Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:5756

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
01/880049-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen door geweld en bedreiging met geweld het slachtoffer geld en bankpassen afhandig gemaakt. Bewezenverklaring van afpersing en diefstal met geweld en bedreiging met geweld, in vereniging gepleegd. Verdachte is (onder meer) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder meer de voorwaarden van toezicht van de reclassering en een behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880049-18

Datum uitspraak: 21 november 2018

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum 1] ,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 augustus 2018 en 7 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 juli 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 7 november 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 5 maart 2018 te Helmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (circa) 207 euro en/of een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer] toebehoorde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde door (met zijn mededaders(s) en/of alleen) - met [slachtoffer] een park in te lopen en/of - [slachtoffer] in te sluiten door (gezamenlijk) om [slachtoffer] heen te gaan staan en/of - [slachtoffer] een ploertendoder te tonen, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp te

tonen, en/of die ploertendoder, in elk geval dat voorwerp tegen de borst van [slachtoffer]

te duwen en/of daarmee tegen de borst van [slachtoffer] te tikken en/of - [slachtoffer] met die ploertendoder, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp, tegen

diens lichaam te slaan en/of - [slachtoffer] tegen diens lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- [slachtoffer] tegen diens lichaam te trappen en/of te schoppen en/of

- op/tegen de jas van [slachtoffer] te spugen en/of - [slachtoffer] daarbij (dreigend) (zakelijk weergegeven) toe te voegen dat ze meer geld

moeten hebben en dat ze anders [slachtoffer] de hele nacht vast zullen houden en/of [slachtoffer] (dreigend) te vragen of ze een geweer tegen het hoofd van [slachtoffer]

moeten zetten of hem gewoon neer moeten schieten;

2. hij op of omstreeks 5 maart 2018 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, drie, althans een of meer bankpassen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan (een) ander(en) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (met zijn mededaders(s) en/of alleen) - met [slachtoffer] een park in te lopen en/of - [slachtoffer] in te sluiten door (gezamenlijk) om [slachtoffer] heen te gaan staan en/of - [slachtoffer] een ploertendoder te tonen, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp te

tonen, en/of die ploertendoder, in elk geval dat voorwerp tegen de borst van [slachtoffer]

te duwen en/of daarmee tegen de borst van [slachtoffer] te tikken en/of - [slachtoffer] met die ploertendoder, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp, tegen

diens lichaam te slaan en/of - [slachtoffer] tegen diens lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- [slachtoffer] tegen diens lichaam te trappen en/of te schoppen en/of

- op/tegen de jas van [slachtoffer] te spugen en/of - [slachtoffer] daarbij (dreigend) (zakelijk weergegeven) toe te voegen dat ze meer geld

moeten hebben en dat ze anders [slachtoffer] de hele nacht vast zullen houden en/of [slachtoffer] (dreigend) te vragen of ze een geweer tegen het hoofd van [slachtoffer]

moeten zetten of hem gewoon neer moeten schieten.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op 5 maart 2018 vond er tussen 21.00 en 21.27 uur een gewelddadige straatroof plaats in een park gelegen aan het Wethouder van Deutekomplein te Helmond. Het slachtoffer

werd naar het park toe gelokt in de veronderstelling dat hij daar een (seks)afspraak had met een minderjarige. Deze afspraak werd met het slachtoffer telefonisch gemaakt met een (niet nader geïdentificeerde) medeverdachte. In het park werd hij opgewacht door vier jongens welke hem met geweld geld afhandig maakten en pinpassen van hem wegnamen en waarbij hij onder bedreiging van geweld zijn pincode af moest geven.

Aan de hand van de opgevraagde bankgegevens van de gestolen pinpas werd duidelijk dat er op de avond van de straatroof bij twee verschillende pinautomaten getracht was te pinnen met de bankpas van het slachtoffer. Bij de pintransacties waren manspersonen te zien op de camerabeelden. Op camerabeelden, opgenomen in de flat aan het Wethouder van Deutekomplein te Helmond, gelegen net naast het park waar de beroving had plaatsgevonden, was een manspersoon te zien die dezelfde kleding droeg als de persoon die om 21.11 uur met de pas van het slachtoffer gepind had bij een geldautomaat te Helmond.

Naar aanleiding van de melding door aangever [slachtoffer] is de politie naar de geldautomaat van de Rabobank aan de Hoofdstraat te Helmond gegaan. Daar trof de politie om 21.40 uur drie personen aan, waaronder verdachte en [medeverdachte 1] .

