Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:590

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
01/879249-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking door een werkneemster van een supermarkt. Nadeel ruim eur 54.000,-.

Opgelegd wordt een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren.

Aan de benadeelde partij dient de schade te worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879249-16

Datum uitspraak: 9 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1988] ,

wonende te [postcode] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 oktober 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 26 januari 2018 tweemaal is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 juni 2015 te 's-Hertogenbosch (telkens) opzettelijk één of meer geldbedragen (een fors geldbedrag en/of in ieder geval € 54.850,00), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als kassamedewerkster, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

Tekstvoorstel: Gelet op de bekennende verklaring ter zitting afgelegd en de aangifte acht de officier van justitie het feit voor tenminste het erkende bedrag ter hoogte van € 54.850,00 bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Voor de hoogte van de verduistering in dienstbetrekking kan worden uitgegaan van het totale bedrag aan stortingen op de rekening van verdachte minus een paar (kleine) correcties. Dit zou dan neerkomen op een totaalbedrag van € 54.850,-.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank acht de verduistering in dienstbetrekking in de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 juni 2015 van in ieder geval € 54.850,-, toebehorende aan [slachtoffer] , wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

-de aangifte van [aangever] namens de [slachtoffer] te ’s-Hertogenbosch;2

-de aanvullende verklaring van de [aangever] ;3

-de getuigenverklaring van [getuige] ;4

-de processen-verbaal van bevindingen naar aanleiding van de bij de aangifte overgelegde lijsten met onverklaarbare retourbedragen en de dienstroosters;5

-de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de rekeningafschriften van verdachte;6

-de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting7.

Uit de stukken komt naar voren dat in die periode verdachte één van de weinigen was die toegang had tot de kluis en dat zij steeds aanwezig was op de dagen dat er op onverklaarbare wijze geld verdween. Verdachte heeft ter zitting erkend vele malen geld voor haarzelf uit de kluis te hebben weggenomen voor een totaalbedrag van ten minste € 54.850,-.

Over de hoogte van het totaal verduisterde bedrag verschillen de officier van justitie en de verdediging van mening. De officier denkt dat het bedrag een stuk hoger ligt dan
€ 54.850,-. Deze € 54.850,- betreft immers enkel het totaalbedrag aan stortingen op de rekening van verdachte waarvoor zij zelf geen andere verklaring heeft. De verdediging heeft aangegeven dat het verduisterde bedrag mogelijk wel iets hoger ligt dan het thans bewezen verklaarde bedrag, maar dat verdachte veruit het grootste deel van het door haar weggenomen geld op haar rekening stortte.

De rechtbank laat de exacte hoogte van het verduisterde bedrag thans in het midden en zal bewezen verklaren dat verdachte ten minste € 54.850,- heeft verduisterd. In de nog aanhangige ontnemingsprocedure kunnen de officier van justitie en de verdediging hun standpunt over de hoogte het volgens hen weggenomen bedrag nader uiteenzetten en onderbouwen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. in de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 juni 2015 te 's-Hertogenbosch opzettelijk geldbedragen van in totaal ten minste € 54.850,00, toebehorende aan [slachtoffer] , welke goederen verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van kassamedewerkster, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een taakstraf van 240 uur en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een kleinere taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van drie-en-een-half jaar schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. Zij was kassamedewerkster bij de [slachtoffer] in

‘s-Hertogenbosch. Door haar functie had zij de bevoegdheid de kluis te openen en de kassa op te maken. Door het grote vertrouwen dat de eigenaar van de [slachtoffer] in haar stelde heeft zij vele malen gedurende een langere periode geld kunnen wegnemen tijdens haar werk. Hierdoor heeft zij in totaal een zeer groot geldbedrag kunnen verduisteren.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft grote financiële schade veroorzaakt. De [slachtoffer] is door de verduistering bijna failliet gegaan. De aangever heeft vier medewerkers moeten ontslaan vanwege de financiële problemen die door de verduistering zijn ontstaan.

Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van het slachtoffer. Verdachte heeft het vertrouwen dat haar werkgever en haar collega's in haar hadden, op grove wijze en gedurende lange tijd beschaamd.

Verdachte heeft ter zitting haar spijt betuigd en aangegeven de (financiële) consequenties van haar gedrag te aanvaarden. In dat licht valt het de rechtbank tegen dat verdachte nimmer zelf naar haar voormalige werkgever is gestapt om de verduisteringen op te biechten en te proberen tot een regeling met betrekking tot vergoeding van de geleden schade te komen.

De rechtbank weegt bij de strafoplegging verder mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld en dat zij na het plegen van de bewezenverklaarde feiten niet meer met justitie in aanraking is gekomen.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat verdachte een aanzienlijk bedrag moet terugbetalen aan de [slachtoffer] (zie hierna bij de vordering benadeelde partij) en dat thans nog een ontnemingsvordering aanhangig is die nog meer betalingsverplichtingen met zich kan brengen. Aangever zal sneller terugbetaald kunnen worden indien verdachte naast haar taakstraf betaald werk heeft dan wanneer zij een gevangenisstraf dient uit te zitten.

De rechtbank is alles afwegende, met de officier van justitie van oordeel dat een taakstraf voor de maximale duur van 240 uur met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden voor het bewezene passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering tot het bedrag van € 54.850,00

met oplegging van de schademaatregel en toekenning van de wettelijke rente. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de complexiteit van de vordering. Subsidiair verzoekt zij de vordering voor zover die ziet op de post advieskosten niet-ontvankelijk te verklaren omdat het rechtsreeks verband met het feit onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade € 54.850,00 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De post 'verduisterd geld' is voor zover zij het bedrag van € 54.850,00 te boven gaat, wordt niet bewezen geacht.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren voor het overige deel van de vordering. Van de post advieskosten van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.

Een nader onderzoek naar de juistheid en omvang hiervan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen in haar woning, te weten 2 airsoftwapens, aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn aangetroffen en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36b, 36d, 36f, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf :

verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregelen:

een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op twee uren te verrichten arbeid;

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen goederen, te weten 2 airsoftwapens.

Maatregel van schadevergoeding van € 54.850,00 subsidiair 301 dagen hechtenis:

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 54.850,00 (zegge: vierenvijftigduizend achthonderdenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 301 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 54.850,00 (zegge: vierenvijftigduizend achthonderdenvijftig euro) aan materiële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. J.H.L.M. Snijders, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,

en is uitgesproken op 9 februari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, genummerd 2016010716, aantal pagina’s: 647. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p.69, 70 en 71 van voormeld proces-verbaal.

3 Proces-verbaal van verhoor van [aangever] , p.89 van voormeld proces-verbaal.

4 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] , p.95, 96 en 97 van voormeld proces-verbaal.

5 De processen-verbaal van bevindingen met bijlagen met betrekking tot onverklaarbare retouraanslagen en dienstroosters, p.99 tot en met 596 van voormeld proces-verbaal.

6 De processen-verbaal van bevindingen met bijlagen met betrekking tot de rekenafschriften op naam van verdachte, p.597 tot en met 619 van voormeld proces-verbaal.

7 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2018.