Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:919

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
SHE 18/196
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verkeersbesluit afsluiting spoorwegovergang voor gemotoriseerd verkeer. Voorlopige voorziening afgewezen, verkeersbesluit in belang van verkeersveiligheid genomen, er zijn alternatieve routes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/196

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 maart 2018 in de zaak tussen

[verzoeker] , in [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, verweerder,

(gemachtigden: mr. E. Gerritsen en J. Sier)

Als derde-partij heeft aan dit geding deelgenomen [belanghebbende] , in [vestigingsplaats]

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2018 heeft verweerder een verkeersbesluit genomen (het verkeersbesluit).

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft de rechtbank laten weten dat wordt gewacht met de werkzaamheden totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Verzoeker is naar de zitting gekomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. [belanghebbende] heeft laten weten dat zij niet naar de zitting zal komen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Verzoeker woont op ongeveer 200 meter van de spoorwegovergang waar het verkeersbesluit op ziet.

Voorafgaand aan het nemen van het verkeersbesluit heeft verweerder advies ingewonnen bij de politie. De politiechef Oost-Brabant heeft positief geadviseerd over het afsluiten van de spoorwegovergang [naam] voor gemotoriseerd verkeer. Ook met [belanghebbende] is voorafgaand overleg geweest.

2. Bij het verkeersbesluit heeft verweerder besloten:

  • -

    om de spoorwegovergang [naam] af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer middels RVV bord Cl2;

  • -

    om de geslotenverklaring voor voertuigen breder dan 2.00 meter op te heffen op de [straatnaam] .

Volgens verweerder kan de spoorwegovergang als onveilig worden beschouwd, gelet op ongevalscijfers en diverse klachten over het passeren van de overgang door langzaam verkeer. [belanghebbende] wil de verkeersveiligheid voor langzaam verkeer op de spoorwegovergang verbeteren, waarvoor het volgens het verkeersbesluit noodzakelijk is om de spoorwegovergang voor gemotoriseerd verkeer af te sluiten. Als de spoorwegovergang voor gemotoriseerd verkeer wordt afgesloten, kan een haakse oversteek voor (brom)fietsers en voetgangers in beide richtingen aangelegd worden. Het gemotoriseerd verkeer van en naar [naam] kan gebruik maken van de [straatnaam] als alternatieve route. Die weg wordt geschikt gemaakt voor vrachtverkeer door de nu nog geldende breedtebeperking van 2.00 meter op deze weg op te heffen. Als belangrijkste uitgangspunten van het verkeersbesluit heeft verweerder genoemd het minimaliseren van overlast voor alle belanghebbenden, het beschermen van weggebruikers en het verbeteren van de verkeersveiligheid op de spoorwegovergang [naam] .

Belanghebbendheid verzoeker

3. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of verzoeker een rechtstreeks bij het verkeersbesluit betrokken belang heeft als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Tijdens de zitting heeft verzoeker toegelicht dat de spoorwegovergang die wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer, de straat waarin hij woont, kruist, zodat hij niet langer met de auto via die spoorwegovergang zijn straat kan uitrijden. De rechtbank ziet hierin reden om verzoeker als belanghebbende bij dit verkeersbesluit aan te merken.

Karakter van deze procedure: een voorlopige voorziening

4. Het gaat hier om een verzoek om een voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet

is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is vermeld dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

Onverwijlde spoed?

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, omdat verweerder zo snel mogelijk het verkeersbesluit wil uitvoeren waardoor de straat waarin verzoeker woont, bij de spoorwegovergang wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Dat er alternatieve routes voorhanden zijn, maakt niet dat er geen sprake zou zijn van onverwijlde spoed. Verzoeker kan op korte termijn worden geraakt door de gevolgen van het verkeersbesluit.

Voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het verkeersbesluit

6. Verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder wil in strijd met artikel 15, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en artikel 27 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) niet de geldende wettelijke termijnen afwachten voordat hij het verkeersbesluit uitvoert. Volgens verzoeker maakt het verkeersbesluit de spoorwegovergang niet veiliger en heeft verweerder daar geen onderzoek naar laten verrichten. Ook heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder geen overleg heeft gehad met omwonenden en de bij het besluit betrokken belangen niet juist heeft gewogen. De alternatieve route via de [straatnaam] is volgens verzoeker niet veilig. De bereikbaarheid van voorzieningen, zoals winkelcentra, het stadscentrum en de A2 wordt onevenredig belemmerd. Niet duidelijk is waarom de versmalling van de [straatnaam] nu kan worden opgeheven en wat de gevolgen daarvan zijn.

7. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) komt een college van burgemeester en wethouders bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe bij de uitleg van de begrippen “veiligheid op de weg”, “bruikbaarheid (van de weg)” en “vrijheid van het verkeer”. Het is aan het college om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en slechts moeten toetsen of het besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het college niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 12 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX7109) en van 13 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2451).

8. Anders dan verzoeker heeft betoogd, is het verkeersbesluit niet gebaseerd op artikel 15, tweede lid, van de WVW, maar op artikel 15, eerste lid, van de WVW. Zoals ook tijdens de zitting door verweerder is toegelicht, bestaat het verkeersbesluit uit het plaatsen van een verkeersbord en valt die situatie onder artikel 15, eerste lid, van de WVW. Dat het door het plaatsen van het verkeersbord verboden wordt voor gemotoriseerd verkeer om de spoorwegovergang te passeren, waardoor in zoverre sprake is van een beperking van het aantal categorieën weggebruikers, maakt niet dat de situatie niet langer onder artikel 15, eerste lid, van de WVW valt. Dit betekent dat artikel 27 van het BABW niet van toepassing is en verweerder niet een termijn van zes weken hoeft te wachten voordat hij het verkeersbesluit uitvoert. Dit betoog slaagt niet.

9. Naar aanleiding van het betoog van verzoeker dat het verkeersbesluit de spoorwegovergang niet daadwerkelijk veiliger maakt en dat verweerder dit niet heeft onderzocht, heeft verweerder op de zitting toegelicht dat de gemeente en [belanghebbende] al lange tijd contact hebben over de spoorwegovergang. [belanghebbende] heeft de gemeente laten weten dat daar regelmatig fietsers vallen. Als een fietser valt, is er niet veel tijd om de spoorwegovergang te verlaten voordat een trein passeert, zeker sinds de invoer van het spoorboekloos rijden in december 2017. Naar aanleiding van een incident met een fietser in januari 2018 zijn de gemeente en [belanghebbende] opnieuw bij elkaar gekomen om te kijken wat er op korte termijn kon worden gerealiseerd om de veiligheid te verbeteren. Daarbij is besloten dat het de situatie veiliger maakt als fietsers de spoorwegovergang haaks op de rails passeren. Die oversteek wordt drieënhalve meter breed, zodat er voldoende ruimte is voor de tegemoetkomende fietsers om elkaar te passeren. De gemeente plaatst het bord dat gemotoriseerd verkeer de overgang niet langer mag gebruiken waarna [belanghebbende] de voorzieningen kan treffen waardoor de fietsers de spoorwegovergang haaks kunnen passeren. Verweerder heeft ook toegelicht dat er acht spoorwegovergangen zijn in ’s-Hertogenbosch en dat dit de enige is die niet haaks op de rails wordt overgestoken, maar waar de oversteek bijna parallel loopt aan de rails. Hierdoor kunnen fietsbanden tussen de rails schieten en kunnen fietsers vallen. Bij de andere zeven spoorwegovergangen gebeuren deze incidenten niet. De voorzieningenrechter vindt dit een aannemelijke toelichting en vindt aannemelijk dat het verkeersbesluit bijdraagt aan een veiligere spoorwegovergang. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de bolling van het wegdek op de spoorwegovergang bijdraagt aan de onveiligheid van de overgang en het verkeersbesluit daar geen oplossing voor is, maakt dat nog niet dat de voorgestelde maatregel de veiligheid niet ten goede komt. Verweerder zal wel in het nog te nemen besluit op bezwaar inzichtelijk moeten maken welke afwegingen ten grondslag hebben gelegen aan het nemen van juist dit verkeersbesluit en waarop is gebaseerd dat het verkeersbesluit bijdraagt aan de veiligheid op de spoorwegovergang.