Op de camerabeelden van de pintransactie, waarbij met de bankpas van aangever wordt getracht geld op te nemen, is een persoon te zien die door de wijkagent en door een familielid van verdachte wordt herkend als verdachte. Bij onderzoek worden in de inbeslaggenomen telefoon van verdachte contacten met [medeverdachte 1] aangetroffen en ook blijkt daaruit dat met de telefoon van verdachte veelvuldig is ingelogd op de site [site]

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte bepleit vrijspraak van het onder feit 1 en onder feit 2 tenlastegelegde omdat niet voldoende bewijs voorhanden is voor de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal en de afpersing. Verdachte is slechts met één van de medeverdachten naar een pinautomaat gegaan, omdat hij geld van die medeverdachte tegoed had.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Bronnen

I. een einddossier van de regiopolitie Oost-Brabant, Districtsrecherche Helmond, sluitingsdatum 17 september 2018, met dossiernummer OB3R018019, onderzoek “ [onderzoeksnaam] ”, aantal doorgenummerde pagina’s: 605.

II. een (aanvullend) proces-verbaal van sporenonderzoek van de regiopolitie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, sluitingsdatum 16 oktober 2018, met proces-verbaalnummer PL2100-2018043318-4 met bijlage.

III. een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 16 oktober 2018, zaaknummer 2018.06.26.059 (aanvraag 004). Dit rapport is als bijlage gevoegd bij het onder II genoemde proces-verbaal.

IV. de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 november 2018.

De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen.

De inhoud van de bewijsmiddelen ten aanzien van de overige bewezenverklaarde feiten is hierna verkort en zakelijk weergegeven.

Feit 1 en feit 2:

Ad I:

p. 353 e.v.:

proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] op maandag 5 maart 2018:

Afgelopen donderdag of vrijdag ben ik via internet in contact gekomen met iemand die aangaf [naam 1] te heten, via de chatbox genaamd [site] Op enig moment hebben we telefoonnummers uitgewisseld. Dit telefoonnummer staat in mijn telefoon.

Ze gaf aan dat ze geldproblemen had. Ze gaf aan dat als ik haar kon helpen er wel iets tegenover stond. Ze sprak toen over een vrijpartij. Ik liet haar weten dat ik haar best wilde helpen. Vanavond is er ook nog contact met haar geweest.

Ik sprak af op het Wethouder van Deutekomplein in Helmond rond 20.45-21.00 uur.

Ik parkeerde daar toen mijn auto, stapte uit en ik zag dat er vanuit het park een man aan kwam gelopen. Ik zal deze persoon in mijn aangifte verder aanduiden als man 1. Man 1 en ik liepen het park in. Toen zag ik dat er vanuit het park, op het pad dat verder het park inloopt, nog drie mannen aan kwamen lopen. Ik zal deze mannen in mijn aangifte verder aanduiden als man 2, man 3 en man 4. Ik zag dat de mannen 2, 3 en 4 allen een capuchon over hun hoofd hadden. Tijdens het gesprek met de vier personen, merkte ik dat deze personen om mij heen kwamen staan. Ik zag dat man 2 een glimmende staaf in zijn hand had. Ik zag dat man 2 de staaf uittrok, waardoor deze langer werd. Ik zag en voelde dat man 2 met die staaf tegen mijn borst begon te prikken. Ik had het idee dat het uiteinde bolvormig was. Ik zag en hoorde dat man 1 tegen mij zei dat hij al mijn geld moest hebben. Ik had in mijn linker broekzak drie bankbiljetten van 50 euro, één bankbiljet van 20 euro en drie bankbiljetten van 10 euro zitten. Ik heb dit geld gepakt en aan man 1 gegeven. Ik hoorde dat man 1 en man 2 tegen mij zeiden dat ze meer geld moesten hebben. Ik zag en voelde dat man 2 met de staaf tegen mijn linker jaszak tikte. Ik pakte mijn portemonnee. Daarin zaten wat muntgeld en pasjes, waaronder drie bankpassen van de Rabobank. Ik zag dat door man 1 de pasjes uit mijn portemonnee werden getrokken. Ik zag en hoorde dat man 1 tegen mij zei dat hij de pincode van de bankpassen moest hebben. Ik heb de man de pincode van mijn bankpas van mijn betaalrekening gegeven. Ik zag dat man 1 vervolgens wegliep. Ik mocht van de andere 3 mannen niet weg, voordat man 1 bij de pinautomaat was geweest. Ik schat dat na ongeveer 10 minuten één van de andere mannen gebeld werd. Ik hoorde dat of man 3 of man 4 tegen mij zei dat de pincode niet goed was. Ik zei toen tegen de mannen welk pasje hij moest gebruiken. Ik hoorde toen dat degene die aan de telefoon in gesprek was zei dat die ander toch bij een pinautomaat van de Rabobank stond en dan het saldo kon checken. Ik werd door de drie mannen geschopt en geslagen en ik hoorde dat ze zeiden dat ik de goede code moest geven. Ik hoorde dat de mannen vroegen wat er nog in mijn portemonnee zat. Ik hoorde dat man 2 tegen mij zei dat hij dit geld moest hebben. Ik haalde dit geld uit mijn portemonnee, het zal bij elkaar ongeveer 7 euro zijn geweest. Ik gaf dit aan man 2.

