Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2018:5732

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
17_3209
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvolledigheid dossier WIJEindhoven komt voor rekening gemeente. Geen maatstaven voor bepaling wat gebruikelijke zorg is voor kind van 7 jaar, geen zorgvuldig onderzoek, geen dragende motivering (zie ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Beroep gegrond.

Rechtbank voorziet zelf in de zaak, sluit aan bij laatste niet in geschil zijnde indicatie Jeugdzorg. Past daarbij de jurisprudentie inzake de Wmo toe op de Jeugdwet (zie ECLI:NL:CRVB:2017:3633).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/3209

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 1 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 3]

(gemachtigde: mr. I.M.J.J. Dewarrimont),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Haex).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder [eiser] op grond van de Jeugdwet (Jw) in aanmerking gebracht voor de voorziening “Zelfstandig leven 1 (middel): outputgericht” voor 6 uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2017.

Bij besluit van 26 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [eiser] ’s ouders deels gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit deels herroepen en de bij het primaire besluit toegekende voorziening over het jaar 2017 verhoogd naar 11 uur en 20 minuten per week. Het pgb over het jaar 2017 bedraagt aldus € 8.949,60.

De ouders van [eiser] hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2018. [eiser] is niet verschenen, maar vertegenwoordigd door zijn ouders, de heer en mevrouw [naam 1] . Zij werden bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. P. Haex.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover [eiser] daarbij in aanmerking is gebracht voor de voorziening “Zelfstandig leven 1 (middel): outputgericht” voor 6 uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget;

  • -

    bepaalt dat [eiser] voor het jaar 2017 in aanmerking komt voor de voorziening “Zelfstandig leven 1 (middel): outputgericht” voor 21 uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan [eiser] te vergoeden.

De rechtbank heeft er mededeling van gedaan dat tegen deze uitspraak binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Overwegingen

1. Aan de uitspraak liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

2. [eiser] is een jongen van inmiddels 7 jaar. Hij woont bij zijn ouders en zijn zusje van 4 jaar. Hij gaat op 4 dagen per week naar de basisschool. [eiser] is bekend met het syndroom van KBG, afwijkingen aan het oor- en evenwichtsorgaan, hart en vaten en het ademhalingsstelsel. [eiser] ’s slikreflex is onvoldoende ontwikkeld, waardoor eten en drinken moeizaam gaat, met daarmee gepaard gaande risico’s op ondervoeding en uitdroging. Door het verschil in zijn performale en verbale IQ leert [eiser] langzamer dan andere kinderen.

3. Voor [eiser] is over het jaar 2016 een voorziening op grond van de Jw toegekend voor Persoonlijke Verzorging voor 21 uur per week in de vorm van een pgb. Tegen dit besluit hebben [eiser] ’s ouders geen rechtsmiddel aangewend.

4. Op 5 december 2016 hebben de ouders van [eiser] een aanvraag ingediend voor een voorziening over het jaar 2017. Daarop heeft verweerder het primaire besluit genomen. Aan dit besluit ligt een advies van een medewerker van WIJEindhoven ten grondslag.

5. De ouders van [eiser] hebben in bezwaar tegen het primaire besluit aangevoerd dat een pgb voor 6 uur per week onvoldoende is. Het verschil met de over 2016 toegekende 21 uren is onverklaarbaar. De zorg voor [eiser] is bovendien juist toegenomen. [eiser] ’s moeder heeft een overzicht opgesteld van alle activiteiten waarbij zij komt op 37 uur en 40 minuten.

6. In bezwaar heeft verweerder medisch advies ingewonnen bij TriviumPlus. TriviumPlus heeft onderzoek gedaan en de resultaten daarvan neergelegd in het rapport van 19 mei 2017. Verweerder heeft vragen gesteld aan TriviumPlus. TriviumPlus heeft het advies op 14 september 2017 aangevuld. Daarna heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

7. Volgens het advies van TriviumPlus zijn veel van de zorgtaken passend bij de leeftijd van [eiser] . Er is in ieder geval extra zorg nodig bij de ochtend- en avondmaaltijd. Dit kost 45-60 minuten per maaltijd, terwijl dat normaal 15 minuten per maaltijd is. Er is ook extra tijd nodig om [eiser] handelingen aan te leren. Die extra tijd die dat vraagt is een half uur per dag. Dat is inclusief het ritueel bij het slapengaan. Bezoek aan hulpverleners en behandelaars past in principe bij de ouderlijke taken, maar [eiser] moet daar vrij frequent heen en dat is belastend voor ouders. In de reactie van 14 september 2017 heeft TriviumPlus de afweging in hoeverre met die belasting rekening wordt gehouden overgelaten aan de beleidsvoering van verweerder.

