Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:724

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
C/01/313661 / HA ZA 16-670
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. verjaring van vordering tot schadevergoeding

Ingevolge het bepaalde in artikel 3:310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. Daarbij is het niet voldoende dat de benadeelde bekend is met het enkele vermoeden van schade, maar is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen (zie HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 112).

De schade waarvan eiser vergoeding vordert bestaat uit schade ten gevolge van het beslag op de aan hem en zijn voormalige echtgenote toebehorende woning.

Aangenomen kan worden (dat dit anders zou zijn is gesteld noch gebleken) dat eiser kort na het gelegde beslag op de woning (op 20 of 21 mei 2003) bekend is geraakt met dit beslag en met de omstandigheid dat hij ten gevolge van het gelegde beslag op de woning zijn woning niet zou kunnen verkopen. Eiser was derhalve kort na het gelegde beslag op de hoogte van alle feiten waaruit voor hem schade zou kunnen voortvloeien. Voorts kan worden aangenomen dat eiser op dat moment ook bekend is geworden met de voor de beslaglegging verantwoordelijke persoon, te weten gedaagde, die in de beslagstukken vermeld staat.

Anders dan eiser stelt, is het voor het aanvangen van de verjaringstermijn niet vereist dat in een (onherroepelijke) rechterlijke beslissing zou zijn vastgesteld dat gedaagde als beslaglegger niets van eiser te vorderen zou hebben, dan wel dat om andere reden de eis in de hoofdzaak niet zou worden toegewezen. Voor het aanvangen van een verjaringstermijn is niet van belang of een benadeelde zekerheid heeft over de vraag of de rechter een tegen hem ingestelde vordering al dan niet zal afwijzen (zie HR 9 juli 2010, LJN BM1688).

De rechtbank voegt daar nog aan toe dat op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid rust voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is (zie HR 13 april 2003, LJN AF2841; NJ 2003, 440). Degene die beslag legt handelt op eigen risico en dient, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. De beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd is aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degenen op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt (zie HR 13 januari 1995, LJN ZC1608, NJ 1997, 366). Derhalve verandert het beslag niet van een rechtmatige daad in een onrechtmatige daad door de beslissing van de rechter over de eis in de hoofdzaak, dan wel over de beslaglegging, maar wordt het geacht van meet af aan onrechtmatig te zijn indien het achteraf blijkt ten onrechte te zijn gelegd. De beslissing over de eis in de hoofdzaak heeft daarom geen werking ten aanzien van de aanvang van de verjaringstermijn.

De verwijzing van eiser naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2009 (NJ 2012, 193) leidt niet tot een ander oordeel nu dit een hele andere situatie betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/313661 / HA ZA 16-670

Vonnis van 14 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J. Oerlemans te 's-Hertogenbosch,

tegen

naamloze vennootschap KH SUPER CENTER N.V.,

gevestigd te Oranjestad, Aruba,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.P. Faassen te Breda.

Partijen zullen hierna [eiser] en Kong Hing genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 maart 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 november 2017.

De vordering is bij dagvaarding mede ingesteld namens mevrouw [naam voormalig echtgenote] . Namens haar is haar vordering door haar gemachtigde, mr. J. Oerlemans, ter zitting van 19 september 2017 ingetrokken. Zij is geen partij meer in deze procedure.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en mevrouw [naam voormalig echtgenote] (hierna [naam voormalig echtgenote] ) zijn in 1969 met elkaar in gemeenschap van goederen getrouwd. [eiser] en [naam voormalig echtgenote] woonden in de in 1974 gekochte woning aan de [adres] (hierna te noemen de woning). In verband met een in 1996 aangegane geldleenovereenkomst ter hoogte van

fl. 500.000,00 met de Rabobank heeft de Rabobank recht van hypotheek op de woning verkregen. Het huwelijk is in 1999 ontbonden door echtscheiding.

2.2.

[eiser] is ondernemer en was gedurende een aantal jaar (vanaf 1996 tot omstreeks 2001) als adviseur betrokken bij Kong Hing.

2.3.

Op 23 maart 2001 heeft [eiser] een nog te bouwen appartement in ’s-Hertogenbosch (aan de [adres] gekocht. Dit appartement is in maart 2003 opgeleverd en diende daarna nog ingericht te worden.

2.4.

Op 20 en 21 mei 2003 heeft Kong Hing diverse conservatoire beslagen gelegd ten laste van [eiser] , in ieder geval op:

  • -

    een aan [eiser] toebehorende onroerende zaak op [land] ;

  • -

    aan [eiser] toebehorende aandelen in een drietal B.V.’s;

  • -

    de aan [eiser] en [naam voormalig echtgenote] toebehorende wasserij, huis en erf aan de [adres] .

2.5.