Ik zag en hoorde dat man 2 tegen mij zei dat ze meer geld moesten hebben en dat ze me anders de hele nacht daar zouden houden en in een kelder bij een woning zouden stoppen. Ik zag en hoorde dat man 2 tegen mij zei: ”Moet ik een geweer tegen je kop aanzetten of je gewoon neerschieten?”. De mannen bleven mij slaan en schoppen.

Tijdens de beroving ben ik door alle vier de personen geschopt en door man 2, man 3 en man 4 geslagen met de staaf. Ook ben ik door hen met kracht geduwd.

p. 345 e.v.:

proces-verbaal van bevindingen:

Wij verbalisanten zagen dat op de jas van aangever [slachtoffer] een vloeistof zat. Wij hoorden dat [slachtoffer] zei dat één van de verdachten op zijn jas had gespuugd.

p. 402 e.v.:

proces-verbaal van sporenonderzoek:

Het speeksel op de mouw van de jas van aangever is bemonsterd met SIN-nummer: AALI7980NL.

Ad II en III:

aanvullend proces-verbaal van sporenonderzoek:

Op 5 maart 2018 werd door mij, verbalisant een volgens het slachtoffer opgedroogde speekselvlek bemonsterd met een wattenstaafje (SIN AALI798ONL).

Deze opgedroogde speekselvlek bevond zich op de rechter mouw van de trainingsjas van het slachtoffer van een geweldsincident. In deze zaak zijn enkele verdachten aangehouden waaronder [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum 2] . Van [medeverdachte 1] is op 6 augustus 2018 wangslijmvlies afgenomen (SIN RABPO957NL).

Door het NFI is uit de speeksel bemonstering AALI798ONL een DNA-profiel verkregen en

voorzien van SIN AALI798ONL#Ol. Laatstgenoemd DNA-profiel is vervolgens vergeleken met SIN RABPO957NL (wangslijmvlies [medeverdachte 1] ).

een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut:

Resultaat, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek:

SIN AAU798ONL#O1 (opgedroogd klodder speeksel) bevat het DNA-profiel van een man en kan afkomstig zijn van verdachte [medeverdachte 1] .

Matchkans DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

Ad I:

p. 343:

proces-verbaal van bevindingen:
Op 5 maart 2018 omstreeks 21.28 uur werd door de heer [slachtoffer] telefonisch melding gedaan van het feit dat hij zojuist was overvallen door vier jongens in het park gelegen aan het Wethouder van Deutekomplein te Helmond. Een van de overvallers was weg gegaan om met de pas van de heer [slachtoffer] te gaan pinnen bij een Rabobank. Naar aanleiding van deze melding gingen wij, verbalisanten, naar de vanuit de plaats delict gezien dichtstbijzijnde pinautomaat van de Rabobank, gelegen aan de Hoofdstraat te Helmond. Aldaar werden om 21.40 uur drie jeugdige personen aangetroffen bij de pinautomaat. Dit betroffen onder meer:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] ;

[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] .

p. 160 e.v.:

proces-verbaal van stelselmatige informatie inwinning op 22 mei 2018:

Ik, verbalisant, had als politieel informant de opdracht informatie te vergaren omtrent de betrokkenheid van verdachte [medeverdachte 1] bij een beroving van een man, gepleegd op 5 maart 2018 te Helmond.

