Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:6344

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-12-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
C/01/340099 / KG ZA 18-649
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot opheffen conservatoir beslag afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/340099 / KG ZA 18-649

Vonnis in kort geding van 19 december 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. L.E.M.A. Vermeer te Boxtel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND RECONDITIONERING B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.W. van Ingen te 's-Hertogenbosch.

Partijen worden [eiser] en HR genoemd.

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 november 2018 met 7 producties,

  • -

    de brief van mr. Vermeer van 29 november 2018 met de producties 8 tot en met 11,

  • -

    de brief van mr. Van Ingen van 30 november 2018 met 1 productie,

  • -

    de mondelinge behandeling op 3 december 2018,

  • -

    de pleitnota van HR (mr. Van Ingen).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. Vanwege een veelheid aan te behandelen zaken, de daaruit voortvloeiende drukke werkzaamheden en een krap bezette rechtbankorganisatie is het de voorzieningenrechter en zijn medewerkers - in weerwil van hun inspanningen en onbetaald overwerken - niet mogelijk gebleken het vonnis op de oorspronkelijk beoogde uitspraakdatum (uiterlijk 17 december 2018) gereed te krijgen, met inachtneming van minimale eisen van nauwgezetheid waaraan ieder vonnis in het kader van de motiveringsplicht van artikel 30 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, mede in samenhang met de ambtsbelofte van de behandelend rechter, moet blijven voldoen. De uitspraak is zodoende nader bepaald op heden. Deze gang van zaken past niet bij de bij uitstek voor de kort geding rechtspraak wezenlijke snelle dienstverlening op de toegezegde uitspraakdatum aan de rechtzoekende, welke rechtzoekende in de rechtbank Oost-Brabant, naar zij zelf uitdraagt, centraal staat.

2. De feiten

2.1.

[eiser] is enig bestuurder met de titel algemeen directeur van de besloten vennootschap LAC Dienstverlening B.V. (hierna te noemen: LAC). LAC richt zich op deskundige asbestverwijdering, sloop- en schoonmaakwerkzaamheden. De heer [naam vader] , de vader van [eiser] (hierna: [naam vader] .) is volledig gevolmachtigd om namens LAC (rechts)handelingen te verrichten. LAC heeft de afgelopen jaren zaken gedaan met HR en heeft in dat kader haar diensten bij HR gefactureerd.

2.2.

[naam vader] . is op 1 maart 2006 in dienst getreden bij HR als adjunct directeur. Later is [naam vader] . directeur geworden en was hij belast met de dagelijkse leiding binnen HR.

2.3.

Begin mei 2016 is HR tot de ontdekking gekomen dat er binnen haar organisatie sprake was van een omvangrijke fraude. Zij heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche ingeschakeld om daartoe een onderzoek uit te voeren.

2.4.

[naam vader] . is op 6 mei 2016 op staande voet ontslagen als directeur van HR. Hij werd er door HR van beschuldigd dat hij (onder andere met LAC) uren- en margefraude heeft gepleegd ten behoeve van HR.

2.5.

HR heeft vervolgens bij verzoekschrift van 10 mei 2016 verlof gevraagd aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank om ten laste van de volgens haar bij de fraude betrokken partijen, waaronder LAC, [eiser] en [naam vader] ., conservatoir bewijsbeslag, revindicatoir beslag en conservatoir verhaalsbeslag op onroerende zaken en derden te mogen leggen.

2.6.

Op 23 mei 2016 heeft HR, met op 11 mei 2016 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, - onder meer - conservatoir verhaalsbeslag gelegd ten laste van [eiser] onder de ING Bank N.V. Het gelegde beslag heeft doel getroffen tot een bedrag van € 51.403,81.

2.7.

HR heeft vervolgens de volgens haar bij de fraude betrokken partijen (hierna [gedaagde partijen in bodemprocedure] ) in een bodemprocedure gedagvaard voor de rechtbank Oost-Brabant tegen 17 augustus 2016 en gevorderd voor recht te verklaren dat [gedaagde partijen in bodemprocedure] , zowel ieder voor zich als bij wege van groep in de zin van artikel 6:166 BW, onrechtmatig hebben gehandeld jegens HR en hen primair hoofdelijk en subsidiair ieder voor zich te veroordelen tot vergoeding van de door HR geleden schade.

