Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:915

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
17_2289
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor activiteit milieu en activiteiten met invloed op de fysieke leefomgeving ten behoeve van een varkenshouderij.

Aan het besluit heeft geen akoestisch rapport ten grondslag gelegen; dat is pas bij het verweerschrift ingediend. De daarin omschreven wijze van ventileren wijkt af van de in de aanvraag beschreven wijze van ventileren. Als de inrichting overeenkomstig de aanvraag in werking zal zijn, kan niet worden voldaan aan geluidsvoorschrift 4.1.1 van het bestreden besluit. Dat de inrichting wel aan de gestelde geluidsnormen kan voldoen als de stallen 3,4 en 5 worden geventileerd overeenkomstig de in het akoestisch rapport aangegeven wijze, kan niet afdoen aan deze conclusie, omdat die wijze van ventileren geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag.

De rechtbank is niet duidelijk geworden, welke invloed de regelventilator in de zogenoemde cascaderegeling op de uittreesnelheid heeft. Deze ventilator is buiten de berekening gelaten, omdat deze minimaal zou ventileren. Het kan voorkomen dat een ventilator op vol vermogen in werking is en de regelventilator op half vermogen. Deze zal dan een niet onbelangrijke bijdrage leveren in de ventilatie, terwijl een uittreesnelheid van 10 m/s niet is gegarandeerd. In dit verband merkt de rechtbank op dat ingevolge de Gebruikershandleiding aanvrager moet onderbouwen dat de gemiddelde uitreedsnelheid hoger is dan 4 m/s.

De rechtbank kan niet goed beoordelen in hoeverre aan het in de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderijen Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0" opgenomen toetsingskader wordt voldaan. De rechtbank overweegt in dit verband dat er een relatie bestaat tussen de emissie van fijnstof en de verspreiding van endotoxinen. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat aan de op grond van de Notitie geldende minimale afstand wordt voldaan, maar heeft hieraan geen uitgewerkte toetsing ten grondslag gelegd. De rechtbank begrijpt ook niet verweerders stelling over de cumulatieve toetsing, waar in de Notitie niet over een concentratie aan woningen, maar over een concentratie aan veehouderijen wordt gesproken.

Volgt een tussenuitspraak waarin verweerder de gelegenheid wordt geboden om de geconstateerde gebreken te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/2289

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. N.S. Commijs),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, verweerder,

(gemachtigden: P. Wintjes, H. van de Boomen en A. van den Meerendonk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te [vestigingsplaats] ,

vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. A. van der Leest).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder vergunninghoudster een omgevingsvergunning 1e fase verleend voor:

  • -

    het veranderen, of het veranderen van de werking, en het in werking hebben van een inrichting (revisievergunning), als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2o en 3o, en 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo),

  • -

    het verrichten van een activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, in combinatie met artikel 2.2a, onder a, van het Besluit omgevingsrecht (Bor),

ten behoeve van een varkenshouderij op het perceel [adres] .

Eiser heeft bij brief van 14 augustus 2017, ontvangen 16 augustus 2017, tegen het bestreden

besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij de rapportage van een in opdracht van vergunninghoudster uitgevoerd akoestisch onderzoek van 1 november 2017.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn adviseur [naam] . Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [naam] , [naam] en [naam] . De laatste heeft ter zitting het woord gevoerd.

Overwegingen

1.1

De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep tijdig is ingesteld.

1.2

Onder het besluit is een rechtsmiddelenclausule geplaatst. Daarin is vermeld dat belanghebbenden tegen dat besluit beroep kunnen instellen binnen zes weken na de dag dat het besluit ter inzage is gelegd, na publicatie van de kennisgeving. De verzenddatum op het besluit is 29 juni 2017.

Omdat de rechtbank het beroep op 16 augustus 2017 heeft ontvangen, ruim zes weken na 29 juni 2017, heeft zij eiser in de gelegenheid gesteld om schriftelijk aan te geven waarom hij het beroep na afloop van de beroepstermijn heeft ingediend.

1.3

Eiser heeft in zijn brief van 24 augustus 2017 aangegeven dat hij het beroep op de laatste dag van de beroepstermijn en daarmee tijdig heeft ingediend. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een kopie van de publicatie van het besluit in "De Mooi Bernheze krant" van 5 juli 2017 bijgevoegd.

1.4

In dit geval vangt de beroepstermijn, op grond van de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in combinatie met artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd.