Op 22 mei 2018 kreeg ik de opdracht mij op te houden op de arrestantenluchtplaats in het hoofdbureau van politie te Eindhoven. Ik werd samen met [medeverdachte 1] op de luchtplaats geplaatst. In dit proces-verbaal zal de verdachte door mij verder [medeverdachte 1] genoemd worden.

[medeverdachte 1] vertelde mij dat hij vanochtend was aangehouden voor een straatroof.

[medeverdachte 1] vertelde vervolgens aan mij dat:

- Hij de straatroof met drie vrienden had gedaan.

- Hij zichzelf op internet had voorgedaan als veertienjarig meisje op de site [site] en dat

hij via deze site een afspraak had gemaakt met een man.

- Hij met de man had afgesproken in een park in Helmond en dat dit op 5 maart was

geweest.

- Hij, samen met drie vrienden, de man hadden opgewacht in het park en dat zij hem in

elkaar hadden geslagen met een ploertendoder en hun vuisten.

- Hij de man met de ploertendoder op zijn knieën had geslagen en ook met zijn vuisten had

geslagen.

- Hij, met zijn drie vrienden, 300 euro contant geld en een pinpas afgepakt hadden van de

man.

- Zij de man mishandeld hadden net zolang tot hij zijn pincode had gegeven.

- Zij de man drie kwartier hadden vastgehouden in het park.

- Zijn vriend, die ook hier vast zat, als eerste was gaan pinnen met de pinpas van de man.

- Hij zelf daarna was gaan pinnen met de pinpas van de man.

- Er twee vrienden van zijn leeftijd bij waren geweest en dat een andere vriend 24 jaar was.

- Zijn vriend van 24 jaar nu in [buitenland] was.

- Hij, samen met die vriend van 24 jaar, was gaan pinnen met de pinpas van de man en dat

zij gepakt werden door de politie.

- Dit niet de eerste keer was dat hij een straatroof had gedaan en dat hij niet had verwacht

dat een pedofiel aangifte zou gaan doen.

p. 79 e.v.:

proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] op 7 juni 2018, zakelijk weergegeven:
Ik heb via de site [site] contact met het slachtoffer gehad.

Het zou kunnen dat ik de [naam 2] heb gebruikt. Dat is eind januari geweest.

Ik heb niet de afspraak in het park gemaakt. Dat heeft [alias] gedaan.

Die Spanjaard woont in die flat.

In het park waren behalve ikzelf, [alias] en [medeverdachte 1] . De vierde man ken ik niet.

[medeverdachte 1] heeft mij gebeld. Hij belde mij dat ik kon komen. Ik ben weggegaan met de pinpas. [medeverdachte 1] is even later ook gaan pinnen.

Ik heb gezien dat het slachtoffer geslagen is met een uitschuifbare stok.

Ik heb gezien dat [alias] deze vast had.

Toen ik onderweg was naar de pinautomaat heb ik [medeverdachte 1] gebeld.

Daarvoor stond ik ook in de flat. [alias] heeft mij binnen gelaten.

Na het pinnen heb ik de pas aan [alias] gegeven. [persoon] heeft niet de deur van de flat open gedaan. Die woont daar nu half, maar toen nog niet.

Ik heb 50 euro gekregen van [alias] . Die had het in zijn broekzak. Tegen mij is gezegd dat het 200 euro was.

p. 176 e.v.:

proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] op 22 juni 2018:

p. 184:

Ik wilde eerder via de site [site] proberen van die mensen te laten komen. Ze zouden dan ergens heen komen met geld. Maar die waren niet gekomen.

Dat was een paar keer in samenwerking met [verdachte] .

Naar aanleiding van het in mijn telefoon aangetroffen bericht aan [verdachte] waarin ik typ: “zeg tegen [persoon] , pedofiel vraagt waar en hoe laat” merk ik op dat ik het er wel eens met [persoon] over heb gehad. Misschien zou ik er dan met hem naar toe gaan, als hij zou komen. Ik heb het daar dan van tevoren met [persoon] over gehad. Ik vroeg dan of hij mee kwam als de man zou komen.

p. 186. Het geld is aan [verdachte] gegeven. Ik heb er 50 of 60 euro van gekregen.

p. 409:

proces-verbaal bevindingen:

Op maandag 05 maart 2018 tussen 20.45 en 21.30 uur vond er een gewelddadige overval plaats in een park, gelegen aan de parkeerplaats aan het Wethouder van Deutekomplein te Helmond.