2.8.

Hoffmann Bedrijfsrecherche heeft in haar rapport van 23 februari 2017 geconcludeerd dat er bijzonder sterke aanwijzingen zijn voor een systematische en grootschalige fraude door de heer [naam gedaagde in bodemprocedure] , [naam vader] . en [naam gedaagde in bodemprocedure] en een kring van familieleden en vrienden om hen heen. De schade wordt in het rapport begroot op minimaal € 1.691.599,00.

2.9.

Bij tussenvonnis van 14 februari 2018 (zaaknummer / rolnummer C/01/311697 / HA ZA 16-555) heeft deze rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat [naam vader] . en LAC onrechtmatig hebben gehandeld jegens HR. Het onrechtmatig handelen van [naam vader] . jegens HR bestond - onder meer - daaruit dat hij HR (direct of indirect) een extra marge liet betalen aan haar toeleveranciers, doordat de facturen van de betreffende toeleveranciers van HR werden verhoogd. Deze extra marge werd vervolgens door de toeleveranciers van HR betaald aan LAC. Het onrechtmatig handelen bestond er voorts in dat [naam vader] . eraan meewerkte dat LAC valse facturen opstelde en bij HR in rekening bracht waar geen feitelijke werkzaamheden tegenover stonden.

2.10.

Ten aanzien van de stelling van HR in die procedure dat [eiser] als bestuurder van LAC onrechtmatig heeft gehandeld, heeft deze rechtbank in het tussenvonnis van 14 februari 2018 als volgt geoordeeld (r.o. 4.19):

“(…) HHG heeft haar stelling dat [eiser] geen enkel toezicht heeft gehouden op de financiële handel en wandel van LAC niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. De enkele omstandigheid dat een bij LAC betrokken derde (in dit geval [naam vader] .) zich schuldig heeft gemaakt aan fraude is daarvoor in ieder geval niet voldoende. HHG heeft haar stelling dat [eiser] volgens haar had kunnen weten dat de riante inkomsten van LAC niet door het werken met zijn eigen twee handen binnen konden stromen evenmin onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Daarom falen deze stellingen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat [eiser] persoonlijk aansprakelijk is voor de margefraude door LAC.”

2.11.

Bij eindvonnis van 25 juli 2018 heeft deze rechtbank - onder meer - voor recht verklaard dat [naam vader] . en LAC ieder voor zich en tevens als groep in de zin van artikel 6:166 BW onrechtmatig hebben gehandeld jegens HR. De rechtbank heeft [naam vader] . en LAC hoofdelijk veroordeeld om aan HR te betalen de schade die HR dientengevolge heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.12.

De door HR jegens [eiser] ingestelde vorderingen heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 25 juli 2018 afgewezen.

2.13.

HR heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van deze rechtbank van 14 februari 2018 en 25 juli 2018.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

primair: om de beslagen op de bankrekening die [eiser] aanhoudt bij ING Bank N.V., te weten met bankrekeningnummer [rekeningnummer] binnen 1 dag na betekening van het vonnis in kort geding op te (laten) heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

subsidiair: om het beslag op de bankrekening die [eiser] aanhoudt bij ING Bank N.V., te weten de bankrekening met nummer [rekeningnummer] , op te (laten) heffen ten aanzien van een bedrag van € 30.000,00, althans ten aanzien van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, binnen 1 dag na betekening van het vonnis in kort geding, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

zowel primair als subsidiair: met veroordeling van HR in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling.

3.2.

[eiser] legt daaraan ten grondslag dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van HR jegens hem is gebleken. Gebleken is dat deze rechtbank bij vonnissen van 14 februari 2018 en 25 juli 2018 alle vorderingen van HR jegens [eiser] heeft afgewezen. [naam vader] . heeft zijn zoon, [eiser] , nooit verteld dat hij met LAC meer uren in rekening bracht bij HR dan er daadwerkelijk door LAC was gewerkt en [naam vader] . heeft [eiser] ook nooit bij de fraude betrokken. [eiser] was in het geheel niet op de hoogte van de uren- en margefraude die door zijn vader, [naam vader] ., werd gepleegd. Binnen LAC was [eiser] in feite te kwalificeren als “meewerkend voorman”. [eiser] verrichtte vooral de arbeid binnen LAC en [naam vader] . verzorgde de financiën. Voorts heeft HR geen schade geleden als gevolg van de gepleegde uren- en margefraude, zodat ook hierom niet summierlijk van de deugdelijkheid van een vordering jegens [eiser] is gebleken.

[eiser] heeft slechts beperkte inkomsten en kan door het gelegde beslag niet over zijn spaargeld beschikken. [eiser] heeft in eerste aanleg met pijn en moeite de kosten van zijn verweer kunnen voldoen. Nu HR hoger beroep heeft ingesteld tegen de vonnissen van deze rechtbank van 14 februari 2018 en 25 juli 2018, is [eiser] wel gedwongen om mee te gaan in het hoger beroep. [eiser] beschikt thans niet meer over voldoende financiële middelen om de kosten van zijn verweer in hoger beroep te voldoen. Dit betekent dat geen sprake is van equality of arms, nu [eiser] zich, als gevolg van het gelegde beslag, niet afdoende kan verweren tegen de vorderingen van HR in hoger beroep.

3.3.

HR voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Inzet van dit kort geding is opheffing van de door HR ten laste van [eiser] onder de ING Bank N.V. gelegde conservatoire beslagen.

4.2.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het conservatoire beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.3.

Het enkele feit dat de door HR jegens [eiser] ingestelde vorderingen door deze rechtbank in eerste aanleg zijn afgewezen, leidt niet reeds tot het oordeel dat het gelegde beslag moet worden opgeheven. De Hoge Raad leert in zijn arrest van 30 juni 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV1559 (Bijl/Van Baalen)) dat met het afwijzende vonnis in eerste aanleg de summiere ondeugdelijkheid van de vordering niet gegeven is. Ook in een dergelijke situatie ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert, met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, - waarvoor het afwijzende vonnis in de bodemprocedure niet zonder meer beslissend is. De rechtbank heeft de vorderingen van HR afgewezen, omdat HR onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat [eiser] als bestuurder van LAC onrechtmatig heeft gehandeld. De jegens [naam vader] . en LAC ingestelde vorderingen zijn door de rechtbank wel toegewezen. Voorshands mag dus worden aangenomen dat in de vennootschap LAC, waarvan [eiser] enig bestuurder met de titel algemeen directeur was en in welke vennootschap [eiser] ook feitelijk werkzaam was, misstanden hebben bestaan. Dat HR [eiser] in dat kader in het vizier heeft genomen behoeft dan ook geen bevreemding te wekken.

4.4.

In dit kort geding heeft [eiser] gesteld dat hij geen weet had van de door zijn vader, [naam vader] ., en LAC, de vennootschap waarvan hij directeur is, gepleegde fraude, dat hij slechts meewerkend voorman was en zich niet met de financiën bezig hield. HR heeft daartegenover gesteld dat bepaald niet geloofwaardig is dat [eiser] , als directeur en grootaandeelhouder van LAC, geen enkele wetenschap had van de fraude die jarenlang heeft voortgeduurd en een volgens HR geschatte omvang heeft gehad van 2,6 miljoen euro. HR zal in hoger beroep nadere feiten en omstandigheden bijeen brengen ter onderbouwing van haar stelling dat [eiser] als bestuurder van LAC onrechtmatig heeft gehandeld en zij zal zich daarbij richten op de rol van [eiser] als katvanger. Dat [eiser] stelt over onvoldoende opleiding en ervaring te beschikken en zich verschuilt achter een volledig delegatiepatroon aan zijn gevolmachtigde vader, disculpeert [eiser] niet, aldus HR. Van een bestuurder mag verwacht worden dat deze zijn taak nauwgezet verricht en op zijn taak is berekend. Delegatie of een algemene taakverdeling tussen (feitelijk) bestuurders neemt de verantwoordelijkheid van iedere bestuurder voor het algemene beleid van de rechtspersoon niet weg.

4.5.

Tegenover het gemotiveerde verweer van HR heeft [eiser] in dit kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vordering van HR ondeugdelijk is. De enkele stelling dat hij als bestuurder van LAC geen weet had van de omvangrijke fraude is daarvoor onvoldoende. Ook de stelling van [eiser] dat HR geen schade zou hebben geleden omdat de ‘opbrengst’ van de fraude geheel ten goede is gekomen aan HR is, zonder enige nadere concrete onderbouwing, evenmin voldoende voor het oordeel dat de vordering van HR ondeugdelijk is. Hoffmann bedrijfsrecherche heeft in haar rapport van 23 februari 2017 de totale schade van de fraude begroot op een bedrag van bijna 1,7 miljoen euro. In de bodemprocedure heeft de rechtbank de zaak voor wat betreft de gestelde schade van HR verwezen naar de schadestaatprocedure, waar de hoogte van de schade nader zal worden vastgesteld. Dat HR geen schade zou hebben geleden is daarmee niet aannemelijk geworden.

4.6.

Ook een afweging van de bij de beslaglegging betrokken belangen leidt niet tot het oordeel dat het door HR ten laste van [eiser] gelegde beslag moet worden opgeheven. [eiser] heeft in dat verband gesteld over onvoldoende financiële middelen te beschikken en daardoor niet in staat te zijn verweer te voeren in het hoger beroep in de bodemprocedure. HR heeft de stelling van [eiser] dat hij over onvoldoende inkomsten beschikt gemotiveerd betwist. Zo heeft HR gesteld dat uit de overgelegde aangiftes Inkomstenbelasting 2016 en 2017 van [eiser] (producties 8 en 9 van [eiser] ) blijkt dat [eiser] , anders dan hij stelt, in 2016 juist geld heeft uitgeleend in plaats van geld heeft geleend. Deze leningen zijn in 2016 en 2017 grotendeels aan [eiser] terugbetaald. Voorts heeft HR aangevoerd dat niet valt in te zien dat [eiser] zichzelf, nu hij dat kennelijk nodig heeft, niet een hoger inkomen toekent als directeur van LAC. LAC heeft blijkens de gedeponeerde balans 2016 (productie mr. Van Ingen) een eigen vermogen van € 158.596,00, waarvoor zij vorderingen heeft tot een beloop van € 69.876,00, liquide middelen van € 34.508,00 en financiële vaste activa voor € 47.211,00. [eiser] heeft de stellingen van HR ter zitting onvoldoende weerlegd, zodat de door hem gestelde financiële noodtoestand in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden. [eiser] ontvangt onbeslagen inkomsten en moet in staat worden geacht in zijn levensonderhoud te voorzien (zie productie 10 van [eiser] met betrekking tot zijn maandelijkse inkomsten en uitgaven). Van klemmende redenen op grond waarvan het beslag zou moeten worden opgeheven is onvoldoende gebleken.

4.7.

Voor zover [eiser] stelt dat de omstandigheid dat de beslagene zich deugdelijk moet kunnen verweren dient te worden meegenomen bij de beoordeling van de vraag of het beslag dient te worden opgeheven, leidt dit in dit geval evenmin tot toewijzing van de vorderingen. Nog daargelaten dat [eiser] de door hem gestelde financiële (nood)situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, ziet de jurisprudentie waarnaar [eiser] in de dagvaarding verwijst op de situatie dat er beslag is gelegd onder de verzekeraar op de aansprakelijkheidsverzekering, die, naast de aansprakelijkheid zelf, ook de kosten van juridische bijstand dekt. Het feit dat de beslagen polis zelf waarborgt dat verweer kan worden gevoerd, speelde in de gevallen waarnaar [eiser] in punt 22 van de dagvaarding verwijst een rol in het kader van de belangenafweging. Die situatie doet zich hier niet voor.

4.8.

Gelet op het voorgaande dient het belang van HR om zekerheid te hebben voor verhaal van haar vordering in dit geval zwaarder te wegen dan het belang van [eiser] bij opheffing van het gelegde beslag. Zowel de primaire als de subsidiaire vorderingen tot opheffing van de gelegde beslagen zullen worden afgewezen.

4.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HR worden begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.606,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van HR tot op heden begroot op € 1.606,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2018.