Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:732

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
17_1626
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet plaatsing op voorkeursfuncties bij reorganisatie. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het assessment en de daarop volgende adviezen van de Selectiecommissie onvoldoende dat eiser voor deze functies niet geschikt is. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/1626

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.W.J.A. van der Molen-Platenburg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder

(gemachtigde: mr. V.L.S. van Cruijningen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de status van eisers functie definitief vastgesteld op ‘vervallen functie’ en bepaald dat eiser per

15 juli 2016 niet wordt geplaatst op een andere functie. Tevens is eiser medegedeeld dat voor hem het mobiliteitsjaar een aanvang neemt op 23 september 2016.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft de ingangsdatum van het mobiliteitsjaar gewijzigd in 27 september 2016.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [persoon A] en

[persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is sinds 1993 bij verweerder werkzaam, laatstelijk in de functie van Afdelingsmanager Grondzaken. In het kader van de reorganisatie is op 10 mei 2016 de nieuwe hoofdstructuur van de gemeentelijke organisatie vastgesteld. Als gevolg hiervan is de managementfunctie van eiser komen te vervallen, wat hem bij brief van 11 mei 2016 is medegedeeld. In deze brief is eveneens vermeld dat eiser binnen tien dagen zijn belangstelling kenbaar kan maken voor één of meer functies uit de nieuwe functieboeken. Eiser heeft hierop aangegeven dat zijn voorkeur uitgaat naar de functies afdelingsmanager Ontwikkelen en Ondernemen en afdelingsmanager Financiën, beide strategische managementfuncties. Naar aanleiding van zijn sollicitaties heeft eiser een assessment afgelegd en gesprekken gevoerd met de Selectiecommissie. De uitslag van het assessment was ‘ongeschikt’. De Selectiecommissie heeft eiser vervolgens ongeschikt geacht voor zijn voorkeursfuncties. Verweerder heeft eiser bij brief van 11 juni 2016 in kennis gesteld van zijn voornemen om hem niet te plaatsen in één van zijn voorkeursfuncties. Eiser heeft hierop gereageerd en wederom een gesprek gehad met de Selectiecommissie die haar conclusie niet heeft gewijzigd. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd.

2. De rechtbank is allereerst van oordeel dat sprake is van voldoende procesbelang. Op de zitting heeft eiser namelijk verklaard dat één van de functies van zijn voorkeur (afdelingsmanager Ontwikkelen en Ondernemen) thans vacant is, wat betekent dat hij bij een gegrond beroep ook daadwerkelijk alsnog geplaatst zou kunnen worden in die functie. Verweerder heeft dit bevestigd. Dit betekent dat er voldoende procesbelang is. Hoewel dit los staat van het procesbelang wordt hier ook vermeld dat verweerder op de zitting desgevraagd heeft verklaard dat als eiser, ongeacht de uitkomst van deze procedure, op deze functie zou solliciteren, de uitkomst van het assessment en de conclusies van de Selectiecommissie die in onderhavige zaak aan de afwijzing ten grondslag hebben gelegen, hem niet zullen worden tegengeworpen. In dat geval zal de reguliere sollicitatieprocedure opnieuw gevolgd worden.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten om de door de Adviescommissie Bezwaar en Administratief beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht inzake personeels- en organisatieaangelegenheden gemeente Helmond (hierna: de bezwarencommissie) geconstateerde procedurele aspecten nader te motiveren. Voor zover eiser met deze stelling bedoelt dat sprake is van schending van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), stelt de rechtbank vast dat de bezwarencommissie dit gebrek heeft hersteld door zelf te toetsen of het advies van de Selectiecommissie op zorgvuldige wijze is verricht. De bezwarencommissie is uitgebreid ingegaan op de procedure van de Selectiecommissie en concludeert dat van een tekortkoming geen sprake is. Verweerder heeft op dit punt dan ook terecht kunnen volstaan met de verwijzing naar en overname van het advies van de bezwarencommissie.

