Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:6376

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-12-2018
Datum publicatie
03-01-2019
Zaaknummer
C/01/325529 / FA RK 17-4641 en C/01/338147 / FA RK 18-4412
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, afwikkeling huwelijkse voorwaarden inhoudende een investeringsovereenkomst en verdeling eenvoudige gemeenschappen.

Zeer hoog welstandsniveau tijdens huwelijk. Verzwaarde motiveringsplicht ten aanzien van het verweer tegen de gestelde behoefte. Dient een verweer in een overgelegd deskundigenrapport uit een andere procedure in de beoordeling te worden betrokken?

Uitleg begrippen ‘privé-investering en ‘kennis nemen’ in huwelijkse voorwaarden.

Rechtbank legt het begrip ‘kennis nemen’ uit als daadwerkelijke bekendheid (subjectieve bekendheid). Verwijzing naar Hoge Raad 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508 en Hoge Raad 3 december 2010, ECLI:NL:HR:BN6241. Maatstaf wijze van verdeling. Rechtbank bepaalt dat onroerend goed verkocht moeten worden

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 165
Burgerlijk Wetboek Boek 3 185
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 824
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummers : C/01/325529 / FA RK 17-4641 en C/01/338147/ FA RK 18-4412

Uitspraak : 10 december 2018

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende wijziging voorlopige voorzieningen en betreffende de echtscheiding in de zaken van

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. R.H.P.J. van de Ven,

tegen:

[de man]

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. M.L.A. van Opstal,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:


in de zaak met zaaknummer C/01/325529 / FA RK 17-4641

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw met producties 1 tot en met 10, ingekomen ter griffie op 14 september 2017;

  • -

    het verweerschrift van de man met bijlagen 1 tot en met 3;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw tegen het zelfstandige verzoek van de man, tevens houdend zelfstandig verzoek van de vrouw;

  • -

    het aanvullende verzoek van de man met bijlagen 4 tot en met 28;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw tegen het aanvullend verzoek van de man, tevens houdende aanvullende verzoeken van de vrouw, tevens houdende een verzoek tot wijziging van de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw;

  • -

    de aanvulling op het verzoek en verweer van de man;

  • -

    de correspondentie, waaronder:

- een brief van mr. Van de Ven van 18 oktober 2018, met producties 11 tot en met 17;

- een brief van mr. Van Opstal van 19 oktober 2018 met bijlagen 29 tot en met 37;

in de zaak met zaaknummer C/01/338147/ FA RK 18-4412

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ontvangen ter griffie op 14 september 2017, met bijlage 1 tot en met 36;

  • -

    het verweerschrift van de man, met bijlagen 1 tot en met 45.

1.2.

Beide zaken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 29 oktober 2018. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. M.L.A. Van Opstal en mr. T.J. Backx alsmede de vrouw, bijgestaan door mr. R.H.P.J. van de Ven en mr. K.G.A.P. Boemaars. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht, die deel uitmaken van de processtukken. De door de vrouw overgelegde brief van 26 oktober 2018 met producties 37 tot en met 50, ontvangen door de rechtbank op diezelfde datum, heeft de rechtbank niet geaccepteerd wegens strijd met de goede procesorde, gelet op het tijdstip waarop de stukken zijn overgelegd en het feit dat het gaat om omvangrijke stukken. Deze maakt dus geen deel uit van de processtukken.

1.3.

Na de zitting heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende stukken:
in beide zaken

  • -

    een brief van mr. Van Opstal van 30 oktober 2018;

  • -

    een brief van mr. Van Opstal van 31 oktober 2018;

  • -

    een brief van mr. Van de Ven van 1 november 2018;

  • -

    een brief van mr. Van Opstal van 1 november 2018.

1.4.

Na de mondelinge behandeling heeft mr. Boemaars een brief d.d. 5 november 2018 gestuurd aan de rechtbank, inhoudende een aanvullend verzoek met een productie. Hiertegen heeft van mr. Van Opstal in zijn schriftelijk reactie d.d. 6 november 2018 bezwaar gemaakt. Hierop heeft de rechtbank beslist dat de brief van mr. Boemaars buiten beschouwing wordt gelaten, wegens strijd met de goede procesorde. Toelating daarvan – en daarmee een heropening van het debat in dit stadium van de procedure – zou tot een onredelijke vertraging van het geding als bedoeld in artikel 20 Rv. leiden. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat (i) mr. Boemaars geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die ertoe leiden dat hij het aanvullende verzoek niet voorafgaand aan of uiterlijk ten tijde van de mondelinge behandeling, die de gehele dag in beslag nam, had kunnen indienen en dat (ii) gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden of nieuwe omstandigheden die zich na de zitting hebben voorgedaan. Verder heeft meegewogen dat de brief van mr. Boemaars niet alleen een aanvullend verzoek, maar tevens een verweer tegen de verzoeken tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betreft en dat de artikelen 283 Rv en 130 Rv voor een nader verweer geen grondslag bieden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd onder het sluiten van huwelijkse voorwaarden.

2.2.

De relevante bepalingen van de huwelijks voorwaarden luiden als volgt:

“(…)
in aanmerking nemende:

  • -

    dat zij wensen te trouwen onder huwelijkse voorwaarden waarbij elke gemeenschap van goederen wordt uitgesloten;

  • -

    dat zij toekomstige investeringen, de zogenaamde privé-investeringen, voor gemeenschappelijke rekening en risico zullen aangaan;

  • -

    dat het vermogen dat een echtgenoot bij het aangaan van het huwelijk bezit, de aanbrengsten, ook na het huwelijk van die echtgenoot blijft van wie het was ten tijde van het aangaan van het huwelijk;

  • -

    dat onder deze aanbrengsten ook vallen de opbrengsten, kosten en lasten van deze goederen;

  • -

    dat ten aanzien van deze aanbrengsten uitdrukkelijk zaaksvervanging geldt, zodat ook hetgeen voor de aanbrengsten in de plaats treedt, van die echtgenoot is die eigenaar was van het aangebrachte, behoudens voor zover echtgenoten expliciet vastleggen dat hetgeen van de aanbrengsten wordt aangewend voor toekomstige investeringen door

echtgenoten wordt aangemerkt als financieringsbijdrage;

- dat als een gedeelte van de aanbrengsten wordt aangemerkt als financieringsbijdrage, de echtgenoot die dit goed of deze goederen heeft aangebracht een vordering heeft op de andere echtgenoot, voor het nominale bedrag dat laatstgenoemde zou hebben voldaan indien hij ook de helft van het geïnvesteerde vermogen zou hebben ingebracht, te vermeerderen met rente indien en voor zover dit laatste uitdrukkelijk schriftelijk is overeengekomen;

als volgt:
A. INVESTERINGSOVEREENKOMST

  1. De echtgenoten zijn overeengekomen dat investeringen, de zogenaamde privé-investeringen, aangegaan na het sluiten van het huwelijk zullen worden aangegaan door de gezamenlijke echtgenoten, ieder voor de helft en voor gemeenschappelijke rekening en risico. Deze privé-investeringen zullen indien en voor zover mogelijk ten name van beide echtgenoten, ieder voor de helft, worden geregistreerd. De privé-investeringen worden aangegaan in goed overleg.

  2. In afwijking van het hiervoor in lid 1 bepaalde zal een privé­investering niet door beide echtgenoten, ieder voor de helft, worden aangegaan, indien door beide echtgenoten schriftelijk anders wordt overeengekomen.

  3. De financiering van deze privé-investeringen zal geschieden door ieder van de echtgenoten voor de helft. Indien een van de echtgenoten aangeeft zijn/haar aandeel van het geïnvesteerde bedrag niet (direct) te kunnen voldoen dan zal de andere echtgenoot de benodigde middelen voorschieten. Ten aanzien van dit voorgeschoten bedrag zal een overeenkomst van geldlening worden opgesteld onder voorwaarden en bepalingen als nader tussen echtgenoten overeen te komen.

  4. a. Onder privé-investeringen wordt door de echtgenoten verstaan:

- de aan- en verkoop, huur en verhuur, de ontwikkeling, de exploitatie, de splitsing en het beheer van registergoederen - in binnen- en buitenland;

- de aan- en verkoop van, de belegging in en het beheren van aandelen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een naamloze vennootschap of andere binnen- of buitenlandse rechtspersonen met aandelen of rechten op naam;

- het deelnemen in of aangaan van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of ander samenwerkingsverband joint venture) dan wel welke vorm ook.

b. Onder privé-investeringen wordt in elk geval door de echtgenoten uitdrukkelijk niet gerekend:

- de aan- en verkoop van en de belegging in aandelen, obligaties en andere waardepapieren genoteerd op de effectenbeurs;

- investeringen waarvan de overeenkomst tot het aangaan van de investering voor het sluiten van het huwelijk is vastgelegd.

5. Indien een der echtgenoten kennis heeft genomen van een privé-investering die ten onrechte alleen ten name van de andere echtgenoot is gesteld, heeft eerstgenoemde echtgenoot het recht te vorderen dat deze investering ook op zijn/haar naam wordt gesteld. Dit recht vervalt binnen drie (3) jaar nadat hij/zij van deze investering kennis heeft genomen, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten. De kosten voor de wijziging in de tenaamstelling zijn voor ieder van de echtgenoten voor de helft.

B. De comparanten verklaarden vervolgens de overige vermogensrechtelijke gevolgen van hun voorgenomen huwelijk te regelen door de volgende voorwaarden:

UITSLUITING

Artikel 1

De echtgenoten stuiten elke gemeenschap van goederen uit.

BEWIJSOVEREENKOMSTEN

Artikel 2

  1. De onder A lid 1 beschreven privé-investeringen worden voor zover het goederen betreffen welke op naam staan geacht te zijn van de echtgenoot op wiens naam deze goederen staan, behoudens tegenbewijs.
    Indien de privé-investeringen niet betreffen goederen welke op naam staan, worden deze goederen geacht te zijn van ieder van de echtgenoten voor de onverdeelde helft, behoudens tegenbewijs.

  2. De roerende zaken en rechten aan toonder die behoren tot het beroeps- of bedrijfsvermogen van een echtgenoot worden geacht eigendom te zijn van die echtgenoot, behoudens tegenbewijs.

  3. Kleding en lijfsieraden worden tot op tegenbewijs geacht eigendom te zijn van de echtgenoot die deze goederen gebruikt of tot wiens gebruik zij bestemd zijn.

  4. De overige roerende zaken en rechten aan toonder worden geacht eigendom te zijn van de comparant sub 1, behoudens tegenbewijs van de comparante sub 2.

VERGOEDINGSRECHTEN

Artikel 3

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

BESTUUR

Artikel 4

Ieder van de echtgenoten heeft het bestuur over zijn goederen. Indien een echtgenoot het bestuur over zijn goederen aan de andere echtgenoot overlaat, zijn tussen hen de wettelijke bepalingen van opdracht van overeenkomstige toepassing. Daarbij worden de bijzondere verhouding tussen echtgenoten en de aard van de goederen in acht genomen.

KOSTEN VAN DE HUISHOUDING

Artikel 5

  1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden geheel gedragen door de comparant sub 1. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

  2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de
    vakantiewoning

  3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald.

(…)

PENSIOEN

Artikel 7

De echtgenoten sluiten de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding uit, zodat bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed op geen enkele wijze verevening of verrekening van rechten op ouderdomspensioen plaats vindt.

De aanspraken op nabestaandenpensioen worden bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed eveneens niet verrekend.

VERREKENING OVERIGE OUDEDAGSVOORZIENJNGEN -

Artikel 8

Bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed wordt de waarde van aanspraken op een oudedagsvoorziening, die geen pensioenrechten zijn in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, niet verrekend.

BOEKHOUDING

Artikel 9

De echtgenoten zijn verplicht van hun inkomen en vermogen behoorlijk boek te houden en aan de andere echtgenoot de boeken en bescheiden op eerste vordering ter inzage te verstrekken.

Jaarlijks zal door de echtgenoten een overzicht worden opgesteld van de

gemeenschappelijke privé-investeringen.

2.3.

Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren. De man heeft een zoon en een dochter uit een eerder huwelijk, [naam zoon man] en [naam dochter man] . Ook de vrouw heeft een zoon en een dochter uit een eerder huwelijk, [naam zoon vrouw] en [naam dochter vrouw] .

2.4.

Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 augustus 2017 is, voor zover thans van belang, bij wijze van voorlopige voorziening, het bedrag dat de man moet betalen tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 41.279,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

2.5.

Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 6 december 2017 is voornoemde beschikking van 18 augustus 2017 aldus gewijzigd dat het bedrag dat de man met ingang van 6 december 2017 moet betalen is bepaald op € 13.991,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen leggen de volgende geschilpunten ter beoordeling voor:

in de zaak met zaaknummer C/01/338147/ FA RK 18-4412

  • -

    de ontvankelijkheid van de vrouw, en, voor zover de vrouw ontvankelijk is:

  • -

    de wijziging van de partneralimentatie.

in de zaak met zaaknummer C/01/325529 / FA RK 17-4641

  • -

    de echtscheiding;

  • -

    de partneralimentatie;

  • -

    het verzoek van de vrouw om een voorziening ex artikel 1:157 lid 2 BW te treffen en dat tot het treffen van een aanvullende pensioenvoorziening;

  • -

    de afwikkeling huwelijkse voorwaarden en het verzoek van de vrouw een deskundige te benoemen teneinde een beschrijving te maken en de waarde te bepalen;

  • -

    de afgifte van persoonlijke goederen van de vrouw en haar kinderen;

  • -

    het voortgezet gebruik van de onroerende zaak aan de [adres] te [gemeente A] en het bepalen van een gebruiksvergoeding.

3.2.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat partijen het erover eens zijn dat alle stellingen die zij in een van beide zaken hebben aangevoerd, moeten worden geacht tevens te zijn aangevoerd in de andere procedure en dat alle processtukken die zij in een van beide zaken hebben overgelegd, moeten worden geacht tevens te zijn overgelegd in de andere procedure. Daarvan zal de rechtbank uitgaan.

3.3.

De rechtbank zal eerst ingaan op de ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening (hierna: de voorlopige voorzieningen-procedure). Daarna zal de rechtbank de andere geschilpunten per onderwerp beoordelen.

De ontvankelijkheid van de vrouw in het verzoek betreffende de voorlopige voorziening

3.4.

Op grond van artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van de echtgenoten of van één van hen een beschikking voorlopige voorzieningen, als bedoeld in artikel 822 Rv, door de rechtbank die de beschikking heeft gegeven, worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.

3.5.

De vrouw heeft aan haar verzoek onder andere ten grondslag gelegd dat de rechtbank bij het bepalen van de behoefte in de eerdere beschikking in zodanige mate van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Daartoe heeft de vrouw, kort gezegd, gesteld dat de rechtbank heeft geconstateerd dat de rechtbank beschikte over onvolledige gegevens met betrekking tot de kosten verbonden aan de manege en de paardensport-beoefening van de vrouw, terwijl zij die kosten wel heeft en de ontbrekende stukken nu wel overlegt.

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw ontvankelijk is. De voorzieningenrechter heeft in haar beschikking van 18 augustus 2017 overwogen dat de vrouw ten aanzien van het merendeel van de kosten in het door haar overgelegde kostenoverzicht niet inzichtelijk heeft gemaakt welk deel van de kosten op haar paarden en welk deel op die van haar dochter betrekking heeft. Daarom is geoordeeld dat zij de kosten verbonden aan de manege en de paardensportbeoefening onvoldoende heeft onderbouwd. In de beschikking van 6 december 2017 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de vrouw haar kosten niet alsnog heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter heeft daarom met kosten verbonden aan de manege en de paardensportbeoefening geen rekening gehouden. Hieruit vloeit reeds voort dat de rechtbank is uitgegaan van onvolledige gegevens, terwijl er – dit staat wel vast – wel kosten aan de paardensportbeoefening verbonden waren. De omstandigheid dat de vrouw in de vorige procedures wel een groot aantal stukken in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar behoefte, zoals de man aanvoert, en dat de rechtbank een deel van die behoefte, voor zover het ziet op de kosten van de vrouw zelf, heeft beoordeeld, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft immers, nu die stukken wat betreft de kosten van de manege en paardensportbeoefening onvoldoende inzichtelijk waren, met deze stukken geen rekening gehouden. De omstandigheid dat het aan de vrouw te wijten is dat zij niet aan de haar rustende stelplicht heeft voldaan, leidt evenmin tot een ander oordeel. Zoals de rechtbank in haar beschikking van 6 december 2017 heeft geoordeeld, is het, in aansluiting op de jurisprudentie over artikel 1:401 BW, niet relevant of het al dan niet aan de vrouw te wijten is of de rechtbank van onvolledige gegevens is uitgegaan.Overigens geldt dat het bij de door de man verzochte wijziging, die tot de beschikking van 6 december 2017 heeft geleid ook aan de man te wijten was dat hij in eerste instantie niet aan zijn stelplicht had voldaan.
Nu het bij de kosten van de manege en paardensportbeoefening van de vrouw, zoals hierna zal blijken, om een aanzienlijk bedrag ging, is in zodanige mate van onvolledige gegevens uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.