Vanaf 15 juli 2004 stond [eiser] ingeschreven op het adres [adres] , vanaf 18 september 2009 in [land] en vanaf 12 september 2011 wederom op het adres [adres] .

2.6.

Vanaf 16 november 2004 stond [naam voormalig echtgenote] ingeschreven op het adres [adres] . Vanaf 15 augustus 2007 op het adres [adres] en vanaf 21 mei 2008 wederom op het adres [adres] .

2.7.

Bij dagvaarding van 18 juni 2003 heeft de naamloze vennootschap naar het recht van Aruba Kong Hing Supercenter N.V. een juridische procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt bij de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, waarbij gevorderd werd [eiser] te veroordelen tot betaling van onder meer een bedrag van € 2.641.432,07. Deze vordering is door de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij eindvonnis van 21 augustus 2013 afgewezen. Het door Kong Hing ingestelde hoger beroep is door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch bij arrest van 27 oktober 2015 eveneens afgewezen. Uit dit arrest volgt dat KH Super Center N.V. zich ook Kong Hing Supercenter N.V. noemt. Tegen voormeld arrest is geen cassatie ingesteld, zodat het arrest vanaf 28 januari 2016 onherroepelijk is geworden.

2.8.

Op 2 december 2014 is de woning aan de [adres] , tot op dat moment nog deel uitmakend van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [eiser] en [naam voormalig echtgenote] , in verdeling gebracht en is het onverdeelde aandeel van [eiser] in deze woning geleverd aan [naam voormalig echtgenote] . Op die datum was de woning nog belast met hypothecaire inschrijvingen ten behoeve van de Rabobank, twee executoriale beslagen ten behoeve van de Belastingdienst en het eerder genoemd conservatoir beslag ten behoeve van Kong Hing.

2.9.

Bij brief van 30 november 2015 heeft [eiser] aan Kong Hing kenbaar gemaakt dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de gelegde beslagen en heeft hij Kong Hing gesommeerd tot vergoeding van de schade over te gaan. Voorts is Kong Hing gesommeerd over te gaan tot opheffing van de door haar gelegde conservatoire beslagen.

2.10.

Kong Hing is voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding niet overgegaan tot betaling aan [eiser] en evenmin tot opheffing van de gelegde beslagen. Wel zijn, na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in deze procedure (bij exploit van 15 september 2016), in maart 2017 de door Kong Hing gelegde beslagen opgeheven. [eiser] en [naam voormalig echtgenote] hebben vervolgens de vorderingen die zien op de opheffing van de gelegde beslagen ingetrokken.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na vermindering en vermeerdering van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

veroordeling van Kong Hing tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 375.559,72, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met € 4.419,89 (inclusief BTW) aan buitengerechtelijke incassokosten, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 2 december 2014, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot en met de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

te verklaren voor recht dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis na verjaring tot betaling van Kong Hing aan [eiser] van € 375.559,72 althans een bedrag in goede justitie te bepalen, welke natuurlijke verbintenis verrekend kan worden met een eventuele vordering van Kong Hing op [eiser] , waaronder een eventuele veroordeling tot betaling van proceskosten;

primair en subsidiair:

veroordeling van Kong Hing in de proceskosten onder de bepaling dat de proceskosten voldaan dienen te worden binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en, voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt, dat de proceskosten dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van Kong Hing in de nakosten.

3.2.

KH Super Center voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] vordert primair schadevergoeding van Kong Hing in verband met de door hem, ten gevolge van het door Kong Hing gelegde conservatoire beslag op de woning, geleden schade.

Subsidiair, voor het geval het beroep van Kong Hing op verjaring slaagt, vordert hij, kort gezegd, een verklaring voor recht dat sprake is van een natuurlijke verbintenis tot betaling van een bedrag van € 375.559,72 dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag, dat verrekend kan worden.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vorderingen van Kong Hing op [eiser] , ter verzekering waarvan de beslagen zijn gelegd, definitief zijn afgewezen en dat Kong Hing in beginsel uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens [eiser] voor de eventuele door [eiser] geleden schade ten gevolge van die gelegde beslagen.

Tussen partijen is wel in geschil of de vordering van [eiser] op Kong Hing al dan niet verjaard is en of [eiser] daadwerkelijk schade heeft gelegen ten gevolge van de gelegde beslagen.

4.3.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij de woning waarop conservatoir beslag is gelegd medio 2003 te koop had willen zetten, dat de woning dan waarschijnlijk eind 2003 verkocht zou zijn, maar dat het ten gevolge van het in mei 2003 gelegde beslag zinloos was de woning te koop te zetten omdat een potentiële koper de woning onder die omstandigheden niet zou willen kopen. [eiser] stelt schade te hebben geleden nu hij de woning in eigendom heeft moeten houden en deze pas op 2 december 2014 heeft kunnen overdragen.

4.4.