Het slachtoffer had eerder chat-contact gehad met iemand die zich “ [naam 1] ” noemde. Dit

Whatss-app contact eindigde op maandag 05 maart 2018, ergens in de middag.

Het telefoonnummer dat “ [naam 1] ” gebruikte, betrof het Nederlandse mobiele [telefoonnummer 1]

. Ik, verbalisant, heb de politiesystemen bevraagd om te kijken of dit nummer bekend was. Hieruit blijkt dat bovengenoemd nummer sinds 07-04-2017 gekoppeld is aan:

[persoon] , wonende [adres 2] te [woonplaats 2] .

Op 19 oktober 2017 werd [persoon] aangetroffen in de auto bij [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] en woonachtig [adres 1] te [woonplaats 1] .

p. 523, 524:

Proces-verbaal van bevindingen:

Ik, verbalisant, heb de digitaal veilig gestelde gegevens van een GSM telefoon bekeken. Deze telefoon werd in beslag genomen onder de verdachte [verdachte] .

Door mij, verbalisant, werden onder meer de navolgende zaken aangetroffen

Web History:

Uit analyse van de Web History bleek dat tussen 2 maart 2018 en 14 mei 2018 circa 355 keer de website www. [site] nl werd bezocht. Enkele malen werd er in Google gezocht op de term [zoekterm] waarna er vervolgens werd doorgelinkt naar de site van [site]

Er werd door de gebruiker van de telefoon ook diverse malen op deze site van [site] ingelogd.

Uit analyse van de chatcontacten bleek dat er tussen de gebruiker van de in beslag genomen

telefoon chatcontact was met de gebruiker van een telefoon met nummer [telefoonnummer 2] . Dit laatste telefoonnummer is in gebruik bij verdachte [medeverdachte 1] .

Op 21 april 2018 vond er de navolgende conversatie plaats;

Inkomend bericht van [telefoonnummer 2] :

“Hoe gaan wij geld maken”

“Gooi optie”

Uitgaand bericht vanuit toestel verdachte [verdachte] : “ [zoekterm] ”.

p. 543, 544:
proces-verbaal van bevindingen analyse telefoon [verdachte] :
Op 4 juni 2018 heb ik, verbalisant, de digitaal veilig gestelde gegevens van een GSM

telefoon bekeken. Deze telefoon werd op 30 mei 2018 in beslag genomen onder de verdachte [verdachte] .

Uit analyse van de map ‘Call Log’ werden verschillende contacten mogelijk relevant geacht voor dit onderzoek. Onderstaande telefoonnummers werden allen geraadpleegd in het politiesysteem BVI-IB:

- meerdere contacten met telefoonnummer [telefoonnummer 2] , waarvan bekend is dat dit telefoonnummer in gebruik is bij [medeverdachte 1] . Het eerste contact vond plaats op 5 maart 2018.

Verder werd in de map ‘Call Log’ gekeken naar de contacten van 5 maart 2018, de dag waarop de beroving in de avond werd gepleegd. Omstreeks het tijdstip van de beroving bleken er verschillende contacten te zijn geweest met het toestel van verdachte [verdachte] , te weten:

- op 5 maart 2018 om 23.44 uur contact met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , opgeslagen

onder de naam ‘ [naam 3] ’. Blijkt in BVI-IB in 2018 gekoppeld te zijn aan [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] .

Chats:

Uit analyse van de chatcontacten bleek dat er tussen de gebruiker van de in beslag genomen

telefoon chatcontact was met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , in gebruik bij verdachte [medeverdachte 1] . Op 15 maart 2018 vond er een conversatie plaats, een gedeelte wordt hieronder weergegeven

Inkomend bericht om 10.24.03 uur van [telefoonnummer 2] ; ‘zeg tegw [persoon] ’

Inkomend bericht om 10.24.16 uur van [telefoonnummer 2] ; ‘Pedofiel vraagt waar en hoe laat’.

Ad IV.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 november 2018, zakelijk weergegeven:

Ik was op 5 maart 2018 samen met [medeverdachte 1] bij een pinautomaat te Helmond. Ik wist dat hij omstreeks dat tijdstip een afspraak had gemaakt met iemand die hij “pedofiel” noemde. [persoon] woont bij mij in huis. [persoon] is een vriend van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] ken ik ook via [persoon] . Ik ken de chatbox [site] en heb daar wel ooit gebruik van gemaakt. Ik chatte onder een schuilnaam.