3.7.

In de beschikking van 6 december 2017 is geoordeeld dat indien een partij ontvankelijk is, dit betekent dat het verzoek in zijn volledige omvang opnieuw beoordeeld dient te worden (en niet enkel de beslissing(en) waarbij de rechtbank is uitgegaan van onvolledige gegevens). De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel van de voorzieningenrechter en de daarvoor gegeven gronden.

3.8.

Het voorgaande betekent dat zowel in de bodemprocedure als in de voorlopige voorzieningenprocedure de door de man te betalen partneralimentatie ter beoordeling voorliggen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om het verzoek van de vrouw betreffende partneralimentatie in de bodemprocedure en voorlopige voorzieningenprocedure gezamenlijk te beoordelen.

3.9.

Bij de beoordeling van de partneralimentatie in de voorlopige voorzieningen-procedure stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt dat, indien de rechter in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, de rechter in kort geding in beginsel zijn vonnis dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan (het zogenaamde ‘afstemmingsbeginsel’). Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel (zie HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015 en
HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5870).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft hetzelfde te gelden in het onderhavige geval waarin sprake is van een beslissing tot wijziging van een voorlopige voorziening, waarin door de bodemrechter gelijktijdig wordt beslist over hetzelfde onderwerp als voorligt in de voorlopige voorzieningenprocedure. Gesteld nog gebleken dat sprake is van een uitzondering op het afstemmingsbeginsel.

Echtscheiding

3.10.

De man en de vrouw hebben beiden verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Nu zij het erover eens zijn dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zal de rechtbank het verzoek toewijzen.

Partneralimentatie

3.11.

De vrouw heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure verzocht de beschikking van deze rechtbank van 6 december 2017 wat betreft de daarbij getroffen voorlopige voorziening met betrekking tot de partneralimentatie te wijzigen en te bepalen dat de man met ingang van 6 december 2017, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te betalen € 86.493,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.12.

De vrouw heeft in de bodemprocedure, na wijziging van haar verzoek en zoals toegelicht ter zitting, verzocht:

  • -

    i) de man te veroordelen, met ingang van 6 december 2017, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot het betalen van een bijdrage in haar levensonderhoud van € 86.394,00 bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    ii) te bepalen, voor zover mogelijk, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, dat de man met ingang van het moment dat de vrouw de aan de man in eigendom toebehorende onroerende zaak waar zij thans woonachtig is verlaat, althans met ingang van het moment dat de vrouw over een andere woning beschikt, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, een bijdrage in de woonlasten van de vrouw te betalen van € 25.000,00 bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Ter zitting heeft zij toegelicht dat de bijdrage van € 25.000,00 die zij voor de woning verzoekt, als een bijdrage in haar levensonderhoud moet worden beschouwd in de zin van artikel 1:157 BW.

3.13.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.14.

Op de stellingen van partijen zal de rechtbank, voor zover van belang, ingaan.

Behoefte

3.15.

De vrouw heeft de door haar gestelde behoefte uitgesplitst in drie onderwerpen, te weten: (i) de kosten van de vrouw, (ii) de kosten van de manege en paardensportbeoefening en (iii) de kosten van een woning. Ten aanzien van de onderwerpen (i) en (ii) heeft zij behoeftelijsten en een grote hoeveelheid producties overgelegd. De man heeft de behoefte gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de behoefte hierna per onderwerp bespreken.

3.16.

Bij de beoordeling van de behoefte stelt de rechtbank voorop dat het niet reëel is te veronderstellen dat de rechtbank de exacte behoefte van de vrouw kan bepalen. Het is immers gelet op de grote hoeveelheid uitgavenposten en de zeer uiteenlopende stellingen van partijen daarover, niet mogelijk om het exacte financiële verloop van de huwelijkse periode te reconstrueren. Het beeld dat echter uit de stukken rijst is dat de man zeer vermogend is en dat partijen op zeer ruime voet hebben geleefd. Van de vrouw kan niet verwacht worden dat zij iedere post met bonnetjes tot op de euro nauwkeurig specificeert. In hoeverre dit betekent dat de vrouw moet worden gevolgd in haar stellingen ten aanzien van haar behoefte zal hierna worden beoordeeld.

3.17.

Bij die beoordeling gaat de rechtbank voorbij aan het algemene verweer van de man dat de vrouw haar behoefte in de laatste twee jaar (2015-2017) kunstmatig heeft opgeschroefd. Nog daargelaten dat de man hieraan geen concrete consequenties heeft verbonden, heeft de man dit betoog, in het licht van de betwisting van de vrouw, niet nader onderbouwd.

Behoeftelijst paardensport
3.18. De vrouw heeft als bijlage 5 in de voorlopige voorzieningenprocedure een kostenoverzicht over 2016 (manege en paardensportbeoefening) overgelegd. Daarin heeft zij onderscheid gemaakt tussen de kosten van paarden van de vrouw en van haar dochter [naam dochter vrouw] . Zij verwijst naar dit overzicht en de onderliggende bescheiden (overgelegd als bijlage 1b in de voorlopige voorzieningen procedure). De vrouw komt in bijlage 5 uit op een totaalbedrag van € 176.382,72, waarvan € 49.647,17 aan [naam dochter vrouw] kan worden toegerekend. Daarbij heeft zij verwezen naar en de volgorde aangehouden van het door de financieel manager van de man ( [de heer B] ) vervaardigde kostenoverzicht, dat in 2016 op € 149.655,- uitkomt (overgelegd door de vrouw als bijlage 11 in de voorlopige voorzieningenprocedure).

3.19.

De man heeft als algemeen verweer aangevoerd dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een dergelijke manege met de door haar genoemde bijbehorende kosten, omdat zij nog maar één paard heeft en sinds april 2017 niet meer heeft deelgenomen aan concoursen. De vrouw heeft daarover op zitting verklaard dat de behoefte er nog steeds wel is, maar dat zij de financiële middelen niet meer had/heeft en geen personeel meer had/heeft. Nu de man zich in zijn stukken zelf op het standpunt stelt dat hij niet gehouden was om de kosten van de paardensportbeoefening te betalen (waaronder de verzorging van de paarden en derden om de paarden te verzorgen) heeft de vrouw genoegzaam aangetoond dat zij niet meer in de kosten van de manege en paardensportbeoefening kon voorzien en dat dit niet betekent dat haar behoefte is verminderd.

3.20.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw met haar eigen overzicht, in samenhang bezien met het overzicht van [de heer B] , haar stelling dat de totale kosten voor de manege in ieder geval op (afgerond) € 176.382,72 per jaar konden worden gesteld, voldoende heeft onderbouwd. [de heer B] heeft immers in bijlage 11 de kosten voor het jaar 2016 zelf ook op afgerond € 150.000 begroot. De vrouw heeft de bedragen uit dit overzicht overgenomen (behoudens de kosten voor salaris van personeel, die zij op € 15.121.30 stelt in plaats van het door [de heer B] genoemde bedrag van € 45.500,00). De vrouw komt daarmee al uit op (afgerond) € 119.000,00. Zij heeft gemotiveerd gesteld dat bij dat bedrag van € 119.000,00 nog een deel van de concourskosten moeten worden opgeteld, omdat deze, zoals de vrouw – onbestreden – heeft gesteld, niet in het overzicht van [de heer B] verwerkt waren. Dit laatste blijkt ook uit het overzicht van [de heer B] waar staat ‘concourskosten creditcard ???’. Ten aanzien van die concourskosten blijkt uit het overzicht van de vrouw dat zij ten opzichte van het overzicht van [de heer B] (bijlage 11) extra kosten opvoert voor [plaats D] Hypique van in totaal € 7.244,00 (€ 15.461,00 - € 8.217,00), waarvan zij circa de helft aan zichzelf en de helft aan [naam dochter vrouw] toerekent en kosten voor een concours in [plaats E] van in totaal € 28.041,00, waarvan zij € 15.199,00 aan zichzelf toerekent. Deze additionele kosten heeft zij naar het oordeel van de rechtbank eveneens voldoende, met bescheiden, onderbouwd. Van de vrouw kan immers niet verwacht kan worden dat zij van iedere uitgave een bonnetje overlegt. Verder heeft zij additionele kosten voor een vrachtwagen van in totaal € 22.023,76 opgenomen, waarvan zij € 15.731,00 aan zichzelf toerekent. Tot slot heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank, mede aan de hand van de door haar ter zitting voorgelezen verklaring van [C] , gemotiveerd gesteld dat meerdere paarden van haar (gemiddeld zeven) op de manege werden gestald en getraind en dat twee van die paarden door haar dochter werden bereden en dat daarom de door haar gemaakte uitsplitsing van de kosten voor haar en haar dochter [naam dochter vrouw] reëel is.

3.21.

De man heeft deze gemotiveerde stellingen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de man, althans [de heer B] , de financiële administratie voor de manege en paardensportbeoefening regelde en over de volledige administratie ten aanzien daarvan beschikte. De feiten betreffende de kosten van de manege en paardensport liggen dus in het domein van de man. Van de man had daarom verwacht mogen worden dat hij, ter motivering van zijn verweer tegen de stellingen van de vrouw, concrete informatie verschafte, zoals informatie uit de administratie betreffende de kosten van de manege en paardensportbeoefening, nu dat informatie is die in zijn bezit is, teneinde de vrouw aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. De man heeft niet aan deze zogenoemde verzwaarde motiveringsplicht ten aanzien van het verweer voldaan. Het feit dat de vrouw facturen heeft goedgekeurd maakt dat niet anders. Dit betekent immers nog niet dat zij over een zelfde volledige (schaduw)administratie beschikte als [de heer B] / de man.

3.22.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de man de gemotiveerde stellingen van de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en dat de rechtbank de vrouw zal volgen in haar stelling dat de totale kosten voor de manege en paardensportbeoefening € 176.382,72 per jaar bedragen en dat daarvan € 49.647,17 aan [naam dochter vrouw] moet worden toegerekend. Wel volgt de rechtbank de man in zijn betoog dat dit betekent dat de kosten voor de manege en paardensportbeoefening van de vrouw kunnen worden gesteld op € 126.735,55 per jaar (€ 176.382,72, – € 49.647,17). Haar stelling dat haar behoefte desondanks € 180.000,00 per jaar (€ 15.000,00 netto per maand) bedraagt, heeft de vrouw niet onderbouwd.

3.23.

Voor zover de vrouw zich voor een vergoeding van deze kosten op artikel 1:82 juncto 1:395a lid 2 BW zou beroepen, gelet op haar stelling dat de man onderhoudsplichtig is voor zijn stiefkinderen ( [naam dochter vrouw] en [naam zoon vrouw] ), gaat de rechtbank hieraan voorbij. De kinderen behoren immers niet langer tot het gezin van de man (vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 7 februari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB7386). Deze artikelen bieden dus geen grondslag om de man gehouden te achten bij te dragen in de kosten van (de paarden van) [naam dochter vrouw] of [naam zoon vrouw] .

3.24.

De vrouw beroept zich met betrekking tot de kosten van huisvesting op de manege ook nog op artikel 5 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden. Zij stelt daartoe dat partijen in onderling overleg niet samenwonen, zodat de man nog steeds ingevolge het eerste lid van artikel 5 gehouden is de kosten van de huishouding te voldoen.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de woorden ‘in onderling overleg niet samenwonen’ niet zien op de situatie dat partijen in het kader van een echtscheiding niet langer samenwonen.

3.25.

De vraag wie van beiden gelijk heeft, is een kwestie van uitleg van die bepaling. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de uitleg van huwelijkse voorwaarden te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Aangezien huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid moeten worden aangegaan bij notariële akte, komt bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf in dit verband mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen in huwelijkse voorwaarden volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben.

3.26.

Desgevraagd hebben partijen ter zitting verklaard dat zij niet over de bedoeling van deze bepaling hebben gesproken, maar dat het een standaardbepaling was die de notaris heeft opgenomen. Of de notaris een toelichting heeft gegeven op de huwelijkse voorwaarden en dit artikel in het bijzonder (en, zo ja, wat die toelichting inhield) is door partijen niet duidelijk gemaakt. Partijen hebben ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit hun bedoeling kan worden afgeleid. Nu het een bepaling is die veelvuldig wordt opgenomen in huwelijkse voorwaarden en die door de notaris is opgenomen, zal de rechtbank deze naar redelijkheid uitleggen. De rechtbank begrijpt deze bepaling aldus dat geen sprake is van een niet samenwonen in onderling overleg indien partijen de relatie hebben verbroken en er geen zicht is op herstel (zie ook Hoge Raad 25 juni 1971, ECLI:NL:HR:1971:AC5134). Het beroep op dit artikel van de huwelijkse voorwaarden kan de vrouw daarom niet baten.

3.27.

De conclusie is dat de behoefte van de vrouw voor de manege en paardensportbeoefening van de vrouw (afgerond) € 10.561,00 netto per maand (€ 126.732,00 netto per jaar) bedraagt en dat aan de hand van de maatstaven van artikel 1:157 BW moet worden bezien in hoeverre de man geacht moet worden in die behoefte te voorzien.

Behoeftelijst vrouw

3.28.

De vrouw heeft een overzicht van haar eigen behoefte gemaakt (overgelegd als bijlage 1a, productie 7 bij de voorlopige voorzieningenprocedure voorzien van onderliggende stukken). Zij heeft haar behoefte onderverdeeld in diverse posten. De man heeft deze gemotiveerd betwist. De rechtbank zal hierna iedere post afzonderlijk beoordelen.


Kleding algemeen en schoenen (ad € 10.000,00 en € 6.785,00 per jaar)

3.29.

De vrouw heeft een aantal facturen overgelegd van gekochte schoenen en kleding. De man heeft, naar het oordeel van de rechtbank, op zich terecht aangevoerd dat uit de bonnen van [AA] te Antwerpen blijkt dat er kleding en schoenen in verschillende maten is gekocht en dat deze facturen dus niet alleen betrekking zullen hebben op de vrouw. Daar staat tegenover dat uit de door de vrouw overgelegde facturen wel blijkt dat zij bij [BB] , [CC] , [DD] en [AA] inkoopt en dat de uitgaven per kledingstuk en schoenen bovengemiddeld zijn (zoals een bedrag van € 750,00 respectievelijk CHF 785,00 (€ 684,00) voor een paar schoenen). De vrouw heeft – onbestreden – gesteld dat zij bij deze winkels inkopen deed. Van de vrouw kan niet verwacht worden dat zij iedere uitgave nog met bonnetjes kan aantonen. Rekening mag worden gehouden met een zekere mate van waarschijnlijkheid van te verwachten uitgaven, voor zover deze, mede gelet op de mate van welstand van partijen redelijk is (Hoge Raad 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1336). Gelet op de mate van welstand die uit de stukken naar voren komt, acht de rechtbank het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 16.785,00 per jaar netto voor deze post ‘kleding en schoenen algemeen’ redelijk.

Designertassen (€ 10.000,00 per jaar)

3.30.

De man voert aan dat deze post slechts met één bon die ziet op een tas van [BB] van CHF 1.470 (€ 1.280,00) is onderbouwd. Met de man is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw verlangd kan worden dat zij meerdere facturen zou overleggen. Daar staat tegenover dat het gelet op de welstand van partijen aannemelijk is dat de vrouw meerdere tassen per jaar kocht. Dat zij designertassen kocht van merken als [EE] , [BB] of [FF] heeft de man niet betwist. Ook de man gaat ervan uit dat zij meerdere tassen kocht, nu hij een bedrag van € 2.500,00 redelijk vindt. De rechtbank gaat in redelijkheid uit van een bedrag van € 5.000,00 per jaar netto.

