Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:949

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
14-01-2019
Zaaknummer
17_3433
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:264, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving. Bootcampactiviteiten vallen onder het begrip “extensief recreatief medegebruik” in de planregels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/3433

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] , eiser 1

[eiser 2] , te [woonplaats] , eiser 2

(gemachtigde: mr. M. Peeters),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten, verweerder

(gemachtigde: T. Jeukens).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser 2 een preventieve last onder dwangsom van € 10.000,00 opgelegd, om te voorkomen dat eiser 2 na de datum van verzending van dat besluit het perceel aan de [weg] , kadastraal bekend sectie [sectienummer] , plaatselijk bekend [weg] ongenummerd, voor bootcampactiviteiten gaat gebruiken. Tevens is bij dat besluit eiser 1 en eiser 2 (eisers) onder oplegging van een dwangsom gelast de aangeplante coniferen op dit perceel aan de [weg] te verwijderen en verwijderd te houden. Deze dwangsom van € 5.000,00 verbeuren eisers elk als op of na 1 december 2017 op het perceel nog één of meer coniferen aanwezig zijn.

Bij brief van 22 november 2017 heeft verweerder ingestemd met het verzoek van eisers om het door hen tegen het besluit van 1 november 2017 gemaakte bezwaar door te sturen naar de rechtbank ter behandeling als rechtstreeks beroep, als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts heeft verweerder bij die brief de begunstigingstermijn voor het verwijderen van de coniferen verlengd tot 1 maart 2018.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die aan de uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

2.1.

Eiser 1 is eigenaar en eiser 2 is gebruiker van het betreffende perceel aan de [weg] . Op de gronden van het perceel [weg] rust volgens het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Asten 2016” de bestemming “Agrarisch met waarden” met de gebiedsaanduiding “Overige zone-kwetsbare soorten”.

2.2.

Na klachten van omwonenden hebben toezichthouders van de gemeente op

14 april 2017 geconstateerd dat op het betreffende perceel aan de [weg] materiaal is opgeslagen ten behoeve van zogenoemde bootcampactiviteiten, hetgeen - kort gezegd - sporten in de buitenlucht in groepsverband inhoudt. Verder hebben de toezichthouders vastgesteld dat een rij coniferen is aangeplant, waarmee het perceel is omzoomd.

2.3.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de voorgenomen bootcampactiviteiten van eiser 2 in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Asten 2016”. Daarmee zal eiser 2 artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) overtreden. De bootcampactiviteiten vallen namelijk volgens verweerder niet onder de term “extensief recreatief medegebruik” in de zin van artikel 1.49 van de planregels, maar onder “dagrecreatie” in de zin van artikel 1.43 van de planregels. Uit de omschrijving van de bestemming “Agrarisch met waarden” in artikel 7.1.1. van de planregels blijkt niet dat gronden met deze bestemming voor sportactiviteiten, zoals bootcamp, bestemd zijn.

Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het aanplanten van de coniferenhaag op het terrein aan de [weg] in strijd is met eerder genoemd bestemmingsplan en dat eisers daarmee artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo hebben overtreden. De coniferenhaag doet volgens verweerder afbreuk aan de natuur- en landschappelijke waarden van het betreffend gebied en past niet in het streven naar de ontwikkeling en het herstel ervan. Daarom is verweerder ook van mening dat de aanplant van de coniferen niet voor legalisatie in aanmerking komt. Er zijn verder volgens verweerder geen bijzonder omstandigheden op grond waarvan van handhaving zou moeten worden afgezien.

De bootcampactiviteiten

3.1.

Ingevolge artikel 5:7 van de Awb kan een herstelsanctie worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. In zijn uitspraak van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:935, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) overwogen dat uit deze bepaling volgt dat een besluit tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom slechts kan worden genomen als zich een gevaar voordoet van een overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden.

3.2.