4. Eiser heeft daarnaast betoogd dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Eiser heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verweerder heeft nagelaten expliciet te motiveren waarom hij de bevindingen uit de gedragsgerichte interviews en de constateringen zoals vastgelegd in het assessmentrapport, voldoende consistent acht om te concluderen dat eiser ongeschikt is voor strategische managementfuncties. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wel degelijk geschikt is voor (strategische) managementfuncties. Het feit dat hij jarenlang een dergelijke functie naar behoren heeft verricht, zonder negatieve beoordelingen, had verweerder aanleiding moeten geven om niet zonder meer af te gaan op de resultaten van het assessment en de gesprekken met de Selectiecommissie, maar nader onderzoek te doen naar zijn geschiktheid voor de door hem geambieerde functies.

5. Volgens verweerder heeft de beoordeling van eisers geschiktheid voor de managementfuncties van zijn voorkeur plaatsgevonden tegen de achtergrond van de nieuwe kernnormen van de gemeente Helmond. Daarin is tot uitdrukking gebracht dat een cultuurverandering moet plaatsvinden op vier terreinen: mensen, verandering, resultaat en duidelijke kaders weten te verbinden. Deze kernnormen, zo stelt verweerder, appelleren aan het vermogen van de kandidaat managers zich een andere manier van werken en leidinggeven aan te meten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het assessment en de gesprekken met de Selectiecommissie hebben plaatsgevonden indachtig deze kernnormen. In het Sociaal Statuut Gemeente Helmond 2016-2020 (hierna: het Sociaal Statuut) is bepaald dat verweerder alleen in geval van bijzondere en zwaarwichtige redenen gemotiveerd kan afwijken van het advies van de Selectiecommissie. Verweerder was dus in beginsel gebonden aan het advies van de Selectiecommissie.

6. De rechtbank overweegt allereerst dat het Sociaal Statuut, opgesteld ten behoeve van de reorganisatie, procedurele en inhoudelijke garanties geeft en tevens een maximale inspanning van de gemeente vraagt waar het betreft het behoud van werkgelegenheid voor het gemeentelijk personeel. Gelet hierop moet een besluit als hier aan de orde, om een vacature niet te vervullen waardoor een medewerker niet in vaste formatie wordt geplaatst, berusten op een motivering die boven elke twijfel verheven is (zie de uitspraak van de CRvB van 2 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2179).

7. De rechtbank is met eiser van oordeel dat van een motivering die boven elke twijfel verheven is, in dit geval geen sprake is. Dat een assessment een geschikt instrument is om de mate van geschiktheid objectief vast te stellen wordt door de rechtbank niet ontkend. Dit volgt ook onder meer de uitspraak van de CRvB van 8 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2126. In dit geval echter mocht verweerder niet zonder meer uitgaan van de uitkomsten van het assessment en de daarop volgende adviezen van de Selectiecommissie. De rechtbank ziet aanleiding voor dit oordeel op de navolgende gronden.

8. De mogelijke uitkomsten van het assessment waren ‘geschikt’, ‘geschikt te maken’ of ‘ongeschikt’. Daarbij zijn de resultaatgebieden ‘concernsturing’, ‘integraal management’, ‘producten en diensten’ en ‘netwerken’ beoordeeld, waarbij per resultaatgebied is aangegeven of sprake is van ‘onvoldoende ontwikkeld’, ‘matig ontwikkeld’, ‘voldoende ontwikkeld’, ‘ruim voldoende ontwikkeld’ en ‘kracht’. Eiser heeft op de resultaatgebieden concernsturing en integraal management ‘matig ontwikkeld’ gescoord, op het resultaatgebied bedrijfsvoering ‘ruim voldoende ontwikkeld’ en op de gebieden ‘producten en diensten’ en ‘netwerken’ ‘voldoende ontwikkeld’. Eiser heeft op geen enkel resultaatgebied ‘onvoldoende ontwikkeld’ gescoord. Bovendien is onder het kopje ‘conclusie & advies’ opgemerkt dat de afstand tot het profiel van Strategisch Manager I bij de gemeente Helmond voor eiser niet zo groot is. Desondanks is het ‘overall advies’ dat eiser ongeschikt is. De rechtbank acht deze conclusie niet zonder meer begrijpelijk, nu een nadere toelichting ontbreekt.

