beslist tot het doen volgen van een schriftelijke procedure ingevolge artikel 511d van het Wetboek van Strafvordering.

Op 1 mei 2018 heeft de officier van justitie een conclusie van eis ingediend.

Op 25 juni 2018 heeft de raadsman van veroordeelde een conclusie van antwoord ingediend.

Op 19 juli 2018 heeft de officier van justitie een conclusie van repliek ingediend.

Op 23 augustus 2018 heeft de raadsman van veroordeelde een conclusie van dupliek ingediend.


De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie.

Bij vordering van 11 januari 2018 heeft de officier van justitie gevorderd dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 725.500,--.

Bij conclusie van eis heeft de officier van justitie haar eis gewijzigd en het gevorderde ontnemingsbedrag primair bepaald op € 1.229.689,08 en subsidiair op € 1.097.385,38.

Ter terechtzitting van 15 januari 2019 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het te betalen ontnemingsbedrag moet worden vastgesteld op € 1.097.385,38.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie ter terechtzitting is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Primair bepleit de raadsman dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, omdat veroordeelde bij vonnis van 1 mei 2018 ten onrechte is veroordeeld voor witwassen en gewoontewitwassen.

Subsidiair bepleit de raadsman afwijzing van de vordering dan wel dat het gevorderde ontnemingsbedrag aanzienlijk dient te worden gematigd. De officier van justitie heeft het door de rechtbank in haar vonnis opgenomen theoretisch berekende bedrag van de door veroordeelde genoten huurinkomsten over de periode van 2006 tot en met 2010,

€ 612.650,--, ten onrechte niet aangemerkt als legale huurinkomsten en in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Indien op de door veroordeelde gedane contante stortingen (€ 1.019.180,-) de door de rechtbank theoretisch berekende contante huurinkomsten (€ 984.470,-) in mindering worden gebracht, resteert een niet door enige inkomstenbron te verklaren geldbedrag, mogelijk aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel, van slechts € 34.710,--. Anders dan de rechtbank in haar vonnis heeft gedaan, dienen de door de veroordeelde gemaakte kosten niet van de contante huurinkomsten te worden afgetrokken aangezien die kosten niet contant maar per bank zijn betaald.

Door de verdediging is een overzicht van een eigen berekening van de door veroordeelde genoten huurinkomsten overgelegd, waaruit blijkt dat veroordeelde in de periode van 2006 tot en met 2016 totaal € 1.484.030,-- aan huurinkomsten heeft genoten.

Meer subsidiair bepleit de raadsman dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen omdat een eventuele toewijzing van de ontnemingsvordering ertoe zal leiden dat twee maal hetzelfde voordeel van veroordeelde wordt afgenomen: door verbeurdverklaring in de hoofdzaak en door de ontnemingsvordering. Op die manier wordt er dubbel met veroordeelde afgerekend en dat kan en mag niet.

Meer meer subsidiair bepleit de raadsman dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, omdat de officier van justitie ondanks herhaaldelijk daartoe door de verdediging te zijn verzocht, geen nader onderzoek heeft ingesteld naar de herkomst van de huurinkomsten van veroordeelde in de periode van 2006 tot en met 2010.

Veroordeelde kan niet worden verweten dat hij niet over een huurdersadministratie beschikte. Dat veroordeelde geen huurdersadministratie heeft bijgehouden, kan in elk geval geen reden zijn om de huurinkomsten buiten beschouwing te laten bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het oordeel van de rechtbank.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank ziet in het meer subsidiaire standpunt van de verdediging aanleiding allereerst te onderzoeken of de gestelde samenloop van de ontnemingsvordering met de verbeurdverklaring zou dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank heeft de banktegoeden en de geschatte actuele waarde van het effectendepot in de hoofdzaak reeds verbeurdverklaard. De raadsman heeft bepleit dat ter voorkoming dat twee keer hetzelfde voordeel wordt afgenomen verrekening dient plaats te vinden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de reeds verbeurd verklaarde bedragen thans niet in mindering moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat het rechtbankvonnis in de hoofdzaak nog niet onherroepelijk is, nu hiertegen zowel door verdachte als door de officier van justitie hoger beroep is ingesteld.