10. Tijdens de zitting heeft verweerder naar aanleiding van verzoekers betoog ook toegelicht hoe hij de bij het verkeersbesluit betrokken belangen heeft gewogen. Verweerder heeft hierbij de verkeersveiligheid zwaar kunnen laten meewegen. Ook heeft verweerder van belang kunnen achten dat er alternatieve routes beschikbaar zijn voor het gemotoriseerd verkeer. Over de alternatieve route via de [straatnaam] heeft verweerder verklaard dat de omstandigheid dat de [straatnaam] op een industrieterrein ligt en dat daar vrachtverkeer aanwezig is voor onder andere laden en lossen, nog niet betekent dat de weg niet veilig is. Volgens de gemeente zijn er geen klachten over die weg en is die breed genoeg om het verkeer daar te laten rijden. Ook zal de gemeente gaan handhaven op verkeerd geplaatste containers en zal de gemeente een deel van de begroeiing weghalen in verband met de sociale veiligheid. De versmallingen zijn destijds op de [straatnaam] geplaatst om te voorkomen dat er sluipverkeer via de spoorwegovergang naar [naam] reed. Omdat die route met het verkeersbesluit wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer, kunnen de versmallingen worden verwijderd. Ook is verweerder van plan om een tweede alternatieve route te creëren via de Treurenburg. De alternatieve routes zijn ongeveer anderhalf en twee kilometer langer dan de huidige route via de spoorwegovergang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dit redelijke alternatieven kunnen vinden en blijven de voorzieningen met een relatief korte omweg bereikbaar voor verzoeker. Dat de route via de [straatnaam] niet veilig is, heeft verzoeker niet voldoende onderbouwd met de door hem overgelegde foto’s. Verweerder zal in het nog te nemen besluit op bezwaar nader moeten motiveren hoe hij de bij het verkeersbesluit betrokken belangen heeft gewogen.

Dat er geen overleg met omwonenden is geweest voordat het verkeersbesluit is genomen, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet onzorgvuldig, omdat verweerder naar aanleiding van een ernstig incident met een fietser op de spoorwegovergang op korte termijn maatregelen ter bevordering van de veiligheid wil nemen. Ook dit betoog slaagt niet.

11. Hoewel het verkeersbesluit summier is gemotiveerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een zodanig onevenwichtige afweging van de betrokken belangen dat verweerder niet in redelijkheid het verkeersbesluit heeft kunnen nemen. Verweerder zal in het nog te nemen besluit op bezwaar gemotiveerd moeten ingaan op het betoog dat het verkeersbesluit niet voor een veiligere situatie zorgt en dat dit niet is onderzocht. Ook zal verweerder inzichtelijk moeten maken hoe hij de bij het verkeersbesluit betrokken belangen heeft gewogen. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. B. Rijkers-de Kam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.

De griffier is verhinderd voorzieningenrechter

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage: wettelijk kader

Op grond van artikel 2, eerste lid van de WVW kunnen de krachtens de WVW gestelde regels strekken tot het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van de veiligheid van weggebruikers en passagiers (sub a), het beschermen van weggebruikers en passagiers (sub b) het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan (sub c) en het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer (sub d).

In artikel 15, eerste lid, van de WVW is bepaald dat de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

Op grond van het tweede lid geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW worden verkeersbesluiten genomen door het college van burgemeester en wethouders voor zover het gaat om wegen die niet door het Rijk, de provincie of het waterschap worden beheerd.

Op grond van artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

In artikel 24, aanhef en onder a, van het BABW is bepaald dat verkeersbesluiten worden genomen na overleg met de korpschef.

In artikel 27 van het BABW is bepaald dat verkeersbesluiten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet in werking treden met ingang van de dag, nadat een termijn van zes weken na de dag waarop het besluit is bekend gemaakt, is verstreken.