9. Bij de hiervoor genoemde opmerking dat de afstand tot het profiel van Strategisch Manager I bij de gemeente Helmond niet zo groot is, is vermeld ‘dat het de verwachting is dat eiser qua ontwikkeling tegen zijn plafond aan zit’. Deze conclusie wordt niet nader onderbouwd en vindt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het assessmentrapport. De rechtbank kan uit dit rapport niet afleiden waarom eiser zich niet meer zou kunnen ontwikkelen op de geconstateerde aandachtsgebieden, te meer nu de afstand tot het profiel kennelijk niet zo groot is.

10. Daarnaast is onder het kopje ‘conclusie & advies’ vermeld dat bij eiser sprake is van een beperkte motivatie om met feedback aan de slag te gaan. Deze conclusie is kennelijk gebaseerd op het feit dat eiser, zo vermeldt het assessmentrapport onder het kopje ‘risico’s & bedreigingen’, heeft aangegeven de ontvangen feedback te herkennen in het licht van zijn optreden gedurende het assessment, maar deze niet te kunnen relateren aan zijn functioneren in de praktijk. Vervolgens wordt geconcludeerd dat het belangrijk is dat eiser, om zich verder te ontwikkelen, constructieve feedback meer ter harte neemt. ‘Afgeleid uit eisers wat defensieve reactie zien we het risico dat eiser ook in de praktijk de neiging zal hebben om minder herkenbare feedback naast zich neer te leggen’, aldus het assessmentrapport. De rechtbank is van oordeel dat de conclusie dat eiser feedback die minder herkenbaar is, naast zich neer zal leggen, niet getrokken lijkt te zijn naar aanleiding van eisers functioneren tijdens het assessment, maar naar aanleiding van zijn reactie op de uitkomst van het assessment. Deze conclusie wordt naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gedragen door de uitkomsten van het assessment. De rechtbank wijst er daarbij op dat vorenbedoelde opmerking van eiser wellicht correct kan zijn geweest, gelet op het feit dat eiser in de jaren dat hij als strategisch manager gewerkt heeft, geen slechte beoordelingen heeft gehad en meerdere keren bewust beloond is voor zijn goede werkzaamheden.

11. Ook is onder 'conclusies & advies’ vermeld dat de onderzoekers van het assessment Centre eraan twijfelen in hoeverre eiser zijn ontwikkelgebieden binnen één jaar tot op het vereiste niveau kan brengen. Omdat zij verwachten dat hij hier meer tijd voor nodig heeft, adviseren zij negatief. Ook voor deze stelling biedt het assessmentrapport, nu een nadere toelichting ontbreekt, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten.

12. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat uit de overgelegde beoordelingen van eiser afdoende is gebleken dat eiser jarenlang goed gefunctioneerd heeft als strategisch manager binnen de gemeente Helmond. Hoewel deze beoordelingen niet zeer recent zijn (omdat er geen recentere beoordelingen zijn opgemaakt), valt uit het personeelsdossier van eiser afdoende op te maken dat eiser (bovengemiddeld) goed scoorde op de beoordelingsgebieden en dat hij leerpunten snel oppakte en daarop verbetering liet zien. Hoewel verweerder gewezen heeft op het feit dat van een manager in de nieuwe organisatie andere kwaliteiten en capaciteiten verwacht worden, is het de rechtbank niet helder geworden op welke wijze de uitkomsten van het assessment zouden botsen met deze kernnormen. Bovendien had verweerder, gelet op het eerdere goede functioneren van eiser in zijn vorige managementfunctie(s), nader moeten motiveren waarom het niet in de lijn der verwachting ligt dat eiser in een nieuwe managementfunctie naar behoren zou functioneren. In het assessment is onder het kopje ‘kernnormen’ vermeld dat eiser open staat voor verandering en/of vernieuwing, affiniteit heeft met creatief denken, graag onbekend terrein verkent, gecalculeerde risico’s kan nemen, doel- en resultaatgericht werkt en anderen heldere kaders biedt om invulling te geven aan hun werk. De kanttekeningen die onder dit kopje gemaakt zijn, te weten dat het doorzien van complexiteit eiser goed af gaat, ‘al zou hij flexibeler mogen worden in het schakelen in aanpak’ en dat hij een grotere impact kan maken als hij ‘zijn doelgerichtheid zou combineren met persoonlijke aandacht’, bieden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende houvast voor het standpunt dat eiser ongeschikt of niet geschikt te maken zou zijn voor een strategische managementfunctie binnen de nieuwe organisatie.

13. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij het besluit dat eiser niet geschikt was voor één van de twee managementfuncties van zijn voorkeur, niet kon volstaan met een verwijzing naar de uitkomsten van het assessment (en de daarna gevoerde gesprekken met de Selectiecommissie, die voortborduurden op de uitkomsten van het assessment). Het assessmentrapport is onvoldoende consistent en overtuigend om deze uitkomst te kunnen onderbouwen. Bovendien heeft eiser gesteld – en naar het oordeel van de rechtbank afdoende onderbouwd – dat deze uitkomst niet overeenstemt met het beeld dat op grond van het feitelijk functioneren van eiser reeds bestond. Dit betekent dat het bestreden besluit bij gebrek aan een draagkrachtige motivering voor vernietiging in aanmerking komt.

14. Eiser heeft verder nog aangevoerd dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De Selectiecommissie heeft immers bepaalde personen gewezen op andere vacatures dan die waarop zij gesolliciteerd hadden, en aangegeven dat die personen wellicht geschikt(er) waren voor die andere functies. De Selectiecommissie heeft eiser die kans niet gegeven.

14. De rechtbank is van oordeel dat van schending van het gelijkheidsbeginsel niet is gebleken, nu onvoldoende is aangetoond dat sprake is van gelijke gevallen, die ongelijk zijn behandeld. Wel is de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van de Selectiecommissie in strijd is met het Sociaal Statuut. In het Sociaal Statuut, noch in het Regelement Selectiecommissie, noch elders, is iets bepaald over het (al dan niet toegestaan zijn van het) wijzen van medewerkers op andere functies dan die waarop zij solliciteren. Hierdoor is volstrekt niet transparant in welke gevallen de Selectiecommissie daartoe overgaat. Verweerder heeft op meerdere momenten in de procedure uitleg gegeven over deze handelwijze, maar is daarbij niet consequent geweest over in welke gevallen sollicitanten gewezen worden op andere geschikte vacatures. Zo heeft verweerder pas in beroep het standpunt ingenomen dat vereist was dat iemand geschikt geacht werd. Nu van een transparante en consistente procedure geen sprake is, heeft de Selectiecommissie gehandeld in strijd met artikel 15, eerste lid, van het Sociaal Statuut. In een procedure als onderhavige, waarbij werknemers vanwege een reorganisatie noodgedwongen moeten solliciteren op andere functies, is het naar het oordeel van de rechtbank des te meer van belang om gelijke kansen voor alle werknemers te waarborgen.

16. Het beroep van eiser is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder opnieuw zal moeten onderzoeken of eiser geschikt, dan wel geschikt te maken is voor de genoemde strategische managementfuncties van zijn voorkeur. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het voor het herstel van het gebrek benodigde onderzoek naar eisers geschiktheid naar het zich laat aanzien enige tijd in beslag zal nemen en het te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

18. Verweerder heeft zich wat de proceskosten betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en de door eiser gemaakte kosten niet betwist. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Daarnaast wijst de rechtbank de door eiser gevorderde reiskosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, van € 22,08 toe. Ten aanzien van de door eiser geclaimde verletkosten stelt de rechtbank vast dat, zoals blijkt uit de overgelegde salarisspecificatie, eiser een aanstelling heeft bij de gemeente Helmond met een uurloon van € 41,52. Het aantal geclaimde verleturen (zes) acht de rechtbank niet onredelijk voor de behandeling van de zaak, inclusief de reistijd van eiser. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de voor vergoeding in aanmerking komende verletkosten, zoals verzocht, € 249,12 (te weten 6 x € 41,52) bedragen. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat een totaalbedrag van € 1.273,20 voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met in achtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.273,20.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. F.M.S. Requisizione en mr. I. Ravenschlag, leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Laro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.