Met betrekking tot de door [eiser] geleden schade heeft hij het volgende aangevoerd:

  1. In 2003 had de woning nog een waarde van € 645.000,00 (productie 9 bij dagvaarding), terwijl de woning in 2014 is overgedragen voor een bedrag van € 544.536,25. Omdat deze prijs (nu de woning is overgedragen aan [naam voormalig echtgenote] ) aan de lage kant is (de makelaar spreekt van een reële waarde per december 2014 van € 620.000,00) gaat [eiser] uit van een waardedaling van € 20.000,00.

  2. Als [eiser] de woning in december 2003 zou hebben verkocht, zou hij een overwaarde van € 478.614,11 hebben gerealiseerd. Hij had vervolgens rendement op deze overwaarde kunnen behalen, dan wel, als hij de overwaarde op een spaarrekening zou hebben gezet, rente kunnen ontvangen.

  3. [eiser] stelt dubbele woonlasten te hebben gehad. [eiser] heeft zowel de woonlasten voor de woning aan de [adres] moeten voldoen, als de woonlasten van het appartement aan de [adres] . Over de periode 1 januari 2004 tot en met 2 december 2014 bedroegen de woonlasten voor de woning aan de [adres] € 82.898,29.

  4. [eiser] stelt in de periode 1 januari 2004 tot en met 2 december 2014 onroerende zaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing voor de woning te hebben moeten betalen, welke betalingen achterwege waren gebleven als hij de woning eerder had kunnen verkopen. De schade betreft een bedrag van € 11.875,43.

4.5.

Als meest vergaand verweer heeft Kong Hing aangevoerd dat de vordering van [eiser] verjaard is. Kong Hing verwijst naar het bepaalde in artikel 3:310 BW, waarin staat dat de verjaringstermijn gaat lopen bij aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon daadwerkelijk bekend is geworden.

Kong Hing wijst er op dat de gestelde schade het gevolg is van het beslag op de woning. [eiser] wist dat hij mogelijk schade zou leiden vanaf het moment van beslaglegging op 20 of 21 mei 2003. Alle schadeposten waren bij de beslaglegging voorzienbaar. [eiser] was ook bekend met de daarvoor aansprakelijke persoon, Kong Hing.

Kong Hing wijst er op dat het voor de aanvang van de verjaringstermijn niet vereist is dat er sprake is van een onherroepelijke rechterlijke beslissing. De onrechtmatige gedraging, zijnde het leggen van beslag op de woning, was van meet af aan onrechtmatig en werd dit niet pas door een afwijzende rechterlijke beslissing. Het beslag op de woning is gelegd op 20 of 21 mei 2003, pas in november 2015 is Kong Hing aangesproken en gesommeerd over te gaan tot vergoeding van de schade, terwijl er geen sprake is van stuitingshandelingen.

De eventuele vordering van [eiser] is derhalve verjaard op 20 of 21 mei 2008.

4.6.

Voor het geval het beroep van Kong Hing op verjaring niet slaagt, stelt Kong Hing zich op het standpunt dat er door [eiser] geen schade is geleden. Hij voert met betrekking tot dit standpunt het volgende aan.

  1. [eiser] was niet daadwerkelijk van plan de woning te verkopen. De woning is in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding overgedragen aan de voormalig echtgenote van [eiser] , [naam voormalig echtgenote] . Vanwege deze echtscheiding is [eiser] uit de woning weggegaan. Voorts zijn er (zie de verklaring van de makelaar die als productie 9 bij dagvaarding is overgelegd) diverse werkzaamheden aan de woning uitgevoerd in de jaren na 2003, onder andere een badkamer en een wc, en is er gebouwd achter op het perceel. Dit duidt ook niet op voorgenomen verkoop. Er lag bovendien op het moment van levering aan [naam voormalig echtgenote] al een door de Belastingdienst in 2001 gelegd executoriaal beslag. [eiser] kon ook om die reden niet aan een derde verkopen.

  2. De door [eiser] genoemde dubbele woonlasten zijn het gevolg van de scheiding.

  3. Ook de dubbele gemeentelijke heffingen zijn het gevolg van de scheiding.

4.7.

De rechtbank zal allereerst het meest vergaande verweer van Kong Hing dat de vordering van [eiser] is verjaard bespreken.

4.8.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3:310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. Daarbij is het niet voldoende dat de benadeelde bekend is met het enkele vermoeden van schade, maar is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen (zie HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 112).

4.9.

De schade waarvan [eiser] vergoeding vordert bestaat uit schade ten gevolge van het beslag op de aan hem en zijn voormalige echtgenote toebehorende woning.