De rechtbank stelt voorop dat een in de hoofdzaak opgelegde bijkomende straf, zoals een verbeurdverklaring, in beginsel niet van invloed is op het verloop van een ontnemingsprocedure en de hoogte van het ontnemingsbedrag.

De ontnemingsvordering dient zelfstandig, separaat van de eerdere verbeurdverklaring in de hoofdzaak, te worden beoordeeld.

Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering gemaakt indien en voor zover het vonnis in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan dan wel onherroepelijk is geworden.

Nu dit laatste niet het geval is ziet de rechtbank reeds daarom geen aanleiding de officier van justitie wegens samenloop van verbeurdverklaring met ontnemingsvordering niet-ontvankelijk te verklaren. De verdediging zal bezwaren tegen de samenloop van de verbeurdverklaring en de ontneming in de executiefase ingevolge de procedure ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering aan de orde kunnen stellen.

Conclusie.

De officier van justitie is ontvankelijk in haar ontnemingsvordering.

De bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 1 mei 2018 is veroordeelde veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen en het medeplegen van gewoontewitwassen (primair).

Veroordeelde is vrijgesproken van diverse onderdelen van het onder primair ten laste gelegde feit:

- een contante storting van € 25.000,-- op rekening van veroordeelde en/of [café 1] (A.1.3), omdat de rechtbank aannemelijk heeft geacht dat dit bedrag contante omzet betreft van het café, zodat van witwassen geen sprake kan zijn;

- een gedeelte van € 23.815,-- van een contante storting van € 73.965,-- ten name van

[café 2] (A.2), omdat de rechtbank aannemelijk heeft geacht dat dit bedrag contante omzet betreft van het café, zodat van witwassen geen sprake kan zijn;

- een gedeelte van € 870,-- van een contante storting van € 15.870,-- naar [schoonmoeder van veroordeelde] , de schoonmoeder van veroordeelde (A.5), omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat zij dit bedrag tegoed had in verband met door haar verrichte werkzaamheden in het [naam restaurant] ;

- een gedeelte van € 2.698,29 van storting van € 22.577,29 naar [partner] (B.3.1) omdat de rechtbank aannemelijk heeft geacht dat dit geld een salarisbetaling en betaling van vakantiegeld betreft;

- een storting van € 49.500,-- naar [betrokkene 2] (B.3.3), omdat de rechtbank niet heeft kunnen uitsluiten dat dit bedrag daadwerkelijk huurpenningen betreft waarop de begunstigde recht had;

- een storting van € 55.100,-- naar [betrokkene 2] (B.3.4), omdat de rechtbank niet heeft kunnen uitsluiten dat dit bedrag daadwerkelijk huurpenningen betreft waarop de begunstigde recht had;

- een storting van € 72.471,14 naar [betrokkene 3] (B.3.5), omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat [betrokkene 3] daadwerkelijk de rekeninghouder is van de bankrekening die in de tenlastelegging staat vermeld en hij ook daadwerkelijk heeft gewerkt in de shoarmazaak waarvan [bedrijf 1] eigenaar was;

- een storting van € 10.377,86 naar [schoonmoeder van veroordeelde] (B.3.6), omdat de rechtbank aannemelijk heeft geacht dat zij in het [naam restaurant] heeft gewerkt en salaris tegoed had van [bedrijf 1] ;

- een gedeelte van € 4.497,41 van storting van € 27.600,41 naar [betrokkene 4] (B.3.7), omdat naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk is geworden dat [betrokkene 4] in de restaurants van [bedrijf 1] heeft gewerkt en de vermelding “salaris, loon, vakantiegeld” daarmee overeenkomt;

- een storting van € 5.898,03 naar [betrokkene 5] (B.3.9), omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat [betrokkene 5] in het kader van zijn IT-werkzaamheden daadwerkelijk reiskosten maakte die ten laste kwamen van [bedrijf 1] ;

- een gedeelte van € 27.994,60 van storting van € 57.994,60 naar [partner] (B.4.3), de partner van veroordeelde, omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders van [partner] een woning huurden van veroordeelde en zijn partner en deze huurbetalingen telkens in bedragen tussen € 700,-- en € 1.500,-- werden gedaan;

- een storting van € 20.000,-- naar [betrokkene 4] (B.5.3), omdat de rechtbank niet kan uitsluiten dat [betrokkene 4] een betalingsverplichting had ten aanzien van [betrokkene 6] , vermoedelijk een familielid van veroordeelde;

- een storting van € 43.200,-- (B.6.3) en een storting van € 28.800,-- (B.6.4) naar de rekening van [betrokkene 7] , omdat uit het dossier volgt dat veroordeelde en zijn partner daadwerkelijk een pand hebben gehuurd van [betrokkene 7] in verband met toen bestaande toekomstplannen voor het opstarten van een onderneming door de partner van verdachte.

