Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:829

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-02-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
01/865040-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voortgezette handeling van afpersing in vereniging en diefstal met geweld in vereniging, gepleegd in een supermarkt met gebruikmaking van een vuurwapen en daarnaast een diefstal met geweld in vereniging, gepleegd in een snackbar met gebruikmaking van een mes.

Opgelegd wordt een jeugddetentie voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/865040-17 en 01/860332-17 (gevoegd)

Datum uitspraak: 23 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,

wonende te [postcode 1] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 januari 2018 en 9 februari 2018.

De rechtbank heeft de tegen de verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 22 december 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 26 januari 2018 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

met parketnummer 01/865040-17

hij op of omstreeks 25 december 2016 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, althans in het arrondissement Limburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van (ongeveer) 57.832,50 euro, althans een groot geldbedrag, en/of 3 waardebonnen (van 7,50 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer)

57.832,50 euro, althans een groot geldbedrag, en/of 3 waardebonnen (van 7,50 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een pistool, althans een vuurwapen, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht (gehouden) en/of

- die [slachtoffer 1] in haar nek heeft vastgepakt en/of (vervolgens) een pistool, althans een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd dat ze op de grond moesten gaan liggen en/of

- een pistool, althans een vuurwapen, heeft doorgeladen, althans een handeling heeft verricht waardoor er een kogel op de grond viel en/of (hierbij) heeft gezegd: ‘Zie je dat het een echte is, zie je dat ik geen grappen maak’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd, dat ze hem al een tijdje in de gaten hielden en/of dat als hij niet mee zou werken en/of als hij, verdachte, herkend zou worden, de moeder van die [slachtoffer 2] eraan zou gaan, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (meermalen) tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: “Denk aan je moeder [slachtoffer 2] ”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- een pistool op die [slachtoffer 3] heeft gericht en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (onder bedreiging van het pistool, althans het vuurwapen) heeft gedwongen om naar de kantine te lopen en/of (vervolgens) gezegd dat zij op hun buik op de grond moesten gaan liggen en/of tien minuten moesten blijven liggen.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

I. [medeverdachte 1] op of omstreeks 25 december 2016 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, althans in het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een of eer anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van (ongeveer) 57.832,50 euro, althans een groot geldbedrag, en/of 3 waardebonnen (van 7,50 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (ongeveer) 57.832,50 euro, althans een groot geldbedrag, en/of 3 waardebonnen (van 7,50 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) en/of verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestond(en) dat hij, [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s)

- een pistool, althans een vuurwapen, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht (gehouden) en/of

- die [slachtoffer 1] in haar nek heeft vastgepakt en/of (vervolgens) een pistool, althans een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd dat ze op de grond moesten gaan liggen en/of

- een pistool, althans een vuurwapen, heeft doorgeladen, althans een handeling heeft verricht waardoor er een kogel op de grond viel en/of (hierbij) heeft gezegd: ‘Zie je dat het een echte is, zie je dat ik geen grappen maak’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd, dat ze hem al een tijdje in de gaten hielden en/of dat als hij niet mee zou werken en/of als hij, verdachte, herkend zou worden, de moeder van die [slachtoffer 2] eraan zou gaan, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (meermalen) tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: “Denk aan je moeder [slachtoffer 2] ”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- een pistool op die [slachtoffer 3] heeft gericht en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (onder bedreiging van het pistool, althans het vuurwapen) heeft gedwongen om naar de kantine te lopen en/of (vervolgens) gezegd dat zij op hun buik op de grond moesten gaan liggen en/of tien minuten moesten blijven liggen,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door een of meer personeelsleden van [supermarkt] af te leiden (door te doen alsof, althans te zeggen dat, hij buikpijn en/of pijn op de borst had);

met parketnummer 01/860332-17:

1.

hij op of omstreeks 28 november 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging

met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld

(een) medewerker(s) van de [snackbar] ( te weten [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] ) heeft/hebben gedwongen tot afgifte van een

geldbedrag van (circa) 500 euro en/of (een) beltegoedkaarte(n) ter waarde

van circa 100 euro geheel of ten dele toebehorende aan de [snackbar]

, in elk geval aan een ander of andere dan aan verdachte(n),

welk geweld en/of welke bedreiging hierin bestond(en) dat verdachte en zijn

medeverdachte opzettelijk de [snackbar] is/zijn binnengaan en/of

die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] een (keuken(mes), althans een op een mes

gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond en/of

met dat (keuken)mes in de richting van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]

heeft/hebben bewogen en/of een stekende beweging heeft/hebben gemaakt en/of

(daarbij) tegen die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (dreigend) de woorden

heeft/hebben toegevoegd: ''Geef de kassa, dit is een overval'' en/of ''Geef

me geld van de kassa'' en/of ''overval overval'' en/of ''geld, geld geld'',

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

en/of

hij op of omstreeks 28 november 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging

met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van (circa) 500 euro en/of

(een) beltegoedkaarte(n) ter waarde van circa 100 euro geheel of ten dele

toebehorende aan de [snackbar] , in elk geval aan een ander of

andere dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte en/of zijn medeverdachte opzettelijk

de [snackbar] is/zijn binnengaan en/of

die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] een (keuken(mes), althans een op een mes

gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond en/of

met dat (keuken)mes in de richting van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]

heeft/hebben bewogen en/of een stekende beweging heeft/hebben gemaakt en/of

(daarbij) tegen die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (dreigend) de woorden

heeft/hebben toegevoegd: ''Geef de kassa, dit is een overval'' en/of ''Geef

me geld van de kassa'' en/of ''overval overval'' en/of ''geld, geld geld'',

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 29 december 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging

met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een zwarte laptop tas van het merk Hewlett

Packard met daarin een laptop van het merk Hewlett Packard, type Probook 450

G3 (met serienummer 5CD6217RN7) en/of een handtas geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of andere dan aan

verdachte(n), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn

medeverdachte opzettelijk

voor die [slachtoffer 6] gaan staan en/of

die [slachtoffer 6] vastgegrepen door een arm om haar keel te klemmen en/of

die [slachtoffer 6] in haar rechterzij geslagen en/of

die [slachtoffer 6] geschopt in haar rechterknieholte.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 van parketnummer 01/860332-17 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In het dossier bevindt zich een aangifte van het slachtoffer [slachtoffer 6] . Zij is op 29 december 2016 te Amsterdam het slachtoffer geworden van een straatroof, waarbij twee mannelijke daders haar een laptoptas, met daarin een laptop (HP Probook) met serienummer 5cd6217rn7, afhandig hebben gemaakt.

Zij vermoedt dat de daders haar zijn gevolgd vanaf metrostation [straatnaam 1] . De daders beschrijft ze als volgt:

dader 1

- negroïde, Surinaams uiterlijk, normaal postuur, 1.70-1.75m, zwarte jas met capuchon tot over de heup, tussen de 18 en 22 jaar oud, donkerblauwe spijkerbroek;

dader 2

- negroïde, donkerkleurige jas met capuchon, normaal postuur, zelfde lengte als NN1, ongeveer zelfde leeftijd als NN1.

Op 2 januari 2017 wordt aangifte gedaan door [aangever] , bedrijfsleider van [bedrijf] te Almere. In die winkel verschenen op 30 december 2017 twee mannen. Een (1) van die mannen bood de op 29 december 2016 gestolen laptop (met serienummer 5cd6217rn7) te koop aan. De verkoop is vastgelegd middels een bewakingscamera. Op die beelden werd de verkoper herkend als [verdachte] [de verdachte] en degene die bij hem was als (de inmiddels overleden) [medeverdachte 2] .

Ter terechtzitting van 26 januari 2018 verklaart de verdachte als volgt:

Die laptop heb ik inderdaad verkocht. Ik wist niet dat die van een straatroof afkomstig was. Ik was daar samen met [medeverdachte 2] om die laptop te verkopen, maar hij had me niet verteld hoe hij eraan kwam. Het geld hield hij voor zichzelf. Ik legitmeerde mijzelf, omdat [medeverdachte 2] dat aan me vroeg.