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder voor het jaar 2017 11 uur en 20 minuten per week pgb toegekend. Verweerder is daarbij uitgegaan van bovengebruikelijke zorg van:

  • -

    10 uur en 50 minuten extra per week voor begeleiding bij het eten. Dit is gebaseerd op 40 minuten extra per maaltijd, uitgaande van 2 maaltijden per dag als [eiser] naar school gaat en 3 maaltijden per dag als [eiser] niet naar school gaat;

  • -

    30 minuten extra per week gemiddeld voor de begeleiding van [eiser] naar hulpverleners en behandelaars.

9. In beroep hebben [eiser] ’s ouders gesteld dat 11 uur en 20 minuten niet toereikend is. Verweerder is afgeweken van het advies van TriviumPlus. Bovendien heeft TriviumPlus het aantal uren te rooskleurig ingeschat. Voordat het onderzoek plaatsvond had [eiser] nog geen therapie gehad voor het eten en was er met elke maaltijd een uur en drie kwartier gemoeid.

[eiser] heeft in 2017 39 afspraken met artsen en therapeuten bij Libra/Blixembosch gehad, en daarnaast 6 afspraken in het Maxima Medisch Centrum in Eindhoven van gemiddeld 15 minuten. Verder heeft [eiser] een aantal keer de huisarts bezocht en hij is op 9 januari 2017 opgenomen geweest in het ziekenhuis. Hij is geobserveerd, kreeg steunzolen aangemeten die op een andere dag opgehaald moesten worden en heeft de ouder-cliëntbegeleider bezocht. [eiser] heeft ook al veel langere tijd dan gemiddeld zwemles. Dit betekent dat 30 minuten voor begeleiding van [eiser] naar hulpverleners en behandelaars te weinig is.

Volgens het advies van TriviumPlus zou voor de begeleiding van [eiser] tijdens de maaltijd 40 minuten per maaltijd moeten worden toegekend. 3 maaltijden per dag betekent niet 10 uur en 20 minuten maar 14 uur per week.

Tenslotte blijkt uit het advies van TriviumPlus dat een kwartier extra zorg per dag nodig is om [eiser] handelingen aan te leren, dus 105 minuten per week. Verweerder heeft niet toegelicht waarom hij deze minuten niet heeft meegenomen.

Verweerder heeft daarom niet voldoende onderbouwd hoe hij tot 11 uur en 20 minuten is gekomen. De hoogte van het pgb moet de ondersteuningsbehoefte concreet weergeven in tijd, intensiteit en frequentie. Verder moet er een inzichtelijk verband bestaan tussen de geboden zorg en de hoogte van het toegekende budget, en dat ontbreekt hier.

10. De rechtbank heeft als volgt overwogen.

11. De rechtbank heeft ten eerste vastgesteld dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht. Zo ontbreken:

  • -

    het verslag van het gesprek met de ouders dat in het primaire besluit is genoemd;

  • -

    het advies dat in het primaire besluit is genoemd;

  • -

    de aanvraag van 5 december 2016;

  • -

    de berekening van de gedragswetenschapper die ten grondslag heeft gelegen aan het primaire besluit;

  • -

    het overzicht (boven)gebruikelijke zorg dat de moeder van [eiser] ten behoeve van de bezwaarprocedure heeft opgesteld.

Verweerder heeft daarmee niet voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het gevolg hiervan is dat de rechtbank geen volledig inzicht heeft in de feiten die verweerder bij de beoordeling in aanmerking heeft genomen en de afwegingen die aan het primaire en het bestreden besluit ten grondslag liggen. Deze omstandigheid moet voor rekening van verweerder komen.

12. Blijkens de uitspraak van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet verweerder voldoende kennis vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Die verplichting volgt uit artikel 3:2 van de Awb en artikel 2.3 van de Jw. Verweerder moet:

  1. vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is;

  2. vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn;

  3. vaststellen welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

  4. onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden.

Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn moet verweerder een voorziening van jeugdhulp verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp, specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Verweerder moet zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.

12. Tussen partijen is de hulpvraag van [eiser] ’s ouders, de aard en ernst van de opgroei- en opvoedingsproblemen waarmee [eiser] en zijn ouders geconfronteerd worden niet in geschil. Ook is niet in geschil dat hulp nodig is om [eiser] gezond en veilig te laten opgroeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, en dat deze hulp – voor zover het college die moet bieden - wordt geboden in de vorm van de voorziening “Zelfstandig leven 1 (middel): outputgericht” in de vorm van een pgb.