De rechtbank heeft ten aanzien van de overige contante stortingen, die opgeteld

€ 1.019,180,-- bedragen, geoordeeld dat dit door veroordeelde gepleegde witwashandelingen betreffen, omdat de herkomst van de betreffende bedragen is verhuld, verhuld is wie de rechthebbende van de bedragen is en omdat ten aanzien van de betreffende geldbedragen is vastgesteld dat zij geen legale herkomst hebben.

Meer in het bijzonder gaat het om de volgende posten en bedragen:

- stortingen op diverse bankrekeningen op naam van veroordeelde (€ 644.120,--; A.1);

- stortingen op de bankrekening van [café 2] (€ 50.150,--; A.2);

- stortingen op de bankrekening van veroordeeldes partner [partner] (€ 44.310,--; A.3);

- stortingen op de bankrekening van [betrokkene 4] (€ 210.600,--; A.4);

- stortingen op de bankrekening van veroordeeldes schoonmoeder [schoonmoeder van veroordeelde] (€ 15.000,-; A.5)

- stortingen op de bankrekening [bedrijf 1] (€ 55.000,--; A.6).

De FIOD heeft een rapport inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e, 2e lid Wetboek van Strafrecht (hierna: de ontnemingsrapportage) opgemaakt d.d. 12 juli 2017.

De rechtbank neemt de cijfermatige bevindingen uit dit rapport gedeeltelijk over, te weten voor wat betreft het als wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking nemen van het vervolgprofijt ten bedrage van € 78.205,38, bestaande uit de van [naam bedrijf] en [betrokkene 2] ontvangen huurpenningen inzake de verhuur van [straatnaam 2] / [straatnaam 3] te Eindhoven, en het in mindering brengen van de contante storting van € 25.000,-- op rekening van veroordeelde en/of [café 1] , en het in mindering brengen van een gedeelte van € 23.815,-- van een contante storting van € 73.965,-- ten name van [café 2] op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Hieronder licht de rechtbank nader toe op welke punten zij afwijkt van de bevindingen uit de ontnemingsrapportage.1

Contante stortingen door veroordeelde op eigen bankrekeningen en bankrekeningen van derden.

De FIOD heeft in de ontnemingsrapportage becijferd dat het totaalbedrag aan contante stortingen € 1.067.995,-- bedraagt. De rechtbank gaat met betrekking tot het totaalbedrag aan contante stortingen uit van een ander totaalbedrag dan de FIOD in haar rapport heeft becijferd, hoofdzakelijk omdat de rechtbank veroordeelde in de hoofdzaak ten aanzien van diverse contante stortingen heeft vrijgesproken van (medeplegen van) gewoontewitwassen.

De rechtbank heeft in de hoofdzaak vastgesteld dat veroordeelde in totaal € 1.019.180,-- aan contante stortingen op zijn eigen bankrekeningen en op bankrekeningen van derden heeft gedaan. Hieronder wordt toegelicht welke contante stortingen dit betreffen.

Contante stortingen op de rekening van veroordeelde en [café 1] . 2

Op een privérekening van veroordeelde, [rekeningnummer 1] , werden in de periode van 8 februari 2011 tot en met 24 september 2015 37 stortingen ontvangen met een totaalbedrag van € 421.320,--. Op een aantal data werden meerdere contante stortingen kort na elkaar gedaan. Zo werden op 24 september 2015 vier stortingen gedaan van opgeteld € 59.000,-- die plaatsvonden tussen 11:20 en 11:26 uur.

Tijdens het vijfde politieverhoor heeft veroordeelde verklaard dat hij dit geld zelf op zijn bankrekening heeft gestort.3

Op een privérekening van veroordeelde, [rekeningnummer 2] , worden in de periode van 19 april 2012 tot en met 24 september 2012 19 stortingen ontvangen met een totaalbedrag van € 192.800. Op een deel van deze data werden meerdere stortingen kort na elkaar gedaan. Zo werden op 24 september 2015 twee stortingen gedaan van opgeteld € 19.000,-- die plaatsvonden tussen 11:46 uur en 11:49 uur.

Tijdens het vijfde politieverhoor heeft veroordeelde verklaard dat hij deze contante stortingen heeft gedaan.4

Op de rekening van veroordeelde werd op 11 maart 2014 een contante storting ontvangen voor een bedrag van € 30.000,--. Bij deze overboeking staat als omschrijving terugbetaling van een lening van [naam] [bedrijf 2] .5

Contante stortingen op rekening van [café 2] . 6

Op de rekening van [café 2] , [rekeningnummer 3] , werden op 22 februari 2013 5 stortingen ontvangen met een totaalbedrag van € 50.150,--. Deze stortingen hebben binnen een tijdsbestek van in totaal 11 minuten bij dezelfde automaat plaatsgevonden en zijn met hetzelfde bankpasje verricht. Tijdens het vijfde politieverhoor heeft veroordeelde verklaard dat hij deze contante stortingen heeft gedaan.7

De omschrijving bij deze overboeking luidde: “lening t.b.v. hypotheek”. Het dossier bevat een hypotheekofferte van de [Bank] gericht aan [partner] ten bedrage van € 139.000,-- (DOC-022, op p. 916).

De rechtbank acht niet aannemelijk dat veroordeelde voornoemd bedrag daadwerkelijk heeft overgeboekt ter voldoening van een deel van het bedrag dat met de hypotheekofferte was gemoeid, omdat veroordeelde ter terechtzitting van 16 april 2018 heeft verklaard dat hij voornoemd bedrag naar [café 2] heeft overgeboekt om zo min mogelijk te laten opvallen dat het geld voor hemzelf was bestemd.

Contante stortingen op rekening van [partner] , de partner van veroordeelde. 8

Op de rekening van [partner] , [rekeningnummer 4] , werden in de periode van 7 september 2011 tot en met 22 april 2014 vijf contante stortingen ontvangen voor een totaalbedrag van € 44.310,--.

Tijdens het zevende politieverhoor heeft veroordeelde verklaard dat hij deze contante stortingen heeft gedaan.9

Contante stortingen op rekening van [betrokkene 4] . 10

Op de rekening van [betrokkene 4] , [rekeningnummer 5] , werd in de periode van 22 februari 2013 en 25 augustus 2015, 21 keer gestort voor een totaalbedrag van € 133.000,--. Op 22 april 2014 is negen keer gestort tussen 16:00 uur en 16:23 uur voor een totaalbedrag van € 98.500,--.

In de periode van 13 november 2015 tot en met 3 februari 2016 werd in totaal vier keer gestort op de rekening van [betrokkene 4] , [rekeningnummer 5] , voor een totaalbedrag van € 77.600,--.

Het totaalbedrag aan stortingen op de rekening van [betrokkene 4] bedraagt

€ 210.600,--.

Contante stortingen op rekening van [schoonmoeder van veroordeelde] , de schoonmoeder van veroordeelde. 11

Op de rekening van [schoonmoeder van veroordeelde] , [rekeningnummer 6] , werden op 3 januari 2011 en op 3 april 2013 contante stortingen gedaan voor een totaalbedrag van € 15.870,-- waarvan een gedeelte, te weten € 870,- door de rechtbank is aangemerkt als aan [schoonmoeder van veroordeelde] verschuldigd wegens door haar verrichte werkzaamheden.

De rechtbank heeft in het kader van het witwas-verwijt in de hoofdzaak bewezen verklaard tot een bedrag van € 15.000,--.

Contante stortingen op rekening van [bedrijf 1] 12

Op de rekening van [bedrijf 1] , [rekeningnummer 7] , werden in de periode van 12 januari 2011 tot en met 30 december 2013 contante stortingen gedaan voor een totaalbedrag van € 55.000,--.

Het totaalbedrag aan contante stortingen door veroordeelde op zijn eigen bankrekeningen en op bankrekeningen van derden bedraagt dus € 1.019.180,--.

Aangetroffen contante geldbedragen in de woning van veroordeelde op het adres [straatnaam 1] te Eindhoven en in [café 1] op het adres [straatnaam 4] te Eindhoven.

Op 5 april 2016 zijn in de woning van veroordeelde en in [café 1] diverse geldbedragen aangetroffen met een totale waarde van € 39.864. Op het adres [straatnaam 4] te Eindhoven ( [café 1] ) zijn diverse rolletjes muntgeld met een waarde van € 1.280,--, een contant geldbedrag met een waarde van € 35.800,--, geld in de kassa met een waarde van € 729,-- aangetroffen en inbeslaggenomen.13 In de woning van veroordeelde aan de [straatnaam 1] te Eindhoven is een contant geldbedrag met een waarde van € 2.055,-- aangetroffen en inbeslaggenomen.14 De rechtbank merkt het voornoemde totaalbedrag van € 39.864 aan als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het aankoopbedrag van de effectenportefeuille.

Verdachte had naar eigen zeggen eind 2008 een bedrag van € 71.727,-- beschikbaar voor de aankoop van effecten. De rechtbank is van oordeel dat de legale herkomst van dit geldbedrag niet aannemelijk is geworden, zodat zij het aankoopbedrag van de effectenportefeuille niet in mindering zal brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De waardestijging van de effectenportefeuille.

De rechtbank merkt op dat zij, anders dan in de hoofdzaak ten aanzien van de verbeurdverklaring is gedaan, voor de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan volstaan met een schatting van de actuele waarde van de effectenportefeuille, maar zal moeten beoordelen in hoeverre verdachte door waarde fluctuatie van zijn effectenportefeuille voordeel heeft genoten.

De rechtbank zal ter bepaling van de waardestijging van de effectenportefeuille het aankoopbedrag van het effectendepot (€ 71.727) in mindering brengen op de actuele waarde van de effectenportefeuille op 22 maart 201615 (€ 546.310,16) en stelt vast dat de totale waardestijging per die datum € 474.583,-- bedraagt.

Vermenging van contante stortingen en de contante omzet van veroordeelde uit de verhuur van diverse panden in de periode 2006 tot en met 2010 en in de periode van 2010 tot en met 2016.

De rechtbank heeft in het vonnis in de hoofzaak – ter beoordeling van de vraag of verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onaannemelijke verklaring heeft gegeven die dermate hout snijdt dat daarvoor het vermoeden van witwassen dient te wijken – aan de hand van de door verdachte overgelegde gegevens een theoretische berekening gemaakt van het totaalbedrag aan contante omzet uit de verhuur van de panden van veroordeelde in de periode van 2006 tot en met 2016.

Periode 2006 tot en met 2010

De FIOD heeft geen berekening gemaakt van de huuropbrengsten van 2006 tot en met 2010. De rechtbank heeft op basis van de door verdachte overgelegde gegevens een theoretische berekening gemaakt van de huuropbrengsten over die periode. Op basis daarvan is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat verdachte zou hebben kunnen beschikken over een totaalbedrag aan contante omzet van € 612.650,--.

Periode 2010 tot en met 2016

De FIOD heeft in de ontnemingsrapportage een theoretische berekening gemaakt van de contante omzet die door veroordeelde door verhuur van panden in de periode van 2010 tot en met 2016 is gegenereerd en die becijferd op € 627.200,--. De rechtbank heeft in het vonnis in de hoofdzaak op die uitkomst een bedrag van € 400,-- in mindering gebracht in verband met een dubbeltelling inzake de verhuur van [straatnaam 4] over het jaar 2010. Op basis hiervan is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat verdachte aldus over de periode van 2010 tot en met mei 2016 zou hebben kunnen beschikken over een totaalbedrag aan contante omzet van € 626.800,--.

De rechtbank heeft vervolgens in de hoofdzaak geoordeeld dat, zelfs indien de lezing van verdachte met betrekking tot de door hem ontvangen huurinkomsten wordt gevolgd, een onverklaarbaar vermogen resteert van € 676.101,--. Hierbij is opgemerkt dat de verklaring van verdachte allerminst sluitend is en slechts zeer beperkt verifieerbaar is gebleken.

Aldus is tot uitdrukking gebracht dat de verklaringen van veroordeelde niet tot gevolg hebben dat het vermoeden van witwassen dient te wijken. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat – nu geen aannemelijke legale herkomst kan worden aangenomen – het niet anders kan zijn dan dat de gelden – middellijk of onmiddellijk – van misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank overweegt dat uit het door verdachte zelf verstrekte overzicht van door hem ontvangen huurinkomsten (AMB-034, p. 51 t/m 54) op geen enkele wijze blijkt dat hij de door hem gedane contante stortingen heeft gedaan uit de door hem gestelde ontvangen huurinkomsten, en die daarmee ook heeft kunnen doen. Het overzicht bevat niet de hiertoe noodzakelijke concrete bedragen en saldi van de door verdachte gedane contante stortingen en de door hem ontvangen huurinkomsten, noch van de door hem gestelde gemaakte kosten, alles in de tijd bezien. Dit betekent dat de door verdachte ontvangen huurinkomsten niet door middel van concrete tijdstippen van in- en uitgaande overboekingen, de hoogte daarvan, in combinatie met eventuele omschrijvingen die bij betaalopdrachten worden gegeven, in verband kunnen worden gebracht met de door verdachte gedane contante stortingen. De door veroordeelde bij de conclusie van dupliek overgelegde stukken maken dit niet anders.

Tevens heeft de rechtbank in de hoofdzaak geoordeeld dat verdachte de contante stortingen op zijn eigen bankrekeningen telkens op verhullende wijze, door gebruik te maken van verschillende omschrijvingen zoals ‘lening’ heeft overgeboekt naar rekeningen van derden, zonder hieromtrent enige, althans onvoldoende, verdere onderbouwing of toelichting te hebben verschaft. De rechtbank stelt vast dat geen stukken zijn overgelegd die tot andere een andere conclusie nopen.

De rechtbank komt tot de conclusie, anders dan de verdediging, dat niet gebleken is van een legale herkomst van het in het vonnis in de hoofdzaak berekende bedrag van € 1.130.771,-- aan beschikbaar contant geld, noch is een legale herkomst aannemelijk gemaakt.

Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat bij vermenging van legaal en illegaal verkregen vermogen de ontnemingsrechter ervan uit mag gaan dat het legale vermogen van de betrokkene besmet is geraakt door vermenging met illegaal vermogen, zodat het uit dat vermogen betaalde geld gedeeltelijk – middellijk of onmiddellijk – afkomstig is uit eigen misdrijf (zie bijvoorbeeld HR 23 november 2010, NJ 2011, 44).

Dit betekent dat de rechtbank niet uitgaat van de in de hoofdzaak gehanteerde theoretische berekening van de door verdachte genoten huurinkomsten en dat zij deze niet in mindering zal brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op het hiervoor besprokene stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast:

Contante stortingen door veroordeelde op eigen bankrekeningen en bankrekeningen van derden

€ 1.019.180,--

Aangetroffen contante geldbedragen in de woning van veroordeelde en in [café 1]

€ 39.864,--

Aankoopbedrag effectenportefeuille

€ 71.727,--

Vervolgprofijt

€ 78.205,--

Waardestijging effectenportefeuille

€ 474.583,--

Wederrechtelijk verkregen voordeel

€ 1.683.559,--

In de omstandigheid dat de banktegoeden en de geschatte actuele waarde van het effectendepot in de hoofdzaak reeds verbeurdverklaard zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding het te ontnemen bedrag te verminderen met de waarde van de verbeurdverklaarde goederen. Zoals hiervoor reeds is overwogen dient de ontnemingsvordering zelfstandig, separaat van de eerdere verbeurdverklaring in de hoofdzaak, te worden beoordeeld, tenzij en voor zover het vonnis in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan c.q. onherroepelijk is geworden. Daarvan is in casu geen sprake.

Door veroordeelde is het standpunt ingenomen dat de kosten, bestaande uit hypotheeklasten, die hij per bank heeft betaald, in mindering moeten worden gebracht op het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter staving van dit standpunt heeft veroordeelde bankafschriften met betrekking tot [bank] rekeningnummer [rekeningnummer 1] en een onbekend rekeningnummer overgelegd uit 2015 en uit januari en februari 2016. De rechtbank volgt veroordeelde niet in zijn standpunt. Nog daargelaten dat uit de overgelegde gegevens – nu onder meer ten aanzien van rekeningnummer [rekeningnummer 1] is vastgesteld dat daarop bedragen zijn gestort zonder aannemelijke legale herkomst - niet blijkt dat deze kosten zijn betaald met gelden van legale herkomst, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gestelde bedragen aan kosten verband houden met de gestelde huurinkomsten 2006 - 2016, ziet zij geen aanleiding eventuele (giraal voldane) hypotheeklasten daarop in mindering te brengen.

De rechtbank ziet ook ambtshalve geen reden om kosten op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

1.683.559,-- (zegge: éénmiljoenzeshonderddrieëntachtigduizendenvijfhonderdnegenvijftig euro).

Legt aan [Bank] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.683.559,--

(zegge: éénmiljoenzeshonderddrieëntachtigduizendenvijfhonderdnegenvijftig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. L. Soeteman, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Klaar, griffier,

en is uitgesproken op 13 februari 2019.

1 Voor zover wordt verwezen naar bewijsmiddelen zijn deze opgenomen in de bewijsbijlage bij het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, 1 mei 2018, parketnummer: 01/997597-15. De gebezigde bewijsmiddelen zijn onderdeel van een proces-verbaal van de FIOD, dossiernummer: 56738, sluitingsdatum: 26 oktober 2016, aantal doorgenummerde pagina’s: 1749; een aanvullend proces-verbaal van de FIOD, dossiernummer: 6056738, sluitingsdatum: 12 juli 2017, aantal doorgenummerde pagina’s: 413.

2 Het proces-verbaal van analyse bankrekeningen [Bank] [AMB-006], p. 102 t/m 107 en een geschrift inhoudende een overzicht van contante stortingen [DOC-028], p. 951.

3 Het proces-verbaal van het vijfde politieverhoor van veroordeelde d.d. 30 maart 2016 [V-001-05], p. 424 t/m 434, i.h.b. p. 428.

4 Het proces-verbaal van het vijfde politieverhoor van veroordeelde d.d. 30 maart 2016 [V-001-05], p. 424 t/m 434, i.h.b. p. 428.

5 Het proces-verbaal van analyse bankrekeningen [Bank] [AMB-006], p. 102 t/m 107, een geschrift inhoudende een overzicht van contante stortingen [DOC-033], p. 956.

6 Het proces-verbaal van bevindingen verstrekking gegevens [café 2] [AMB-009], p. 115 en een geschrift inhoudende een overzicht van een contante storting [DOC-067], p. 1002.

7 Het proces-verbaal van het vijfde politieverhoor van veroordeelde d.d. 30 maart 2016 [V-001-05], p. 424 t/m 434, i.h.b. p. 430.

8 Het proces-verbaal van bevindingen verstrekking gegevens [partner] [AMB-007], p. 112 t/m 113 en een geschrift inhoudende een overzicht van contante stortingen [DOC-012], p. 880.

9 Het proces-verbaal van het zevende politieverhoor van veroordeelde d.d. 7 april 2016 [V-001-07], p. 453 t/m 465, i.h.b. p. 456.

10 Het proces-verbaal van bevindingen verstrekking gegevens [betrokkene 4] [AMB-010], p. 138 t/m 142 en een geschrift inhoudende een overzicht van contante stortingen [DOC-050], p. 979. Het proces-verbaal van bevindingen verstrekking gegevens [betrokkene 4] [AMB-039], p. 380 t/m 382 en een geschrift inhoudende een overzicht van contante stortingen [DOC-139], p. 1286.

11 Het proces-verbaal van bevindingen onder meer inhoudende een analyse van overboekingen door veroordeelde op rekening van [schoonmoeder van veroordeelde] [AMB-015], p. 133 t/m 135 en een geschrift inhoudende een overzicht van contante stortingen [DOC-094], p. 1086.

12 Het proces-verbaal van bevindingen analyse bankrekening [bedrijf 1] [AMB-014], p. 130 t/m 132 en een geschrift inhoudende een overzicht van contante stortingen [DOC-100], p. 1098.

13 Een kennisgeving van inbeslagneming met betrekking tot een doorzoeking in het [café 1] op het adres [straatnaam 4] te Eindhoven [KVI-001], p. 408 t/m 409.

14 Een kennisgeving van inbeslagneming met betrekking tot een doorzoeking in de woning van veroordeelde op het adres [straatnaam 1] te Eindhoven [KVI-002], p. 410 t/m 411.

15 Bijlage 1 bij het rapport berekening wederrechtelijk voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, onderdeel van het aanvullend proces-verbaal van de FIOD, p. 21.