Door [verbalisant] zijn de camerabeelden uitgekeken van het metrostation te [straatnaam 1] (in de buurt van de overval). [verbalisant] heeft die beelden vergeleken met de camerabeelden van [bedrijf] . Hij merkt daarbij op dat de camerabeelden van metrostation [straatnaam 1] van beduidend mindere kwaliteit zijn dan de beelden van [bedrijf] . Hij beschrijft het volgende:

NNI

Ik zag dat NN1 een zwarte gewatteerde jas met capuchon draagt en een trainingsbroek van het merk Nike. Voorts heeft NN1 een slank postuur en op het moment dat hij zich omdraait bij de metropoortjes is zijn gezicht een stukje zichtbaar. Dan is een ietwat forse neus zichtbaar, ook [verdachte] heeft een slank postuur en forse neus.

NN2

Ik zag dat NN2 zich goed verstopt onder zijn capuchon bij het verlaten van het station. Ik zag dat de zwartkleurige jas met opvallende knopen en capuchon veel overeenkomsten vertoont met de jas welke [medeverdachte 2] draagt bij [bedrijf] . Voorts komt het lange, slanke postuur overeen.

Gezien bovenstaande is het niet onaannemelijk dat [verdachte] en [medeverdachte 2] samen de straatroof hebben gepleegd om de gestolen laptop de volgende dag te verkopen bij [bedrijf] .

De rechtbank stelt vast dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft (mede)gepleegd, in de kern uitsluitend kan worden gebaseerd op de door de verbalisant gerelateerde overeenkomsten tussen de op de camerabeelden van metrostation [straatnaam 1] zichtbare personen en de op de camerabeelden van [bedrijf] zichtbare verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] .

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen c.q. conclusies omtrent daderschap aan de hand van beelden en/of foto’s en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer indien deze herkenningen c.q. conclusies het enige bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij een ten laste gelegd feit zou kunnen aantonen. Bij de beoordeling van het bewijs is dan ook van doorslaggevend belang of deze herkenningen c.q. conclusies voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning c.q. conclusie aan de hand van camerabeelden of afbeeldingen is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende (persoons)kenmerken zichtbaar zijn.

Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de (af)beeld(ing)en evenals de mate van zichtbaarheid van (persoons)kenmerken op die (af)beeld(ing)en. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien, hoe de herkenning tot stand is gekomen en welke rol de politie daarbij eventueel heeft gespeeld. Ten slotte speelt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning c.q. validiteit van een conclusie omtrent daderschap aan de hand van beelden of afbeeldingen ook mee of en en in hoeverre andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die op het daderschap van de afgebeelde persoon wijzen.

De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting, op welke terechtzitting de zogenoemde ‘stills’ van de camerabeelden van metrostation [straatnaam 1] zijn bekeken, is dat deze van gebrekkige kwaliteit zijn en dat van de daarop zichtbare personen onvoldoende herkenbare, specifieke en onderscheidende (persoons)kenmerken zichtbaar zijn om met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te kunnen stellen dat op die beelden daadwerkelijk verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] staan afgebeeld. De door de verbalisant genoemde overeenkomsten acht de rechtbank onvoldoende onderscheidend en specifiek.

Tot een daadwerkelijke positieve herkenning van verdachte als de op de camerabeelden zichtbare veronderstelde overvaller komt ook de verbalisant overigens niet toe. Zijn conclusie dat het niet onaannemelijk is dat verdachte en [medeverdachte 2] samen de straatroof hebben gepleegd, haalt de lat van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet en is dus van onvoldoende gewicht. Bovendien lijkt de verbalisant zijn conclusie voornamelijk te stoelen op het feit dat verdachte en [medeverdachte 2] samen een dag later de van aangeefster gestolen laptop ter verkoop hebben aangeboden. Hoewel dat onder omstandigheden, bijvoorbeeld wegens het geringe tijdsverloop tussen wegneming en ter verkoop aanbieden, een aanwijzing zou kunnen vormen voor het bewijs van daderschap van verdachte bij de straatroof, is de rechtbank van oordeel dat deze aanwijzing in dit geval op zichzelf onvoldoende voor het daderschap van verdachte en ook onvoldoende is om te kunnen bijdragen aan de herkenning van verdachte als één van de op de beelden van metrostation [straatnaam 1] zichtbare personen.

Bij een en ander moet nog in aanmerking worden genomen dat ook aangeefster [slachtoffer 6] slechts een zeer algemeen signalement van de overvallers weet te geven en dat zelfs indien vastgesteld kon worden dat verdachte rond het tijdstip van de overval in het metrostation [straatnaam 1] aanwezig was, daarmee nog niet zonder meer ook vaststaat dat hij daadwerkelijk één van de overvallers was. Immers, aangeefster [slachtoffer 6] denkt en weet dus niet zeker of haar overvallers haar vanaf dat metrostation daadwerkelijk waren gevolgd.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is voor het daderschap van de verdachte en dat hij van dit feit dan ook moet worden vrijgesproken.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten op de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder parketnummer 01/865040-17

A. De bewijsmiddelen

1. Het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg nr. PL2300-20l6230666-1 (pagina L172 e.v., zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Op 25 december 2016 omstreeks 10:45 uur bevond ik mij in het kantoor op de eerste verdieping van de supermarkt [supermarkt] te Geleen. In een naastgelegen kantoor bevond zich [slachtoffer 2] . Ik hoorde en zag iemand de trap opkomen en ik zag vrijwel direct dat er een pistool op mij gericht werd en ik zag dat deze man gebaarde dat ik stil moest zijn. Voordat ik mij bewust was van wat er gaande was, zag ik dat de man al achter mij stond en mij vastpakte in mijn nek en in mijn nek kneep. Ik zag dat in zijn andere hand hij het pistool vast hield en deze tegen mijn hoofd hield. Ik voelde duidelijk de loop van het pistool. De man liep vervolgens samen met mij naar de deur van het kantoor waar [slachtoffer 2] zich bevond. Hij hield mij nog steeds bij mijn nek vast en hield mij nog steeds onder schot. Eenmaal aangekomen bij de deur opende ik de deur en ik zag dat [slachtoffer 2] zich omdraaide en schrok. Ik hoorde dat de man zei dat wij op de grond moesten liggen. Ik hoorde dat de man tegen ons begon te vertellen en maakte hierbij duidelijk dat het om een echt pistool ging. Ik hoorde dat hij iets deed met het pistool. Ik zag dat er een kogel naast mij op de grond viel. Ik hoorde de man zeggen: “Zie je dat het een echte is, zie je dat ik geen grappen maak”, of woorden in die strekking. Ik hoorde dat de man zei dat ze [slachtoffer 2] al een tijdje in de gaten hielden. Ik hoorde dat de man ook iets zei over de moeder van [slachtoffer 2] . Ik hoorde dat de man zei dat als hij niet mee zou werken of iets verkeerd zou proberen dat ze zijn moeder zouden pakken. Ik zag dat de man vervolgens [slachtoffer 2] aan keek en ook zei dat het niet om hem ging, maar dat als hij iets zou proberen men zijn moeder zou pakken. De man begon over de kluis. Ik hoorde dat de man zei en gebaarde dat hij de grondkluis wilde en ik zag dat hij deze aanwees. Ik maakte daaruit op dat de man wist in welke kluis het grote geld lag. Ik hoorde dat de man tegen [slachtoffer 2] ei dat hij de kluis moest openmaken. [slachtoffer 2] moest de knop buiten het tel-kantoor indrukken en ik moest op de groene knop drukken in het tel-kantoor. Nadat de kluis open was, moest [slachtoffer 2] van de man het geld uit de kluis pakken. Ik zag dat de man een vuilniszak pakte. Ik zag dat [slachtoffer 2] een doosje uit de kluis pakte waar het geld in lag en deze aan de man gaf. [slachtoffer 2] moest vervolgens ook een stapeltje geld bij de computer pakken. Ik zag dat [slachtoffer 2] dat geld pakte en aan de man gaf.

Wij hoorden van de man dat wij naar de kantine moesten lopen en onderweg naar de kantine zag ik dat [slachtoffer 3] de trap opgelopen kwam. Ik zag dat de man zijn pistool richtte in de richting van [slachtoffer 3] en hierbij zei dat zij naar de kantine moest lopen. Ik hoorde dat de man tegen ons zei dat wij op onze buik, op de grond in de kantine moesten gaan liggen. Wij lagen met z’n drietjes bij elkaar. Ik hoorde dat de man zei dat wij hier 10 minuten moesten blijven liggen, daarna konden wij de politie bellen. Ik hoorde dat de man tegen [slachtoffer 2] een paar keer zei: “Denk aan je moeder [slachtoffer 2] .”