Ik woon in de flat waarvan in het dossier camerabeelden zijn te zien en zijn beschreven. In mei 2018 was ik in [buitenland] . Ik sta bekend als “ [verdachte] ”.

Mijn telefoonnummer eindigt op de cijfers [telefoonnummer 3]

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat onvoldoende bewijs aanwezig is voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval en dat verdachte derhalve van het medeplegen van de tenlastegelegde diefstal met geweld en het medeplegen van afpersing dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen zoals deze in dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen te twijfelen. Uit die bewijsmiddelen volgt niet alleen dat verdachte met zijn medeverdachten is meegegaan in de wetenschap dat het de bedoeling was een man te overvallen en hem geld afhandig te maken, maar dat verdachte een significante bijdrage heeft gehad in de gewelddadige beroving van aangever.

Dat verdachte een van de vier daders van de overval is blijkt uit:

* de verklaring die [medeverdachte 1] heeft gegeven aan de undercoveragent, onder

meer inhoudende dat:

- hij met twee vrienden van zijn leeftijd bij de overval betrokken was en

- een andere vriend, die op dit moment (mei 2018) in [buitenland] verbleef, 24 jaar was en

- hij samen met die vriend van 24 jaar was gaan pinnen met de pinpas van de man,

* uit het feit dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij in mei 2018 in [buitenland] verbleef en dat

hij [verdachte] wordt genoemd,

* uit de inhoud van het chatcontact met [medeverdachte 1] ,

* uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , die spreekt over [verdachte] die in de

flat woont,

* uit het feit dat verdachte omstreeks het tijdstip van de beroving samen met [medeverdachte 1]

bij de pinautomaat wordt aangetroffen waar met de pinpas van aangever is gepind.

Verdachte heeft tijdens de overval geweld gebruikt tegen aangever en daarbij een ploertendoder gebruikt, hij heeft samen met anderen geld en de pinpas van aangever afhandig gemaakt, geprobeerd te pinnen met de gestolen pinpas en gedeeld in de buit.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

in de zaak met parketnummer 01/879840-18:

1. op 5 maart 2018 te Helmond, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (circa) 207 euro dat geheel aan [slachtoffer] toebehoorde, door (met zijn mededaders(s) en/of alleen) - met [slachtoffer] een park in te lopen en - [slachtoffer] in te sluiten door (gezamenlijk) om [slachtoffer] heen te gaan staan en

- [slachtoffer] een ploertendoder te tonen en die ploertendoder tegen de borst van die

[slachtoffer] te duwen en daarmee tegen de borst van [slachtoffer] te tikken en - [slachtoffer] met die ploertendoder tegen diens lichaam te slaan en - [slachtoffer] tegen diens lichaam te stompen en

- [slachtoffer] tegen diens lichaam te trappen en

- tegen de jas van [slachtoffer] te spugen en - [slachtoffer] daarbij dreigend (zakelijk weergegeven) toe te voegen dat ze meer geld

moeten hebben en dat ze anders [slachtoffer] de hele nacht vast zullen houden en [slachtoffer] dreigend te vragen of ze een geweer tegen het hoofd van [slachtoffer] moeten

zetten of hem gewoon neer moeten schieten;

2. op 5 maart 2018 te Helmond, tezamen en in vereniging met anderen, drie bankpassen

die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door (met zijn mededaders(s) en/of alleen) - met [slachtoffer] een park in te lopen en - [slachtoffer] in te sluiten door (gezamenlijk) om [slachtoffer] heen te gaan staan en - [slachtoffer] een ploertendoder te tonen en die ploertendoder tegen de borst van die

[slachtoffer] te duwen en daarmee tegen de borst van [slachtoffer] te tikken en

- [slachtoffer] met die ploertendoder tegen diens lichaam te slaan en

- [slachtoffer] tegen diens lichaam te stompen en

- [slachtoffer] tegen diens lichaam te trappen en

- tegen de jas van [slachtoffer] te spugen en - [slachtoffer] daarbij dreigend (zakelijk weergegeven) toe te voegen dat ze meer geld

moeten hebben en dat ze anders [slachtoffer] de hele nacht vast zullen houden en [slachtoffer]

dreigend te vragen of ze een geweer tegen het hoofd van [slachtoffer] moeten

zetten of hem gewoon neer moeten schieten;

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door reclassering in het adviesrapport van 13 augustus 2018 betreffende verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en onder feit 2 tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte..