1.5

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat het besluit op dezelfde dag als de publicatie daarvan, 5 juli 2017, ter inzage is gelegd. Hiervan uitgaande begon de beroepstermijn op 6 juli 2017 en eindigde zij op 16 augustus 2017.

Het beroep is dus tijdig ingesteld.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

De varkenshouderij beschikt over een revisievergunning van 4 maart 2009.

De aanvraag heeft betrekking op de wijziging van de stallen 3 en 4 en uitbreiding van de inrichting met een nieuwe stal met nummer 5. Verder heeft de vergunning betrekking op het in overeenstemming brengen van de bestaande situatie met de feitelijke situatie. De omvang van de inrichting omvat, na de wijzigingen, 6.899 vleesvarkens, 840 opfokzeugen, 2.520 gespeende biggen en 4 volwassen paarden. Omdat er meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens zijn, is sprake van het veranderen van een bestaande IPPC-installatie binnen de inrichting.

Op 4 juli 2016 hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Deze verklaring houdt in dat de aangevraagde activiteiten aan de voorwaarden van artikel 19kh, zevende lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 voldoen en daarom effecten van die activiteiten op Natura 2000-gebieden op voorhand zijn uitgesloten, zodat geen vergunning ingevolge die wet nodig is en er geen belemmeringen zijn om de omgevingsvergunning te verlenen.

3.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld. Volgens eiser heeft verweerder zich, bij zijn beslissing dat geen milieueffectrapport behoefde te worden opgesteld, gebaseerd op een niet volledige aanmeldnotitie. Zo worden de milieueffecten in de omgeving gebagatelliseerd, terwijl er sprake is van een substantiële stijging van de geuruitstoot, de ammoniakemissie en de uitstoot van fijnstof. De ammoniakemissie heeft effecten op een zeer kwetsbaar gebied op 254 meter afstand en op andere natuur op korte afstand van de inrichting. Ter zitting heeft eiser in dat kader betoogd dat ook als aan de geldende normen wordt voldaan, dit niet betekent dat geen nadelige effecten optreden.

Verder wordt volgens eiser een dierenbestand aangevraagd dat niet realistisch is. Er wordt ruimte gevraagd voor gespeende biggen en opfokzeugen, terwijl nergens is onderbouwd dat deze dieren ook daadwerkelijk op het bedrijf zullen worden gehouden. Het aantal vleesvarkens is met opzet zo laag gehouden dat dit ligt onder de grens waarbij een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Nu de aangevraagde biggen en opfokzeugen (wellicht) als vleesvarkens zullen worden gehouden is de grens in kolom C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) overschreden en had een milieueffectrapport moeten worden opgesteld.

3.2

Volgens verweerder overschrijdt de uitbreiding van het aantal dieren de in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r genoemde dieraantallen niet. Volgens verweerder miskent eiser met zijn opmerking over het realiteitsgehalte van de aangevraagde activiteiten, dat op grond van voorschrift 5.1.1 van de vergunning in stal 5 maar maximaal 840 opfokzeugen mogen worden gehouden, zodat vergunninghoudster in overtreding zal zijn als andere dieren worden gehouden.

De in onderdeel D van de bij het Besluit m.e.r. genoemde dieraantallen worden wel overschreden, zodat moet worden beoordeeld of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die maken dat er toch een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Verweerder heeft op 20 oktober 2015, op basis van drie door vergunninghoudster ingediende aanmeldnotities, geoordeeld dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen.

De inrichting voldoet volgens verweerder ruimschoots aan de op de grond van de Wet geurhinder en veehouderij en de geurverordening van de gemeente Bernheze opgenomen geurnormen. De ammoniakemissie is getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij en de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij. Voor ammoniak voldoet de inrichting aan de Beste Beschikbare Technieken (BBT). Verder is de inrichting niet gelegen in een zeer kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij of in een zone van 250 meter daaromheen. Ook wat de emissie van fijnstof betreft, wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde voor fijnstof PM10 in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer en aan de richtwaarde voor fijnstof PM2,5.

3.3

Tussen partijen is niet in geschil dat, als uitgegaan wordt van het aantal dieren in de aanvraag, de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat er een verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport. Eisers twijfel over de bedrijfsopzet van vergunninghoudster kan niet leiden tot het ontstaan van een dergelijke verplichting.