2. Het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg nr. PL2300-2016230666-7 (pagina L184 e.v., zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik was op 25 december 2016 boven aan het werk in het telkantoor van de [supermarkt] te Geleen. Ik zag op een gegeven moment [slachtoffer 1] staan met een man achter haar die een pistool in zijn handen had en op [slachtoffer 1] richtte ter hoogte van haar hoofd. Hij richtte het wapen op mijn achterhoofd en zei dat ik moest gaan liggen. Ik en [slachtoffer 1] zijn gaan liggen. Hij maakte een klikbeweging met het wapen en ik zag een kogel uit het wapen vallen. Hij vertelde dingen over mijn moeder. De man wees naar de kluis met het biljetgeld. Die moest open. [slachtoffer 1] drukte op de knop in het telkantoor en ik op de knop in het andere kantoor. De man liep met mij mee toen. Hij hield mij onder schot. Ik moest het geld uit de kluis in een blauwe vuilniszak doen die de man zelf uit een vuilnisbak had gepakt. Ook heb ik een stapel geld bij de computer aan de man moeten geven. Hij vertelde me dat hij me al weken aan het volgen was en wist waar ik woonde. Toen [slachtoffer 3] boven kwam, hield hij haar onder schot. We werden opgesloten in de kantine. We moesten liggen en 10 minuten wachten voor we de politie konden bellen. Er is naar schatting 50.000 à 60.000 euro weggenomen.

Op 26 november 2016 ben ik 10 minuten lang gebeld door mijn buurman [getuige 1] , die woont op de [adres 2] in Brunssum naast mijn ouders. [getuige 1] belde om te zeggen dat iemand bij mijn ouders was en naar mij had gevraagd.

3. Het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg nr. PL2300-2016230666-6 (pagina L197 e.v., zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik was op 25 december 2016 aan het werk in de [supermarkt] te Geleen. Omstreeks 10:30 uur werd ik door [getuige 3] , die achter de kassa werkte, opgeroepen om naar de kassa te komen. Bij de kassa aangekomen zag ik een man die zei dat hij zich niet lekker voelde en pijn op de borst had. Ik heb de man bij de bakkerijafdeling laten zitten met 2 bekertjes water en [getuige 4] gevraagd om de man in de gaten te houden. Vijf minuten later was ik bij de groenteafdeling en toen kwam de man weer naar me toen en vroeg wederom om een bekertje water. Ik gaf dat aan hem. Ik kan de man als volgt beschrijven: negroïde man.

Omstreeks 10:45 uur ging ik naar boven. Ineens ging het alarm af. Toen ik bijna boven was, zag ik [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in bijzijn van een onbekende man met een blauwe vuilniszak in zijn hand en een vuurwapen. Hij richtte het vuurwapen op mij. Ik schrok heel erg. Ik hoorde de man zeggen dat we allemaal naar de kantine moesten. Daar moesten we gaan liggen en mochten pas na 10 minuten de politie bellen. Onderweg naar kantine hield de man ons onder schot. De man vroeg ons in de kantine vervolgens een voor een of we hem zouden herkennen. Wij zeiden alledrie nee. Ik hoorde dat de man tegen [slachtoffer 2] zei dat hij wel zou weten waar zijn moeder woont of woorden van gelijke strekking. Toen ik op de grond lag in de kantine dacht ik ineens aan de man van de bekertjes water. Ik vermoedde toen dat de man die zich zogenaamd niet lekker had gevoeld, ons had willen afleiden.

4. Het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg nr. 31 (pagina L220 e.v. zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende de verklaring van [getuige 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

De buit (Rb: van de overval op de [supermarkt] op 25 december 2016) was 57.832,50 euro en 3 waardebonnen van 7,50 euro.

5. Het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg nr. PL2300-2016230666-5 (pagina L206 e.v., zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende de verklaring van getuige [getuige 3] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik was op 25 december 2016 aan het werk achter de kassa van de [supermarkt] te Geleen. Op een gegeven moment kwam er een man de winkel binnen. Hij had een donker uiterlijk, echt zwart, het was een neger. De man heeft enige tijd in de winkel boodschappen gedaan die hij in een mandje deed. Op enig moment liep de man zonder boodschappen naar buiten, later kwam hij weer de winkel in. Hij had kennelijk zijn mandje weer gepakt want hij kwam even later bij mij aan de kassa. Toen ik klaar was met scannen gaf de man aan dat het te duur was. Ik heb steeds een paar boodschappen eraf gehaald totdat we op een bedrag kwamen wat de man goed vond. Dat kostte enige tijd. Toen ik uiteindelijk klaar was, zei de man dat hij buikpijn had. Ik heb toen [slachtoffer 3] omgeroepen die hem uiteindelijk heeft meegenomen. Later zag ik de man de winkel weer verlaten, wederom zonder boodschappen. De man die ik heb beschreven heeft mij lange tijd bezig gehouden aan de kassa.

6. Het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg nr. PL2300-2016230666-4 (pagina L210 e.v. zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende de verklaring van getuige [getuige 4] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Mijn leidinggevende kwam een glas water bij me halen voor een klant die aan de kassa stond. Hij voelde zich niet goed. [slachtoffer 3] zette de klant op een stoel. Het betrof een negroïde man. Ineens zag ik dat de klant op stond en weg liep in de richting van de kassa’s. Na ongeveer 2 minuten kwam hij weer terug en ging weer op de stoel zitten. Hij zat ongeveer 10 minuten in de stoel, sprong toen op en liep met gehaaste pas weg in de richting van de kassa’s.

7. Het proces-verbaal van de politie Eenheid Limburg, nr. LB3R016316-2 (pagina L366 van e.v. zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende als relaas van de verbalisant , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op maandag 26 december 2016 bekeek ik de camerabeelden van de [supermarkt] .

Op 25 december 2016 om 10:36:54 zie ik dat een negroïde persoon door het gangpad loopt.

Op 25 december 2016 om 10:38 uur zie ik dat een mannelijk persoon in zwart Adidas vest met daarover heen een blauwe bodywarmer door het gangpad loopt. Later blijkt dat deze persoon de overval zal plegen. Verder aangeduid als dader 1.

Op 25 december 2016 om 10:46:46 zie ik dat in het kantoor van de winkel [supermarkt] een man en vrouw in [supermarkt] bedrijfskleding in de ruimte zijn, dat de dader (dader 1) in de ruimte is en de vrouw vast houdt, dat de vrouw op de grond gaat liggen onder het bureau, dat het mannelijke slachtoffer ook op de grond gaat liggen, dat de dader een voorwerp, gelijkend op een vuurwapen, richt op het slachtoffer.

Op 25 december 2016 om 10:52:26 zie ik bij kassa 1 dat dader 1 langs de kassa loopt zonder te betalen en dat hij een blauwe zak of tas in zijn handen heeft.

Op 25 december 2016 om 10:52:37 zie ik bij kassa 1 dat de negroïde persoon langs de kassa loopt zonder te betalen.

8. Het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, nr. 38 (pagina L353 e.v., zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende de bevindingen van de verbalisant , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 6 januari 2017 bekeek ik beelden afkomstig van de recorders van de [supermarkt] te Geleen.

Op camerabeelden van 25 december 2016 zag ik dat om 10:04:29 een persoon de winkel binnenkomt. Deze persoon herken ik als de persoon die als verdachte (rechtbank begrijpt: dader 1) in het telkantoor was gefilmd (proces-verbaal LB3R0160316-2). Wordt NN1 genoemd.

Op camerabeelden van 25 december 2016 zie ik dat om 10:05:21 uur een negroïde man de winkel binnenkomt. Deze persoon is eveneens beschreven in proces-verbaal LB3R0160316-2. Wordt NN2 genoemd.

9. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam-Oost nr. 2016259076 (pagina L237 e.v., zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende de verklaring van [getuige 5] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

[verdachte] (Rechtbank: medeverdachte [verdachte] ) kwam op 25 december 2016 in de middag bij mij thuis in Amsterdam. Hij had twee tassen bij zich. Hij zette 1 tas op de bank en kieperde de ander om. Er vielen allemaal biljetten op de vloer. Ik hoorde hem zeggen dat het zijn geld was en ik hoorde hem ook zeggen dat het zo’n 22 of 23 duizend was. Een gedeelte was ingepakt met een bandje erom heen. Het waren papieren bandjes. Toen wist ik dat het wel van een bedrijf af kwam. Ik was op dat moment in een telefoongesprek met mijn zus, [naam] .

10. Het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg nr. 58 (pagina L320 e.v., zaaksdossier Delict 5, map 3), inhoudende de bevindingen van de verbalisant , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Naar aanleiding van het onderzoek MD2RO1 6155 201 6346626, heb ik op woensdag 11

en donderdag 12 januari 2017 op verzoek van de recherche Eenheid Limburg, een tapgesprek beluisterd. In dit onderzoek wordt als verdachte aangemerkt een man genaamd [verdachte] , geboren op [1998] , te [geboorteplaats] . Onderzoek had uitgewezen dat [verdachte] onder andere verbleef op het adres [adres 3] , [postcode 2] . Op dit adres woont de oma van de verdachte [verdachte] , genaamd [getuige 5] . Op dit adres is een vaste lijn, [telefoonnummer] op naam van [getuige 5] geregistreerd.

Het door mij beluisterde telefoongesprek, betrof gesprek nummer 14, gevoerd op 25 december 2016 te 14:38:39 uur. Het gesprek was eerder uitgewerkt door een tolk ten behoeve van de politie Almere en is op verzoek van de Eenheid Limburg opnieuw door mij beluisterd en uitgewerkt als volgt:

M = [getuige 5]

J = [naam]

T = [verdachte] (Rb: [verdachte] )

M: “ [naam] , bel de politie!”

J: “Is het [verdachte] ?”

M: “Ja, bel de politie…. [naam] !”

J: “Wat?”

M: “Die jongen heeft iets gedaan!”

[ [getuige 5] heeft de telefoon overgegeven aan [verdachte] ]

T: “Ik kom ff van euh…ik kom ff van Zuid-Limburg”.

[ [getuige 5] komt weer aan de telefoon]

M: “…..hij heeft een….een zak omgekeerd hier op de grond in de woonkamer….. [naam] stapel biljetten!!”

[Te horen is dat [verdachte] op de achtergrond luidop aan het tellen is]

T: “Tien duizend….dit is vijftienduizend”

M: “Maar wie heeft je dit geld gegeven?”

T: “Een winkel”

M: “Een winkel?”

T: “………(ntv) bij een vriend”

M: “Dus van wie is het geld?”

T: “Ik kan geen namen noemen, oma..ik ga u echt niet….”
M: “Maar waarom breng je het niet voor hem toe”

T: “Euh?”

M: “Waarom breng je het niet naar hem toe?”

T: “Ik heb het van hem gekregen”

M: “Hoeveel hadden jullie samen?”

T: “60.000”

M: “En wat heb je hier?”

T: “…een kleine 21.000 denk ik”

11. Het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg nr. 106 (pagina 150 e.v., einddossier, map 1), voor zover inhoudende de op 18 mei 2017 afgelegde verklaring van verdachte T. [verdachte] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik ben degene op de camerabeelden bij de [supermarkt] . (de rechtbank begrijpt: de persoon die steeds als de negroïde persoon wordt aangeduid op de camerabeelden van de [supermarkt] te Geleen van 25 december 2016).

12. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank op 26 januari 2018, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik was op 25 december 2016 in de winkel van [supermarkt] te Geleen. Ik ben de persoon die om water vraagt en bij de bakkerijafdeling gaat zitten, waar de getuigen [slachtoffer 3] en [getuige 4] over spreken. Het klopt dat ik de kassamedewerker heb gevraagd steeds producten eraf te halen om het bedrag naar beneden te krijgen.

B. Bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

De verdachte wordt verweten dat hij de overval op de [supermarkt] op 25 december 2016 te Geleen heeft medegepleegd, althans dat hij daaraan medeplichtig is geweest, doordat hij zich in de winkel bevond ten tijde van de overval en ten behoeve van de overval het winkelpersoneel bezig hield en afleidde door te zeggen dat hij zich niet lekker voelde.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van betrokkenheid bij deze overval nu hij met klem zijn betrokkenheid bij deze overval ontkent en het dossier onvoldoende bewijs bevat dat hij als medepleger of medeplichtige heeft gefungeerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Geloofwaardigheid verklaring verdachte

Aanvankelijk heeft de verdachte zich bij de politie op vragen naar zijn betrokkenheid bij de overval maar ook op algemene vragen met betrekking tot zijn aanwezigheid in de [supermarkt] op 25 december 2016 beroepen op zijn zwijgrecht of ontkend dat hij iets met de overval te maken heeft gehad. Op de terechtzitting van 26 januari 2018 komt hij voor het eerst met een uitgebreidere verklaring en verklaart hij als volgt:

Ik was op 25 december 2016 in de winkel van [supermarkt] te Geleen. Ik ben de persoon die om water vraagt en bij de bakkerijafdeling gaat zitten, waar de getuigen [slachtoffer 3] en [getuige 4] over spreken. Ik heb daar boodschappen gedaan. Toen ik de producten op de band legde bleek dat ik niet genoeg geld bij me had. Het klopt dat ik de kassamedewerker heb gevraagd steeds producten eraf te halen om het bedrag naar beneden te krijgen. Ik voelde mij opeens niet lekker, want ik kreeg last van mijn borst. Een medewerker kwam mij te hulp. Ik heb toen ongeveer 10 minuten bij de broodafdeling gezeten. Het kan zijn dat ik ook nog om een tweede bekertje water vroeg. Tussendoor ben ik ook nog even naar buiten gegaan om wat frisse lucht te halen. Toen het weer beter met me ging ben ik weggegaan. Ik heb niks van de overval meegekregen. Ik kende de vermeende overvaller [medeverdachte 1] toen niet eens.

De boodschappen heb ik uiteindelijk niet meer betaald. De spullen werden ook alweer teruggezet en ik had veel aan mijn hoofd.

De strekking van de verklaring van verdachte is aldus dat hij de door de getuigen beschreven gedragingen wel heeft verricht, maar dat deze geen verband hielden met de overval. Zijn aanwezigheid in de winkel ten tijde van de uitvoering van de overval berust in de lezing van verdachte klaarblijkelijk op een toevalligheid.

De rechtbank hecht aan deze lezing van de verdachte evenwel geen geloof.

In de eerste plaats valt de verklaring van verdachte dat hij de vermeende overvaller [medeverdachte 1] toentertijd niet eens kende, niet te rijmen met de resultaten van het onderzoek naar de telefoongegevens van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Immers, uit het proces-verbaal telefoongegevens [medeverdachte 1] en [verdachte] (p. 144 e.v.) in combinatie bezien met de verklaring als [getuige 6] (de echtgenote van [medeverdachte 1] , p. 280 e.v.) en het proces-verbaal bevindingen over de historische verkeersgegevens van de aan [medeverdachte 1] en [verdachte] toegeschreven telefoonnummers (p. 144) kan – kort samengevat – worden afgeleid dat verdachte de dag en avond vóór de overval samen met [medeverdachte 1] in Helmond en Geleen is geweest. De rechtbank heeft in het verhandelde ter terechtzitting noch het strafdossier objectieve aanknopingspunten gevonden om aan de validiteit van de historische verkeersgegevens te twijfelen. Verdachte zelf is met betrekking tot de historische verkeersgegevens van de aan hem toegeschreven telefoon met bijbehorend telefoonnummer ook verstoken gebleven van een verklaring die maakt dat aan die gegevens moet worden getwijfeld.

Dat het overigens daadwerkelijk om medeverdachte [medeverdachte 1] gaat die aangewezen kan worden als de dader die boven in het kantoor de medewerkers van de [supermarkt] bedreigt en dwingt tot afgifte van geld, wordt onder meer bevestigd door de GPS-gegevens van de door hem toentertijd gedragen enkelband, waardoor hij op het moment van de overval in de directe nabijheid van de [supermarkt] kan worden geplaatst (pv elektronisch toezicht [medeverdachte 1] , p. 394 e.v.) in combinatie met de herkenning van [medeverdachte 1] als de overvaller door verschillende personen in het dossier. Medeverdachte [medeverdachte 1] wordt overigens bij vonnis van gelijke datum van deze rechtbank onder parketnummer 01/865016-17 onder meer wegens het medeplegen van de onderhavige overval veroordeeld.

