Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:802

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
01/042424-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wettig en overtuigend bewezen: medeplegen van poging tot doodslag. Schoppen/trappen tegen hoofd.

Enkel constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Strafeis: 6 maanden gevangenisstraf.

Strafoplegging: 15 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/042424-15

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,

wonende te [postcode] , [adres] .

De zaak is door de politierechter ter terechtzitting van 25 oktober 2017 verwezen naar de meervoudige kamer. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 november 2017 en 7 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 mei 2015.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 november 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een ander of anderen, althans alleen:

- die (op de grond liggende) [slachtoffer] meermalen (met kracht) (met geschoeide voet) op/tegen diens gezicht en/of hoofd heeft/hebben geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 november 2013 te 's-Hertogenbosch met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Europalaan, in elk geval op of aan een openbare weg en/of ten aanschouwe van, althans zichtbaar voor publiek, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

- het (met kracht) duwen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of (vervolgens)

- het meermalen (met kracht) (met geschoeide voet) schoppen/trappen op/tegen het gezicht en/of het hoofd van die (op de grond liggende) [slachtoffer] ;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Bewijsbijlage.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Inleiding.

Aan de orde is een geweldsincident op 8 november 2013 op de Europalaan in

’s-Hertogenbosch waarbij verdachte en [betrokkene 1] aangever [slachtoffer] tegen het

hoofd zouden hebben getrapt. Verdachte wordt het verwijt gemaakt dat hij door zijn handelen heeft getracht [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen (primair). In een lichtere variant wordt hij beschuldigd van openlijke geweldpleging (subsidiair).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten last gelegde. Wel acht de officier van justitie de openlijke geweldpleging (subsidiair) bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden als vermeld in zijn schriftelijke pleitaantekeningen betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Het betoog van de raadsman komt er in de kern op neer dat niet vaststaat dat verdachte degene is geweest die aangever heeft geschopt.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage en overweegt voorts het navolgende.

Uit de verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en verdachte

volgt dat de drie laatstgenoemden gezamenlijk in een auto naar het werk van aangever zijn gereden om verhaal te halen over een vermeende verkrachting van [betrokkene 2] diezelfde ochtend door aangever.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voorts af dat zij er vanuit gingen dat er een gewelddadige confrontatie plaats zou vinden. [betrokkene 1] verklaart in dit verband dat verdachte schreeuwde en had gezegd ‘We pakken hem nu’.

Uit de verklaringen van [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en verdachte volgt dat verdachte op aangever afliep en met hem een fysieke confrontatie had, waarna aangever wegrende. Verdachte liep terug naar de auto en stapte weer in. [betrokkene 1] was inmiddels achter aangever aangerend. [betrokkene 3] en verdachte volgden hen in de auto, waarna [betrokkene 3] de auto stopte. Verdachte stapte vervolgens weer uit de auto.

Dit alles komt ook terug in de verklaring van aangever. Uit diens verklaring volgt voorts dat hij tijdens de achtervolging werd gevloerd en al liggend op de grond door twee personen werd geschopt en geslagen in het gezicht/tegen het hoofd. Uit medische informatie blijkt dat aangever een gebroken neus en een lichte hersenschudding heeft opgelopen.

[betrokkene 1] verklaart dat hij aangever ten val heeft gebracht en hem heeft getrapt tegen zijn lichaam, niet tegen zijn hoofd, toen hij op de grond lag. Tevens volgt uit zijn verklaring dat verdachte bij aangever ging staan en hem flink sloeg.

[betrokkene 3] verklaart uitdrukkelijk dat verdachte de op de grond liggende aangever enkele keren tegen/op het hoofd heeft getrapt nadat hij (verdachte) uit de auto was gestapt. Volgens [betrokkene 3] was verdachte in een trance aan het trappen. Zij had een verbrijzelde schedel en een opname op de intensive care verwacht. [betrokkene 3] heeft van [betrokkene 1] vernomen dat ook hij aangever een trap(je) had gegeven.

Verdachte bevestigt dat hij geweld op de op de grond liggende aangever heeft uitgeoefend nadat hij (verdachte) uit de auto was gestapt. Hij heeft aangever geslagen. Op dat moment kwam [betrokkene 1] erbij staan, aldus verdachte. Ook heeft verdachte verklaard dat hij op wedstrijdniveau aan kickboksen heeft gedaan.

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , die zichzelf ook belast, te twijfelen. De rechtbank concludeert op basis van de bewijs-middelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, dat verdachte en [betrokkene 1]

met een gewelddadige intentie gezamenlijk naar aangever zijn gegaan en kort na elkaar,

nagenoeg gelijktijdig, geweldshandelingen op aangever hebben uitgeoefend, waaronder

het schoppen/trappen tegen het hoofd. Het door aangever opgelopen letsel, een gebroken neus en een lichte hersenschudding, past ook hierbij. De gezamenlijkheid van hun algehele optreden brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte en [betrokkene 1] in nauwe en bewuste samenwerking de geweldshandelingen hebben verricht en zij in strafrechtelijke zin over en weer verantwoordelijk zijn voor elkaars gedragingen.