Aangenomen kan worden (dat dit anders zou zijn is gesteld noch gebleken) dat [eiser] kort na het gelegde beslag op de woning (op 20 of 21 mei 2003) bekend is geraakt met dit beslag en met de omstandigheid dat hij ten gevolge van het gelegde beslag op de woning zijn woning niet zou kunnen verkopen. [eiser] was derhalve kort na het gelegde beslag op de hoogte van alle feiten waaruit voor hem schade zou kunnen voortvloeien. Voorts kan worden aangenomen dat [eiser] op dat moment ook bekend is geworden met de voor de beslaglegging verantwoordelijke persoon, te weten Kong Hing, die in de beslagstukken vermeld staat.

4.10.

Anders dan [eiser] stelt, is het voor het aanvangen van de verjaringstermijn niet vereist dat in een (onherroepelijke) rechterlijke beslissing zou zijn vastgesteld dat Kong Hing als beslaglegger niets van [eiser] te vorderen zou hebben, dan wel dat om andere reden de eis in de hoofdzaak niet zou worden toegewezen. Voor het aanvangen van een verjaringstermijn is niet van belang of een benadeelde zekerheid heeft over de vraag of de rechter een tegen hem ingestelde vordering al dan niet zal afwijzen (zie HR 9 juli 2010, LJN BM1688).

4.11.

De rechtbank voegt daar nog aan toe dat op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid rust voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is (zie HR 13 april 2003, LJN AF2841; NJ 2003, 440). Degene die beslag legt handelt op eigen risico en dient, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. De beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd is aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degenen op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt (zie HR 13 januari 1995, LJN ZC1608, NJ 1997, 366). Derhalve verandert het beslag niet van een rechtmatige daad in een onrechtmatige daad door de beslissing van de rechter over de eis in de hoofdzaak, dan wel over de beslaglegging, maar wordt het geacht van meet af aan onrechtmatig te zijn indien het achteraf blijkt ten onrechte te zijn gelegd. De beslissing over de eis in de hoofdzaak heeft daarom geen werking ten aanzien van de aanvang van de verjaringstermijn.

De verwijzing van [eiser] naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2009 (NJ 2012, 193) leidt niet tot een ander oordeel nu dit een hele andere situatie betreft.

4.12.

Voor zover [eiser] heeft bedoeld aan te voeren dat telkens een nieuwe rechtsvordering tot schadevergoeding ontstaat wanneer hij nieuwe kosten heeft moeten maken, ziet hij eraan voorbij dat in dit geval sprake is van voortdurende schade veroorzaakt door één gebeurtenis, te weten het beslag op de woning en niet van zelfstandige schadeposten of van een periodieke vordering in de zin van artikel 3:308 BW.

4.13.

Derhalve is de vijfjarige verjaringstermijn gaan lopen op (of kort na) 20 of 21 mei 2003 en derhalve geëindigd op (of kort na) 20 en 21 mei 2008.

Dat er sprake is geweest van stuitingshandelingen is gesteld noch gebleken. [eiser] heeft eerst per brief van 30 november 2015 jegens Kong Hing aanspraak gemaakt op schadevergoeding. De vordering is derhalve verjaard.

4.14.

Subsidiair, voor het geval dat het verweer van Kong Hing inzake verjaring slaagt, heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat sprake is van een natuurlijke verbintenis na verjaring tot betaling aan [eiser] van een bedrag van

€ 375.559,72 dan wel een ander bedrag door de rechtbank te bepalen, welk bedrag kan verrekend worden met een eventuele vordering van Kong Hing op [eiser] , waaronder een eventuele veroordeling tot betaling van proceskosten.

4.15.

Deze subsidiaire vordering zal worden afgewezen vanwege het ontbreken van enig belang. Desgevraagd is namens [eiser] op de zitting verklaard dat er op dat moment geen sprake is van een vordering van Kong Hing op [eiser] . Voor wat betreft een eventuele vordering van Kong Hing op [eiser] inzake proceskosten in deze procedure verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover hierna wordt overwogen. De enkele stelling dat niet kan worden uitgesloten dat Kong Hing in de toekomst weer een procedure tegen [eiser] aanhangig zal maken is niet voldoende om een belang aan te nemen.

4.16.

De door [eiser] jegens Kong Hing gevorderde schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten.

4.17.

[eiser] heeft deze procedure echter wel deels op goede gronden jegens Kong Hing aanhangig gemaakt. Nadat de vordering die Kong Hing stelde te hebben jegens [eiser] bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2015 is afgewezen, welke beslissing vanaf 28 januari 2016 onherroepelijk is geworden, heeft Kong Hing nagelaten, ook na verzoeken en sommaties van [eiser] , het gelegde beslag op de woning van [eiser] op te heffen, terwijl zij daartoe wel gehouden was. Eerst na het aanhangig maken van de onderhavige procedure heeft Kong Hing de gelegde beslagen opgeheven. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de proceskosten tussen partijen, nu zij over en weer in het ongelijk zijn gesteld, te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen;

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.