Overigens heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat, als in plaats van opfokzeugen vleesvarkens worden gehouden, sprake is van een overtreding en handhavend zal worden opgetreden. De vergunning zou zelfs kunnen worden ingetrokken, als deze ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen besluiten om bij de voorbereiding van het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning geen milieueffectrapport te verlangen, omdat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

De in het besluit van 20 oktober 2015 vervatte afweging geeft een compleet beeld van de in het kader daarvan te maken globale afweging van de milieugevolgen en van de mate waarin aan de te stellen normen kan worden voldaan. In redelijkheid kan, op basis hiervan, worden geoordeeld dat van belangrijke nadelige gevolgen geen sprake is.

3.5

De rechtbank volgt eiser niet in zijn opvatting dat er een milieueffectrapport moet worden gemaakt, omdat sprake is van een zeer kwetsbaar gebied op 450 meter en een aanzienlijke toename van de ammoniakemissie. De enkele omstandigheid dat een kwetsbaar gebied ligt nabij de inrichting heeft niet tot gevolg dat reeds hierom nadelige gevolgen kunnen worden verwacht. In het kader van de in dit geval te beantwoorden vraag óf een milieueffectrapport moet worden gemaakt, is verweerders standpunt, dat geen sprake is van belangrijke milieugevolgen als aan de eisen van de Wet ammoniak en veehouderij wordt voldaan, alleszins verdedigbaar. Gelet op het toetsingskader in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG, thans richtlijn 2011/92/EU, valt niet in te zien dat verweerder van vergunninghoudster meer had moeten te verlangen.

Dit betoog van eiser faalt.

4.1

Volgens eiser is de akoestische situatie van de inrichting niet goed in beeld gebracht. In voorschrift 4.2.1. van de omgevingsvergunning is opgenomen, dat er binnen 3 maanden nadat de inrichting in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht een akoestisch onderzoek moet worden gedaan naar het voldoen aan de geluidvoorschriften. Vooraf is dus niet duidelijk of de aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan. Voorafgaande aan de vergunningverlening is er geen akoestisch rapport opgesteld. De in paragraaf 12.6 van het besluit opgenomen conclusie dat de geluidsbelasting door onder andere indirecte hinder aanvaardbaar is en dat wordt voldaan aan de gestelde normen, is dan ook niet onderbouwd.

Eiser acht het niet aannemelijk dat aan de normen kan worden voldaan. Het aantal dieren wordt meer dan verdrievoudigd en er komen geluidsbronnen zoals ventilatoren bij. Eiser acht het verder niet realistisch dat het aantal verkeersbewegingen in verband met transport van voeders, dieren en mest niet zal veranderen. Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgrond met betrekking tot de incidentele afvoer van spuiwater ingetrokken.

4.2

Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het door de inrichting geproduceerde geluid, heeft verweerder gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998". Gelet op de aarde van de omgeving, mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van (geluids-) gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A), gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De maximale geluidsniveaus van de inrichting op de gevel van die gebouwen mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A).

De dichtstbijzijnde woning [adres] ligt op 87 meter van de inrichting. Volgens verweerder is niet aannemelijk dat in de representatieve bedrijfssituatie de, overeenkomstig de Handreiking, in de voorschriften 4.3.1 en 4.3.2 vastgelegde geluidsniveaus worden overschreden. Hetzelfde geldt voor de verderaf gelegen woning van eiser aan de [adres] .

Gelet op de afstand van de inrichting tot de dichtstbij gelegen woningen is het verkeer van en naar de inrichting volgens verweerder bij die woningen al opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Er is daarom geen sprake van indirecte geluidhinder door het verkeer van en naar de inrichting.

4.3

De rechtbank volgt eiser in zijn opvatting dat, ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning, niet was aangetoond dat aan de gestelde geluidsniveaus werd voldaan. De door verweerder getrokken conclusie berustte daarmee op aannames. Verweerder heeft het besluit dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen.

4.4

Pas bij de indiening van het verweerschrift heeft verweerder een akoestisch rapport overgelegd, dat de aannames van verweerder lijkt te bevestigen. Uit dit rapport kan worden afgeleid dat bij het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een andere wijze van ventileren van de stallen 3, 4 en 5 dan is aangevraagd .

In de aanvraag is sprake van een zogenoemde cascaderegeling, waarbij een regelventilator met variërend toerental wordt gebruikt, totdat de ventilatiebehoefte een bepaalde grens bereikt. Op dat moment wordt een volgende ventilator op vol vermogen ingeschakeld en schakelt de regelventilator terug. Deze wordt vervolgens gebruikt om de oplopende ventilatiebehoefte tot de volgende grens op te vangen, waarna de volgende ventilator op vol vermogen wordt ingeschakeld. Dit gaat door tot alle ventilatoren, behalve de regelventilator, op volle capaciteit draaien.