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van afpersing en medeplegen van diefstal met geweld (beide feiten in eendaadse samenloop begaan).

Een straatoverval binnen het openbaar gebied, in de vroege avond in een vrij toegankelijk park, zoals bewezenverklaard, veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. Een dergelijke overval, zeker wanneer daarbij geweld wordt gebruikt en verbaal en met een wapenstok wordt gedreigd, is voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij doorgaans nog jarenlang last van hebben.

Verdachte heeft met die gevoelens en de gevolgen voor het slachtoffer geen rekening gehouden toen hij besloot op een gewelddadige manier aan geld te willen komen.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Verdachte heeft samen met anderen een slachtoffer afgeperst en bestolen, waarbij fysiek geweld is gebruikt en verbale bedreigingen zijn geuit. Dit was een vooropgesteld plan van de daders met het voornemen op deze manier aan geld te komen. Verdachte en zijn medeverdachten zijn daarbij zeer berekenend te werk gegaan. Zij hebben zich voorgedaan als een minderjarige meisje dat bereid was tegen betaling seks te hebben en aangever zo naar het park gelokt. Verdachte en zijn medeverdachten gingen er daarbij van uit dat aangever geen aangifte zou doen van de beroving, omdat hij dan zou moeten bekennen dat hij voor strafbare en verwerpelijke zaken naar het park was gegaan.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Daarnaast zal verdachte zich gedurende de proeftijd moeten houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit met politie of justitie in aanraking is gekomen, zoals blijkt uit een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 oktober 2018.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij

tot een bedrag van € 599,78 en afwijzing van de vordering voor zover betreffende een bedrag van € 90,00 (betreffende een jas). De benadeelde partij dient voor het overige in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

Zij vordert de schademaatregel op te leggen en de wettelijke rente toe te kennen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte stelt primair dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen. Subsidiair stelt de raadsman dat de gevraagde vergoeding van € 90,00 voor een jas moet worden afgewezen, omdat dit geen daadwerkelijk geleden schade betreft en een vergoeding voor immateriële schade dient te worden beperkt tot een bedrag van € 500,00.

Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de materiële schadevergoeding.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een materiële schadevergoeding van € 224,34, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag betreft een vergoeding voor materiële schade (te weten telkens een derde deel van de gevraagde vergoeding van € 200,00 voor verlies van contant geld, € 10,00 voor vervanging van bankpassen en € 14,34 voor reiskosten).

De rechtbank zal de vordering afwijzen voor wat betreft een materiële schadevergoeding voor een jas en een broek. Deze kosten zijn niet gebleken.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor zover deze immateriële schade betreft.

Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht.

De benadeelde partij kan de vordering voor zover die niet is toegewezen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte wordt tevens in de kosten van de benadeelde partij veroordeeld tot op heden begroot op nihil en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 47, 55, 57, 312, 317.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,begaan in eendaadse samenloop met feit 2.T.a.v. feit 2:diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,begaan in eendaadse samenloop met feit 1.Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2:

- gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van

het Wetboek van Strafrecht waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van

het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

- zich binnen twee werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis tussen 09.00 uur

en 12.00 uur telefonisch meldt bij de [Reclassering Nederland]

. Hierna

moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit

noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, deelneemt aan een

behandeling door GGZ Helmond of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de

reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de

zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel

uitmaken van de behandeling. Veroordeelde verleent medewerking aan diagnostiek, indien

geïndiceerd door de zorgverlener of behandelaar.

- zich op het gebied van praktische zaken laat begeleiden door het Jongeren Informatie Punt

of een soortgelijke instelling en houdt zich aan de door of vanwege die instelling gemaakte

afspraken,

waarbij de [Reclassering Nederland]

, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. feit 1, feit 2:

- maatregel van schadevergoeding van € 224,34 subsidiair 4 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 224,34 (zegge: tweehonderd vierentwintig euro en vierendertig eurocent ), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 maart 2018) tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 224,34 (zegge: tweehonderd vierentwintig euro en vierendertig eurocent ).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (5 maart 2018) tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.

Wijst de vordering af voor zover deze een bedrag van € 224,34 als vergoeding voor materiële schade te boven gaat.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor wat betreft de immateriële schade niet ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. A.M. Bossink en mr. J.J.A. Donkersloot, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 21 november 2018.