In de tweede plaats rijmt de verklaring van verdachte op het punt van de kennelijke toevalligheid niet met het feit dat uit de bekeken camerabeelden van de [supermarkt] kan worden afgeleid dat verdachte nagenoeg gelijktijdig – er zit een tijdspanne van 52 seconden tussen – met zijn medeverdachte de winkel [supermarkt] binnenkomt (proces-verbaal camerabeelden [supermarkt] , p. 353 e.v.), in de winkel aanwezig is gedurende de tijdspanne dat de overval zich voltrekt en dat hij blijkens de camerabeelden nagenoeg gelijktijdig – er zit een tijdspanne van 11 seconden tussen – met zijn medeverdachte de winkel weer verlaat nadat de overval zich had voltrokken (proces-verbaal camerabeelden [supermarkt] , p. 366 e.v.).

Ten slotte rijmt de verklaring van verdachte ook niet met het feit dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op de dag van de overval rond 14:38 uur – dus circa 4 uur nadat de overval had plaatsgevonden – bij zijn oma in Amsterdam de woning binnenkomt met kennelijk een tas vol geldbiljetten, waarbij hij tegen zijn oma en tante zegt dat hij uit Zuid-Limburg komt, dat ‘zij samen 60.000 hadden’ ‘van een winkel’ en dat hij zelf ‘een kleine 21.000’ heeft.

Op de terechtzitting van 26 januari 2018 verklaart de verdachte hierover als volgt:

Ik was in Zuid-Limburg en ben voordat ik bij mijn oma kwam in een casino in Amsterdam geweest. Daar had ik ongeveer 2.000 euro gewonnen met gokken. Het was geen crimineel geld. Ik deed gewoon stoer tegen mijn oma.

Die verklaring acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Dat verdachte op de ochtend van de overval en voor zijn bezoek aan zijn oma in een casino in Amsterdam is geweest, wordt niet ondersteund door de transcriptie van het opgenomen telefoongesprek waarin de inhoud van het gesprek tussen verdachte en zijn oma is vastgelegd, net zo min als daaruit objectief kan blijken dat verdachte stoer heeft willen doen en zijn oma in strijd met de waarheid heeft willen doen geloven dat hij een bedrag van om en nabij de € 21.000,- in zijn bezit had, terwijl hij in werkelijkheid veel minder bij zich had. Ook overigens ontbreekt in het dossier ook maar een begin van een aanwijzing voor de juistheid van verdachtes verklaring over zijn bezoek in het casino. Gelet op het feit dat zijn oma evident geschokt en enigszins in paniek is door wat zij waarneemt, acht de rechtbank ook niet aannemelijk dat verdachte die middag in het bezit was van ‘slechts’ € 2.000,-. De rechtbank heeft geen enkele reden kunnen ontwaren in het dossier of het verhandelde ter terechtzitting waarom aan de verklaring van de oma van verdachte geen geloof zou moeten worden gehecht. Haar tot het bewijs gebezigde verklaring bij de politie vindt objectieve ondersteuning in de inhoud van het opgenomen telefoongesprek en ook als getuige bij de rechter-commissaris is zij bij die verklaring op inhoud consistent gebleken.

Al met al moet het scenario van de verdachte dat hij in het bezit is gekomen van een al dan niet grote hoeveelheid geld door een bezoek aan een casino, welk scenario bovendien door de verdachte niet verder is geconcretiseerd of verifieerbaar gemaakt, als volstrekt onaannemelijk terzijde worden geschoven. De rechtbank is alles bijeengenomen van oordeel dat het er met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voor moet worden gehouden dat verdachte kort na de overval in het bezit is geweest van een substantieel geldbedrag en dat hij dit heeft vergaard door zijn betrokkenheid bij de overval op de [supermarkt] te Geleen op 25 december 2016.

Medeplegen

De verdachte dient naar het oordeel van de rechtbank als medepleger te worden aangemerkt. Naar haar uiterlijke verschijningsvorm bezien, is sprake geweest van een planmatig en efficiënt uitgevoerde overval. Het kan bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, die in het bijzonder niet door de verdachten naar voren zijn gebracht, redelijkerwijs niet anders dan dat daaraan een goede voorbereiding, planvorming en duidelijke rolverdeling aan vooraf zijn gegaan, waarbij kennelijk aan verdachte de rol van afleider is toebedeeld. Verdachte is samen met zijn medeverdachte opgetrokken, hij heeft zich steeds gecommitteerd aan het plan, hij is samen met zijn medeverdachte tot gezamenlijke uitvoering van de overval overgegaan waarbij ieder voor zich zijn rol vervulde en het handelen van beide verdachten vloeide steeds voort en werd steeds gedragen door het plan. Verdachte heeft uiteindelijk samen met zijn medeverdachte de winkel verlaten en heeft voor zijn rol substantieel meegedeeld in de buit. Uit dit een en ander vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader, waarbij de bijdrage van verdachte materieel bezien van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spraken. Het feit dat zijn gedragingen onder andere omstandigheden wellicht meer in verband met medeplichtigheid zouden worden gebracht, staat daar in dit geval niet aan in de weg.

Het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Afpersing of diefstal met geweld

De rechtbank stelt aan de hand van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door geweld en bedreiging met geweld zijn gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, doordat zij gezamenlijk gedwongen werden om de kluis te openen en [slachtoffer 2] gedwongen werd tot het deponeren van het geld in een vuilniszak ten behoeve van de overvaller. De rechtbank stelt vervolgens vast dat, hoewel de afgifte van een hoeveelheid geld inmiddels was voltooid, de overvallers nog niet rustige bezit van dat geld hadden verkregen en dat daarna nog meer bedreigende handelingen zijn verricht, onder meer door een pistool op de eerst toen ten tonele gekomen aangeefster [slachtoffer 3] te richten en door de drie werknemers onder schot te dirigeren naar de kantine. De rechtbank is van oordeel dat deze na de voltooide afpersing verrichte gedragingen er kennelijk toe strekten om het rustige bezit van het afgegeven geld verder te verzekeren en zijn daarmee aan te merken als gedragingen die zijn verricht om het wegnemen van het afgegeven geld onder meer te kunnen vergemakkelijken. Aldus is sprake van zowel afgifte als wegnemen en de rechtbank zal het bewezenverklaarde dienovereenkomstig kwalificeren.

Ten aanzien van feit 2 (parketnummer 01/860332-17)

A. De bewijsmiddelen

1. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. PL1300-2016259076-l (pagina C0001 e.v. van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 28 november 2016 zag ik rond 19:45 uur twee jongens de [snackbar] , gevestigd aan het [straatnaam 2] te Amsterdam, binnenkomen. Ik zag dat zij alleen hun ogen zichtbaar hadden. Ik hoorde meteen dat er geroepen werd: “Geld, geld, geld”. Ik liep naar de toonbank. Ik zag dat er twee jongens stonden met messen. Ik zag dat er eentje een groot mes had en de ander een kleiner mes had. Ik zag dat degene met het grote mes bleef staan bij de deur. Ik zag dat degene met het kleine mes bukte om de box met het geld te pakken die onder de toonbank stond. Ik zag ook dat hij de beltegoedkaarten had gepakt. Ik zag dat hij mijn collega bang wilde maken. Ik zag dat hij stekende beweging maakte met het mes in de richting van de borst. Nadat hij de box in zijn tas had gedaan zag ik dat hij op mij af kwam lopen. Ik zag dat hij meteen steekbewegingen maakte in de richting van mijn borst.

2. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. 2016259076 (pagina C0006 e.v. van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Voor zover ik na heb kunnen gaan is er 400,- tot 450,- euro aan muntgeld, 100,- euro aan briefgeld en voor 100,- euro aan beltegoed weggenomen.

3. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. PL1300-2016259076-4 (pagina C0008 e.v. van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer 4] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik was op 28 november 2016 aan het werk bij [snackbar] . De overval gebeurde tussen 19:45 uur en 20:00 uur. Ik zag dat twee jongens de snackbar binnenkwamen lopen. Ik zag dat beide jongens een mes in hun handen vasthadden. Ik hoorde dat NN1 in het Nederlands riep: “Geef de kassa, dit is een overval”. “Geef de kassa, dit is een overval”. “Geef me geld van de kassa”. “Overval overval”, of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat deze jongen naar mij toe kwam lopen achter de counter. Deze jongen had een mes. Ik zag dat hij het mes in zijn rechterhand had en ik zag dat hij met kracht zijn arm naar voren stak met zijn mes in zijn hand in mijn richting. Toen heeft hij het geld gepakt. Ik zag dat de jongen zelf het geld heeft gepakt, ik heb hem dat niet gegeven. Naast het geld lagen ook telefoonkaarten en hij heeft deze ook meegenomen. Ik zag dat NN1 hierna weer achter de toonbank vandaan liep richting de deur. Op dat moment kwam mijn baas binnen. Mijn baas had het gezien op camera. Ik zag dat NN1 mijn baas ook bedreigde met het mes. Ik zag daarbij dat deze jongen zijn rechterhand gebogen omhoog deed en vanuit achter zijn schouders in de richting van mijn baas stak, hierbij zag ik dat hij het mes nog steeds in zijn hand had.

4. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. 2016259076 (pagina B39 e.v. van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de bevindingen van de verbalisant naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden van Snackbar [straatnaam 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Camera CM1 en CM2: tijdsindicatie loopt 58 minuten achter.

Ik zie dat omstreeks 18:55:02 uur (de Rb begrijpt dat het werkelijke tijdstip 19:53 uur is) twee personen, NN1 en NN2, binnenkomen. NN1 heeft grijze rugtas bij binnenkomst, NN2 een mes. NN1 loopt de snackbar verder in, terwijl NN2 bij de ingang blijft. NN1 verschijnt achter de toonbank en dreigt met opgeheven rechterarm met in zijn hand een mes met de punt naar voren, dreigend voorwaarts in de richting van een medewerker. Het mes van NN1 lijkt kleiner dan dat van NN2, dat op 30 cm wordt geschat. NN1 pakt een plastic bakje en probeert het in grijze rugtas te doen. Daarna verlaten beiden rennend de snackbar.

Dader NN 1 kan worden omschreven als:

- donkere gewatteerde jas

- donkere broek met aan weerskanten gele vlakken vanaf de heup tot iets boven de knie en een rond logo in de kleur geel (rechts voor).

5. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. PL3100-2016259076 (pagina B5 e.v. van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de bevindingen van de verbalisanten , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Wij werden aangesproken door [betrokkene 1] . Hij verklaarde ons het volgende:

“Ik moest zojuist een paar jongens helpen met een beroving. Ze wilden geld halen bij de

snackbar op het [straatnaam 2] . Ik moest de deur openhouden terwijl die jongens naar binnen gingen om het geld te halen. Ze hadden een mes bij hun. Een (1) van de jongens hield ook een mes tegen mijn keel aan en hij zei dat als ik niet luisterde of naar de politie ging ik een probleem had. Ook zou ik dan mijn telefoon niet terug krijgen.”

6. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. 2016259076 (pagina D0009 e.v. van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de verklaring van [betrokkene 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

De jongen zei dat ik hem moest helpen met een overval op een snackbar. Ik moest de deur van de snackbar openhouden voor de andere jongen en ik moest dan hard gaan schreeuwen. Ik ben met de jongen naar de snackbar gegaan. De jongen deed de deur van de snackbar open en ging naar binnen. Ik liep achter hem aan. De jongen liep naar de man achter de kassa, hield een mes vast en zei dat hij geld wilde hebben. De jongen heeft een bak met geld gepakt. De jongen rende daarna naar buiten en ik rende achter hem aan. De jongen wilde naar de metro. De jongen was al binnen het metrostation. Ik ben ook het metrostation binnen gegaan. Ik zag dat de jongen de metro in stapte. Ik probeerde nog de metro binnen te gaan, maar dit lukte niet. Daarna vroeg ik aan een man een telefoon. Ik had mijn verhaal uitgelegd. Ik heb de politie gebeld, 112. Ik ben samen met de man de metro ingegaan. Wij zijn samen op [metrohalte] uitgestapt en de man is de hele tijd bij mij gebleven totdat de politie kwam.

7. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. 2016259076 (pagina B60 e.v. van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Na de overval is NN2 opgevangen door een man. NN2 was in paniek en mocht met de telefoon bellen van deze man. NN2 en de man zijn samen op station [metrohalte] uitgestapt. Vervolgens kwam de politie ter plaatse en heeft NN2 aangehouden voor de overval. NN2 bleek te zijn genaamd [betrokkene 1] .

De personalia van de man die [betrokkene 1] had opgevangen, was niet genoteerd. Op vrijdag 9 december 2016 had ik telefonisch contact met deze man. De man gaf op te zijn genaamd: [betrokkene 2] . Hij verklaarde mij telefonisch dat hij op maandag 28 november 2016 een jongen had opgevangen op metrostation [metrostation] . Deze jongen wilde zijn telefoon lenen om te bellen. De jongen was in paniek en verklaarde dat hij zojuist moest meehelpen bij een overval. [betrokkene 2] gaf aan dat hij het een enge situatie vond en dat zij daarna samen in metro zijn gestapt om vervolgens op station [metrohalte] uit te stappen.

8. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. 2016529076 (pagina B62 van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de bevindingen van de verbalisant , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik zag op de camerabeelden van metrostation [metrostation] op 28 november 2016 om 20:05 uur twee personen. Een persoon kwam links uit het beeld aanrennen bij de toegangspoortjes. Ik noem hem NN1 en kan hem omschrijven (onder meer) als volgt:

- donkerkleurige broek met witkleurig Nike logo op linkerbeen en aan de buitenzijde een lichtkleurige streep van heup tot aan de knie

- donderkleurige gewatteerde jas.

Ik zag dat NN1 met zijn rechterhand een pasje op de lezer van de toegangspoortjes hield en dat de toegangspoorten werden geopend. Ik zag dat NN1 rende richting de roltrap die naar het perron leidde.

Op het moment dat NN1 de poortjes passeert, zag ik uit de linkerzijde van het beeld een tweede persoon aan komen rennen. Ik herken deze persoon direct als de aangehouden verdachte [betrokkene 1] .

Op het perron zag ik dat de deuren van de metro sloten, dat de metro vertrok en [betrokkene 1] achterbleef op het perron. Omstreeks 20:11:20 uur maakt hij ter hoogte van waar NN1 in de metro stapte contact met een man. Ik zag dat zij samen in de metro stapten.

9. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. 2016529076 (pagina B287 van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de bevindingen van de verbalisant , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 20 januari 2016 wordt aan verdachte [betrokkene 1] een foto getoond van [verdachte] . Bij het tonen van de foto zei [betrokkene 1] direct: “ik ken deze jongen, deze jongen was bij de overval”.

10. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. 2016529076 (pagina B183 van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de bevindingen van de verbalisant , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

De persoon die op de camerabeelden van metrostation [metrostation] op 28 november 2016 omstreeks 20:05 uur door de toegangspoortjes gaat heeft gebruik gemaakt van een OV-chipkaart voorzien van [ov-nummer] . Die kaart staat op naam van [verdachte] .

11. Het proces-verbaal van politie Eenheid Amsterdam nr. 2016529076 (pagina B273 van de doorgenummerde pagina’s van het zaaksdossier), inhoudende de bevindingen van de verbalisant , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 5 januari 2017 is verdachte [verdachte] aangehouden. Meerdere kledingstukken zijn onderzocht.

Vergelijking kleding

Op de camerabeelden van de overval en camerabeelden van diverse metrostations, alwaar dader 1 opstaat, is te zien dat dader 1 dezelfde soort jas draagt, welke tijdens de fouillering van [verdachte] is aangetroffen. Namelijk een zwarte gewatteerde jas met capuchon, linkerzijde van de hals een wit vlak en ter hoogte van de buik aan weerszijde jaszakken.

Tevens zat op de linkermouw een logo, een Stone Island logo badge.

Op meerdere foto’s van de camerabeelden is een badge te zien op de linkermouw, alwaar de kleur geel inzit.

Doorzoeking [woningnummer] te Lelystad:

Op donderdag, 5 januari 2017, heeft er een doorzoeking plaats gevonden in de kamer van [verdachte] , op het adres [straatnaam 3] te Lelystad. Tijdens deze doorzoeking is een blauwe trainingsbroek aangetroffen met aan weerszijde gele strepen vanaf de heup tot iets boven de knie van de broekspijpen, rechter broekspijp een rond logo.

Op de camerabeelden van de overval en de camerabeelden van metrostation [metrostation] , alwaar NN1 opstaat, is te zien dat NN1 dezelfde soort trainingsbroek draagt, als welke tijdens de doorzoeking woning, [straatnaam 3] te Lelystad, is aangetroffen.

B. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft ten verweer betoogd dat verdachte van betrokkenheid bij deze overval moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zijn betrokkenheid bij deze overval heeft ontkend, dat de gegevens van de OV-chipkaart niets zeggen over verdachtes betrokkenheid omdat hij deze kaart wel eens uitleent aan derden en dat de herkenning van verdachte door de getuige [betrokkene 1] onvoldoende betrouwbaar is.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling (tijds)verband en samenhang bezien genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte de NN1 dader is die op 28 november 2016 [snackbar] te Amsterdam samen met [betrokkene 1] heeft overvallen, een box met geld en enkele beltegoedkaarten onder de toonbank vandaan heeft gepakt en stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het aanwezige personeel.

De bezwaren die de verdediging heeft geuit tegen de wijze waarop de herkenning van verdachte door [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden, brengen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet mee dat aan de betrouwbaarheid van die herkenning moet worden getwijfeld. [betrokkene 1] is als mededader van de overval bij uitstek de persoon die kan verklaren over zijn mededader en zijn herkenning van verdachte als de mededader vindt in aanzienlijke mate steun in andere bewijsmiddelen die op het daderschap van verdachte wijzen.

Ook het standpunt van de verdediging dat de gegevens van de OV-chipkaart niet wijzen op daderschap, wordt door de rechtbank niet gedeeld. De gegevens van verdachtes OV-chipkaart in combinatie met de kleding die de gebruiker van deze kaart blijkens de camerabeelden draagt en die overeenkomen met de kleding van overvaller NN1, en gelet op de tijdstippen tussen overval en inchecken met de OV-kaart van de verdachte, wijzen verdachte objectief aan als de persoon die na de overval met [betrokkene 1] is gevlucht via het metrostation [metrostation] . Dat dit een ander persoon moet zijn geweest dan de verdachte om de reden dat, naar verdachte ter zitting heeft verklaard, hij zijn persoonlijke OV-chipkaart wel eens aan derden uitleent, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Te minder, nu verdachte tegenover de politie heeft verklaard dat hij zijn persoonlijke OV-chipkaart nooit uitleent.

Hetgeen door of namens de verdachte overigens ten verweer is aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om tot een andere bewijsbeslissing te komen ofwel vindt het zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, en op grond van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij parketnummer 01/865040-17 onder primair ten laste gelegde en het bij parketnummer 01/860332-17 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

parketnummer 01/865040-17

primair

hij op 25 december 2016 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van 57.832,50 euro en 3 waardebonnen van 7,50 euro, toebehorende aan [supermarkt] ,

en

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 57.832,50 euro en 3 waardebonnen van 7,50 euro, toebehorende aan [supermarkt] , welke diefstal werd vergezeld en gevolgd door bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan een andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of afpersing hierin bestonden dat zijn mededader

- een vuurwapen, op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gericht (gehouden) en

- die [slachtoffer 1] in haar nek heeft vastgepakt en een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en

- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gezegd dat ze op de grond moesten gaan liggen en

- een vuurwapen, heeft doorgeladen waardoor er een kogel op de grond viel en hierbij heeft gezegd: ‘Zie je dat het een echte is, zie je dat ik geen grappen maak’,

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd, dat ze hem al een tijdje in de gaten hielden en dat als hij niet mee zou werken en als hij, verdachte, herkend zou worden, de moeder van die [slachtoffer 2] eraan zou gaan en (meermalen) tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: “Denk aan je moeder [slachtoffer 2] ”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- een pistool op die [slachtoffer 3] heeft gericht en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (onder bedreiging van het vuurwapen) heeft gedwongen om naar de kantine te lopen en vervolgens gezegd dat zij op hun buik op de grond moesten gaan liggen en tien minuten moesten blijven liggen;

parketnummer 01/860332-17

1.

hij op 28 november 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van circa 500 euro en beltegoedkaarten ter waarde van circa 100 euro toebehorende aan de [snackbar] , welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn medeverdachte opzettelijk de [snackbar] zijn binnengaan en verdachte die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] een mes heeft getoond en met dat mes in de richting van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bewogen en een stekende beweging heeft gemaakt en (daarbij) tegen die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Geef de kassa, dit is een overval” en “Geef me geld van de kassa” en “overval overval” en “geld, geld geld”.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar gevorderd.

Indien de rechtbank het adolescentenstrafrecht van toepassing acht vordert hij de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overvallen op een supermarkt en een snackbar. Deze feiten pleegde hij telkens tezamen met een ander. Bij de overval op supermarkt [supermarkt] is een aanzienlijke som geld buit gemaakt. De verdachte leidde het winkelpersoneel af door een kassamedewerker bezig te houden en vervolgens te doen alsof hij ziek was, terwijl zijn medeverdachte de aanwezige personeelseden bedreigde met een vuurwapen en dwong tot de afgifte van die grote som geld.

Bij de overval op [snackbar] vervulde de verdachte een leidinggevende rol. Bovendien bedreigde hij de aanwezige personeelsleden door met een mes stekende bewegingen te maken in hun richting.

De verdachte heeft door het begaan van de bewezenverklaarde feiten zich schuldig gemaakt aan een zware vorm van criminaliteit, die niet alleen zeer bedreigend en traumatiserend is voor de slachtoffers, doch die bovendien grote onrust veroorzaakt in de samenleving in het algemeen. Ook brengen dergelijke delicten in sterke mate gevoelens van angst en onveiligheid teweeg bij degenen die ter plaatse hun dagelijks werk moeten verrichten. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten daarvan nog lange tijd de negatieve psychische gevolgen kunnen ondervinden. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de slachtoffers van supermarkt [supermarkt] . De verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich kennelijk niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers.

Over de verdachte zijn in de loop der jaren meerdere rapporten uitgebracht. De meest recente worden hier besproken, te weten de rapporten opgesteld door forensisch psycholoog D. Breuker d.d. 3 april 2017 en 8 augustus 2017 en door psychiater A.M. de Jong d.d. 6 december 2017.

In zijn rapport van 3 april 2017 concludeert de psycholoog dat bij betrokkene sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in zin van een aandachtsdeficiëntie/hyperactiviteits-stoornis (ADHD) van het gecombineerde type. Er is tevens sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een normoverschrijdende gedragsstoornis en een verbaal begrip en verwerkingssnelheid op zwakbegaafd niveau. Die problematiek was ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen.

Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde (bij een bewezenverklaring) betrokkene in verminderde mate toe te rekenen. Met de eigen klinische blik en de weginglijst voor ASR worden voldoende criteria bij betrokkene gevonden voor toepassing van het jeugdstrafrecht. In het kader van het jeugdstrafrecht wordt geadviseerd om aan betrokkene een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De behandelinterventies zullen gericht moeten worden op alle levensgebieden (persoonlijkheid, relaties met anderen, wonen, dagbesteding, financiën, vrije tijd). Eventuele ondersteuning middels elektronisch toezicht kan worden overwogen. De recidivekans wordt als hoog ingeschat.

Op 8 augustus 2017 concludeert de psycholoog dat aanvullend onderzoek niet tot nieuwe inzichten heeft geleid met betrekking tot de forensische psychologische beschouwing en advisering.

De psychiater concludeert in het door haar opgestelde rapport van 6 december 2017 dat sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van ADHD en van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een normoverschrijdende gedragsstoornis die tendeert richting een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken. Die problematiek was ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen. Aangezien betrokkene qua ontwikkeling achterloopt op zijn leeftijdsgenoten wordt geadviseerd het adolescentenstrafrecht toe te passen. Betrokkene behoeft adequate behandeling, waarbij het belangrijk is om te werken aan zijn copingvaardigheden, het hanteren van agressie, het opstellen van een delictanalyse en het versterken van zijn normen en waarden. Daarnaast heeft hij hulp en ondersteuning nodig om zich te kunnen inbedden in de maatschappij en moet er voldoende aandacht zijn voor scholing, werk en dagbesteding. De huidige behandeling bij [forensisch centrum] kan bovenstaande bieden. Daarnaast woont hij bij woonvoorziening Boomerang, welke een nauwe samenwerking heeft met behandelcentrum aan ’t IJ.

Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Er wordt een voorwaardelijk PIJ geadviseerd met als voorwaarden het zich houden aan bovenomschreven behandeling.

De rechtbank is het eens met de conclusies met betrekking tot de toepassing van het jeugdstrafrecht en de verminderde toerekeningsvatbaarheid en neemt deze over.

De reclassering (Vincent van Gogh voor geestelijke gezondheidszorg) rapporteert op 18 januari 2018 - voor zover hier van belang - als volgt.

Betrokkene is op 2 november 2017 geschorst van preventieve hechtenis en sindsdien verblijft hij binnen de beschermde woonvorm van [zorginstelling] te Amsterdam. Hij is aangesloten op elektronisch toezicht. Daarbij is eveneens reclasseringstoezicht opgestart. Tot op heden verloopt het toezicht naar behoren. Betrokkene komt afspraken goed na en stelt zich coöperatief op. Zijn sociale netwerk blijft wel een belangrijk aandachtspunt, met name het leren ‘nee’ zeggen en opbouwen van een constructief netwerk. Verder blijkt hij te zijn teruggevallen in zijn gokgedrag.

Rapporteur wil de rechtbank in overweging geven om een voorwaardelijke PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden (dadelijk uitvoerbaar) aan betrokkene op te leggen.

Op 23 januari 2018 heeft de reclassering nog een aanvullend rapport opgesteld. De rapporteur geeft aan dat er zorgwekkende signalen zijn. In de week van 15 januari 2018 is betrokkene met school gestart. Nadat er problemen waren met zijn enkelband is hij niet meer op school verschenen en op 19 januari 2018 is hij eerder van school vertrokken. Hij zou aangegeven hebben dat hij naar de huisarts moest, maar een doktersverklaring is nog niet overgelegd.

Zorgwekkender is het signaal dat een incident met een medebewoner van [zorginstelling] heeft geleid tot een bedreiging en een handgemeen.

Het eerder gegeven advies (voorwaardelijke PIJ) is gelet op de geïndiceerd interventies actueel. Wegens de incidenten rijst echter wel vraag of betrokkene zich in wil zetten voor een dergelijk traject en gedragsverandering.

De mentor van de verdachte heeft een brief opgesteld. Die brief is op de terechtzitting van 26 januari 2018 door de raadsman overgelegd en houdt - voor zover hier van belang - het volgende in.

De verdachte is een flexibele nette jongeman die zich aan zijn afspraken houdt. Hij gedraagt zich, op een tweetal incidenten na, als een voorbeeldjongere binnen [zorginstelling] . Naar onze mening is de verdachte een eerlijke jongen en hij geeft altijd openheid van zaken als hem daarom gevraagd wordt. Die eerlijkheid wordt gewaardeerd. Hij gaat, op bovengenoemd incident na, goed om met zijn medebewoners. Sinds kort is hij gestart met een opleiding op de [school] en tot op heden verloopt dit zonder problemen.

Zijn mentrix schrijft het volgende over verdachte:

“Op maandag 15-01-2018 is [verdachte] bij ons op school gestart. Na een introductie en een Pop gesprek waarin [verdachte] rustig, beleefd en open met mij sprak zijn wij direct aan de slag gegaan. Tot nu toe is [verdachte] (op een aantal externe afspraken na) op tijd op school verschenen en komt hij zijn afspraken met mij na. Hij is beleefd naar de docenten en maakt makkelijk contact met zijn medeleerlingen”.

De rechtbank heeft de conclusies van de psycholoog, de psychiater en de reclassering overgenomen en maakt die tot de hare.

De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de reclassering in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel acht de rechtbank thans niet nodig. Volstaan kan worden met het opleggen van de voorwaarde dat verdachte zich onder behandeling bij [forensisch centrum] (of soortgelijke forensische zorg) dient te laten stellen en voorts de voorwaarden zoals hierna in de beslissing genoemd. Mocht verdachte niet verder meewerken aan de voorgestelde noodzakelijke en reeds ingezette behandeling, dan dient de voorwaardelijke PIJ-maatregel ertoe om zoveel mogelijk te waarborgen dat behandeling en onderzoek toch plaats kunnen vinden, maar dan in een gedwongen kader. Hoewel verdachte wordt veroordeeld voor twee zeer ernstige feiten geeft de rechtbank verdachte daarmee een laatste kans op gedragsverbetering. Het is aan verdachte om deze kans te grijpen en de reeds ingezette behandeling te voltooien.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de formele voorwaarden zoals genoemd in artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van een (voorwaardelijke) maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, nu voor de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Tot slot merkt de rechtbank op dat er sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van 3 jaar te boven gaan.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van meer personen, te weten het onder dreiging met geweld met een wapen en/of mes afpersen en beroven van meerdere personen.

Gelet op de aard van de door verdachte gepleegde feiten, de ernst van de gepleegde geweldshandelingen, de korte perioden waarin deze plaatsvonden, de hoge recidivekans die wordt omschreven in de rapportages van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77s Sr te stellen voorwaarden en/of het op grond van art. 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank acht naast het opleggen van de voorwaardelijke PIJ-maatregel het opleggen van een jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde delicten en het feit dat verdachte eerder terzake soortgelijke delicten is veroordeeld, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met een andere of lichtere straf worden volstaan.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] .

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

27, 56, 57, 77c, 77g, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77gg, 77za, 312 en 317 Sr.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte bij parketnummer 01/860332-17 onder feit 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart het bij parketnummer 01/865040-17 onder primair en bij parketnummer 01/860332-17 onder 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. 01/865040-17 primair: de voortgezette handeling van

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren , terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

T.a.v. 01/860332-17 feit 1:diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

t.a.v. 01/865040-17 primair, 01/860332-17 feit 1:*Jeugddetentie voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27Wetboek van Strafrecht

*Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 3 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde moet zich binnen drie dagen volgend op deze melden bij de SVG Reclassering Inforsa via 020-5905800. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- de veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor de (gediagnosticeerde)

gedragsproblematiek binnen [forensisch centrum] of soortgelijke forensische

zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich

zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of

namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- de veroordeelde wordt verplicht om aansluitend op deze beslissing binnen [zorginstelling] te Amsterdam of een soortgelijke RIBW/ Woonvorm, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- de veroordeelde wordt indien door de reclassering geïndiceerd verplicht om mee te werken

aan behandeling bij de verslavingszorg (gelet op eerder gokgedrag) Inforsa of soortgelijke ambulante zorg, zolang de reclassering dat nodig acht;

- de veroordeelde wordt verplicht om zich binnen de vastgestelde tijden (richtlijnen

elektronisch toezicht bij adolescentenstrafrecht) door middel van GPS elektronisch

toezicht te bevinden binnen [zorginstelling] , zolang als de reclassering dat nodig acht;

- de veroordeelde is bereid zijn dagelijks functioneren bespreekbaar te maken en zich

begeleidbaar en controleerbaar op te stellen en geeft toestemming aan de reclassering

om contact te hebben met voor het toezicht relevante personen. Tevens geeft hij aan

deze personen/instellingen toestemming informatie uit te wisselen met de reclassering;

- de veroordeelde werkt, indien door de reclassering geïndiceerd, mee aan een vorm van

financiële hulpverlening zolang als de reclassering dat nodig acht.

Geeft opdracht aan de GGZ Reclassering Limburg te Roermond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, begroot op nihil.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. De voorlopige hechtenis is op 2 november 2017 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. T.J. Roest Crollius, leden,

in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,

en is uitgesproken op 23 februari 2018.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.