Volgens het akoestisch rapport is er sprake van een dimensionering op overcapaciteit. Rekening houdende met de cyclus in de dierbezetting, waardoor nooit alle dieren gelijktijdig op maximaal gewicht zullen zijn, wordt uitgegaan van een factor van 75% van de maximaal benodigde ventilatiecapaciteit op warme zomerse dagen. Dit resulteert in een maximaal toerental van de ventilatoren van 62,25% van het maximale toerental. De ventilatoren staan aan of uit. Als ze aan staan, worden ze tot maximaal 62,25% van het maximale toerental ingesteld. In de dag- en avondperiode zullen alle ventilatoren in werking zijn. In de nachtperiode zal maximaal de helft van de ventilatoren per stal, met gebruikmaking van een cascaderegeling, ingeschakeld zijn. In verband met de toerentalverlaging is bij de berekening een bedrijfsduurcorrectie toegepast van 10,29 dB(A). Onder tabel 3 in paragraaf 4.3 van het rapport is weliswaar aangegeven dat dit verband houdt met de toerentalverlaging in de nachtperiode, maar de rechtbank gaat er, gelet op de zojuist genoemde uitgangspunten van de berekeningen, vanuit dat dit verband houdt met de omstandigheid dat gedurende de nacht maximaal de helft van de ventilatoren per stal ingeschakeld is.

4.5

Ter zitting heeft eiser, in reactie op het akoestisch rapport, gesteld dat de in dit rapport beschreven wijze van ventileren afwijkt van de wijze van ventileren zoals die is beschreven in de aanvraag. De in het akoestisch rapport beschreven wijze van ventileren heeft mogelijk akoestische voordelen, maar de wijze van geurverspreiding zal daardoor anders zijn.

4.6

De rechtbank heeft, mede op basis van deze door eiser gemaakte opmerkingen, de consequenties van het geconstateerde verschil in uitgangspunten ter zitting met partijen besproken. Bij de geurberekening met V-stacks vergunning is, op basis van de in de aanvraag beschreven cascaderegeling, gerekend met een uittredesnelheid bij de emissiepunten van de stallen 3, 4 en 5 van tien meter per seconde. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat deze uittredesnelheid daalt, als met de toerentalverlaging uit het akoestisch rapport rekening wordt gehouden. Daardoor zal de geurbelasting, ten opzichte van de in de aanvraag berekende geurbelasting, toenemen, omdat de lucht minder zal worden verspreid. Als wordt geventileerd op de wijze die in de aanvraag is omschreven, zal niet aan de in de vergunning opgenomen geluidsnormen kunnen worden voldaan.

4.7

Hiermee is komen vast te staan dat, als de inrichting overeenkomstig de aanvraag in werking zal zijn, niet kan worden voldaan aan geluidsvoorschrift 4.1.1 van het bestreden besluit. Het bestreden besluit kan daarom niet - ongewijzigd - in stand blijven.

Dat de inrichting wel aan de gestelde geluidsnormen kan voldoen als de stallen 3,4 en 5 worden geventileerd overeenkomstig de in het akoestisch rapport aangegeven wijze, kan niet afdoen aan deze conclusie, omdat die wijze van ventileren geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag.

Dit betoog van eiser slaagt.

5.1

Volgens eiser zijn de berekeningen van de geurbelasting bij de aanvraag niet juist uitgevoerd. De geurbelasting in de omgeving zal volgens hem hoger zijn dan in de vergunning is opgenomen. Eiser merkt in dit verband op dat bij de aangevraagde cascaderegeling een van de ventilatoren van het ventilatiesysteem zal functioneren als regelventilator. De uitstroomsnelheid van deze ventilator zal dan ook niet steeds 10 meter per seconde zijn, terwijl daar in de berekening wel vanuit is gegaan. Bovendien zijn de ventilatoren in de avond voor 75% en in de nacht voor 50% van de ventilatiecapaciteit in werking.

Ook mag, op grond van paragrafen 3.5.3 en 3.6.5 van de Gebruikershandleiding V‑stacks vergunning van mei 2017 (verder: de Gebruikershandleiding), de uitstroomsnelheid niet worden bepaald door het aan- of uitstaan van een of meer ventilatoren.