13. Het geschil betreft de mate waarin de verzorging en begeleiding die [eiser] nodig heeft het niveau van gebruikelijke zorg voor kinderen van 6 à 7 jaar overstijgt (de hiervoor aangeduide stap 4). Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat dit in hoofdzaak enerzijds om de begeleiding bij het eten en anderzijds het tijdsbeslag dat in 2017 gepaard is gegaan met bezoek aan artsen en therapeuten en het aanleren van vaardigheden.

10. De CRvB heeft in de eerder aangehaalde uitspraak van 1 mei 2017 ook geoordeeld dat verweerder, als hij onderscheid wil maken tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp, inzichtelijk moet maken aan de hand van welke maatstaven wordt bepaald of hulp gebruikelijk of bovengebruikelijk is.

11. Het protocol gebruikelijke hulp, dat als bijlage 2 is gevoegd bij de Nadere regeling Sociaal Domein gemeente Eindhoven (gemeenteblad 2014, 116, later gewijzigd) bevat die maatstaven niet. Bijlage 1 (protocol indicatiestelling hulp bij het huishouden) bij de Nadere regeling Sociaal Domein bevat wel normtijden voor onder meer kindverzorging, maar zonder toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien dat normtijden voor hulp in de huishouding onverkort als maatstaven voor de beoordeling van de omvang van de gebruikelijke zorg in de gezinssituatie van [eiser] zouden kunnen gelden. Verweerder heeft zich overigens ook niet op de toepasselijkheid van die normen beroepen.

Daar komt bij dat in het protocol gebruikelijke hulp is aangegeven dat altijd onderzocht moet worden wat het effect van het toepassen van gebruikelijke hulp is op iemands thuissituatie. Rekening moet worden gehouden met de leefsituatie, het perspectief en de belastbaarheid van de leefeenheid. De huisgenoten worden hierover gesproken, aldus het protocol.

12. In een gespreksnotitie van WIJEindhoven van 2 december 2016 is vermeld dat met de ouders van [eiser] twee keukentafelgesprekken zijn gevoerd over de hulp aan [eiser] . De notitie vermeldt het volgende:

Moeder heeft een zorgplan gemaakt en het aantal uren in kaart gebracht welke zorg ze aan [eiser] verleent. Samen met [de gedragswetenschapper] heb ik daar naar gekeken en hebben we bovengebruikelijke zorg vastgesteld. Deze is 6 uur wat een flink stuk minder is dan vorig jaar. Dit heb ik moeder telefonisch gemeld en ze snapt niet waarom het aantal uren zoveel minder is. Haar gewezen op de mogelijkheid tegen het besluit in beroep te gaan.

Een verdere onderbouwing van de vaststelling van gebruikelijke zorg ontbreekt.

13. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de keuze van verweerder om de zorg voor [eiser] deels als gebruikelijke zorg aan te merken niet zorgvuldig is voorbereid en ook niet is voorzien van een onderbouwing die het bestreden besluit kan dragen. Niet alleen is onduidelijk gebleven aan de hand van welke maatstaven verweerder heeft bepaald welk deel van de hulp gebruikelijk is. Ook is niet kenbaar of en hoe verweerder heeft onderzocht wat het effect van het “toepassen van gebruikelijke zorg” op de situatie van [eiser] zou zijn.

14. Dat wordt niet anders door de verwijzing in het bestreden besluit naar het advies van TriviumPlus. Ook uit dat advies kan niet worden opgemaakt welke maatstaven zijn gehanteerd voor het onderscheid tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp bij de maaltijd en bij het aanleren van activiteiten. Daarnaast heeft Trivium zich onthouden van een advies over wat een gebruikelijk tijdsbeslag voor bezoeken aan artsen of therapeuten is.

15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb in verbinding met de artikelen 3:46 van de Awb en 2.3 van de Jw. Daarom is het bestreden besluit vernietigd.

16. Aangezien niet gebleken is dat verweerder maatstaven heeft ontwikkeld voor de bepaling van wat gebruikelijke zorg is, en het geschil alleen betrekking heeft op een periode in het verleden, heeft de rechtbank besloten zelf in de zaak te voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 18 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3633) aansluiting gezocht bij de laatste niet meer in geschil zijnde Jw-indicatie. Dat was de indicatie voor persoonlijke verzorging in de vorm van een pgb voor het jaar 2016. Daarom heeft de rechtbank beslist dat [eiser] voor het jaar 2017 in aanmerking kwam voor een voorziening “Zelfstandig leven 1 (middel): outputgericht” in de vorm van een pgb voor 21 uur per week.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard, heeft zij bepaald dat verweerder aan de ouders van [eiser] het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden.

17. De rechtbank heeft de door de ouders van [eiser] gemaakte proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. J.L.M. Dohmen en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van J.H. van Wordragen - van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: