Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:834

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
17_1608
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stopzetting bezoldiging. Dit besluit blijft in stand omdat eiseres niet heeft voldaan aan haar (re-integratie)verplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1608

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

het Dagelijks Bestuur van het Werkbedrijf Atlant de Peel, verweerder

(gemachtigde: mr. V.L.S. van Cruijningen).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het salaris, salaristoelage(n) en de opbouw IKB met ingang van 31 januari 2017 stopgezet.

Bij besluit van 12 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook waren namens verweerder aanwezig mr. E. Vergouwen en [naam] (voormalig leidinggevende van eiseres).

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres was totdat zij haar werkzaamheden in april 2015 had gestaakt wegens ziekte, werkzaam voor de gemeente Helmond bij het Werkplein Regio Helmond. Na een eervol ontslag wegens reorganisatie per 1 oktober 2016 is eiseres vanaf die datum aangesteld bij verweerder.

2. Met een e-mailbericht van 17 januari 2017 heeft de toenmalige leidinggevende van eiseres haar verzocht een afspraak te maken voor het samen invullen van de eindevaluatie en het compleet maken van het dossier voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In reactie daarop heeft eiseres diverse stukken opgevraagd die zij nodig had voor de WIA-aanvraag. Bij e-mailberichten van 24 en 25 januari 2017 heeft de leidinggevende eiseres vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 27 januari 2017. Eiseres heeft in de e-mail van 26 januari 2017, na ontvangst van een deel van de gevraagde stukken, geschreven dat haar zienswijze wezenlijk anders is dan die van de werkgever en dat het om die reden niet zinvol is de gemaakte afspraak doorgang te laten vinden. Deze berichten zijn grotendeels verzonden vanaf en aan het Gmailadres van eiseres.

3. Nadat eiseres op 27 januari 2017 niet op de geplande afspraak is verschenen, heeft verweerder in de brief van (eveneens) 27 januari 2017 geconstateerd dat eiseres weigert de eindevaluatie te ondertekenen die nodig is in het kader van de WIA-aanvraag, dat zij niet is verschenen op het gesprek over onder andere dit onderwerp en dat zij daarom niet voldoet aan haar re-integratieverplichtingen. Verweerder heeft eiseres een laatste kans gegeven en eiseres opnieuw uitgenodigd voor een gesprek om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, dat zou plaatsvinden op 31 januari 2017 om 11:00 uur. In deze brief is eiseres erop gewezen dat een herhaalde weigering te verschijnen, net als een doorgaande weigering medewerking te verlenen aan het opstellen en indienen van een eindevaluatie, zal worden aangemerkt als plichtsverzuim. Er is ook op gewezen dat dit zal leiden tot verplicht voorgeschreven stappen waaronder het stopzetten van het salaris, de salaristoelagen en opbouw IKB.

4. Op 30 januari 2017 heeft eiseres twee e-mailberichten gestuurd waarbij zij haar ongenoegen heeft geuit over de gang van zaken. Bij brief van 30 januari 2017 heeft verweerder eiseres laten weten dat het gesprek toch doorgang zal vinden. Dit bericht is diezelfde dag om 15:28 uur ook per e-mail naar het Gmailadres van eiseres verzonden.

5. Eiseres is niet op het gesprek van 31 januari 2017 verschenen. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Bij besluit van 28 februari 2017 heeft verweerder de bezoldiging per 24 februari 2017 hervat, aangezien eiseres zich vanaf dit moment weer heeft gehouden aan haar re-integratieverplichtingen.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie, het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen, nu zij niet is verschenen op het gesprek van 31 januari 2017, zodat voor verweerder op grond van artikel 7:14, tweede lid, van de CAR/UWO de verplichting bestaat om de doorbetaling van het salaris, de salaristoelagen en de opbouw IKB te staken.

7. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

8. Op grond van artikel 7:14, aanhef en tweede lid, onder b, van de CAR/UWO worden de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB (…) gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel b.