Ook heeft verweerder de geuremissie van de (opslag van) bijproducten niet correct in beeld gebracht. Niet is aangegeven welke bijproducten zullen worden opgeslagen en wat de geuruitstoot van deze producten is. Omdat de geurbelasting van deze producten niet is meegewogen in het besluit, heeft er volgens eiser, in samenhang met geur vanuit de dierverblijven, geen juiste beoordeling plaatsgevonden.

5.2

Verweerder heeft de geurbelasting, afkomstig van het houden van dieren, berekend met gebruikmaking van de Gebruikershandleiding. Op grond van de gemeentelijke geurverordening mag de geurbelasting op geurgevoelige objecten, in het gebied rondom de inrichting, 3, 8 en 10 OUE/m3 bedragen. Voor alle gevoelige objecten wordt volgens verweerder aan de eisen voor de maximaal toegestane geurbelasting voldaan. Verweerder merkt de woning [adres] aan als een woning bij een veehouderij. Die woning is gelegen op een afstand van 243 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt.

Voor diercategorieën zonder geuremissiefactor is de woning aan de [adres] van belang. De afstand van deze woning tot het dichtstbijzijnde emissiepunt bedraagt 190 meter en tot de buitenzijde van het dichtstbijzijnde dierenverblijf 87 meter, waarmee aan de eisen wordt voldaan. Daarmee wordt volgens verweerder aan de Wet geurhinder en veehouderij voldaan.

5.3

Verweerder is bij de bepaling van de geurbelasting, uitgegaan van een uittreesnelheid bij de emissiepunten van de stallen 3, 4 en 5 van 10 m/s.

Bij de berekening van die uittreesnelheid moet volgens verweerder, conform de Gebruikershandleiding, worden uitgegaan van gemiddelde ventilatienormen zoals opgenomen in paragraaf 3.6.5 van de Gebruikershandleiding. De hierin opgenomen ventilatienormen zijn representatieve gemiddelden, waarbij rekening is gehouden met onder andere de groeifasen van de dieren, hun ventilatiebehoefte en de pieken en dalen van seizoensinvloeden. Uit de plattegrondtekening bij de aanvraag blijkt dat de ventilatoren van de stallen 3, 4 en 5 zijn geplaatst achter de luchtwasser. De berekende uittreesnelheid in de stallen 3 en 4 is 13,9 m/s en in stal 5 12,3 m/s. Hogere snelheden dan 10 m/s kunnen niet in V-Stacks vergunning worden ingevoerd, zodat volgens verweerder in de berekening terecht is uitgegaan van 10 m/s.

Voor alle woningen in de omgeving blijft de berekende geurbelasting ruim beneden de toegestane geurbelasting. Gelet op de ruime marge acht verweerder het aannemelijk dat ook bij een lagere uittreesnelheid dan 10 m/s aan de geurnormen kan worden voldaan.

De geurbelasting van brijvoer en bijvoederproducten is volgens verweerder niet verdisconteerd in de geuremissie uit dierverblijven. Er is sprake van de opslag van gangbare bijproducten tarwemeel en aardappelstoomschillen - die weinig tot geen geurhinder geven en die binnen worden opgeslagen in gesloten silo's en bunkers. Verder worden zij verwerkt in een voerkeuken die binnen is gesitueerd. De opslag van vaste bijproducten wordt rechtstreeks geregeld in paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit. Voor zover vloeibare bijvoedermiddelen zouden worden opgeslagen, zou de opslag rechtstreeks worden geregeld in paragraaf 3.4.7 (opslaan van vloeibare bijvoermiddelen) van het Activiteitenbesluit. Hiermee kan het aspect geur vanwege deze opslag niet in het kader van de vergunning worden geregeld.

Voor de brijvoerinstallatie zijn specifieke voorschriften aan de vergunning verbonden waarmee geurhinder van deze producten in voldoende mate wordt voorkomen.