Eiser 2 erkent dat hij de bootcampactiviteiten op het betreffende perceel aan de [weg] wil ontplooien, maar hij bestrijdt dat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Volgens eiser 2 vallen de voorgenomen bootcampactiviteiten namelijk onder het begrip “extensief recreatief medegebruik”. Daartoe heeft eiser 2 onder meer aangevoerd dat de bootcamp een paar keer per week zal plaatsvinden in groepsverband in de buitenlucht en dus uitsluitend gericht zal zijn op de natuur- en landschapsbeleving. De bootcampactiviteiten zullen volgens eiser 2 met name bestaan uit hardlopen, intervaltraining en fitnessoefeningen in de natuur. Er zal dan dus sprake zijn van kortdurend gebruik van het perceel. Door deze korte duur zullen de natuurwaarden behouden blijven en zal de ontwikkeling van de natuurwaarden niet worden aangetast. Daarbij komt dat niet het volledige perceel voor de bootcampactiviteiten zal worden gebruikt. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 7.200 m². Van een zeer beperkt deel daarvan zullen ongeveer

10 tot 15 personen tegelijkertijd gebruik maken. Gelet op de hoeveelheid personen zal het overgrote gedeelte van het perceel dus gedurende de tijd dat er bootcampactiviteiten plaatsvinden niet worden gebruikt. Bovendien zal niet alleen het perceel aan de [weg] voor de bootcamp ingezet worden.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat de bootcampactiviteiten die eiser 2 van plan is te gaan verrichten op het perceel aan de [weg] , zoals door hem beschreven en ter zitting toegelicht, vallen onder het begrip “extensief recreatief medegebruik” als bedoeld in de planregels. De rechtbank acht hierbij met name van belang dat eiser 2 van plan is in de toekomst op het perceel aan de [weg] slechts twee keer per week een bootcamptraining te gaan geven, dat hij voor deze trainingen niet uitsluitend gebruik zal maken van het perceel aan de [weg] , maar ook van de omliggende percelen en dat deze trainingen per keer maximaal 1,5 uur zullen duren. Verder heeft eiser 2 ter zitting aangegeven dat hij de voor deze trainingen benodigde materialen, zoals vrachtautobanden en touwen, na afloop van de training niet op het perceel aan de [weg] zal achterlaten. Van intensief gebruik van de gronden is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De voorgenomen bootcampactiviteiten van eiser 2 zijn dan ook niet in strijd met het bestemmingsplan. Dit zou anders kunnen zijn indien eiser 2 voormelde frequentie en/of duur van de trainingen op het betreffende perceel aan de [weg] verhoogt respectievelijk verlengt en/of de benodigde materialen na afloop van de trainingen op dat perceel laat liggen. Dat dit de intentie van eiser 2 is, is de rechtbank niet gebleken. Nu dus geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan, stelt de rechtbank vast dat verweerder niet bevoegd was om aan

eiser 2 een preventieve last onder dwangsom op te leggen om te voorkomen dat met het verrichten van de bootcampactiviteiten artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt overtreden.

3.4.

Het bestreden besluit moet dan ook worden vernietigd, voor zover daarbij ten aanzien van de voorgenomen bootcampactiviteiten een preventieve last onder dwangsom aan eiser 2 is opgelegd.

De coniferen

4.1.

Eisers betogen dat het voor hen vooraf niet duidelijk was welke bomen wel een bijdrage leveren aan behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschappelijke waarden en welke bomen niet. Eisers zijn van mening dat de coniferenhaag bijdraagt aan de ontwikkeling van de natuurwaarden van het perceel. De coniferenhaag zorgt namelijk voor een overgangssituatie van grasland naar struweel of bos. Voorts kunnen eisers zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat alleen groenvoorzieningen zijn toegestaan die van nature op het perceel groeien.

4.2.

De grond van het betreffende perceel aan de [weg] is bestemd voor onder meer

-kort gezegd- behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschappelijke waarden.

De rechtbank overweegt dat eisers vooraf bij de gemeente informatie hadden kunnen inwinnen over de soort bomen die volgens de gemeente wel of niet bijdragen aan de natuur- of landschappelijke waarden van het betreffende gebied. Gezien de omschrijving van natuurwaarden in artikel 1.88 van de planregels, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de coniferen niet bijdragen aan behoud, herstel en ontwikkeling van deze waarde, omdat coniferen van nature niet in het plangebied in Asten voorkomen en dus niet kenmerkend zijn voor dat gebied. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de aangeplante coniferenhaag evenmin bijdraagt aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden. Volgens verweerder, en eisers hebben dit niet weersproken, worden namelijk in het kleinschalig cultuurlandschap waarvan het perceel aan de [weg] deel uitmaakt, weilanden en akkers niet omzoomd met heggen. Dat met de aanplant van de coniferenhaag bedoeld is een overgang te realiseren tussen grasland en bos of struweel, zoals eisers hebben gesteld, maakt dit oordeel niet anders. Dat betekent dus dat het planten van de coniferen op het betreffende perceel aan de [weg] in strijd is met het bestemmingsplan. Daarmee hebben eisers artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, overtreden. Verweerder is dan ook bevoegd om handhavend op te treden ten aanzien van deze aangeplante coniferen.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.4.

Bijzondere omstandigheden die verweerder ertoe hadden moeten brengen af te zien van het gebruik van de bevoegdheid tot het opleggen van de last, zijn niet gesteld en zijn ook de rechtbank niet gebleken.

4.5.

Dit betekent dat het beroep van eisers tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij handhavend is opgetreden tegen de aanplant van de coniferen op het betreffende perceel aan de [weg] , ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder de begunstigingstermijn voor het verwijderen van de coniferen met twee weken

zal verlengen.

Proceskosten en griffierecht

5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser 2 gemaakte proceskosten. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.002,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, € 501,00 per punt).

6. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiser 2 het betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep van eiser 2 tegen het besluit van 1 november 2017, voor zover daarbij aan hem een preventieve last ten aanzien van de voorgenomen bootcampactiviteiten is opgelegd, gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 1 november 2017 in zoverre;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 1 november 2017 voor het overige, ongegrond.

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser 2 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 2 tot een bedrag van

€ 1.002,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Serno, rechter, in aanwezigheid van

A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 125 van de Gemeentewet, in verbinding met artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaalt dat het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft met bestuursdwang op te treden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:7 van de Awb bepaalt dat een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

Artikel 5:21 van de Awb bepaalt:

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:32 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

bepaalt:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1., derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 1.43 van de planregels bepaalt:

Dagrecreatie: activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan. Huifkarren worden hier mede onder begrepen.

Artikel 1.49 van de planregels bepaalt:

Extensief recreatief medegebruik: die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.

Artikel 1.77 van de planregels bepaalt:

Landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur

Artikel 1.88 van de planregels bepaaltː

Natuurwaarde: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

Artikel 7.1.1 van de planregels bepaalt:

De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. a. agrarisch grondgebruik;

b. b. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;

c. c. behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden;

d. d. behoud en bescherming van aardkundige waarden;

e. e. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;

f. f. extensief recreatief medegebruik;

g. g. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding –

veldschuur' tevens voor een veldschuur;

met de daarbij behorende:

h. h. doeleinden van openbaar nut;

i. i. groenvoorzieningen;

j. j. verhardingen;

k. k. waterhuishoudkundige voorzieningen;

l. l. voortuinen aansluitend aan en behorend bij (bedrijfs)woningen binnen de aangrenzende bestemmingen;

met dien verstande dat:

m. m. het gehele bestemmingsvlak mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, waarbij ter ondersteuning van dit medegebruik beperkte recreatieve voorzieningen zijn toegestaan zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

Artikel 32.14 van de planregels bepaalt:

Ter plaatste van de aanduiding “Overige zone- kwetsbare zone” is ten aanzien van behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden het beleid gericht op behoud van de biotoop van amfibieën (door bescherming van poelen, verspreide bomen, struwelen), kleine zoogdieren (door bescherming van ruigten, struwelen, houtsingels, ruige slootkanten), planten (goede waterkwaliteit, geen verstoorde bodem), dagvlinders (door bescherming van kleinschalig landschap, kruiden- en bloemrijke perceelranden en bermen, ruigten en soortenrijke overgangssituaties van grasland naar struweel of bos), (struweel)vogels (door bescherming van bosjes, houtwallen, hagen, kruidenrijke bermen en perceelranden).