9. Uit de e-mailwisseling tussen eiseres en haar toenmalig leidinggevende en de brief van 27 januari 2017 blijkt duidelijk dat verweerder eiseres wilde uitnodigen voor het gesprek op

27 januari 2017 om samen met eiseres de eindevaluatie in te vullen en over die eindevaluatie met eiseres in gesprek te gaan, alsmede om de stukken voor de WIA-aanvraag te completeren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus een geldige reden had om eiseres uit te nodigen voor dit gesprek. Eiseres is vervolgens niet verschenen op dit gesprek. De (ex)leidinggevende heeft eiseres op 26 januari 2017 weliswaar bericht dat hij het betreurde dat zij niet samen de eindevaluatie invullen en dat hij deze in concept naar eiseres toe zou sturen, maar hij heeft ook geschreven dat de afspraak op de 27e in zijn agenda blijft staan.

10. In de brief van 27 januari 2017, waarin eiseres een laatste kans is gegeven, wordt duidelijk vermeld dat eiseres niet is verschenen op een gesprek over de eindevaluatie en de WIA-aanvraag. Ook is in die brief vermeld dat het niet verschijnen op het volgende gesprek (dat op 31 januari 2017 zou plaatsvinden) zal worden aangemerkt als plichtsverzuim en dat daaraan de genoemde consequenties zouden worden verbonden. Eiseres is wederom niet verschenen op het gesprek. Dat eiseres het niet zinvol achtte om bij het gesprek aanwezig te zijn, is geen rechtvaardiging om niet te voldoen aan de haar bij brief van 27 januari 2017 opgelegde verplichting om aanwezig te zijn bij het gesprek van 31 januari 2017. Eventuele verschillen van mening over de inhoud van de eindevaluatie of het actueel oordeel van de bedrijfsarts konden immers tijdens dat gesprek besproken worden, zoals dat ook later alsnog is gebeurd op 24 februari 2017. In de e-mails van eiseres in reactie op de uitnodiging voor het gesprek van 31 januari 2017 ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om haar niet verschijnen te rechtvaardigen.

11. Opgemerkt wordt verder dat verweerder in de brief van 17 februari 2017 ook andere redenen heeft benoemd voor de stopzetting van de bezoldiging, zoals het niet meewerken aan de overdracht van gegevens van de oude bedrijfsarts naar de nieuwe bedrijfsarts. Verweerder wordt hierin niet gevolgd omdat het beweerdelijke niet meewerken aan de overdracht niet in de uitnodiging van 27 januari 2017 wordt vermeld. Dit neemt echter niet weg dat eiseres had behoren te verschijnen op het gesprek van 31 januari 2017 zoals overwogen onder punt 10.

12. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij in de ochtend van het bewuste gesprek eerst revalidatie heeft gehad en vervolgens naar een uitvaart is geweest. Bij terugkomst zag zij verweerders brief van 30 januari 2017 en de e-mail van gelijke strekking. De ter zitting ingenomen stelling van eiseres dat zij de uitnodiging voor het gesprek van 31 januari 2017 om 11:00 uur pas heeft ontvangen in de middag van 31 januari 2017, acht de rechtbank niet geloofwaardig. In haar beroepschrift heeft eiseres immers vermeld dat zij op 28 januari 2017 een aangetekend schrijven van haar werkgever heeft ontvangen met dagtekening 27 januari 2017, waarin haar een laatste kans werd gegeven alsnog aan haar re-integratieverplichtingen te voldoen. Dit is de brief van 27 januari 2017 waarin de afspraak voor 31 januari 2017 aan haar is medegedeeld. Bovendien reageert eiseres in haar e-mail van 30 januari 2017 op de uitnodiging van 27 januari 2017 voor het gesprek op 31 januari 2017, waarbij zij heeft aangegeven dat in de uitnodiging ten onrechte het jaar 2016 wordt genoemd. Vanaf de uitnodiging bij brief van 27 januari 2017 bestond voor eiseres de verplichting om te verschijnen op het gesprek op de 31e januari. Die verplichting was niet vervallen door de reactie die eiseres heeft gegeven met haar e-mail van 30 januari. Wat betreft de uitvaart en de revalidatie wordt overwogen dat eiseres heeft verzuimd dit tijdig aan verweerder door te geven, zodat verweerder daarmee geen rekening heeft kunnen houden. Ook deze omstandigheden rechtvaardigen niet de afwezigheid van eiseres bij het gesprek op 31 januari 2017.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiseres om schadevergoeding af.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. F.M.S. Requisizione en mr. I. Ravenschlag, leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.