5.4

Op basis van de stukken en de inrichtingstekening stelt de rechtbank vast dat stal 5 wordt uitgevoerd met een centraal afzuigkanaal, waarin de luchtwasser is geplaatst. De ventilatoren bevinden zich achter de luchtwasser. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn opvatting dat de omstandigheid dat de ventilatoren in de avond voor 75% en in de nacht voor 50% van de ventilatiecapaciteit in werking zijn, bijdraagt aan een lagere uittreesnelheid dan 10 m/s. Weliswaar is onder de tabel op pagina 28 van de bijlage bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning aangegeven dat de werking van de ventilatoren overdag 100%, 's avonds 75% en 's nachts 50% van de ventilatiecapaciteit bedraagt, maar, gelet op de cascaderegeling van de ventilatoren wordt dit niet bereikt door een dienovereenkomstige verlaging van het toerental van de ventilatoren, maar doordat minder ventilatoren aanstaan.

Voor de opvatting van eiser, dat op grond van de Gebruikershandleiding de uitstroomsnelheid niet mag worden bepaald door het aan- of uitstaan van een of meer ventilatoren, heeft de rechtbank in de Gebruikershandleiding geen grondslag kunnen vinden. In tegendeel, in paragraaf 3.6.3 van de Gebruikershandleiding is aangegeven dat dit bij een cascaderegeling is toegestaan. Ventilatoren die niet worden gebruikt, moeten in dat geval wel zijn afgesloten, wat in de aanvraag moet worden aangegeven. In dit geval is onder iedere ventilator een diafragmaschuif gemonteerd die bij uitval van de ventilator automatisch wordt gesloten.

5.5

De rechtbank is niet duidelijk geworden, welke invloed de regelventilator op de uittreesnelheid heeft. Deze ventilator is buiten de berekening gelaten, omdat deze minimaal zou ventileren. Het kan, in de beschreven cascaderegeling, voorkomen dat een ventilator op vol vermogen in werking is en de regelventilator op half vermogen. Deze zal dan een niet onbelangrijke bijdrage leveren in de ventilatie, terwijl een uittreesnelheid van 10 m/s niet is gegarandeerd. In dit verband merkt de rechtbank op dat ingevolge de Gebruikershandleiding aanvrager moet onderbouwen dat de gemiddelde uitreedsnelheid hoger is dan 4 m/s.

De rechtbank acht het bestreden besluit op dit punt niet voldoende zorgvuldig voorbereid en genomen.

Het betoog van eiser slaagt in zoverre.

5.6

Wat de opslag van bijproducten betreft, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer daarvoor rechtstreeks werkende regels bevat. Aan de, op grond van die regels, geldende minimumafstand van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom wordt voldaan. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn opvatting dat de geuraspecten van deze opslag niet in de geurberekening konden worden betrokken.

Dit onderdeel van het betoog van eiser faalt.

6.1

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat provinciale staten van Noord-Brabant op 17 maart 2017 nieuwe maatregelen hebben aangekondigd om te komen tot een duurzame transitie van de veehouderij in Noord-Brabant. Omdat uit de aanvraag blijkt dat het plan niet past binnen het geldende bouwvlak voor het bedrijf, zal er daarom eerst een ontheffing voor aanpassing van bouwvlak moeten komen, zal moeten worden voldaan aan de Brabantse zorgvuldigheidsscore en zal moeten worden "gestaldeerd". De achtergrondconcentratie voor geur is hoger dan 20 OUE/m3.

6.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening volgt in fase 2. Toetsing aan de Verordening ruimte Noord-Brabant (VrNB) zal daarom ook in fase 2 plaatsvinden.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat de normen van de VrNB geen onderdeel uitmaken van het toetsingskader van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Ook dierenwelzijnsaspecten spelen in het toetsingskader van artikel 2.14 van de Wabo geen rol.

Dit onderdeel van eisers betoog faalt.

7.1

Eiser wijst op de toepassing van volledige roostervloeren in stallen 1 en 2. Dat is in strijd met dierenwelzijnseisen en deze stallen kunnen niet worden gezien als BBT.

7.2

Dierenwelzijn vormt volgens verweerder geen aspect dat in het kader van de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu aan de orde kan komen.

Volgens verweerder voldoen de stallen 1 en 2 aan BBT, omdat op grond van het Besluit emissiearme huisvesting (het Besluit) mocht worden gesaldeerd en eveneens wordt voldaan aan de eisen van de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, een bij de Regeling omgevingsrecht aangewezen BBT-document.