Haute Couture/ [GG] (€ 13.982,00)

3.31.

Uit de door de vrouw overlegde stukken (bijlage 1b, productie 9 en bijlage 14 in de voorlopige voorzieningenprocedure) volgt dat zij bij [GG] in Londen in 2015 en 2016 een bedrag van GBP € 9.000,00 (€ 12.240,00) respectievelijk GBP 12.000,00 (€ 13.580,00) aan Haute Couture uitgaf. De man heeft daartegen ingebracht dat zij niet inzichtelijk maakt of dit uitsluitend haar eigen uitgaven betreft of ook die van hun (stief)dochters, [naam dochter vrouw] en [naam dochter man] . Die blote betwisting, zonder dat de man enig aanknopingspunt biedt voor zijn standpunt, acht de rechtbank echter een onvoldoende betwisting van de gemotiveerde stellingen van de vrouw. De rechtbank volgt daarom de vrouw dat moet worden uitgegaan van een bedrag van € 13.982,00 per jaar netto.

Skikleding, skimaterialen, rijkleding en sportkleding (totaal € 11.900,00 per jaar)

3.32.

De man stelt terecht dat de vrouw, anders dan bijlage 15, geen bewijsstukken van deze kosten heeft overgelegd aangezien de referentienummers 5, 6, 7a en 8, waarnaar zij verwijst in haar behoefteoverzicht, ontbreken. Daar staat tegenover dat uit de door de vrouw overgelegde facturen van [HH] blijkt dat door partijen in twee dagen tijd voor totaal € 9.714,00 aan (winstersport)kleding is gekocht. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat, zoals de vrouw heeft gesteld, daarvan € 1.649,00 betrekking had op de man en een deel, zoals de man betoogt, betrekking had op zakenrelaties, dan nog heeft te gelden dat het om aanzienlijke uitgaven ging, waarvan – dit is niet in geschil – ook een deel op de vrouw betrekking had. Gelet op de hoogte van de bedragen (een sneaker van € 349,00, outdoorjacks van gemiddeld € 1.400,00 en diverse lederhosen voor circa € 1.000,00) acht de rechtbank een bedrag van € 2.500,00 voor skikleding en skimateriaal voor de vrouw reëel. Met de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de paardrijkleding niet tevens is begrepen in het overzicht van haar behoefte voor de paardensport. Ook verder heeft de vrouw haar behoefte aan sportkleding niet inzichtelijk gemaakt.
Al met al gaat de rechtbank uit van € 2.500,00 netto per jaar.

Accessoires (€ 10.000,00 per jaar)

3.33.

De vrouw heeft gesteld dat jaarlijks meerdere colliers, riemen, armbanden, horloges, et cetera werden aangeschaft voor haar. Dit heeft de man als zodanig niet bestreden en de rechtbank acht dit, gelet op de welstand waarin partijen leefden en de andere uitgaven die de vrouw en de man deden, ook reëel. Uit de door de vrouw als bijlage 16 overgelegde facturen van [EE] volgt dat zij in mei en september 2016 bij [EE] en [CC] al uitgaven heeft gedaan voor accessoires ter waarde van in totaal € 5.397,00. Dat de facturen zien op een zakenrelatie, zoals de man heeft gesteld, heeft hij niet onderbouwd en dit ligt, nu de vrouw als cliënt staat vermeld op de facturen, ook niet voor de hand. Berekend over een heel jaar, acht de rechtbank daarom een bedrag van € 10.000,00 netto per jaar reëel. Ook ten aanzien van deze uitgaven van de vrouw geldt dat van haar niet verwacht kan worden dat zij elke uitgave met een bonnetje specificeert.

BMW [land A] X5 [kenteken A] te [land A] en de BMW X5 [kenteken B] te Nederland (€ 26.263,00 per jaar)

3.34.

De rechtbank acht het redelijk om rekening te houden met de kosten van twee auto’s. De man heeft immers niet betwist, althans niet gemotiveerd, dat zij gedurende het huwelijk de beschikking had over een auto in Nederland en een bij haar appartement in [land A] . Nu de vrouw gedurende het huwelijk gewend was aan twee auto’s en zij nog steeds haar appartement in [land A] heeft, heeft zij gemotiveerd gesteld dat zij na de scheiding nog steeds behoefte heeft aan twee auto’s.

Ten aanzien van de door haar gestelde kosten van de BMW X5 uit 2007 met kenteken
[kenteken A] is niet in geschil dat rekening moet worden gehouden met € 300,00 per maand aan brandstof, € 46,32 per maand aan verzekeringskosten, € 205,33 per maand aan wegenbelasting en € 200,00 per maand aan onderhoudskosten. Daarvan zal de rechtbank uitgaan. Verder acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 187,00 per maand ter zake van afschrijving. De vrouw heeft met bijlage 18 onderbouwd dat de afschrijvingskosten voor een BMW die zij had € 187,00 per maand zijn.
De kosten voor deze auto komen daarmee uit op € 11.264,00 netto per jaar ([€ 300,00 + € 46,32 + € 205,33 + € 200,00 + € 187,00] x 12).

Ten aanzien van de andere auto (type BMW X5 met kenteken [kenteken B] ) staat vast dat de vrouw daarover niet meer beschikt, omdat de man deze heeft laten ophalen bij de vrouw. Dit laat onverlet dat, gelet op haar behoefte aan twee auto’s, rekening moet worden gehouden met de kosten van een dergelijke auto. De rechtbank vindt voorts dat rekening moet worden gehouden met de daadwerkelijk kosten van deze auto en in beginsel niet, zoals de vrouw stelt, met de kosten van vervangend vervoer. De man heeft immers – onbestreden – gesteld dat zij kapitaalkrachtig genoeg is een andere auto te kopen. Ten aanzien van de daadwerkelijke kosten heeft de vrouw gesteld dat uitsluitend de man daarin inzage heeft, omdat de auto eigendom van de vennootschap van de man was. Dit heeft de man niet betwist. Het had daarom, naar het oordeel van de rechtbank, op zijn weg gelegen om bescheiden te verstrekken ter betwisting van de door de vrouw gestelde behoefte ter zake van de auto. Dit heeft hij nagelaten, hetgeen voor zijn risico komt. Nu in de stellingen van de man ligt besloten dat de kosten van het leasen van een auto hoger zullen zijn dan de kosten van een eigen auto en de rechtbank het daarmee eens is, zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van dezelfde kosten als die zijn gemoeid met de BMW X5 uit 2007 met kenteken [kenteken A] , dus met een bedrag van € 11.264,00. De totale kosten komen dan uit op € 22.528,00 (in plaats van de door de vrouw gestelde kosten van € 26.263,00 per jaar.
De rechtbank houdt in totaal rekening met een bedrag van afgerond € 22.528,00
(2 x € 11.264,00) netto per jaar ter zake de auto.

Hotelovernachtingen-weekendtrips (€ 13.787,00 per jaar)

3.35.

Uit de door de vrouw overgelegde nota’s volgt dat in de periode mei 2016 tot en met februari 2017) al € 10.096,57 aan hotelkosten is uitgegeven. Een hotelrekening voor twee dagen van gemiddeld € 1.000,00 was geen uitzondering. De vrouw merkt daarbij terecht op dat het voor de kosten van een kamer of suite niet uitmaakt met hoeveel mensen daarvan gebruik wordt gemaakt. Gelet op de welstand van partijen zal de rechtbank de vrouw volgen en uitgaan van € 13.787,00 netto per jaar.

Vluchten (€ 6.868,24 per jaar)
3.36. Met de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw diverse keren bij de vluchten de ticketkosten voor andere personen tot haar eigen behoefte rekent. Verder heeft de vrouw de frequentie van vluchten niet inzichtelijk gemaakt. Daarom zal de rechtbank de man volgen in zijn stelling dat een bedrag van € 4.000,00 netto per jaar redelijk is, waarbij zij 26 keer per jaar voor € 150,00 kan vliegen.

Privévluchten (€ 65.000,00 per jaar)

3.37.

De vrouw stelt dat vaststaat dat het vervoer met een privévliegtuig deel uitmaakte van het welstandsniveau en daarmee van de behoefte van de vrouw. Zij vindt daarom dat rekening moet worden gehouden met vervangende kosten voor privévluchten.

De rechtbank is van oordeel dat weliswaar tussen partijen vast staat dat er tijdens het huwelijk gebruik werd gemaakt van het privé-vliegtuig maar dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij behoefte heeft aan vluchten in een privé-vliegtuig na de echtscheiding. Uit de door haar overgelegde stukken volgt immers dat het vliegtuig werd gebruikt voor tripjes die zij samen met de man en andere kennissen ondernam, voornamelijk naar het jacht van de man in [plaats E] en naar [land B 1] en [plaats Y] voor jachttrips. Dat zij nog behoefte heeft aan dergelijke trips, nu zij geen eigenaar is van het jacht en jagen niet haar hobby is maar die van de man, heeft zij onvoldoende gemotiveerd gesteld. Daarbij komt dat de vrouw rekening houdt met een privé-vliegtuig voor zichzelf, terwijl vaststaat dat het vliegtuig waarmee partijen vlogen niet alleen eigendom was van de man, maar van meerdere personen. Verder heeft de vrouw de door haar gestelde kosten onvoldoende onderbouwd. De door de vrouw gestelde kosten van het huren van een privé-vliegtuig zijn immers veel hoger dan de kosten van een vliegtuig waarmee met meerdere personen wordt gevlogen.

De rechtbank zal daarom, zoals de man aanvoert, geen rekening houden met deze kosten.

Vakanties (€ 106.613,00 per jaar)

3.38.

Uit de door de vrouw overgelegde bescheiden blijkt dat de kosten voor een week wintersport in 2016 rond de € 4.000,00 waren. Niet in geschil is dat de man over een luxe penthouse in [plaats D] beschikt met een marktwaarde van € 5.000.000,00 waar de vrouw verbleef en niet in geschil is dat de man in [plaats E] een jacht heeft. De vrouw heeft aan de hand van haar producties aangetoond dat ook zij op dit jacht verbleef (bijlage 1b, productie 38 en 39). Ten aanzien van dat jacht heeft zij een e-mail overgelegd (bijlage 1b, productie 38 van de vrouw in de voorlopige voorzieningenprocedure) waaruit blijkt dat de charterfee voor het jacht voor een week alleen al € 100.000,00 bedraagt, te vermeerderen met kosten die doorgaans op 30% (€ 30.000,00) gesteld worden. Verder heeft de vrouw gemotiveerd gesteld dat partijen ook in [plaatsen 2] in hotels verbleven. Gelet op al deze bestemmingen en de mate van welstand die daaruit volgt is de rechtbank van oordeel dat de vrouw haar behoefte op dit punt voldoende heeft aangetoond. De rechtbank gaat uit van € 106.613,00 netto per jaar.

Vervoer luchthaven-hotel (€ 2.058,00 per jaar)

3.39.

De vrouw heeft aangetoond dat zij zeer regelmatig vluchten nam. Gelet daarop is het redelijk te veronderstellen dat zij vervoer nodig heeft van het vliegveld naar het hotel. De vrouw heeft een e-mail overgelegd waaruit blijkt dat een helikopter voor haar gereserveerd wordt en zij heeft een taxibon voor een taxirit in Londen overgelegd ad (in euro’s) € 64,00. De man heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij regelmatig dergelijke kosten maakte. De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met helikopterkosten. Uit de stellingen van de vrouw volgt immers dat zij gebruik maakte van helikoptervluchten om naar het jacht van de man te gaan. Nu zij niet heeft gesteld dat zij na de scheiding nog naar dat jacht gaat en dit, temeer nu het jacht zal worden verkocht, ook niet voor de hand ligt, heeft zij onvoldoende gesteld nog behoefte te hebben aan dergelijke helikoptervluchten. De rechtbank zal daarom alleen rekening houden met taxikosten. De rechtbank zal, uitgaande van gemiddelde vervoerskosten (retour) van € 125,00 per buitenlandbezoek (gelet op haar taxibon), het door de vrouw genoemde bedrag bijstellen naar € 1.500,00 netto per jaar.

Uit eten (€ 10.800,00 per jaar)

3.40.

De vrouw voert in haar behoeftelijst € 7.800,00 op voor uit eten in Nederland (gemiddeld een keer per week), € 2.400,00 tijdens weekendtrips en € 600,00 in Londen. De man heeft de door haar gestelde bedragen betwist. Hij vindt een bedrag van € 6.000,00 reëel.

De rechtbank zal de vrouw volgen in haar stellingen. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat betalingen werden gedaan door de man of door middel van de door hem aan de vrouw ter beschikking gestelde creditcard en dat de betaling van de op de creditcard gedane afwikkelingen door [de heer B] werden verzorgd. Nu de man, althans zijn financieel adviseur, over alle financiële gegevens beschikt, had van hem ter betwisting van de stellingen van de vrouw verwacht mogen worden dat hij met bescheiden onderbouwt dat het door de vrouw genoemde bedrag niet juist is. Van de vrouw kan niet verwacht worden dat zij alle bonnen bewaarde, nog daargelaten dat een groot aantal rekeningen door de man werd voldaan.

Nu de man niet heeft betwist dat partijen in restaurants als [KK] , [MM] en [NN] uit eten gingen, waaruit reeds een bepaalde welstand van partijen blijkt, heeft de man het gestelde bedrag van € 10.800,00 onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal rekening houden met een bedrag van € 10.800,00 netto per jaar.

Weekendhuizen (€ 5.100,00 per jaar)

3.41.

Deze post heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde bijlage (bijlage 29) kan het door de vrouw genoemde bedrag immers niet worden afgeleid. Nu het hier om vaste lasten gaat, had een specificatie wel van haar kunnen worden verwacht. De rechtbank volgt daarom de man en zal rekening houden met een bedrag van € 4.145,00 netto per jaar.

Diversen (€ 9.612,00 per jaar)

3.42.

Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende posten:
- ziektekostenverzekering;

- diverse verzekeringen;

- tv/telefonie/internet;

- het eigen risico;

- chauffeur/taxi.
Niet in geschil zijn de hoogte van de ziektekostenverzekering € 156,10 per maand (€ 1.873,20 per jaar) en de kosten van diverse verzekeringen van € 95,73 per maand (€ 1.148,76 per jaar). Ten aanzien van de door de vrouw opgevoerde kosten voor tv/telefonie/internet van € 170,10 per maand (€ 2.041,20 per jaar) zal de rechtbank de man volgen en alleen rekening houden met abonnementskosten van € 61,35 voor Canal Digitaal per maand en € 58,31 Vodafone, dus in totaal € 119,66 totaal per maand (€ 1.435,92 per jaar). De rechtbank houdt geen rekening met kosten ter zake gebruik buiten de bundel nu de vrouw niet heeft aangetoond dat daarvan regelmatig sprake is. Dit had zij wel kunnen doen. De rechtbank zal rekening houden met een eigen risico van afgerond € 198,70 per jaar omdat de vrouw deze kosten tot dit bedrag heeft onderbouwd.
De rechtbank zal wat betreft chauffeur-/taxikosten rekening houden met een bedrag van € 150,00 per maand. De rechtbank acht het zeer waarschijnlijk dat de vrouw zich, gelet op de levensstijl van partijen waarbij zij regelmatig werd vervoerd, ook naar feestjes liet vervoeren. De rechtbank houdt in redelijkheid rekening met € 1.800,00 vervoerskosten. Het is weliswaar juist dat zij deze post niet heeft onderbouwd (een post die zij zelf op een bedrag van € 4.800,00 per jaar heeft becijferd) maar van de vrouw kan niet verwacht worden dat zij iedere uitgavenpost achteraf specificeert.

Al met al komt de rechtbank uit op een bedrag van afgerond € 6.457,00 netto per jaar (te weten: € 1.873,20 + € 1.148,76 + € 1.435,92 + € 198,70 + € 1.800,00).

Persoonlijke verzorging (€ 66.180,00 per jaar)

3.43.

De vrouw voert een groot aantal posten op. Daarvan onderbouwt zij de posten personal training, cosmetische behandelingen en kapper. De kosten van de personal training bedroegen, dat is niet betwist, € 450,00 per maand. De post kapper betwist de man en stelt dat het bedrag van € 253,00 per maand niet is onderbouwd. Uit de door de vrouw overgelegde facturen van de kapper volgt, zo is de rechtbank van oordeel, dat zij meerdere keren per maand naar de kapper ging. Daarbij ging zij regelmatig wekelijks naar de kapper om alleen haar haren te laten wassen en föhnen. Daarmee alleen al waren kosten gemoeid van € 39,00 per keer. Daarnaast kreeg zij kleurbehandelingen en andere behandelingen. Het door haar gestelde bedrag van € 253,00 acht de rechtbank dan ook voldoende onderbouwd. Verder blijkt uit de door haar overgelegde facturen van cosmetische behandelingen dat zij in 2016 een bedrag van € 1.975,00 per jaar daaraan uitgaf en in 2015 een bedrag € 2.275,00 per jaar, gemiddeld dus zo’n € 180,00 per maand. Al deze kostenposten en bedragen geven aan dat partijen in een meer dan gemiddelde welstand leefden. Van de vrouw kan ook hier, mede gelet op de aard van de subposten, niet worden verwacht dat zij iedere uitgave met een bonnetje specificeert. Daar staat tegenover dat aan de man kan worden toegegeven dat zij de andere posten op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dat daar ook, gelet op zijn gemotiveerde betwisting van het bloemenabonnement, niet altijd van kan worden uitgegaan. Verder constateert de rechtbank dat de door de vrouw gestelde posten dubbeltellingen bevatten. De rechtbank zal daarom redelijkerwijze uitgaan van de volgende bedragen:

 dagelijkse boodschappen (supermarkt, div. dranken, bakker, slager, bio winkel): de rechtbank acht het gestelde bedrag van € 1.715,00 per maand gelet op de welstand van partijen reëel.

  • -

    drogist: € 50,00 per maand. Dit acht de rechtbank redelijk. Voor het door de vrouw gestelde bedrag van € 215,00 kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden.

  • -

    bloemen/kaarsen/kaarten/cadeaus: een bedrag van € 600 per maand is, gelet op de welstand van partijen, redelijk. Voor een hoger bedrag kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden.

  • -

    Abonnementen/ kosten mobiel: € 0,00; Deze post is niet onderbouwd en lijkt ook te zijn opgevoerd onder de post ‘diversen’.

  • -

    schoonmaakproducten: de rechtbank gaat, gelet op de omvang van de woningen, in redelijkheid uit van € 50,00 per maand.

  • -

    diverse apparatuur: € 0,00. De rechtbank zal, nu niet duidelijk is waarop deze post ziet en deze niet is onderbouwd, geen rekening hiermee houden.

  • -

    supplementen: gelet op de welstand van partijen en de door de vrouw gevolgde levensstijl zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van € 75,00 per maand. Het hogere bedrag van € 200,00 heeft zij niet onderbouwd.

  • -

    schoonheidsspecialist behandeling: de rechtbank acht het gestelde bedrag van € 120,00 per maand, gelet op de welstand van partijen, reëel.

  • -

    schoonheidsspecialist producten: de rechtbank acht het gestelde bedrag van € 200,00 per maand, gelet op de welstand van partijen, reëel.

  • -

    manicure/pedicure: de rechtbank acht het gestelde bedrag van € 150,00 per maand, gelet op de welstand van partijen, reëel.

  • -

    therapie/massage/haptonomie: € 0,00. De rechtbank houdt geen rekening met deze post nu de rechtbank geen enkele onderbouwing heeft gevonden van de stelling dat de vrouw deze kosten maakte.

  • -

    personal training: de rechtbank houdt, zoals hiervoor is geoordeeld, rekening met € 450,00 per maand.

  • -

    kapper: de rechtbank houdt, zoals hiervoor is geoordeeld, rekening met € 253,00 per maand.

  • -

    cosmetische behandelingen: de rechtbank houdt, zoals hiervoor is geoordeeld, rekening met € 180,00 per maand.

Al met al komt de rechtbank uit op een bedrag van € 3.843,00 netto per maand en € 46.116,00 netto per jaar (te weten: 1.715,00 + 50,00 + 600,00 + € 0,00 + € 50,00 + 0,00 + 75,00 + 120,00 + 200,00 + 150,00 + 0,00 + 450,00 + 253,00 + 180,00).

Tussenconclusie behoefte vrouw
3.44. Samengevat bedraagt de totale eigen behoefte van de vrouw € 264.213,00 netto per jaar, te weten:

  • -

    kleding algemeen en schoenen: € 16.785,00

  • -

    designertassen: € 5.000,00

  • -

    haute couture: € 13.982,00

  • -

    skikleding, skimaterialen, rijkleding en sportkleding: € 2.500,00

  • -

    accessoires: € 10.000,00

  • -

    auto: € 22.528,00

  • -

    hotelovernachtingen – weekendtrips: € 13.787,00

  • -

    vluchten: € 4.000,00

  • -

    vakanties: € 106.613,00

  • -

    vervoer luchthaven-hotel: € 1.500,00

  • -

    uit eten: € 10.800,00

  • -

    weekendhuizen: € 4.145,00

  • -

    diversen: € 6.457,00

  • -

    persoonlijke verzorging: € 46.116,00

Behoefte – woonlasten

3.45.

De vrouw heeft haar behoefte ter zake van woonlasten op € 25.000,00 bruto per maand (€ 300.000,00 bruto per jaar) gesteld. Dit bedrag heeft zij gerelateerd aan de rentelasten die de man betaalt voor het landgoed [E] .
De rechtbank volgt de vrouw in die stelling. Partijen hebben gedurende circa tien jaar, tot het vertrek van de vrouw in 2017, gezamenlijk op het landgoed [E] gewoond, die een door de vrouw gestelde en door de man niet gemotiveerd betwiste waarde heeft van € 45.000.000,00. Deze woning maakt daarom deel uit van de huwelijksgerelateerde welstand. Uit de door de man ter zitting overgelegde draagkrachtberekening blijkt dat hij voor het landgoed alleen al een rente betaalt van € 291.929,00 per jaar. Gelet op de hoogte daarvan, heeft de man de door de vrouw genoemde woonlast van € 300.000,00 bruto per jaar onvoldoende gemotiveerd betwist en onvoldoende onderbouwd dat de door hem genoemde woonlast van € 2.500,00 reëel is. De rechtbank zal uitgaan van een bruto woonlast van € 25.000,00 bruto per maand. Dit komt, afhankelijk van de op de vrouw van toepassing zijnde belastingtarieven, ten minste overeen met een netto woonlast van € 12.500,00.

Slotsom totale behoefte vrouw

3.46.

De totale behoefte van de vrouw, uitgaande van de kosten voor de manege en de paardensportbeoefening, de woonlasten en de overige kosten, komt daarmee uit op een bedrag van € 403.445,00 netto per jaar en (afgerond) € 33.620,00 per maand (immers: € 126.732,00 netto per jaar voor de manege en paardensportbeoefening, een netto woonlast van ten minste € 12.500,00 per jaar en € 264.213,00 netto per jaar aan overige kosten van de vrouw). Daarbij tekent de rechtbank aan dat zij de stelling van de man dat partijen leefden van een bedrag van € 237.000,00 gemiddeld per jaar (exclusief woonlasten) ongeloofwaardig acht. Volgens de man zijn de kosten voor de manege en paardensport, die [de heer B] op € 150.000,00 in 2016 becijferde (zonder daarbij rekening te houden met alle kosten van concoursen) al in dit bedrag begrepen. Dit zou betekenen dat partijen samen met in ieder geval de kinderen van de vrouw van minder dan € 87.000,00 netto per jaar leefden, dus netto € 7.250,00 voor in ieder geval vier personen per maand. Gelet op de levensstijl van partijen waarbij de man gedeeltelijk eigenaar was van een vliegtuig en een luxe jacht in [plaats E] en het feit dat de vrouw zeer luxe inkopen deed met [naam dochter man] en [naam dochter vrouw] in het buitenland, valt dit cijfermatig niet te rijmen

Aanvullende behoefte
3.47. Bij de beoordeling van de aanvullende behoefte van de vrouw is van belang dat de kans bestaat dat de vrouw uit hoofde van de verkoop van haar belang van 50% in [bedrijf K] B.V. (verder: [bedrijf K] ) een aanzienlijk bedrag ontvangt. Partijen hebben immers een bindend advies en uitkoopovereenkomst ten aanzien van [bedrijf K] gesloten, op grond waarvan de man de mogelijkheid heeft om de aandelen van de vrouw te kopen. De koopprijs zal mede afhangen van de door een commissie van onafhankelijke deskundigen te bepalen waarde van de aandelen in [bedrijf K] Partijen zijn het erover eens dat het door de vrouw te ontvangen bedrag van invloed kan zijn op de aanvullende behoefte van de vrouw. Nu ten tijde van het wijzen van deze beschikking nog geen duidelijkheid bestaat over de waarde van de aandelen in [bedrijf K] en over de vraag of de man de aandelen van de vrouw zal overnemen, kan de rechtbank hiermee geen rekening houden.

3.48.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat ter bepaling van haar aanvullende behoefte rekening dient te worden gehouden met (i) inkomsten uit verhuur van de panden aan de [adres F] te [gemeente F] , (ii) inkomsten uit verhuur van het appartement in [land A] , (iii) een verdiencapaciteit van € 100.000, althans € 40.000 bruto per jaar (2.400 netto per maand) en (iv) € 5.000,00 wegens interen op vermogen.

3.49.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Niet in geschil is dat rekening moet worden gehouden met de netto inkomsten die de vrouw ontvangt uit de verhuur van de panden aan de [adres F] te [gemeente F] . Nu partijen in alle eerdere procedures steeds – onbestreden – van een bedrag van € 1.800,00 per maand zijn uitgegaan, heeft de rechtbank geen aanleiding om aan deze door de vrouw gestelde hoogte te twijfelen en zal van dat bedrag uitgaan.

3.50.

Rekening dient te worden gehouden met de inkomsten uit verhuur met betrekking tot een appartement in [land A] , die de man schat op € 10.000 netto per jaar (€ 833,00 netto per maand). De vrouw heeft dit door de van geschatte bedrag niet betwist en zal van dat bedrag uitgaan.

3.51.

Verder zal de rechtbank rekening houden met netto inkomsten vanwege het benutten van de verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.400,00 netto per maand. Voor de bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw zijn immers niet alleen haar daadwerkelijk inkomsten relevant, maar ook inkomsten die zij redelijkerwijze moet kunnen verwerven. De man heeft aangevoerd dat de vrouw in het verleden diverse ondernemingen heeft gehad (waaronder een horecazaak, een beautybedrijf in wimpers en een interieurbedrijf). Verder heeft de man gesteld dat de vrouw een netwerk heeft in en kennis van de paardenspringsport en dat zij in het recente verleden samen met de man al activiteiten heeft ontwikkeld in deze branche voor de verkoop van paardrijsokken onder het merk [naam] . Haar netwerk, kennis en opgedane ervaringen kan zij volgens de man inzetten om betaald werk te verrichten. De vrouw heeft dit alles niet betwist. Haar enkele stelling dat zij 45 jaar is, een havo-opleiding heeft, de laatste vijf-en twintig jaar nooit gewerkt heeft en dat haar kansen op de arbeidsmarkt vrijwel nihil zijn, acht de rechtbank onvoldoende. Van de vrouw kan verwacht worden dat zij alles in het werk stelt om betaalde arbeid te verrichten en de rechtbank en de man inzage te verstrekken in hetgeen zij daartoe heeft ondernomen. Dit heeft zij nagelaten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, dat zij in staat moet worden geacht een netto inkomen van € 2.400,00 per maand te generen.

De rechtbank volgt de man niet in zijn, pas in tweede instantie ingenomen standpunt, dat de vrouw op dit moment in staat moet worden geacht een inkomen te verwerven van € 100.000,00 bruto per jaar te verdienen. De man heeft dit betoog, in het licht van de stellingen van de vrouw over haar opleiding en arbeidsverleden en de wijze waarop de vrouw haar leven inrichtte, onvoldoende onderbouwd.

3.52.

De rechtbank volgt de man evenmin in zijn betoog dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij haar vermogen van afgerond € 692.000 liquide maakt en daarop inteert met € 5.000,00 per maand (€ 60.000,00 per jaar). De vrouw heeft – onbestreden gesteld – dat zij over geen enkele oudedagsvoorziening beschikt behalve AOW. Nu partijen in hun huwelijkse voorwaarden de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten, zal zij ook geen aanspraak kunnen maken op een deel van het pensioen van de man. De rechtbank acht het niet onredelijk dat zij haar vermogen belegt en te zijner tijd aanwendt voor een pensioenvoorziening. Daarmee verhoudt zich niet dat zij dit vermogen nu liquide maakt en daarop inteert.

3.53.

Dit betekent dat de aanvullende netto behoefte van de vrouw bedraagt: € 28.587,00
(te weten: € 33.620,00 netto per maand – € 1.800,00 – € 833,00 – € 2.400).

Draagkracht van de man

3.54.

De kern van het betoog van de vrouw is dat de man gelet op zijn vermogenspositie en levensstijl in staat moet worden geacht om in haar behoefte te voorzien. Daarvoor verwijst zij naar de volgende omstandigheden:

  • -

    i) de man [heeft] een geschat vermogen van € 115.000.000;

  • -

    ii) partijen hadden een hoog uitgavenpatroon van enkele miljoenen per jaar;

  • -

    iii) de man is eigenaar van het landgoed ‘ [E] ’ waar voorheen [naam] woonde;

  • -

    iv) de man heeft [naam] waarvoor hij nu een huurprijs van € 120.000,00 per week vraagt, en

  • -

    v) de man pacht een landgoed in [land B 1] en beoefent de jacht in [plaatsen 1] . Voor buitenlandse reizen gebruikt hij zijn privévliegtuig.

Ter betwisting van het standpunt van de man dat hij geen draagkracht heeft, heeft zij voor het eerst in haar pleitaantekeningen nog verwezen naar hetgeen zij daaromtrent in haar verweerschrift wijziging voorlopige voorzieningen d.d. 20 november 2017 (in reactie op het eerdere verzoekschrift van de man van 18 oktober 2017 tot wijziging van de voorlopige voorziening van 18 augustus 2017) heeft gesteld. Dat verweerschrift met bijbehorende producties 1 tot en met 14 is in de onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure bijgevoegd als bijlage 2c bij het verzoekschrift van de vrouw. De vrouw verwijst thans meer in het bijzonder naar productie 4 bij dat verweerschrift van de vrouw. Dit rapport betreft het rapport van [organisatie A] d.d. 20 november 2017 (hierna: het rapport van [organisatie A] ).

3.55.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de rechtbank het rapport van [organisatie A] in haar beoordeling dient te betrekken. Het antwoord op die vraag hangt af van de vraag of de vrouw voor de man en de rechtbank voldoende kenbaar heeft gemaakt dat zij zich in de onderhavige bodemprocedure en voorlopige voorzieningen-procedure op dit rapport wil beroepen en uit dit rapport voldoende duidelijk blijkt welke stellingen aldus worden gevoerd, zodat de man daarop bedacht kon zijn en zijn verweer daarop kon afstemmen (zie Hoge Raad, 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628 (Baros/Embrica), Hoge Raad 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7201 en Hoge Raad
6 april 2018, ECLI:NL:HR:2918:534 (81 RO), in het bijzonder de conclusie van de AG mr. M.L.C.C. Lückers).

De rechtbank beantwoordt de eerste vraag bevestigend. Daartoe is redengevend dat de man in zijn eigen pleitaantekeningen en naderhand refereert aan en ingaat op het rapport van [organisatie A] . Daaruit leidt de rechtbank af dat het voor de man kenbaar was dat de vrouw zich nog altijd op dit rapport wenste te beroepen. Nu voorts uit het vijf pagina’s tellende rapport duidelijk blijkt wat het betoog van [organisatie A] inhoudt, zal de rechtbank het rapport in haar beoordeling betrekken.

3.56.

[organisatie A] stelt in zijn rapport – kernachtig weergegeven – dat het de eigen keuze van de man en van zijn wil afhankelijk is om zijn vermogen vast te zetten door middel van herinvesteringen en dat dit (geen) structurele inkomsten oplevert. Dat de man inteert op zijn zichtbare vermogen (de rechtbank begrijpt: door het verhogen van zijn schuld in rekening-courant) is ook zijn keuze. De man gaat er kennelijk vanuit dat er voldoende middelen zijn omdat hij zijn levensstijl niet aanpast. Dat er voldoende middelen zijn, wordt ook bevestigd door het feit dat de banken bereid zijn hem te financieren, aldus nog steeds het rapport.

3.57.

De man heeft zeer uitvoerig uiteengezet waarom hij vindt dat hij geen draagkracht heeft en deze stellingen mede aan de hand van een uitgebreid rapport van [naam H] RA RV van 13 oktober 2017 onderbouwd. Dit rapport heeft hij later geactualiseerd met financiële stukken over 2017. In het rapport van [naam H] zijn de geconsolideerde resultaten van de vennootschappen waarin de man direct of indirect een 100%-belang heeft verwerkt in de periode 2012-2016. Dit betreft de volgende vennootschappen: [bedrijf L] B.V., [bedrijf M] B.V., [bedrijf N] B.V., [bedrijf O] B.V., [bedrijf P] Ltd, [bedrijf Q] BVBA, [bedrijf R] B.V., [bedrijf K] en [bedrijf K] Deelnemingen B.V. (voorheen [naam] ). De man heeft aan de hand van het rapport van [naam H] en de geactualiseerde gegevens over 2017 – zeer verkort weergegeven – gemotiveerd gesteld dat:

  • -

    het (geconsolideerde) netto resultaat al jaren negatief is; over de jaren 2012-2016 was dit gemiddeld -/- € 786.798 en in 2017 -/- € 1.806.113.

  • -

    uit de geconsolideerde kasstroomoverzichten volgt dat de geldstroom uit operationele activiteiten in alle jaren 2012-2017 negatief is geweest.

  • -

    niet alleen het vermogen van de man vaststaat (omdat het is belegd in zijn landgoed en het jacht [naam] ) maar dat hij aanzienlijke schulden heeft, waaronder een rekening-courant schuld van circa 29 miljoen euro en een schuld bij [organisatie B] voor in totaal ruim 2.6 miljoen euro. De rekening-courant positie is in 2014 met ongeveer 13,9 miljoen euro toegenomen tot deze circa 29 miljoen euro. Dit heeft te maken met de herfinanciering bij NIBC van tot dan toe in privé bestaande (hypothecaire) schulden bij ING Bank voor de onroerende zaken van de man.

  • -

    de rentelasten uit hoofde van zijn schuld in rekening-courant op dit moment alleen al € 770.634,00 bedragen. Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met de aflosverplichtingen van de kredieten. Deze kredieten worden tot nu toe steeds verlengd, maar op basis van de stukken zal eind 31 december 2018 een deel daarvan moeten worden afgelost.

Hieruit concludeert de man dat hij gelet op de enorme schuld in rekening-courant alleen gelden kan onttrekken door een verhoging van de kredieten bij de bank en door het liquide maken van vermogensbestanddelen. Die vermogensbestanddelen (het landgoed en het jacht) zijn volgens de man op dit moment niet liquide te maken, omdat er geen concrete biedingen zijn. Hieruit concludeert de man dat hij op dit moment niet kan interen op vermogen voor het betalen van partneralimentatie maar dat hij daarvoor een schuld zou moeten aangaan. Nog daargelaten dat de banken daartoe niet bereid zijn, kan van hem niet worden verlangd dat hij een schuld aangaat voor het betalen van partneralimentatie, aldus de man. De man heeft aan de hand van een door hem overgelegde draagkrachtberekening becijferd dat, zelfs indien rekening wordt gehouden met een bruto salaris bruto van € 17.368,51, te vermeerderen met vakantietoeslag van € 1.389,48 per maand (zoals volgt uit de door hem overgelegde salarisstroken) en een dividend uit [bedrijf Q] BVBA van € 875.000 bruto per jaar, zijn draagkracht negatief is (€ -/- 20.784,00 is beschikbaar voor partneralimentatie). Daarbij houdt de man rekening met:

  • -

    de hypotheekrente voor de echtelijke woning van € 291.929,00 per jaar en de hypotheekrente voor de woning aan [adres J] ad € 32.300,00 per jaar (totaal: € 324.229,00 per jaar) alsmede het fiscaal voordeel voor beide woningen;

  • -

    het eigenwoning forfait van in totaal € 204.344,00;

  • -

    de rente over zijn schuld in rekening-courant bij [bedrijf L] B.V. van € 704.047,00;

  • -

    de rente over zijn schuld aan de heer [naam] van € 66.587,00 per jaar;

  • -

    een lijfrenteverplichting van € 54.000,00 en € 58.000,00 per jaar aan zijn ouders, dus van in totaal € 112.000,00 per jaar;

  • -

    het verlies uit hoofde van de exploitatie van privépanden van € 22.224,00 per jaar;

  • -

    een premie ziektekostenverzekering van € 153,00 per maand (€ 1.836,00 op jaarbasis) en

  • -

    een eigen risico van 385,00.

3.58.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw tegenover de zeer gemotiveerde en met documenten onderbouwde betwisting van de man, niets heeft gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat aan de man toch een draagkracht moet worden toegekend. De enkele aan de hand van het rapport van [organisatie A] ingenomen stelling dat de normale ‘draagkracht-aanvliegroute’ niet passend is, dat in de structuur elementen zitten waarin goed geld wordt verdiend en dat rekening moet worden gehouden met een redelijk te verwerven inkomen, is onvoldoende. Ook het rapport van [organisatie A] als zodanig biedt geen tegenwicht aan het betoog van de man. Dit gaat immers niet in op de meest essentiële stelling van de man dat hij niet inteert op zijn vermogen omdat dit vast zit, maar dat hij uitsluitend gelden van de ondernemingen kan onttrekken (buiten eventueel zijn salaris en het dividend vanuit [bedrijf Q] ) door middel van een verhoging van de kredieten van de bank. Er wordt door de vrouw op geen enkele wijze inzage gegeven in de manier waarop de man een eventuele partneralimentatie, gelet op zijn hiervoor weergegeven betoog, zou kunnen financieren. Evenmin heeft de vrouw ter ontkrachting van de door de man overgelegde draagkrachtberekening, feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat aan de man toch een positieve draagkracht moet worden toegekend.

3.59.

Dit betekent dat de rechtbank er van uit gaat dat de man geen draagkracht heeft.

3.60.

Voor de bodemprocedure betekent dit het volgende. Nu de man in de bodemprocedure heeft aangeboden “om toch ook voor de vrouw een overbrugging van de huidige zorgelijke situatie mogelijk te maken”, een bedrag van € 5.000,00 aan partneralimentatie te voldoen, zal de rechtbank in de bodemprocedure bepalen dat de man een onderhoudsbijdrage van € 5.000,00 per maand aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank zal, gelet op het feit dat er voorlopige voorzieningen zijn getroffen, bepalen dat de onderhoudsbijdrage ingaat op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

3.61.

Voor de voorlopige voorzieningenprocedure betekent dit dat het verzoek van de vrouw om de bij beschikking van 6 december 2017 getroffen voorlopige voorziening aldus te wijzigen dat het door de man te betalen bedrag moet worden bepaald op € 86.493,00 per maand, zal worden afgewezen. Dit betekent dat zolang de partneralimentatie in de bodemprocedure niet in werking treedt, de man gehouden blijft de bij beschikking van
6 december 2017 bepaalde (voorlopige) onderhoudsbijdrage van € 13.991,00 te voldoen. De man heeft immers niet zelfstandig om een wijziging van de voorlopige voorziening gevraagd maar alleen tot een niet-ontvankelijkheid geconcludeerd.

Voorziening ex artikel 1:157 lid 2 en aanvullende pensioenvoorziening

3.62.

De vrouw verzoekt, na vermeerdering van haar verzoek, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, te bepalen dat de man met ingang van
18 augustus 2017, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, als bijdrage in de kosten van het treffen van een voorziening als bedoeld in artikel 1:157 luid 2 BW en als bijdrage in de kosten voor het treffen van een aanvullende pensioenvoorziening van de vrouw een bedrag dient te betalen van € 9.500,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Ter zitting heeft zij toegelicht dat het hier om twee afzonderlijke verzoeken gaat.

3.63.

Nog daargelaten dat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de man geen draagkracht heeft, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, gelet op de betwisting van de man, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij tot het bedrag van € 9.500,00 is gekomen. Ook heeft zij niet inzichtelijk gemaakt welk deel betrekking heeft op de premie voor een verzekering ter dekking van het risico dat de man tijdens de alimentatieperiode komt te overlijden en welk deel betrekking heeft op een aanvullende pensioenvoorziening. Tot slot heeft zij niet gemotiveerd gesteld, waarom zij, naast haar eigen vermogen van afgerond € 692.000,00 dat zij heeft belegd in de panden in [gemeente F] en dat volgens haar eigen stellingen strekt tot haar pensioenvoorziening, behoefte heeft aan een verdere aanvullende pensioenvoorziening en voor welk bedrag.

De rechtbank zal deze verzoeken daarom afwijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

3.64.

De man heeft in de bodemprocedure, bij aanvullend verzoek, verzocht:

  1. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen op de wijze zoals door de man onder punt 3 tot en met 30 van zijn aanvullend verzoekschrift is weergegeven.

  2. Het pand aan de [adres G] te [gemeente F] aan hem toe te delen en de vrouw te veroordelen haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de notariële toedeling aan de man binnen een maand na de beschikking en om de vrouw te veroordelen om € 305.483,- + PM op de derdengeldrekening van de door de man aan te wijzen notaris te voldoen, voorafgaand aan de notariële toedeling van het pand aan de man doch uiterlijk binnen een maand na de datum van de beschikking, bij gebreke waarvan zij over de volledige openstaande vordering een rente is verschuldigd van 4% per jaar of een evenredig deel ervan tot de datum van volledige voldoening.

  3. De appartementen in het project [naam P] ( [adres P] ) aan de man toe te delen onder de verplichting van de man om de aan deze appartementen verbonden hypothecaire verplichtingen vanaf de datum van de goederenrechtelijke overdracht geheel voor zijn rekening te nemen en de vrouw te veroordelen haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de notariële toedeling aan de man binnen een maand na de beschikking en om de vrouw te veroordelen om € 356.234,09 + PM op de derdengeldrekening van de door de man aan te wijzen notaris te voldoen, voorafgaand aan de notariële toedeling van de appartementen aan de man doch uiterlijk binnen een maand na de datum van de beschikking, bij gebreke waarvan zij over de volledige openstaande vordering een rente is verschuldigd van 4% per jaar of een evenredig deel er van tot de datum van volledige voldoening.

3.65.

De vrouw concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man. Zij heeft zelfstandig verzocht:

  • -

    i) een deskundige te benoemen, bij voorbeeld een notaris, om een beschrijving te maken van alle privé-investeringen die tijdens het huwelijk zijn gedaan en vervolgens een deskundige te bepalen die de waarde ervan kan vaststellen;

  • -

    ii) bij, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren beschikking, te bepalen dat de verwerving van [adres J] te [gemeente J] , de aandelen in [bedrijf K] en de aandelen in [bedrijf Q] B.V.B.A. vallen onder de privé-investeringen, zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden.

Het verzoek van de vrouw tot benoeming van een deskundige
3.66. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen. De man heeft een opsomming gegeven van de tussen partijen gedane investeringen na het huwelijk. Daarbij heeft hij aangegeven welke investeringen naar zijn visie wel en welke niet gemeenschappelijk zijn. De rechtbank heeft, gelet op hetgeen de vrouw heeft gesteld, geen aanleiding te twijfelen aan de door de man in deze procedure verstrekte informatie over de vermogensbestanddelen. De vrouw heeft bovendien nagelaten aan te geven welk belang zij heeft bij benoeming van, bijvoorbeeld, een notaris. Deze zal immers ook uitgaan van de door partijen verstrekte informatie en zal geen eigen onderzoek naar vermogensbestanddelen instellen. Indien de vrouw vreest dat de man informatie achterhoudt, had het op haar weg gelegen om bijvoorbeeld op grond van artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden inzage van de man te vragen in de boeken en bescheiden. Aan de hand daarvan had zij kunnen vaststellen of de man zelf investeringen heeft gedaan waarvan zij geen weet had. Hiertoe heeft zij kennelijk, nu zij dit heeft nagelaten, geen aanleiding gezien. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

3.67.

De rechtbank zal daarom de verzoeken van de man tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden beoordelen. Bij die beoordeling stelt de rechtbank voorop dat partijen bij hun huwelijks voorwaarden iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten. Voorts zijn er blijkens de huwelijkse voorwaarden ook geen beperkte gemeenschappen. De inhoud van de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden brengt met zich dat er tussen partijen dus uitsluitend een of meerdere eenvoudige gemeenschappen kunnen zijn ontstaan.

Gezamenlijke investeringen
3.68. Niet in geschil is dat partijen de navolgende gezamenlijke investeringen hebben gedaan:

1. het pand aan de [adres G] ( [gemeente F] );

2. de appartementen aan het [naam P] ( [gemeente J] );
3. de aandelen in [bedrijf K] B.V..

3.69.

De vrouw stelt dat partijen daarnaast nog de volgende gezamenlijke investeringen hebben gedaan.

4. het pand aan [adres J] ( [gemeente J] );

5. de aandelen in [bedrijf Q] B.V.B.A. (hierna: [bedrijf Q] ).

De man heeft dit betwist. De rechtbank zal puntsgewijs de genoemde investeringen beoordelen.

Pand [adres G] ( [gemeente F] )

3.70.

Niet in geschil is dat de man het pand op 1 mei 2007 (en dus kort voor de huwelijkssluiting op [datum] ) heeft gekocht en in eigendom heeft verkregen en dat hij de vrouw vervolgens op 26 juni 2007 de onverdeelde helft van de eigendom van dit pand heeft geleverd.

3.71.

De man heeft gesteld dat partijen het pand nadien hebben laten verbouwen en dat hij alle lasten heeft voldaan. De man concludeert dat de vrouw weliswaar de helft van de eigendom heeft verkregen maar dat hij een vordering heeft op de vrouw van € 805.483,00 per 30 juni 2018 en een nader te specificeren PM-post. Hij beroept zich daartoe op artikel 3:172 BW, artikel A onder 3. en artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden en de akte van levering van 26 juni 2007. Het bedrag van € 805.483,00 is als volgt opgebouwd:

+ € 371.000,00 (in verband met de koopprijs en overdrachtsbelasting);

+ € 412.500,00 (zijnde de helft van de verbouwingskosten van € 825.423,00);

+ € 39.117,00 (zijnde de helft van de eigenaarslasten tot en met juni 2018);

+ € 267.391,00 (zijnde de door de vrouw verschuldigde rente tot en met juni 2018);

-/- € 284.525,00 (zijnde de helft van de huuropbrengsten van in totaal € 569.049,- over de periode 2008 tot en met juni 2018).
De vrouw moet dan € 805.483,00 aan de man betalen als het pand in een onverdeelde eenvoudige gemeenschap blijft. Indien het pand, zoals de man heeft verzocht, aan hem wordt toebedeeld, heeft de vrouw nog recht op de helft van de waarde. Deze waarde heeft de man, met verwijzing naar de overgelegde taxatie (uitgaande van de waarde in verhuurde staat), op € 1.000.000,00 gesteld. Volgens de man heeft de vrouw dan bij toedeling aan hem recht op € 500.000,00. Daarop strekt in mindering het bedrag van € 805.483,00, zodat zij nog een bedrag van € 305.483,00 aan de man moet betalen.
Daarbij komt nog een PM-post, bestaande uit: de helft van de door haar als mede-eigenaar te dragen lasten vanaf 1 juli 2018, te verminderen met de helft van de te ontvangen huuropbrengsten vanaf 1 juli 2018 tot de datum van toedeling en het saldo daarvan te vermeerderen met de door haar verschuldigd rente (4%) vanaf 1 juli 2018 tot de datum van toedeling. De rechtbank begrijp dat de man met ‘toedeling’ tevens doelt op ‘verdeling’ en zal zijn verzoek aldus begrijpen.
Per saldo dient de vrouw in het kader van de toedeling/verdeling van het pand aan de man een bedrag van € 305.483,00 + PM te betalen, aldus nog steeds de man.

3.72.

De rechtbank zal achtereenvolgens ingaan op de door de man genoemde bedragen en het door de vrouw gevoerde verweer.

  • -

    Ten aanzien van het bedrag ad € 371.000,00 (koopprijs en overdrachtsbelasting): dit bedrag is de vrouw verschuldigd, nu zij de verschuldigdheid en hoogte niet heeft betwist.

  • -

    Ten aanzien van het bedrag ad € 412.5000,00 (verbouwingskosten): de gevorderde verbouwingskosten van € 412.500,00 (en € 825.423,00 in totaal) beoordeelt de rechtbank als volgt. De man heeft ter onderbouwing van het bedrag van € 825.423,00 een aannemingsovereenkomst overgelegd met datum 22 maart 2007, getekend door de man als aanbesteder en aannemersbedrijf [naam T] . B.V. als aannemer. Daarin staat dat de aanbesteder aan de aannemer heeft opgedragen, die deze opdracht heeft aanvaard, het verbouwen van een winkel met bovenwoningen gelegen aan de [adres G] te [gemeente F] voor een totaalprijs van € 693.632,88 te vermeerderen met € 131.790,25 BTW (in totaal € 825.423,13). In dat contract zijn zes betalingstermijnen opgenomen met daarachter telkens het verschuldigde percentage van voornoemd bedrag van € 825.423,13. De man heeft vervolgens de facturen van de aannemer betreffende de verschillende betalingstermijnen overgelegd alsmede de bankafschriften waaruit volgt dat [bedrijf L] B.V. diverse betalingstermijnen heeft voldaan. De vrouw heeft daartegenover enkel aangevoerd dat zij bij gebrek aan wetenschap betwist dat de ter zake de verbouwing opgevoerde kosten ook daadwerkelijk aan de genoemde panden zijn besteed. In het licht van voornoemde onderbouwing van de man, acht de rechtbank die blote betwisting onvoldoende. Eveneens heeft de man naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke verklaring gegeven voor het feit dat de BTW, anders dan bij de appartementen aan [naam P] te [gemeente J] , niet in mindering is gebracht, te weten dat bij de appartementen aan het [naam P] sprake was van nieuwbouw en bij het pand in [gemeente F] sprake was van bestaande bouw.
    De vrouw heeft ook niet betwist, ook niet nadat ter zitting is gesproken over de grondslag van de vordering van de man, dat artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden (de bepaling inzake vergoedingsrechten) aan de man een grondslag biedt om de helft van deze kosten op de vrouw te verhalen. Daarvan zal de rechtbank dan ook uitgaan.
    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vrouw € 412.500,00 verschuldigd is aan de man.

  • -

    Ten aanzien van het bedrag ad € 39.117,00 (eigenaarslasten): dit bedrag is de vrouw verschuldigd, nu zij de verschuldigdheid en hoogte niet heeft betwist.

  • -

    Ten aanzien van het bedrag ad € 267.391,00 (rente): de man vindt het redelijk om de vrouw een rente van 4% te berekenen over het gemiddelde bedrag van de totale investering die heeft uitgestaan, waarvan de helft voor rekening van de vrouw komt. De rechtbank volgt de man hierin niet. Nog daargelaten dat de berekening van hoogte van het door de man genoemde bedrag voor de rechtbank onnavolgbaar is, bestaat voor het in rekening brengen van rente, zoals de vrouw terecht heeft betoogd, geen grondslag. De huwelijkse voorwaarden bieden een dergelijke grondslag niet. Daarin is ten aanzien van door een echtgenoot voorgeschoten bedrag in verband met een privé-investering bepaald dat een overeenkomst van geldlening wordt opgesteld “onder voorwaarden en bepalingen als nader tussen echtgenoten overeen te komen”. Hieruit kan niet worden afgeleid dat partijen hebben bedoeld een rente te bedingen. Ook de bepaling in de akte van levering waarop de man zich beroept (hierna gearceerd door de rechtbank), waarin staat dat de vrouw het bedrag van € 371.000,00 schuldig is uit hoofde van een geldlening “zulks voor wat de rentebetaling en aflossing betreft op nog nader tussen partijen overeen te komen voorwaarden” biedt geen grondslag. Ingevolge de artikelen 7A:1805 juncto 7A: 1793 BW (dat, nu de leningsovereenkomst in de akte van levering is gesloten voor 1 januari 2017, ingevolge artikel 200 Overgangswet NBW nog van toepassing is) is uitsluitend rente verschuldigd als dit is bedongen. De door de man genoemde zinssnede is onvoldoende om daaruit te concluderen dat partijen een rente hebben bedongen. Partijen zijn immers geen nadere voorwaarden overeengekomen.

  • -

    Ten aanzien van het bedrag ad € 284.525,00 (huuropbrengsten); de vrouw heeft niet betwist dat zij gerechtigd is tot dit bedrag ter zake de huuropbrengsten tot 1 juli 2018. Daarvan zal de rechtbank uitgaan.

  • -

    ad PM-post: het voorgaande brengt met zich dat de vrouw voor de periode vanaf 1 juli 2018 aan de man uitsluitend verschuldigd is: (i) de helft van de door haar als mede-eigenaar te dragen lasten tot de datum van toedeling/verdeling te verminderen met (ii) de helft van de te ontvangen huuropbrengsten vanaf 1 juli 2018 tot de datum van toedeling/verdeling. De door de man gestelde rente van 4% vanaf 1 juli 2018 tot de datum van toedeling/verdeling is de vrouw niet verschuldigd.

3.73.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vrouw aan de man is verschuldigd: € 538.092,00 te vermeerderen met een PM-post (immers: € 371.000 + € 412.500,00 + € 39.117,00 - 284.525,00 + PM), indien het pand onverdeeld blijft. Beiden willen dit niet. De man wenst toedeling aan hem; de vrouw wenst dat het pand verkocht wordt. Nu de man zijn PM-post, ondanks eerdere aankondiging dit te zullen doen, nog niet heeft gespecificeerd, kan de rechtbank uitsluitend de wijze van verdeling gelasten.

3.74.

Indien de rechter wordt verzocht om de (wijze van) verdeling vast te stellen, dient hij bij zijn beslissing naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang (art. 3:185 lid 1 BW). De rechter dient de wijze van verdeling te bepalen met inachtneming van de tussen de deelgenoten geldende rechtsverhouding en de omstandigheid dat de rechtsverhouding tussen (ex) partners mede wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013BZ8746).

3.75.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het pand moeten worden verkocht. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen het pand hebben gekocht als beleggingsobject met de kennelijke bedoeling om met de verhuur – na aftrek van alle investeringen en kosten – per saldo een positief rendement te behalen. Indien het pand tegen de door de man in februari 2018 getaxeerde waarde van € 1.000.000,00 aan de man zou worden toebedeeld, zoals de man voorstaat, lijdt de vrouw per saldo een verlies op deze investering. Uitgaande van de getaxeerde waarde van € 1.000.000,00, waarvan de helft de vrouw zou toekomen, resteert immers voor haar een schuld van € 38.092,00 + een PM-post (immers € 500.000 – [€ 538.092,00 te vermeerderen met een PM-post]). De vrouw heeft dus, teneinde haar verlies zo veel mogelijk te beperken, belang bij een zo hoog mogelijk opbrengst. Vast staat immers ook dat zij niet over de financiële middelen beschikt om het pand zelf toebedeeld te krijgen en langs deze weg in de toekomst haar verliezen te beperken. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat de hoogst mogelijke opbrengst enkel verkregen kan worden door het pand “in de markt te zetten”; in de getaxeerde waarde is volgens haar altijd een speling van 10% naar boven of naar beneden begrepen en deze geeft dus geen goed beeld van de reële waarde. Dit heeft de man niet betwist.

In het licht van de bedoeling van partijen en nu de vrouw in weerwil van deze bedoeling met een restschuld zal achterblijven bij toedeling aan de man, brengen de redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de rechtbank mee dat het belang van de vrouw bij verkoop dient te prevaleren en dat het pand dus moet worden verkocht. De man heeft daartegenover geen feiten en omstandigheden gesteld, die met zich brengen dat hij een groter belang heeft bij toedeling.

3.76.

De rechtbank zal daarom als wijze van verdeling gelasten dat het pand aan de [adres G] te [gemeente F] op een hierna onder ‘De beslissing’ te vermelden wijze zal worden verkocht, waarna de netto-opbrengst van dit pand zal worden verdeeld tussen partijen. De netto opbrengst wordt aldus verdeeld dat ieder van partijen de helft van de netto-opbrengst toekomt, met dien verstande dat de vrouw van de aan haar toekomende helft van de netto-opbrengst aan de man moet betalen: het bedrag van € 538.092,00, te vermeerderen met een PM-post bestaande uit (i) de helft van de door haar als mede-eigenaar te dragen lasten tot de datum van verdeling te verminderen met (ii) de helft van de te ontvangen huuropbrengsten vanaf 1 juli 2018 tot de datum van verdeling. Indien de aan de vrouw toekomende helft van de netto- opbrengst onvoldoende is om voornoemd bedrag van € 538.092,00 te vermeerderen met de PM-post te voldoen, dient zij het restant uit andere middelen aan de man te betalen.
Het meer of anders verzochte ter zake van dit pand zal worden afgewezen.

Appartementen [naam P] ( [gemeente J] )
3.77. Niet in geschil is dat partijen op 27 augustus 2007, dus na de huwelijkssluiting, een drietal in aanbouw zijnde appartementen hebben gekocht in het project genaamd [naam P] met adres [adres P] en dat deze panden tot de gezamenlijke (privé)investeringen behoren. Verder heeft de man aangevoerd dat de exploitatie van de appartementen is ondergebracht in de maatschap [bedrijf K] . Ter zitting heeft de man daarover verklaard dat partijen alleen de bankrekening waarop de huuropbrengsten worden gestort om administratieve redenen op naam van ‘maatschap [bedrijf K] ’ hebben gezet. Partijen hebben geen maatschapscontract opgesteld, zij treden als natuurlijk persoon naar buiten richting huurders en derden, zijn als privépersoon eigenaar van de appartementen en de hypothecaire lening is in privé door partijen aangegaan. De appartementen zijn ook niet ingebracht in een maatschap. Volgens de man heeft de maatschap geen juridische inhoud. De vrouw heeft dit niet betwist.
De rechtbank is van oordeel dat, beoordeeld naar de feitelijke situatie, niet is voldaan aan alle elementen van een overeenkomst van maatschap. Daarbij weegt mee dat partijen niet de bedoeling hadden een maatschap te vormen, zij zich niet als maatschap presenteerden naar derden en de appartementen ook niet hebben ondergebracht in een maatschap. De rechtbank gaat er daarom van uit dat tussen partijen geen maatschap bestaat.

3.78.

De man heeft gesteld dat partijen, na aftrek van BTW, netto € 1.304.000,00 hebben geïnvesteerd. Deze investeringen bestaan uit (i) de aankoopprijs van € 541.626,- (ii) de kosten van verbouwing ad € 717.625,75, inclusief BTW en (iii) facturen voor keukens, vloeren, tegels, kasten, open haarden, etc. voor in totaal € 150.703,05 inclusief BTW. Volgens de man hebben partijen een hypothecaire lening van € 1.170.000,00 afgesloten bij Rabobank en heeft hij het verschil van in totaal € 134.000,00 tussen het geleende bedrag bij Rabobank en de totale investering voldaan.

3.79.

De man concludeert dat de vrouw weliswaar de helft van de eigendom heeft verkregen, maar dat hij een vordering heeft op de vrouw van € 356.234,09, te vermeerderen met een nader te specificeren PM-post. Hij beroept zich daartoe op artikel 3:172 BW, artikel A onder 3. en artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden. Dit bedrag van € 356.234,09 + PM-post is als volgt opgebouwd.

  • -

    € 206.196,77
    (zijnde de helft van alle investeringen en kosten, waaronder de investering van € 134.000,00, de aflossingen op de hypothecaire lening en alle overige eigenaarslasten van in totaal € 412.393,54)

  • -

    € 52.722,66
    (zijnde de helft van de door de vrouw verschuldigde rente tot en met 30 juni 2018 van in totaal € 105.445,32)

  • -

    € 5.789,67
    (zijnde de helft van het lopende exploitatietekort tot en met 30 juni 2018 van in totaal € 11.579,33)

Totaal: € 264.709,10, te vermeerderen met:

  • -

    een PM-post
    (zijnde de helft van de lasten die de man vanaf 1 juli 2018 mede ten behoeve van de vrouw heeft voldaan + de helft van het exploitatietekort tot aan de datum van toedeling respectievelijk verkoop. De rechtbank begrijp dat de man met ‘toedeling’ tevens doelt op ‘verdeling’ en zal zijn verzoek aldus begrijpen)

  • -

    € 91.525,00
    (zijnde de helft van de onderwaarde van de panden van in totaal € 183.050,00, waarbij de man uitgaat van een toedeling van de appartementen aan hem)

Totaal: € 356.234,10 + PM, aldus nog steeds de man.

3.80.

De rechtbank zal achtereenvolgens ingaan op de door de man genoemde bedragen en het door de vrouw gevoerde verweer.

- ad € 206.196,77 (investeringen, kosten en eigenaarslasten): de rechtbank is met de vrouw van oordeel dat uit de door de man overgelegde overzichten uit zijn administratie, zonder de onderliggende facturen, niet kan worden afgeleid hoe dit bedrag tot stand is gekomen. Ten aanzien van de wel overgelegde facturen kan niet worden afgeleid dat het om (verbouwings)kosten van het [naam P] gaat. De rechtbank zal de man daarom in de gelegenheid stellen zijn stelling ten aanzien van deze post te bewijzen. Voor het geval de man daarin slaagt, heeft de vrouw niet betwist dat zij gelet op artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden (vergoedingsrecht) gehouden is de helft daarvan te voldoen. Daarvan zal de rechtbank uitgaan.

  • -

    ad € 52.722,66 (rente): voor de door de man gevorderde rente van 4% ziet de rechtbank om dezelfde redenen als genoemd ten aanzien van het pand aan de [adres G] ( [gemeente F] ) geen grondslag. De man heeft daarom geen aanspraak op dit bedrag.

  • -

    ad € 5.789,67 (exploitatietekort): de rechtbank is van oordeel dat dit bedrag toewijsbaar is, nu de vrouw deze post niet heeft betwist.

  • -

    de PM-post: het voorgaande brengt met zich dat de vrouw voor de periode vanaf
    1 juli 2018 aan de man uitsluitend verschuldigd is: (i) de helft van de door haar als mede-eigenaar te dragen lasten tot de datum van toedeling/verdeling te verminderen met (ii) de helft van de te ontvangen huuropbrengsten vanaf 1 juli 2018 tot de datum van toedeling/verdeling. Voor zover de man met deze post tevens een rente van 4% vordert, is de vrouw deze niet verschuldigd.

  • -

    € 91.525,00 (onderwaarde): de eerste vraag die moet worden beantwoord is of het verzoek van de man om toedeling van de appartementen aan hem tegen een vergoeding van de gestelde onderwaarde moet worden toegewezen. De rechtbank beantwoordt die vraag, om redenen genoemd in rechtsoverweging 3.75 ten aanzien van het pand aan de [adres G] te [gemeente F] , ontkennend. Daarvoor is temeer reden, nu er op dit moment een exploitatietekort en een aanzienlijke onderwaarde van in totaal € 183.050,00 is en de man op basis van deze onderwaarde met de vrouw wil afrekenen. Het belang van de vrouw bij verkoop dient daarom te prevaleren. De rechtbank zal daarom bepalen dat de appartementen moeten worden verkocht. Dit betekent dat het bedrag van € 91.525,00 niet toewijsbaar is, omdat nog niet duidelijk is hoe hoog de onderwaarde zal zijn. Wel dienen partijen, indien na verkoop sprake blijkt te zijn van een onderwaarde, deze ieder voor de helft te dragen.

3.81.

De conclusie is dat de rechtbank de man in de gelegenheid zal stellen zijn stellingen ten aanzien van de post ‘investeringen, kosten en eigenaarslasten’ ad € 206.196,77 te bewijzen. Zij zal de beslissing over de verschuldigdheid van dit bedrag door de vrouw aan de man aanhouden. De rechtbank zal bij een nader te wijzen beschikking als wijze van verdeling gelasten dat:

  • -

    i) de panden dienen te worden verkocht op een nader te bepalen wijze;

  • -

    ii) de vrouw na verkoop van de panden in ieder geval aan de man is verschuldigd: € 5.789,67 + de PM-post, bestaande uit (i) de helft van de door haar als mede-eigenaar te dragen lasten tot de datum van verdeling te verminderen met (ii) de helft van de te ontvangen huuropbrengsten vanaf 1 juli 2018 tot de datum van verdeling;

  • -

    iii) de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de na verkoop resterende onderwaarde, dan wel voor de helft gerechtigd zijn tot de positieve netto-verkoopopbrengst;

De rechtbank verzoekt partijen zich erover uit te laten of zij het eens zijn geworden over de makelaar die de verkoop ter hand zal nemen of dat zij de rechtbank verzoeken een makelaar aan te wijzen.

De aandelen in [bedrijf K]

3.82.

Niet in geschil is dat de aandelen van partijen in [bedrijf K] tot de gezamenlijke privé-investeringen behoren. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de aandelen in [bedrijf K] vallen onder de privé-investeringen, zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden [de rechtbank begrijpt dat zij een verklaring voor recht ter zake wenst te verkrijgen] is in zoverre toewijsbaar.

3.83.

De rechtbank is, zoals de man heeft betoogd, van oordeel dat, een verdeling van de aandelen niet aan de orde is. Volgens art. 3:166 BW is een gemeenschap aanwezig wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. Omdat het hier om aandelen in een besloten vennootschap gaat, gaat de rechtbank er, zonder stellingen die op het tegendeel duiden, van uit dat de vrouw niet gezamenlijk met de man, maar exclusief gerechtigd is tot haar aandelen in [bedrijf K] . Er is daarom geen sprake van een gemeenschap als bedoeld in voornoemd artikel en dus is verdeling niet aan de orde. Indien de vrouw haar aandelen in [bedrijf K] liquide wenst te maken, zal zij dit moeten doen met inachtneming van (i) het bindend advies en de tussen partijen gesloten uitkoop-overeenkomst ten aanzien van [bedrijf K] , op grond waarvan de man de mogelijkheid heeft om de aandelen van de vrouw te kopen en (ii) de statuten van de vennootschap.

De aandelen in [bedrijf Q] BVBA

3.84.

Partijen houdt de vraag verdeeld of de investering in de aandelen [bedrijf Q] BVBA (verder: [bedrijf Q] ) onder de reikwijdte van de investeringsovereenkomst valt.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de investering in [bedrijf Q] onder de reikwijdte van de investeringsovereenkomst valt en verzoekt [de rechtbank begrijpt: voor recht te verklaren] dat de aandelen in deze vennootschap vallen onder de privé-investeringen, zoals bedoeld in sub A onder 4a van de huwelijkse voorwaarden.

De man betwist dat de investering in [bedrijf Q] onder de reikwijdte van de investeringsovereenkomst valt.
Subsidiair stelt hij dat de investering in [bedrijf Q] op grond van regels van zaaksvervanging (neergelegd in de considerans van de huwelijkse voorwaarden, vijfde gedachtestreepje) niet tot de privé-investeringen zijn gaan behoren.
Meer subsidiair stelt hij dat de vrouw wist dat [bedrijf Q] tijdens het huwelijk was opgericht en buiten de reikwijdte van de gezamenlijke investeringen viel en dat het recht van de vrouw om op grond van sub A onder 5 van de huwelijkse voorwaarden te vorderen dat de aandelen op haar naam worden gesteld, is komen te vervallen.

3.85.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vraag of de investering in [bedrijf Q] onder de reikwijdte van de privé-investeringen valt zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden is een kwestie van uitleg van die huwelijkse voorwaarden, in het bijzonder van het begrip ‘privé-investeringen’. Deze uitleg dient te geschieden aan de hand van de hiervoor weergegeven Haviltex-maatstaf.

3.86.

Beide partijen hebben in hun stukken en desgevraagd ter zitting een andere lezing gegeven van hetgeen zij hebben bedoeld af te spreken in hun huwelijkse voorwaarden. Zij hebben niets verklaard over hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting heeft meegedeeld. Volgens de vrouw zou alles gezamenlijk worden opgebouwd, volgens de man zou er naast de gezamenlijke investeringen ook ruimte zijn voor niet-gezamenlijke investeringen. De vrouw heeft zich, ook desgevraagd ter zitting, ter onderbouwing van de gestelde bedoeling, beroepen op de schriftelijk bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden, die volgens haar duidelijk zijn. De man heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde bedoeling onder andere verwezen naar het feit dat de vrouw na het huwelijk ook eigen investeringen heeft gedaan (te weten in [gemeente F] en [land A] ), die niet onder de privé-investeringen vallen. De vrouw heeft daartegenover gesteld dat deze door de man genoemde investeringen van haar op grond van de in de huwelijkse voorwaarden opgenomen regels van zaaksvervanging niet tot de privé-investeringen zijn gaan behoren. Dit heeft de man niet betwist. Daarom kan uit het enkele feit dat de door de man genoemde investeringen van de vrouw niet tot de privé-investeringen zijn gaan behoren, naar het oordeel van de rechtbank, nog niet de conclusie worden getrokken dat partijen hebben bedoeld, ook zonder schriftelijke overeenkomst genoemd in sub A lid 2, ruimte te laten voor niet gezamenlijke privé-investeringen.
De man heeft ook nog gesteld dat partijen speciaal voor de gezamenlijke (privé)- investeringen [bedrijf K] (dat staat voor [afkorting] ) B.V. hebben opgericht en dat nu [bedrijf Q] niet in [bedrijf K] is ondergebracht, dit geen privé-investering kan zijn. De rechtbank volgt de man hierin niet. De man gaat er immers zelf ook vanuit dat er privé-investeringen zijn die niet in [bedrijf K] zijn ondergebracht. Daarom kan geen betekenis worden toegekend aan het feit dat [bedrijf Q] niet in die vennootschap is ondergebracht.
De man heeft verder nog aangevoerd dat partijen hadden afgesproken dat de aan de textielbranche gerelateerde ondernemingen voor of tijdens het huwelijk nooit onder de gemeenschappelijke privé-investeringen zouden vallen, omdat de vrouw daar geen aandeel in heeft gehad. De man heeft die stelling onderbouwd met een aantal verklaringen (overgelegd als producties 29 tot en met 31). Die verklaringen ondersteunen de door de man voorgestane bedoeling echter niet. Uit die verklaringen kan weliswaar worden afgeleid dat de vrouw ervan uitging dat [bedrijf Q] buiten de investeringsafspraak viel, maar zij heeft daarvoor als verklaring gegeven dat zij daarvan uitging, omdat zij altijd ten onrechte heeft gedacht dat [bedrijf Q] voor het huwelijk was opgericht. De betreffende personen verklaren niets over hetgeen tussen de man en de vrouw ten tijde van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden over [bedrijf Q] is besproken. Daarom kunnen deze verklaringen de man op dit punt niet baten.

Nu partijen, anders dan de tekst van de huwelijkse voorwaarden, geen andere feiten en omstandigheden hebben genoemd waaruit de bedoeling van partijen kan worden afgeleid en partijen bij hun uitleg nauw aansluiten bij die tekst, zal de rechtbank hen daarin volgen en alle stellingen in aanmerking nemende, die tekst in redelijkheid uitleggen.

3.87.

Daarbij gaat de rechtbank er, gelet op het feit dat sprake is van een niet standaard investeringsovereenkomst, van uit dat de huwelijkse voorwaarden primair zijn bedoeld om de onderlinge verhoudingen tussen partijen zelf te regelen, en niet primair om de verhoudingen jegens derden duidelijk te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank moet sub A onder 1, gelezen in samenhang met de considerans, tweede gedachtestreepje, zo worden uitgelegd dat met privé-investeringen zijn bedoeld alle toekomstige, na het huwelijk gedane, investeringen. Van alle toekomstige, na het huwelijk gedane, investeringen is het de bedoeling dat deze gemeenschappelijk zullen worden aangegaan, ieder voor de helft en voor gemeenschappelijk rekening en risico. Hierop zijn drie uitzonderingen mogelijk, te weten:

(i) de in de considerans neergelegde regel van zaaksvervanging, inhoudende dat – daarover zijn partijen het eens – als een investering met bij huwelijk aangebracht vermogen is gefinancierd, sub A onder 1 niet geldt, (ii) de in sub A onder 2 neergelegde mogelijkheid dat partijen schriftelijk zijn overeenkomen dat een investering na het huwelijk niet door beide echtgenoten gezamenlijk zal worden aangegaan en (iii) de in sub A onder 4b van privé-investeringen uitgesloten investeringen. Uit de woorden ‘zullen’ in sub A onder 1, bezien in samenhang met sub A onder 5, leidt de rechtbank af dat het enkele feit dat het de bedoeling is dat deze investeringen gezamenlijk zullen worden aangegaan, nog niet met zich brengt dat deze ook daadwerkelijk gemeenschappelijk eigendom zijn geworden. Om dit te bewerkstelligen worden de goederen, volgens de tweede volzin van sub A lid 1, indien en zoveel mogelijk, ten name van beide echtgenoten geregistreerd. Gebeurt dat laatste niet, dan blijft de privé-investering volgens de bewijsovereenkomst in artikel 2 op naam van een echtgenoot staan en wordt deze geacht eigenaar te zijn van die privé-investering. De andere echtgenoot mag dan op grond van sub A onder 5 alsnog vorderen dat de privé-investering ook op zijn naam wordt gesteld, teneinde te bewerkstelligen dat hij/zij ook eigenaar wordt van de privé-investering. Dit betekent dat er dus, naast de situatie dat investeringen op grond van sub A onder 2 of onder 4a uitdrukkelijk zijn uitgesloten, privé-investeringen bestaan die alleen van een persoon zijn doordat ze (i) ofwel ten onrechte niet op naam van de ander zijn gesteld en de andere echtgenoot dit ook niet of niet tijdig vordert (ii) ofwel ten onrechte niet op naam van de ander zijn gesteld en de ander het niet weet.

3.88.

Zowel de tekst van de huwelijkse voorwaarden als de stellingen van partijen daaromtrent bieden geen aanknopingspunt voor de stelling van de man dat er naast de hiervoor weergegeven uitzonderingen nog ruimte is voor privé investeringen.

Nu de man ook geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die deze conclusie rechtvaardigen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de man tot tegenbewijs toe te laten tegen de door de rechtbank gegeven uitleg.

3.89.

Het voorgaande betekent dat de aandelen in [bedrijf Q] tot de privé-investeringen moeten worden gerekend. Dit betekent dat de vrouw alsnog het recht heeft op grond van sub A onder 5 van de huwelijkse voorwaarden te verzoeken dat de aandelen in [bedrijf Q] ook op haar naam worden gesteld, tenzij de man stelt en zo nodig bewijst:

  • -

    dat de aandelen op grond van de regels van zaakvervanging niet tot de privé-investeringen zijn gaan behoren, of

  • -

    het recht van de vrouw op grond van sub A onder 5 van de huwelijkse voorwaarden is komen te vervallen.

Niet in geschil is dat de uitzonderingsgrond van sub A lid 2 (partijen zijn schriftelijk overeengekomen dat een privé-investering niet door beiden echtgenoten voor de helft wordt aangegaan) zich niet voordoet.

3.90.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de investering in [bedrijf Q] op grond van de regels van zaaksvervanging niet tot de privé-investeringen zijn gaan behoren, legt de man een e-mail van [de heer B] van 25 maart 2010 over, waaruit volgens hem blijkt dat het oprichtingskapitaal van [bedrijf Q] en de investering ter verwerving van de deelneming in NV [bedrijf S] afkomstig is van de verkoopopbrengst van een aandelenportefeuille (de [X] -portefeuille) die al jaren voorafgaand aan het huwelijk eigendom van de man was (bijlage 34). In die e-mail staat:
Zoals besproken is de [X] portefeuille liquide gemaakt en is gisteren een bedrag van euro 1.794.169,19 (…) overgeboekt naar de 065 rekening van [de man]
Ik wil je verzoeken om ten laste van rekening (…) t.n.v. [de man] per omgaande een bedrag van 450.000 euro over te boeken naar (…) t.n.v. [bedrijf Q] BVBA te [plaats D] [land B 2] . (…)
Ter zitting heeft hij daaraan toegevoegd dat het bedrag van € 450.000,00 was bestemd als investering voor de deelneming en dat dit in de vorm van een rekening-courant verhouding of lening naar [bedrijf Q] is overgemaakt.
3.91. De rechtbank is van oordeel dat de man hiermee, zoals de vrouw heeft aangevoerd, nog niet heeft aangetoond dat de aandelen van [bedrijf Q] met aangebracht vermogen zijn gefinancierd. Zoals ter zitting is besproken is het, om vast te kunnen stellen dat er ter zake van de aandelen in [bedrijf Q] sprake is van zaaksvervanging, juridisch van belang dat de volstorting van de aandelen in [bedrijf Q] volledig met aangebracht vermogen is gefinancierd. In sub A onder 4a van de huwelijkse voorwaarden gaat het immers om de aan- en verkoop van, de belegging in (…) aandelen. Nu de man ter zitting heeft verklaard dat hij met stukken kan bewijzen dat ook de volstorting van de aandelen met de opbrengst van de [X] -portefeuille is gefinancierd, zal de rechtbank de man in de gelegenheid zijn stelling te bewijzen. De vrouw heeft immers niet betwist dat de [X] -portefeuille aangebracht vermogen betrof, zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden.

3.92.

Meer subsidiair heeft de man gesteld dat de vrouw wist dat [bedrijf Q] in 2010 is opgericht en dat het recht van de vrouw om op grond van sub A onder 5 te vorderen dat de aandelen op haar naam worden gesteld, is komen te vervallen. Zonder vooruit te willen lopen op de (eventuele) bewijslevering van de man, ziet de rechtbank uit praktische overwegingen aanleiding deze stelling alvast te beoordelen.

3.93.

De rechtbank merkt op dat het beroep van de man op het vervalbeding uitsluitend slaagt, indien hij gemotiveerd stelt en bewijst dat de vrouw drie jaar voordat zij zich op sub A onder 5 van de huwelijkse voorwaarden heeft beroepen, kennis had genomen van [bedrijf Q] als privé-investering. Daarbij is van belang hoe het begrip ‘kennis nemen’ in de huwelijkse voorwaarden moet worden uitgelegd. De man bepleit een geobjectiveerde uitleg van dit begrip, waarbij daarvan reeds sprake is, indien zij redelijkerwijze had kunnen kennis nemen van een privé-investering; de vrouw bepleit een subjectieve uitleg van dit begrip.

3.94.

Ook dit begrip dient met inachtneming van voornoemde Haviltex-maatstaf te worden uitgelegd. Partijen hebben echter geen stellingen ingenomen die de door hen voorgestane uitleg ondersteunt. Voor bewijslevering door partijen is daarom geen plaats. De rechtbank zal uitgaan van de meest voor de hand liggende uitleg, alle omstandigheden in aanmerking nemend. De rechtbank acht voor de uitleg van belang dat in de huwelijkse voorwaarden staat ‘kennis heeft genomen’. Er is kennelijk niet gekozen voor ‘redelijkerwijze kennis heeft kunnen nemen’. Verder hecht de rechtbank waarde aan het feit dat het hier een vervalbeding betreft. Een echtgenoot verliest het recht om een privé-investering die ten onrechte niet op zijn naam is gesteld, alsnog op zijn naam te laten stellen, waardoor hij geen eigenaar wordt en niet meedeelt in een eventuele waardevermeerdering. Tegen die achtergrond dient naar het oordeel van de rechtbank te worden uitgegaan van subjectieve bekendheid. Dit betekent dat de vervaltermijn is gaan lopen vanaf het tijdstip waarop de vrouw daadwerkelijk bekend is geworden met de privé-investering (zie o.a.
HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508, HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552). Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de vrouw bekend zijn en niet de bekendheid van de vrouw met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat er dus om wanneer de vrouw wist dat [bedrijf Q] na het huwelijk was opgericht en niet op welk moment zij wist of begreep dat de vervaltermijn ging lopen (HR 10 juli 2015; ELCI:NL:HR:2015:1866). Op de man, die zich beroept op de vervaltermijn, rust de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van de feiten waaruit de bekendheid van de vrouw met de oprichtingsdatum kan worden afgeleid. Aangezien de voor de beslissing van de zaak relevante omstandigheden van subjectieve aard zijn, die zich geheel in de sfeer van de vrouw hebben afgespeeld, mogen aan de feitelijke onderbouwing van de stelling van de man niet te hoge eisen worden gesteld (HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2012:BO6106).

Dat de rechtbank uitgaat van subjectieve bekendheid, neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat indien de vrouw door een beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen kennis nemen van de privé-investering maar dit heeft nagelaten, zij zich ter afwering van het beroep op de vervaltermijn niet kan beroepen op het ontbreken van subjectieve wetenschap (HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:BN6241).

3.95.

Nu het er dus om gaat wanneer de vrouw wist dat [bedrijf Q] na het huwelijk was opgericht, kunnen de door de man overgelegde verklaringen van de heer [naam] (bijlage 29), de heer [naam] (bijlage 30) en [de heer B] (bijlage 31) hem niet baten. Daaruit kan immers enkel worden afgeleid dat de vrouw kennis had van [bedrijf Q] en/of de textielactiviteiten van de man door middel van [bedrijf Q] als zodanig. Deze verklaringen, ieder op zich en in onderlinge samenhang bezien, zijn echter onvoldoende concreet om daaruit te kunnen afleiden dat zij wist dat [bedrijf Q] na het huwelijk was opgericht.

3.96.

De man heeft verder gesteld dat de vrouw nauw betrokken was bij de verkoop van [bedrijf T] voor het huwelijk en wist dat de man een concurrentiebeding had van twee jaar na verkoop (vanaf 1 januari 2008 tot 1 januari 2010) waardoor hij geen activiteiten in de textielbranche mocht ontplooien. Omdat hij twee jaar niets mocht doen en niet kan stilzitten, had hij daar, aldus de man, slapeloze nachten van. Hij heeft toen met medeweten van de vrouw nog een psycholoog geraadpleegd. Na afloop van deze twee jaar heeft de man [bedrijf Q] opgericht. Verder heeft hij verwezen naar een verklaring van [de heer B] van 18 oktober 2018 (bijlage 32). Daarin verklaart hij dat het voor de vrouw duidelijk was dat [bedrijf Q] na het verstrijken van het concurrentiebeding van [de man] in 2010 werd opgericht. [de heer B] verklaart ook dat hij op verzoek van [de man] uitgebreid met [de vrouw] heeft besproken of zij als bestuurder zou worden ingeschreven van [bedrijf Q] , omdat er naast [de man] formeel nog een bestuurder moest worden ingeschreven en het hemzelf niet vrij stond. Hij verklaart dat hij in dat kader de structuur heeft uitgelegd waarbij het net opgerichte [bedrijf Q] een 50% belang zou verwerven in Van der [bedrijf S] , dat het haar heel duidelijk was dat zij niet deelnam in [bedrijf Q] en daarmee ook geen medeaandeelhoudster zou worden in [bedrijf S] .

Verder heeft de man gewezen op de aangiften inkomstenbelasting van partijen van 2009 en 2010. Omdat partijen fiscaal partners waren, werden de vermogensbestanddelen van de man ook in de aangifte van de vrouw opgenomen. In de aangifte van 2009 wordt in box 2 nog geen melding gemaakt van de aandelen [bedrijf Q] en in die van 2010 wel.

3.97.

De vrouw heeft de verklaring van [de heer B] betwist. Zij betwist dat het gesprek waarover hij heeft verklaard, heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de aangiften stelt zij dat zij deze altijd blind heeft getekend, omdat zij deze toch niet kon begrijpen. Zij heeft hierin niet gelezen dat [bedrijf Q] na het huwelijk is opgericht. Zij heeft echter niet betwist dat zij nauw betrokken is geweest bij de verkoop van [bedrijf T] bij het huwelijk en dat zij afwist van het concurrentiebeding op grond waarvan de man twee jaar geen activiteiten meer mocht verrichten. Hiermee laat zich moeilijk rijmen dat zij dacht dat [bedrijf Q] al voor het huwelijk was opgericht. De rechtbank is van oordeel dat de gemotiveerde stellingen van de man voorshands de conclusie rechtvaardigen dat de vrouw in 2010 wist dat [bedrijf Q] na het huwelijk was opgericht. Het is dan aan de vrouw om tegenbewijs tegen dit vermoeden te leveren.

3.98.

De rechtbank zal eerst de man in de gelegenheid stellen met stukken te bewijzen dat ook de volstorting van de aandelen met de opbrengst van de [X] -portefeuille is gefinancierd. Indien de man daarin niet slaagt, zal de rechtbank de vrouw bij tweede tussenbeschikking in de gelegenheid stellen om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands vermoeden dat zij in 2010 wist dat [bedrijf Q] na het huwelijk was opgericht. De beslissing op het verzoek van de vrouw te bepalen dat de aandelen in [bedrijf Q] vallen onder de privé-investeringen, zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden, zal daarom worden aangehouden.

[adres J] ( [gemeente J] )

3.99.

Het pand aan [adres J] heeft de man op 5 maart 2015 van zijn vader gekocht. Daarmee behoort het naar het oordeel van de rechtbank, met verwijzing naar de in rechtsoverwegingen 3.86 tot en met 3.88 gegeven uitleg van het begrip ‘privé-investeringen’, tot de privé-investeringen. Dit betekent dat de vrouw in beginsel het recht heeft om te vorderen dat het pand [adres J] ook op haar naam wordt gesteld, tenzij het beroep van de man op het vervalbeding opgenomen in sub A onder 5 van de huwelijkse voorwaarden slaagt.

3.100. De man heeft, zo begrijpt de rechtbank, gesteld dat de vrouw vanaf februari/maart 2015 er kennis van heeft genomen dat de man het pand in privé heeft aangekocht en dat sindsdien drie jaar zijn verstreken. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij pas bij het aanvullend verzoek van de man, ingediend bij de rechtbank op 25 juli 2018 daarvan kennis heeft genomen.

3.101. Voor de uitleg van het begrip ‘kennis nemen’ in de huwelijkse voorwaarden en de stelplicht en bewijslast, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor in rechtsoverweging 3.94 heeft overwogen en geoordeeld.

3.102. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar:

  • -

    i) een kredietovereenkomst tussen de man en NIBC van 20 februari 2015, die de vrouw voor akkoord heeft getekend (bijlage 28),

  • -

    ii) een ‘verklaring in verband met artikel 88 boek 1 BW’ van 4 maart 2015 (bijlage 37), waarbij zij toestemming geeft aan de man tot het verlenen van een recht van hypotheek aan NIBC op de woning aan [adres J] en

  • -

    iii) de daarbij behorende hypotheekakte tussen de man en NIBC waarmee het recht van hypotheek op de woning aan [adres J] wordt gevestigd (bijlage 36).

3.103. De onder (ii) genoemde verklaring van 4 maart 2015 bestaat uit slechts twee pagina’s. Op de eerste pagina staat direct na het noemen van de vrouw als ondergetekende:

"verklaart:
a. dat zij aan haar genoemde echtgenoot de overeenkomstig het bepaalde in artikel 88 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vereiste toestemming geeft, onder meer tot het verlenen van een garantstelling en tot het verlenen van een hypotheek op het recht van eigendom van:
1. de woning met de mogelijkheid van kantoorfunctie, ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te [postcode] [gemeente J] aan [adres J] , kadastraal bekend Gemeente [gemeente J] sectie [kadastraal nummer] , groot [omvang] ;
2. (…)

3.104. Hiermee heeft de man naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd gesteld dat het kenbaar was voor de vrouw dat de man een woning aan [adres J] had gekocht waarop hij een recht van hypotheek wilde vestigen. De tekst van de verklaring was immers beknopt en duidelijk. Nu de vrouw deze verklaring heeft getekend, rechtvaardigt dit het vermoeden dat zij met ingang van de datum van ondertekening van de verklaring (4 maart 2015) bekend was met de privé-investering, althans dat zij na een korte blik op het document had kunnen weten. Het ligt dan op haar weg om de stellingen van de man en de gevolgtrekking voldoende gemotiveerd te betwisten. Dit heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende gedaan. De vrouw heeft enkel aangevoerd dat zij uit de kredietovereenkomst, waarin zij toestemming geeft voor de garantstelling door de man in verband met een lening aan [bedrijf N] (het document genoemd onder (i) hiervoor) en de hypotheekakte (het document onder (iii)), niet kon afleiden dat het om een privé-investering ging. Zij is echter niet ingegaan op de verklaring van 4 maart 2015 (het document onder (ii). Daarmee heeft zij de gemotiveerde stellingen en de conclusies die de man daaraan verbindt, anders dan dat zij het niet wist, niet betwist. Nu zij in dat verband onvoldoende heeft gesteld, kan zij niet tot tegenbewijs worden toegelaten.

3.105. De conclusie is dat de vrouw op 4 maart 2015 kennis heeft genomen van de privé-investering, zodat de vervaltermijn op 4 maart 2018 is verstreken. Nu zij voordien geen verzoek heeft gedaan om [adres J] op haar naam te stellen, is geen sprake van een investering die voor gezamenlijke rekening en risico is aangegaan. De vrouw heeft ter zitting nog betoogd dat zelfs als zij in maart 2015 met de privé-investering bekend zou zijn geworden, het niet redelijk is dat de drie-jaarstermijn gedurende de periode dat partijen feitelijk uiteen zijn (dus met ingang van maart 2017) doorloopt. De rechtbank verwerpt dit, door de man betwiste betoog, nu de huwelijkse voorwaarden op dit punt duidelijk zijn.
Het beroep van de man op het vervalbeding slaagt dus en het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de verwerving van [adres J] te [gemeente J] valt onder de privé-investeringen, zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden, moet worden afgewezen.

De afgifte persoonlijke goederen (verzoek vrouw)

3.106. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man gehouden is aan de vrouw al haar persoonlijke bezittingen en die van haar kinderen, waaronder schilderijen, kleding, schoenen, tassen etc. en de inhoud van haar kluis af te geven, waar die zaken zich ook bevinden. Zij heeft deze persoonlijke bezittingen nader gespecificeerd in een lijst, overgelegd als bijlage 13.
3.107. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek moet worden afgewezen. De vrouw heeft in het licht van de betwisting van de man en artikel 2 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden, niet aangetoond dat zij eigenaar is van de door haar genoemde zaken. Voor zover de man niet heeft betwist dat de vrouw eigenaar is van de genoemde zaken, heeft hij betwist dat deze zich nog in zijn woning bevinden. Hij heeft daartoe aangevoerd (i) dat een groot deel van de persoonlijke spullen al op de manege waren, omdat de vrouw daar al langere tijd met de kinderen woonde, (ii) dat zij op een gegeven moment spullen heeft meegenomen en (iii) dat hij daarna nog een vrachtwagen met spullen heeft afgeleverd. In het licht van die gemotiveerde betwisting heeft de vrouw niet, althans onvoldoende feiten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat deze zaken zich nog in de woning van de man bevinden.

Voortgezet gebruik van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [gemeente A] .

3.108. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat zij gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [gemeente A] en de zich in en op die onroerende zaak bevindende roerende zaken en wel gedurende een periode van zes maanden gerekend vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.109. Ingevolge artikel 1:165 BW kan de rechter op verzoek van een echtgenoot bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.

3.110. Artikel 1:165 BW geeft een voorziening met het oog op de moeilijkheden welke een echtscheidingsprocedure kan meebrengen in verband met de huisvesting van de echtgenoten. Volgens de parlementaire geschiedenis gaat het bij artikel 1:165 BW om de echtelijke woning. De rechtbank is van oordeel dat de woning aan de [adres] te [gemeente A] als zodanig kan worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt dat de vrouw al voor het zicht van de scheiding van maandag tot vrijdag met haar kinderen in [gemeente A] verbleef omdat dit praktischer was met de paarden en school van de kinderen. Partijen verbleven daar ook regelmatig samen.

3.111. De stelling van de man dat Landgoed [E] als echtelijke woning moet worden aangemerkt, sluit naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat de woning aan de [adres] te [gemeente A] ook als echtelijke woning kan worden aangemerkt. De samenlevingsplicht is immers bij Wet van 31 mei 2001 (Stb. 2001, 275) komen te vervallen, waardoor de mogelijkheid bestaat dat partijen twee echtelijke woningen hebben. Steun voor dit oordeel kan worden gevonden in de hiervoor genoemde ratio van artikel 1:165 BW en in de uitspraak van de Hoge Raad van 17 december 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC1193).
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen.

3.112. De door de man verzochte gebruiksvergoeding van € 3.000,00 voor het geval de vrouw naast de manege met aanleunwoning ook het gebruik wenst van de andere woning die aanwezig is op het perceel, acht de rechtbank ook toewijsbaar. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij gebruik wenst te maken van de andere woning. Aan de voorwaarde waaronder de man zijn verzoek heeft gedaan, is daarmee voldaan. De vrouw heeft de verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding en de hoogte daarvan ook niet betwist, maar enkel verklaard dat het ‘broekzak – vestzak’ is, omdat dit bedrag haar behoefte verhoogt. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding verschuldigd is van € 3.000,00 per maand en daarbij bepalen dat deze eerst opeisbaar is bij de vermogensafwikkeling van de privé-investering in [bedrijf K] .

Proceskosten

3.113. De proceskosten in de voorlopige voorzieningenprocedure en de tot vandaag gemaakte proceskosten in de bodemprocedure zullen worden gecompenseerd zoals hierna is vermeld. De rechtbank zal de verdere beslissing inzake de proceskosten in de bodemprocedure aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank:


in de procedure tot wijziging van de voorlopige voorzieningen

4.1.

wijst het verzoek van de vrouw af.

4.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de bodemprocedure

4.3.

spreekt tussen partijen, die op [datum] te [gemeente] met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uit;

4.4.

bepaalt dat de man een onderhoudsbijdrage van € 5.000,00 per maand aan de vrouw dient te voldoen, zulks met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.5.

bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de woning op het adres [adres] te [gemeente A] bewoont, tegenover de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na voormelde inschrijving voort te zetten, zulks tegen vergoeding van een bedrag van € 3.000,00 per maand, welk bedrag eerst opeisbaar is bij de vermogensafwikkeling van de privé-investering in de aandelen [bedrijf K] B.V.;

4.6.

verklaart voor recht dat de aandelen in [bedrijf K] B.V. vallen onder de privé-investeringen, zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden;

4.7.

bepaalt dat partijen binnen dertig dagen na betekening van deze beschikking dienen mee te werken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van het pand gelegen aan [adres G] te [gemeente F] door:

  1. samen aan een, door partijen in onderling overleg te kiezen, makelaar opdracht te geven de verkoop van het pand op zich te nemen;

  2. opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar;

  3. al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen;

  4. mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht;

  5. medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de met de verkoop gemoeide kosten, waaronder de makelaarscourtage;

  6. gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht van de woning opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst te verdelen op de wijze als is vermeld in rechtsoverweging 3.76;

4.8.

verklaart de beslissing met betrekking tot de partneralimentatie, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, de gebruiksvergoeding en de wijze van verdeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.9.

stelt de man in de gelegenheid door alle middelen rechtens te bewijzen dat:

  • -

    i) de volstorting van de aandelen in [bedrijf Q] met de opbrengst van de [X] -portefeuille is gefinancierd;

  • -

    ii) hij € 206.196,77 ter zake investeringen, kosten en eigenaarslasten heeft betaald voor de appartementen [naam P] te [gemeente J] ;

4.10.

bepaalt dat, indien de man dit bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken op uiterlijk 21 januari 2019 in het geding dient brengen;

4.11.

bepaalt dat, indien de man dit bewijs door het doen horen van getuigen wenst te leveren, de getuigenverhoren zullen plaatsvinden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's‑Hertogenbosch, met het verzoek aan de advocaten om hun verhinderdata en die van partijen op de maandagen, dinsdagen en vrijdagen in de maanden februari 2019 tot en met mei 2019 uiterlijk op 21 januari 2019 aan de rechtbank door te geven, waarna de rechtbank een datum zal bepalen voor dit getuigenverhoor en de griffier partijen daartoe tijdig en op de juiste wijze zal oproepen;

4.12.

compenseert de tot vandaag gemaakte proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.13.

houdt de navolgende beslissingen aan:

  • -

    i) de beslissing op het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat de aandelen in [bedrijf Q] vallen onder de privé-investeringen, zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden;

  • -

    ii) de beslissing ten aanzien van (wijze) van verdeling van de eenvoudige gemeenschap bestaande uit de appartement [naam P] te [gemeente J] ;

  • -

    iii) de beslissing ter zake de verdere proceskosten.

4.14.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.E. Roll, voorzitter, mr. S. ter Braak en mr. S.M.J. Korthuis-Becks, leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 10 december 2018.

Conc: SKB

Tegen deze beschikking kan, uitsluitend voor zover het eindbeslissingen in de bodemprocedure betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen wederpartij, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak
b. door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.