Aangever lag op de grond toen hij door verdachte, een getraind kickbokser, en [betrokkene 1] meerdere keren met kracht tegen zijn hoofd werd geschopt/getrapt. Daarnaast werd hij, hoewel niet ten laste gelegd doch wel van belang, met kracht tegen het hoofd geslagen.

Het onder de gegeven omstandigheden met kracht met geschoeide voeten meermalen schoppen/trappen tegen het hoofd, zijnde een zeer kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam met vitale levensfuncties, levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat zodanig ernstig letsel wordt toegebracht dat het slachtoffer ten gevolge daarvan overlijdt. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moeten ook verdachte en zijn mededader geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Door niettemin te handelen zoals zij hebben gedaan, hebben zij welbewust de aanmerkelijk kans op een fatale afloop aanvaard.

Gelet hierop acht de rechtbank het primair ten laste gelegde, meer specifiek het medeplegen van een poging tot doodslag, dan ook bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bewijsbijlage

uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

(primair) op 8 november 2013 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet met een ander die op de grond liggende [slachtoffer] meermalen met kracht met geschoeide voet op/tegen diens gezicht en/of hoofd hebben geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 6 maanden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft er op gewezen dat mededader [betrokkene 1] wegens openlijke geweldpleging eerder is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en dat de rechtbank met deze sanctionering rekening dient te houden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten bezware van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer samen met zijn mededader letterlijk afgetuigd. Het slachtoffer werd hierbij op laffe wijze tegen het hoofd geschopt en geslagen terwijl hij weerloos op de grond lag. Aan de geweldsexplosie lag een beschuldiging van een verkrachting van een nichtje van verdachte ten grondslag. Er lijkt sprake te zijn geweest

van een regelrechte strafexpeditie met een hoofdrol voor verdachte, een getraind kickbokser. Uit de diverse verklaringen rijst een zorgwekkend beeld van een verdachte die zich te buiten is gegaan aan buitensporig geweld zonder enige remming. Het op deze wijze door verdachte voor eigen rechter spelen acht de rechtbank volstrekt ontoelaatbaar.

Verdachte heeft door zijn gewelddadige handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en diens lichamelijke integriteit ernstig aangetast. Dat het uitgeoefende geweld niet tot een fatale afloop heeft geleid en het lichamelijk letsel bij het slachtoffer relatief beperkt is gebleven, is niet aan het handelen

van verdachte te danken geweest. Het slachtoffer heeft op dit punt simpelweg geluk gehad.

Het zeer gewelddadige karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat hij er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Slacht-

offers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Door een dergelijk in het openbaar gepleegd feit worden bovendien algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samen-

leving versterkt. De rechtbank neemt dit alles verdachte uiterst kwalijk.

De rechtbank heeft gezien dat verdachte in een verder verleden (1992, 1993 en 1998) al onherroepelijk is veroordeeld vanwege delicten met een geweldscomponent.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop het door hem gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl geen redelijke verklaring voor dit tijdsverloop aannemelijk is geworden.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het aanvangstijdstip van de start van de redelijke termijn wordt in casu door de rechtbank bepaald op 22 mei 2015, zijnde de datum waarop de dagvaarding aan de griffier van deze rechtbank is uitgereikt. Eerst vanaf deze datum kon verdachte naar het oordeel van de rechtbank in alle redelijkheid verwachten dat er tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Nu de behandeling van de zaak vervolgens op 10 juni 2015 op verzoek van de verdediging is aangehouden en vervolgens op 15 november 2017 in verband met onderzoekswensen van de verdediging, door de rechtbank telkens op vier maanden op het conto van de verdediging gewaardeerd, komt de rechtbank tot een overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum van een maand. Gezien deze geringe overschrijding volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafsoort en de hoogte van de straf acht geslagen enerzijds op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten, die dienen als vertrek-punt bij het bepalen van de straf en anderzijds naar hetgeen in vergelijkbare gevallen aan straf wordt opgelegd. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat de in de oriëntatiepunten voor mishandeling (zonder wapen) neergelegde strafmodaliteit en/of duur voor een geval vergelijkbaar met het onderhavige onvoldoende recht doet aan de mate van geweld dat op het slachtoffer is toegepast alsmede de wijze waarop, te minder nu sprake is van in vereniging gepleegd geweld.

Uit een oogpunt van normbevestiging, handhaving en generale preventie, dat wil zeggen als signaal aan de samenleving dat dergelijk geweld onder geen beding kan worden getolereerd en daarom stevig moet worden aangepakt, is de rechtbank van oordeel dat alleen met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur kan worden volstaan. De rechtbank is juridisch niet gebonden aan en acht ook overigens voor de straftoemeting in deze zaak niet van belang de sanctionering van mededader [betrokkene 1] tot een taakstraf voor openlijke geweldpleging.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

De rechtbank ziet in het rapport van de reclassering d.d. 6 juli 2017 dat omtrent de persoon van verdachte in de zaak met parketnummer 01/879170-17 is opgesteld, geen grond

voor een andere strafoplegging.

De rechtbank zal een aanzienlijk zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank het handelen van verdachte zwaarder kwalificeert dan de officier van justitie en de rechtbank voorts van oordeel is dat de gevorderde straf de aard en ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 45, 47, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair medeplegen van poging tot doodslag Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

t.a.v. primair: Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. B. Poelert, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 21 februari 2018.

mr. Poelert is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.