7.3

Niet in geschil is dat wordt voldaan aan het Besluit. Daarmee voldoet de gehele inrichting aan de BBT ook al zijn de stallen 1 en 2 traditionele stallen. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraak van 1 juli 2009, (ECLI:NL:RVS:2009:BJ1142) heeft overwogen dat het bevoegd gezag er bij het verlenen van een vergunning voor een veehouderij van moet uitgaan dat, wanneer de huisvestingsystemen waarop het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij van toepassing is voldoen aan de in deze algemene maatregel van bestuur gestelde eisen, tevens wordt voldaan aan het vereiste dat de geuremissie van het huisvestingsysteem moet overeenkomen met toepassing van de BBT. De rechtbank ziet niet in dat dit anders is, nu het Besluit geldt in plaats van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij .

Dit betoog van eiser faalt.

8.1

Volgens eiser is het niet juist dat er binnen 250 meter van het bedrijf geen gevoelige bestemmingen zijn gelegen. Eisers woonlocatie is op slechts 150 meter gelegen en andere woningen op nog kortere afstand.

Door de sterke toename van emissie van fijnstof en ammoniak is een toetsing door de GGD nodig. Er is geen onderzoek gedaan naar de concentratie PM2,5 in de omgeving. Niet is komen vast te staan dat de gezondheidssituatie van omwonenden is veiliggesteld.

Op basis van VGO-rapporten uit 2016 en 2017 moet worden aangenomen dat niet aan de verbetering van de leefsituatie in de omgeving wordt toegekomen en mogelijk niet kan worden voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit, zodat de gezondheidssituatie in de omgeving kan verslechteren.

8.2

Verweerder stelt dat de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting) het wettelijk kader vormen voor de beoordeling van het aspect ammoniak. Op grond van de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij (Beleidslijn) gelden in dit geval verdergaande eisen.

De huisvestingssystemen voldoen aan de eisen voor de toepassing van de BBT.

Ook op inrichtingsniveau voldoet de inrichting aan de eisen voor de toepassing van de BBT. De aangevraagde ammoniakemissie bedraagt 8.302,7 kg per jaar, ondanks dat voor de stallen 1 en 2, vanwege de traditionele stalsystemen, intern is gesaldeerd. Als alle huisvestingssystemen zouden voldoen aan de maximale emissiewaarden van het Besluit huisvesting, zou de ammoniakemissie 12.904 kg per jaar bedragen. De aangevraagde ammoniakemissie is daarmee 4.611,3 kg per jaar lager.

Uit de berekening van de ammoniakemissie, overeenkomstig de Beleidslijn, komt naar voren dat de bestaande ammoniakemissie weliswaar wordt verhoogd, maar 1.147,1 kg lager is dan de ammoniakemissie zou mogen bedragen op basis van de nieuwe, gecorrigeerde, maximale emissiewaarde.

Het dichtstbijzijnde dierenverblijf ligt op 254 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Aan de minimale aftandseis van de Wav wordt dan ook voldaan.

Binnen 50 meter van de inrichting liggen geen percelen waar voor ammoniak gevoelige gewassen, zoals vermeld in het rapport Stallucht en Planten van 1 juli 1981, worden geteeld. Ook worden er binnen een zone van 25 meter van de inrichting geen minder gevoelige planten en bomen, zoals vermeld in het rapport, geteeld. Aan de eisen van dit rapport wordt voldaan.

Het wettelijk toetsingskader voor fijnstof wordt gevormd door de milieukwaliteitseisen op basis van titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Uit de ISL3a-berekening blijkt dat de inrichting ter plaatse van de dichtstbij gelegen woning ten hoogste 24,32 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof PM10. Daarmee is de bijdrage weliswaar in betekenende mate, maar voldoet deze wel aan de geldende grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat uit onderzoek van het RIVM is gebleken dat, als de jaargemiddelde concentratie fijnstof PM10 lager ligt dan 32,5 µg/m3, de kans op overschrijding van de concentratie fijnstof PM2,5 kleiner is dan 1%. Aannemelijk is dan ook dat ook de grenswaarde voor fijnstof PM2,5 niet wordt overschreden. In het verweerschrift neemt verweerder het standpunt in dat, gelet op artikel 5:17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in combinatie met het Besluit maatregelen richtwaarden, ten aanzien van PM2,5 sprake is van een richtwaarde, die geen toetsingsmaatstaf vormt s voor het nemen van een eerste fase beschikking milieu.

8.3

Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet bestrijdt dat verweerder bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft gehandeld in overeenstemming met de Wav, de Beleidslijn en hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Vast staat dan ook dat de vergunning overeenkomstig de voor de emissie van ammoniak en fijnstof geldende wettelijke voorschriften is verleend. Wat de waarde voor fijnstof PM2,5 betreft, volgt de rechtbank verweerder in diens opvatting dat van een grenswaarde geen sprake is.

Het betoog van eiser faalt in zoverre.

8.4

Bij het beoordelen van de risico’s voor de volksgezondheid, veroorzaakt door emissies vanuit veehouderijen, heeft verweerder gebruik gemaakt van de "Handreiking Veehouderijen en Volksgezondheid" (Handreiking) en de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderijen Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0" (Notitie). De Handreiking bevat een stappenplan, aan de hand waarvan de afweging wordt gemaakt of een GGD-advies noodzakelijk is. Er wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor de aspecten geur en stof en binnen een afstand van 250 meter van de inrichting zijn geen specifieke gevoelige bestemmingen of de bebouwde kom gelegen. Bovendien zijn er diverse maatregelen genomen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen. Ook gelden de eisen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Op grond van de toetsing aan de Handreiking is er dan ook geen sprake van een verhoogd risico dat een reden zou vormen om de GGD om advies te vragen.

Aan de hand van de Notitie kan, op basis van lopend onderzoek in het kader van de ontwikkeling van een landelijk endotoxinetoetsingskader, per locatie en voor iedere individuele pluimvee- of varkenshouderij in Nederland worden bepaald of de endotoxineblootstelling hoger zal zijn dan de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3. In de notitie zijn afstanden genoemd. In dit geval is de woning [adres] het dichtstbij gelegen gevoelige object, op een kleinste afstand van 190 meter van een emissiepunt van de inrichting. Daarmee wordt voldaan aan de op grond van de Notitie geldende minimale individuele afstand van 130 meter. Omdat binnen deze afstand geen woningen van derden zijn gelegen, is ook cumulatief gezien geen sprake van een risicogebied.

8.5

De rechtbank kan niet goed beoordelen in hoeverre aan het in de Notitie opgenomen toetsingskader wordt voldaan. De rechtbank overweegt in dit verband dat er een relatie bestaat tussen de emissie van fijnstof en de verspreiding van endotoxinen. In bijlage 2 bij de Notitie is een afstandsgrafiek (grafiek 3) opgenomen, aan de hand waarvan, op basis van de fijnstofemissie in kilogrammen per jaar, kan worden bepaald welke afstand tot gevoelige objecten zou moeten worden aangehouden. Ook gelden voor veedicht gebied strengere eisen. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat aan de op grond van de Notitie geldende minimale afstand wordt voldaan, maar heeft hieraan geen uitgewerkte toetsing ten grondslag gelegd. De rechtbank begrijpt ook niet verweerders stelling over de cumulatieve toetsing, waar in de Notitie niet over een concentratie aan woningen, maar over een concentratie aan veehouderijen wordt gesproken. Verweerder heeft, gelet hierop, het bestreden besluit op dit punt onvoldoende, dat wil zeggen op een niet controleerbare wijze, onderbouwd.

Het betoog van eiser slaagt in zoverre.

9. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de in de rechtsoverwegingen 4.6, 4.7, 5.5 en 8.5 van deze uitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. De rechtbank geeft hierbij de volgende aanwijzingen:

  • -

    Het herstel kan slechts plaatsvinden door middel van een nieuw besluit waarbij het bestreden besluit wordt ingetrokken;

  • -

    Verweerder zal duidelijk moeten onderbouwen welk stalsysteem (meer in het bijzonder, welke wijze van ventilatie) is vergund en dat met dit stalsysteem wordt voldaan aan de geldende geurnormen en de gestelde geluidsvoorschriften. Aanvraag en vergunning zullen met elkaar moeten overeenstemmen. Zo nodig zal de aanvraag hierop moeten worden aangepast;

  • -

    Verweerder zal een inzichtelijke toetsing aan de Notitie (inzake endotoxinen) moeten overleggen.

De rechtbank zal bepalen dat afdeling 3.4 van de Awb bij de voorbereiding van het herstelbesluit buiten toepassing blijft.

10. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder.

11. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. Uit proceseconomische redenen kan een tweede behandeling toch plaatsvinden als een geschil over de beslissing op de tweede fase van de omgevingsvergunning tussentijds bij deze rechtbank aanhangig wordt gemaakt. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

12. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op om binnen twee weken de rechtbank mede te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om, binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak, de in rechtsoverweging 8 van haar uitspraak genoemde gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- bepaalt dat afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft bij de voorbereiding van het nieuwe besluit;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.